Hoofdstuk V: Rijkdom en Armoede


Hoofdstuk V

RIJKDOM EN ARMOEDE

De economische mogelijkheden voor de ontwikkeling van een zeker geografisch gebied worden niet alleen bepaald door het aantal arbeidskrachten en de wijze, waarop deze aan het productieproces deelnemen maar ook door het kapitaal, waarover men in dat gebied beschikt.
Tevens is van belang de verdeling van het kapitaal onder de verschillende groepen der bevolking, omdat men hierdoor een inzicht krijgt in de sociale structuur van die bevolking. In vroeger tijd was de plaats van ieder individu in de samenleving veel meer afhankelijk van zijn vermogen dan thans. Juist in de 17e en 18e eeuw viert de koop van allerlei ambten hoogtij. Hoge bestuursfuncties, hoge ambten bij de rechterlijke macht, de officiersplaatsen in het leger zijn alleen toegankelijk voor hen, die een aanzienlijk vermogen bezitten. De onvermogenden, de armen, zijn van elke politieke invloed buitengesloten.
Velerlei vragen dringen zich op: was de maatschappelijke indeling, gezien vanuit het standpunt van de verdeling der vermogens, sterk dualistisch, enerzijds grote rijkdom, anderzijds bittere armoede? Hoe scherp waren deze tegenstellingen? Stonden op het platteland een oppermachtige adel en een onderworpen boerenbevolking tegenover elkaar; in de steden een machtig regentenpatriciaat tegenover een talrijke groep van ambachtslieden; in de textielplaatsen rijke fabrikeurs tegenover arme wevers? Of bestond er tussen deze uitersten een middenstand? Zijn er in de loop der tijden ook veranderingen in de vermogens- en welstandshiërarchie te constateren? Welke is de verhouding tussen de vermeerdering van de vermogens en die der bevolking?

DE BRONNEN

Ten aanzien van Overijssel verkeren we in de gelukkige omstandigheid, dat de vragen niet alleen gesteld, maar met behulp van archivalische

|pag. 239|

_______________↑_______________

bronnen ook beantwoord kunnen worden. Men heeft hier de beschikking over de kohieren van de 500e en 1000e penning, een belasting, die geheven werd van het vermogen. Reeds in 1667 werd door de Staten van Overijssel besloten tot het invoeren van een 1000e penning van alle goederen.1 [1. Plakkaat 1667 Mei 4.] Na de noodlottige oorlog van 1672 en de vreemde overheersing werd in 1675 door Ridderschap en Steden besloten, dat van alle goederen een 500e penning betaald moest worden, zowel van de goederen der ingezetenen als van de uitheemsen, voor zover die binnen de provincie goederen, renten of hypotheken op particuliere gronden en huizen bezaten.2 [2. Resolutie Ridd. en Steden 1675 April 14.] Tot uitvoering van dit besluit bepaalden de Gedeputeerden, dat in alle steden, schout- en richterambten kohieren moesten worden opgemaakt.3 [3. Resolutie Gedeputeerden 1675 Juni 5.] Deze kohieren, verenigd met die van het hoofdgeld zijn bewaard gebleven, met uitzondering echter van het kohier van de stad Delden.4 [4. RA. Ov. Staten arch. no. 2681.] In 1683 werd de heffing van het vermogen verlaagd tot een 1000e penning; tegelijkertijd werd bepaald, dat nieuwe kohieren ter vervanging van de oude moesten worden opgemaakt.5 [5. Plakkaat 1683 Maart 31.] Aan dit laatste besluit is slechts in zeer onvoldoende mate gevolg gegeven. De herziening geschiedde langzaam, in de loop der jaren 1683-1686 en zeer onvolledig, althans van een twaalftal steden en schout- of richterambten ontbreken de kohieren.6 [6. RA. Ov. Staten arch., nos 2543-2548.]
     Telkens opnieuw werden nieuwe taxaties gelast, zo in 1693, 1703, 1708, 1733, 1750 en 1757 7 [7. Plakkaten van 1693 Sept. 13, 1703 Maart 29, 1708 Aug. 9, 1733 Sept. 16, 1750 April 20, 1757 April 22.], waarvan kohieren bewaard zijn uit 1694, 1711/1724, 1733, 1738, 1750 en 1757/58.8 [8. RA. Ov., Staten arch. nos 2387-2392 (jaar 1694), 2546-2548 (jaren 1711-1724), 2549-2551 (jaar 1733), 2552-2554 (jaar 1738), 2555-2557 (jaar 1750), 2558-2560 (jaren 1757-1758).] Met uitzondering van het jaar 1750 werd de 1000e penning met lichte wijzigingen steeds volgens dezelfde normen geheven. Getaxeerd moesten worden alle reële en personele effecten, koopmanschappen, winsten, contante penningen, uitgezonderd meubelen en ongemunt zilver. Landerijen moesten op het twintigvoud van de opbrengst worden geschat, waarbij voor uitgangen in natura de prijzen van één mud rogge, boekweit, haver of gerst op 3 gld. per mud werd gesteld, die van één mud erwten, bonen of tarwe op 4 gld. en één vierendeel boter op 15 gld. De garferven werden gerekend naar de gemiddelde opbrengst van de laatste zes jaren, het

|pag. 240|

_______________↑_______________

akkermaalshout naar de opbrengst van de vorige houw. Bij huizen moest van iedere 70 gld. inkomsten 1 gld. in de 1000e penning worden betaald, bij molens van iedere 90 gld. inkomsten eveneens 1 gld. in de 1000e penning. Personele goederen en koopmanschappen moesten evenals landerijen op het twintigvoud van de opbrengst worden getaxeerd. Bij lijfrenten werd iedere 100 gld. rente gerekend op 1000 gld. kapitaal. Schulden mogen van het vermogen worden afgetrokken.
Ieder ingezetene zal alleen getaxeerd worden ter plaatse, waar hij woonachtig is, de goederen van de uitheemsen echter ter plaatse, waar zij zijn gelegen. Vrijgesteld zijn de goederen van de provincie zelf, de ridderschap (in beide gevallen dus de domeingoederen), de steden en van de gast-, wees- of godshuizen. Vrijgesteld zijn ook allen met een vermogen beneden 500 gld. Alle leden van de Ridderschap, die ten Landdage compareren moeten op minstens 25.000 gld. worden aangeslagen. Telkens weer dringen de Staten er in hun lastgevingen aan de schatters op aan „dat men eerder bij taxatie te hooge als te leege een ieder zal aanslaan, om des te bequamer een egale taxatie uit te vinden”.9 [9. 1693 Sept. 13.] In 1703 luidt het, dat niemand lager getaxeerd mag worden dan op het vorige kohier!
     De schatting van 1750 verschilde zeer van alle overige, doordat toen de onroerende goederen werden aangeslagen, waar zij gelegen waren. Terwijl men bij de voorgaande taxaties en ook bij die van 1757/58 de eigenaar steeds in zijn woonplaats had aangeslagen, is in 1750 de ligging van het goed van belang. Bovendien is de minimumgrens van 500 gld. opgeheven, zodat ieder eigenaar van roerende en onroerende goederen, met uitzondering van meubelen, ongemunt zilver en obligatiën ten laste van de provincie Overijssel, wordt aangeslagen.
     Uit de bovenstaande bepalingen ten aanzien van de schattingen volgt, dat de kohieren geen inlichtingen kunnen verschaffen over het totale „nationale” vermogen, omdat de domeinen, de geestelijke goederen en – behalve in 1750 – de vermogens beneden 500 gld. ontbreken. De minimumgrens van 25.000 gld. voor de edelen, die ten Landdage verschreven werden, is in overeenstemming met de eisen, waaraan men moest voldoen om in de Ridderschap beschreven te worden. Hiervoor moest men sedert 1637, behalve over een havezathe, ook nog over land ter waarde van 25.000 gld. beschikken. In vele gevallen is de taxatie op ƒ 25.000 echter hoger dan de werkelijke waarde der bezittingen.
     De kohieren van 1750 kunnen alleen voor de provincie in haar geheel vergeleken worden met de kohieren van de andere jaren. Een ver-

|pag. 241|

_______________↑_______________

gelijking naar kwartieren en naar de verhouding tussen stad en platteland is niet mogelijk. Zeer veel stedelingen immers hebben bezittingen op het platteland, waardoor de uitkomsten van het kohier van 1750 volkomen afwijken van de overige kohieren. Uit de kohieren van 1750 kan bovendien niet het aantal aangeslagenen worden vastgesteld, omdat vele personen in verscheiden steden en schout- of richterambten zijn aangeslagen. Met veel geduld zou het misschien mogelijk zijn om een index der personen van het kohier van 1750 samen te stellen, maar de aanduiding der eigenaren is dikwijls zo onvolledig, dat dit een vruchteloos werk zou worden.
     Afgezien van de onvolkomenheden, die aan de kohieren kleven, rijst de vraag of de schattingen voldoende betrouwbaar zijn. In het algemeen kan men aannemen, dat de schattingen aan de lage kant zijn. De schatters moesten op gegevens afgaan, die hun door de aangeslagenen werden verstrekt of bij gebreke daarvan op hun persoonlijke indruk.
Aan ontduiking van de zijde der aangeslagenen en aan willekeur van de kant van de schatters zal het niet hebben ontbroken. Toch zijn deze willekeurigheden voor het onderhavige onderzoek van minder gewicht, omdat het niet zo zeer om de absolute getallen gaat, dan wel om procentuele verhoudingen tussen de verschillende delen van Overijssel onderling of tussen verschillende groepen van de bevolking. Men kan veronderstellen, dat ontduiking en willekeur overal in dezelfde mate zullen zijn voorgekomen, zodat deze op de relatieve cijfers weinig invloed zullen hebben gehad. Onder dit voorbehoud is het mogelijk om de gegevens uit de kohieren van de 500e en 1000e penning te gebruiken voor de beantwoording van de gestelde vragen.

DE TOTALE SOM DER VERMOGENS

Indien men de totale som der vermogens uit de kohieren van de verschillende jaren onderling wil vergelijken, doet zich één grote moeilijkheid voor, en deze bestaat in de taxatie der edelen. In de kohieren van 1675 en 1683 zijn de edelen niet opgenomen, althans in verschillende schout- en richterambten niet. Hiervan bestaat een afzonderlijk kohier, van 1675 in twee verschillende opgaven en van 1684.10 [10. RA. Ov., Staten arch., no. 2542.] Terwijl in de kohieren na 1684 alle aangeslagenen, waaronder dus ook de edelen, per stad, schout- of richterambt zijn opgegeven, is dit met de edelen in 1675 en 1684 niet het geval, hun namen worden in de kohieren opgegeven zonder enige nadere plaatsaanduiding. Voor vergelijking

|pag. 242|

_______________↑_______________

van de plaatselijke vermogensverhoudingen gedurende de gehele periode is het echter noodzakelijk om de woonplaatsen van de edelen in 1675 en 1684 te kennen. Met behulp van de latere kohieren is het mogelijk om van vrijwel alle edelen te bepalen, waar zij thuis horen en in welk schout- of richterambt zij zouden zijn aangeslagen, indien ook hun aanslag per schout- of richterambt geschied ware. In de eerste lijst van 1675 worden de edelen nog naar de kwartieren gerangschikt, in de tweede opgave is zelfs dit nagelaten, edelen uit alle kwartieren staan door elkaar. Wat het aantal betreft bestaat er tussen de beide lijsten van 1675 weinig verschil, doch wel wat het totaal vermogen betreft, dat volgens de eerste lijst 8.162.000 gld. bedraagt en volgens de tweede 8.334.000 gld. Het verschil is te wijten aan de inwilliging van enkele verzoeken om verlaging. De eerste lijst is dus de jongere of meer bijgewerkte.
     Naar verhouding tot de overige aangeslagenen moet de taxatie van de edelen in 1675 te hoog worden geacht. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat het totaal bedrag, waarvoor de in de Ridderschap beschreven edelen zijn aangeslagen, in de loop der jaren aanmerkelijk daalt.
Het willekeurige van de aanslag blijkt ook uit de belangrijke verlagingen, die worden toegestaan: bijv. Van Coeverden tot Rhaen verkrijgt een vermindering van 180.000 gld. op 80.000 gld., Van Ens tot Heeckeren van 160.000 gld. op 120.000 gld., vervolgens in 1684 getaxeerd op 100.000 gld., in 1690 wederom verlaagd tot 40.000 gld., Sloet tot Canneveld wordt verminderd van 50.000 gld. op 40.000 gld., Van Isselmuden van 225.000 gld. op 200.000 gld. De weduwe Schaep tot Winshem werd in 1684 getaxeerd op 100.000 gld., in 1690 op 50.000 gld., de kinderen van D. van Haersolte werden eveneens van 100.000 gld. op 50.000 gld. verlaagd. De graaf van Flodorff staat in het ene register van 1675 op 200.000 gld., in het andere op 100.000 gld., waarvoor hij ook nog is aangeslagen in 1684. In 1687 heeft hij verlaging gekregen tot 50.000 gld., in 1688 tot 25.000 gld.
     De verminderingen in de aanslagen kunnen het gevolg zijn van boedelscheidingen, verkoop van landerijen, snelle vermeerdering der schulden, maar zij wijzen tevens op onnauwkeurigheid, men ziet niet op enige tienduizenden guldens. Nu moet hieraan onmiddellijk worden toegevoegd, dat hierboven de meest in het oog lopende gevallen verzameld zijn. Bij vele anderen zijn de verlagingen van geringer betekenis geweest of zijn de aanslagen ongewijzigd gebleven. Bij de overige vermogens doen zich dergelijke grove onnauwkeurigheden niet voor, doordat zij niet aan het minimum bedrag van 25.000 gld. gebonden zijn. Men moet derhalve steeds een onderscheid maken tussen het

|pag. 243|

_______________↑_______________

totaal vermogen met inbegrip van de edelen, die havezathen bezitten en het totaal vermogen zonder dat van de in de Ridderschap beschreven edelen.
     Men zou kunnen menen, dat de totale bedragen van de vermogens zonder de havezathen van de verschillende jaren zeer goed onderling vergelijkbaar zijn, na uitschakeling derhalve van de wisselvallige bedragen voor de havezathen. Maar ook hier schuilen nog weer moeilijkheden, omdat de havezathen een wisselende groep vormen. Havezathen kunnen in het bezit komen van edelen, die niet ten Landdage verschreven kunnen worden: vrouwen, minderjarige kinderen, Rooms-Katholieke edelen, Overijsselse edelen, die zich buiten Overijssel hebben gevestigd, niet-Overijsselse edelen en tenslotte burgers. De havezathen vormen derhalve, zoals zij in de kohieren van de 500e en 1000e penning vermeld worden, allerminst een constante groep, die men uit dien hoofde buiten beschouwing kan laten.
     Vergelijkt men de bedragen der vermogens met en zonder havezathen voor de jaren 1675, 1694, 1711, 1723, 1738 en 1758 11 [11. Het kohier van 1683 is onvolledig. Voor de stad Delden, waarvoor de gegevens in 1675 ontbreken, zijn die van 1685 genomen.] dan constateert men het volgende:
 

Zonder havezathen
1675 1694 1711 1733 1738 1758
Drie steden 9.676.000 9.645.000 9.208.577 6.950.000 6.884.500 8.417.678
Salland 2.426.533 2.087.650 2.106.925 2.038.319 1.887.569 2.887.700
Twente 2.571.550 2.781.570 2.870.910 2.366.150 2.370.500 5.231.317
Vollenhove 941.675 1.193.975 798.250 762.000 723.100 1.217.099
Totaal 15.615.758 15.708.195 14.984.662 12.116.469 11.865.669 17.753.794
Met havezathen
Drie steden 9.676.000 9.645.000 9.208.577 6.982.000 6.884.500 8.575.762
Salland 6.581.533 3.474.650 3.831.925 3.241.319 3.183.569 4.068.136
Twente 5.709.500 4.039.570 4.108.910 3.416.150 3.484.500 6.356.115
Vollenhove 1.866.675 2.098.975 1.051.250 1.134.000 1.111.100 1.643.997
Totaal 23.833.708 19.258.195 18.200.662 14.773.469 14.663.669 20.644.010

 
Het totaal vermogen van geheel Overijssel zonder de havezathen verminderde van 1694 tot 1738 en geeft in 1758 een belangrijke stijging te zien, zodat het komt boven het niveau van 1675 en 1694. Bij het totaal vermogen met inbegrip van de havezathen wordt in 1758 zelfs

|pag. 244|

_______________↑_______________

het bedrag van 1675 niet bereikt. Voor 1750 komt men op een totaal vermogen van 23.205.680 gld.; dit bedrag is vanzelfsprekend hoger dan de bedragen der andere jaren, omdat toen alle vermogens, ook die beneden ƒ 500.— werden aangeslagen.
     De bedragen, waarvoor de havezathen getaxeerd waren, daalden als volgt:
 

1675 8.217.950 gld.
1683 5.557.000 „
later verminderd tot 5.066.500 „
1694 3.550.000 „
1711 3.216.000 „
1733 2.657.000 „
1738 2.798.000 „
1758 2.890.216 „

 
De vermeerdering en vermindering der vermogens in de verschillende delen van het gewest worden veel duidelijker, indien men de procentuele wijzigingen bepaalt, waarbij 1675 op 100 is gesteld:
 

Zonder havezathen
1675 1694 1711 1733 1738 1758
Drie steden 100.0 99.7 95.2 71.8 71.2 87.0
Salland 100.0 86.0 86.8 84.0 77.8 119.0
Twente 100.0 108.2 111.6 92.0 92.2 203.4
Vollenhove 100.0 126.8 84.7 80.9 76.8 129.2
Totaal 100.0 100.6 95.9 77.6 76.0 113.7
Zonder havezathen
Salland steden 100.0 104.8 55.2 78.6 66.2 99.3
Salland platteland 100.0 84.0 91.2 84.7 79.4 121.2
Twente steden 100.0 115.9 134.1 105.2 102.6 235.9
Twente platteland 100.0 104.2 100.2 85.3 86.9 187.0
Vollenhove steden 100.0 121.2 83.5 68.4 60.8 93.6
Vollenhove platteland 100.0 134.4 86.7 98.2 98.7 178.3

 
Men ziet hier, dat – afgezien van een kleine algehele vooruitgang, welke sterker is geaccentueerd in Twente en Vollenhove in 1694 – de vermogens bij de taxaties van 1711, 1733 en 1738 overal, met uitzondering van Twente in 1711, zijn achteruitgegaan; het meest in de drie grote steden. In 1758 blijft het vermogen in de drie steden nog lager dan in

|pag. 245|

_______________↑_______________

1675, in Salland en Vollenhove kan men een lichte stijging constateren, in Twente vindt een verdubbeling plaats. Stelt men in de kwartieren steden en platteland tegenover elkaar, dan blijkt de ontwikkeling in de steden van Salland en Vollenhove bijzonder ongunstig te zijn geweest. De totale vermogens zijn daar veel meer achteruitgegaan dan op het platteland. In Twente is het juist andersom. Het totaal bedrag der vermogens van de Twentse steden is steeds, in alle jaren, boven het peil van 1675 gebleven, een opmerkelijke uitzondering, waarbij vooral de zeer gunstige toestand in het oorlogsjaar 1711 opvalt. In 1758 zijn zij zelfs gestegen tot een indexcijfer van 235. Op het platteland ziet men overal in 1758 enige vermeerdering, het minst in Salland, een veel sterker vermeerdering in Twente en Vollenhove (resp. 187 en 178). Na het onderzoek naar de beroepsstructuur geeft deze bijzondere positie van Twente en het platteland van Vollenhove geen reden tot uitzonderlijke verbazing. De stijging van de vermogens moet in verband staan met de textielnijverheid en de turfgraverij. De bijzondere groei van de vermogens in de Twentse steden – meer dan op het platteland – en de tegenstelling in Vollenhove tussen steden en platteland, wijzen in deze richting.

VERMOGEN EN BEVOLKING

In hoeverre heeft de stijging of daling der vermogens gelijke tred gehouden met de bevolkingsvermeerdering of -vermindering? Uit de jaren van de kohieren zijn geen demografische gegevens bekend, naar tijd komt de telling voor het hoofdgeld van 1723 het dichtst nabij aan het kohier van 1733, de hoofdgeldkohieren van 1764 kunnen het best gebruikt worden voor het kohier van de 1000e penning van 1758.
 

Indexcijfers van de vermogensvermeerdering
vergeleken met de bevolkingsvermeerdering (1675 = 100) (zie diagram 18)
Vermogen
1733
Bevolking
1723
Vermogen
1758
Bevolking
1764
Drie steden 71.8 120.7 87.0 139.8
Salland 84.0 132.1 119.0 178.4
Twente 92.0 161.7 203.4 261.7
Vollenhove 80.9 117.3 129.2 164.4
Totaal 77.6 137.6 113.7 186.9

 

|pag. 246|

_______________↑_______________

 

Vermogen
1733
Bevolking
1723
Vermogen
1758
Bevolking
1764
Drie steden 71.8 120.7 87.0 139.8
Salland steden 78.6 144.1 99.3 196.8
Salland platteland 84.7 131.1 121.1 176.9
Twente steden 105.2 133.4 235.9 233.9
Twente platteland 85.3 172.5 187.0 272.7
Vollenhove steden 68.4 137.5 93.6 143.0
Vollenhove platteland 98.2 141.6 178.3 176.4
Totaal 77.6 137.6 113.7 186.9

 
Uit bovenstaande cijfers blijkt, dat zowel in geheel Overijssel als in de afzonderlijke kwartieren de bevolkingsvermeerdering veel groter is geweest dan de stijging der vermogens. Voor geheel Overijssel bedraagt

[18. Indices vermogensvermeerdering vergeleken met indices bevolkingsvermeerdering, 1675-1758-64]

het verschil in 1758 tussen de indexcijfers van de bevolkingsvermeerdering en van de vermogensvermeerdering 73.2.
     De vermogens zijn toegenomen, doch in veel mindere mate dan de bevolking. De kapitaalsvorming is aanzienlijk ten achter gebleven bij de vergroting van het aantal arbeidskrachten. In de huidige tijd zou dit vertraging van het productieproces betekenen. In het Overijssel

|pag. 247|

_______________↑_______________

van de 18e eeuw vroeg de nijverheid slechts weinig kapitaal. De vermogens bestonden voornamelijk uit huizen, boerderijen en land.
Geringe kapitaalvorming betekende toen derhalve weinig ontginningen en geringe huizenbouw. De sterke bevolkingsvermeerdering moest dus leiden tot een grote groep van overtollige arbeidskrachten, die slecht gehuisvest waren en in voeding en kleding gebrek leden, kortom onder grote armoede gebukt gingen.
     Stelt men ook hier weer steden en platteland tegenover elkaar, dan bemerkt men een tegenstrijdigheid.12 [12. Zie blz. 247.] Er blijkt, dat de vermogens in de Twentse steden en op het platteland van Vollenhove meer gestegen zijn dan de bevolkingsvermeerdering heeft bedragen. Men zou dus hier een betrekkelijk grote welvaart verwachten. In 1764 is echter de armoede in de Twentse steden bijzonder groot. Tegelijkertijd groter welvaart en meer armoede? Een dergelijke tegenspraak lijkt onmogelijk. Hier beneden zal worden aangetoond, dat beide conclusies juist zijn.
In de Twentse steden heeft zich een welvarende middenstand ontplooid, maar tevens vond een verpaupering van de groep der armen plaats.
     Het verschil tussen bevolkingsvermeerdering en de stijging der vermogens is het grootst in de kleine Sallandse steden en het Twentse platteland. Bij de Sallandse steden is de achteruitgang vooral te wijten aan Hasselt, dat zich in 1675 kon beroemen op een totaal vermogen van 140.500 gld., in 1758 echter teruggelopen tot 98.296 gld. De steden Ommen en Genemuiden zijn daarentegen nog vooruitgegaan. Op het Twentse platteland valt een algemene vermogensstijging te constateren, welke echter nog lang niet evenredig was aan de grote bevolkingsvermeerdering.
     De achteruitgang van het totaal vermogen der havezathen ziet men het duidelijkst doorde indices te vergelijken, waarbij 1675 op 100 is gesteld:
 

Indices van het totaal vermogen der havezathen:
1675 100.0
1683 68.1
na vermindering 1683 62.1
1694 43.5
1711 39.4
1733 32.5
1738 34.3
1758 35.5

 
De vermindering van de vermogens van de ten landdage verschreven edelen is op het Sallandse en het Twentse platteland ongeveer van dezelfde omvang geweest.

|pag. 248|

_______________↑_______________

     Hoewel de havezathen meest op het platteland zijn gelegen en dientengevolge de edelen der havezathen onder het platteland zijn aangeslagen, vinden we soms toch een uitzondering, nl. dat enige edelen in de steden zijn getaxeerd. In 1758 staan onder Zwolle vermeld Blankvoort tot Benthuis en Raesfelt tot de Pol, onder Kampen Gansneb gen. Tengnagel tot den Oldenhof en Gansneb gen. Tengnagel van de Bonkenhave; in de stad Ootmarsum staat de gelijknamige havezathe van de drost van Twente van Heyden Hompesch tot Ootmarsum. In het kwartier van Vollenhove zijn de havezathen voornamelijk geconcentreerd in de stad Vollenhove.
     Vergelijkt men de verdeling van de vermogens met inbegrip van de havezathen over de verschillende kwartieren in verhouding tot de bevolking in 1675 en in 1758 (1764):
 

1675
Vermogen
1675
Bevolking
1758
Vermogen
1764
Bevolking
Drie steden 40.6 (1) 27.9 (2) 41.5 (1) 20.9 (3)
Salland 27.6 (2) 32.7 (1) 19.7 (3) 31.2 (2)
Twente 24.0 (3) 25.5 (3) 30.8 (2) 35.7 (1)
Vollenhove 7.8 (4) 13.9 (4) 8.0 (4) 12.2 (4)
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0

 
dan constateert men, dat de drie steden in 1675 met ruim een kwart van de bevolking meer dan 40% van het totale Overijsselse vermogen bezitten, in 1758 zelfs met 20% der bevolking eveneens nog meer dan 40%. De drie steden hebben een groter aandeel van het vermogen dan in overeenstemming is met hun bevolkingsgrootte; dit betekent, dat de burgers der drie grote steden kapitaalkrachtiger zijn dan de bewoners van de overige delen van Overijssel. Sallands aandeel in het totale Overijsselse vermogen is in 1758 zeer sterk teruggelopen, dat van Twente is vergroot, terwijl Vollenhove op hetzelfde peil is gebleven.
Stond Salland, wat de vermogens betreft, in 1675 na de drie grote steden nog op de tweede plaats, in 1758 heeft Salland deze moeten afstaan aan Twente.
     Voegt men alle steden bij elkaar, dan blijken steden en platteland in 1675 ieder ongeveer de helft te bezitten van het totale vermogen; bij de bevolking is het evenwicht iets doorgeslagen naar de zijde van het platteland. In 1758 ziet men, dat het stedelijk vermogen is toegenomen, terwijl bij de bevolking juist het platteland een sterke vermeerdering te zien geeft:

|pag. 249|

_______________↑_______________

 

1675
vermogen
1675
bevolking
1758
vermogen
1764
bevolking
Steden 50.5 42.5 57.8 36.2
Platteland 49.5 57.5 42.2 63.8
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0

 
Voegt men de vermogens van de drie steden en die van de edelen met havezathen bij elkaar, dan beschikken deze in 1675 tesamen over 72.8% van het gehele Overijsselse vermogen. Voor de daarop volgende jaren zijn de percentages: 68.3% (1711), 65.2% (1733), 66.0% (1738) en 55.6% (1758). Men ziet duidelijk, dat de politieke beheersing van het gewest door Ridderschap en Steden samenging met een zeer groot financieel overwicht. De meest kapitaalkrachtige organen hadden ook in politiek opzicht de touwtjes in handen. De achteruitgang tussen 1675 en 1758 is vooral te wijten aan de lagere taxaties van de havezathen, waarin toch misschien ook een verminderde financiële betekenis van de Ridderschap tot uiting kwam. De steeds groeiende betekenis van Twente en vooral van de Twentse steden blijkt uit de stijging van hun aandeel in het totale Overijsselse vermogen: in 1675 nog slechts 4.3%, waarmede het percentage van de acht Twentse steden nog geringer is dan dat van de vier steden van het kwartier van Vollenhove (4.5%). In 1758 bedraagt het voor de Twentse steden 10.6%.
Men weet, dat in de 18e eeuw in de Twentse steden ook de roep om politieke zeggenschap steeds luider werd. De tijd van de alleenheerschappij van Ridderschap en de drie grote steden naderde zijn einde, vooral in Twente was men zich zijn eigen gestegen waarde bewust geworden.
     Bij een beschouwing van de verdeling van de vermogens zonder havezathen over de kwartieren, ziet men ook weer de stijging van de vermogens in Twente: in 1675 16.5% van het totale Overijsselse vermogen, in 1758 gestegen tot 29.5%. Duidelijk treedt nu ook de vooruitgang van het Twentse platteland naar voren: in 1675 10.9% van het totale Overijsselse vermogen, in 1758 vooruitgegaan tot 18.0%.
     Naast de demografische verschuiving van het zwaartepunt van West naar Oost, van Salland en de drie steden naar Twente, kan men een zelfde verplaatsing opmerken op het terrein van het kapitaal, alleen is de overgang nog minder uitgesproken. De drie steden behouden nog de voorrang. Salland is hier de grote verliezer.

VERMOGENSKLASSEN

Men kan de vermogens in klassen indelen naar de grootte. Dit is geschied voor de jaren 1675 en 1758:

|pag. 250|

_______________↑_______________

 

1675 Vermogensklassen
aantal aangeslagenen (A) en vermogens (V)
Drie steden Salland Twente Vollenhove Overijssel
A V A V A V A V A V
500- 1.999 941 697.500 931 716.033 519 540.500 749 560.175 3.140 2.514.208
2.000- 4.999 363 1.021.500 165 440.500 203 553.500 125 308.500 856 2.324.000
5.000- 9.999 168 1.058.000 46 282.500 64 420.500 12 73.000 290 1.834.000
10.000-24.999 159 2.369.500 50 658.500 36 488.000 1 20.000 246 3.536.000
25.000-49.999 74 2.451.500 32 994.000 19 545.000 6 180.000 131 4.170.500
50.000-99.999 23 1.338.000 18 1.150.000 13 847.000 5 325.000 59 3.660.000
100.000 en meer 6 740.000 14 2.340.000 12 2.315.000 3 400.000 35 5.795.000
Totaal 1.734 9.676.000 1.256 6.581.533 866 5.709.500 901 1.866.675 4.757 23.833.708
1758 Vermogensklassen
A V A V A V A V A V
500- 1.999 697 658.686 1.051 1.028.134 1.701 1.683.162 494 484.920 3.943 3.854.902
2.000- 4.999 451 1.324.460 296 873.763 425 1.252.352 120 358.219 1.292 3.808.794
5.000- 9.999 207 1.427.116 71 478.128 124 829.572 25 161.681 427 2.896.497
10.000-24.999 157 2.387.734 20 300.698 60 920.520 11 166.517 248 3.775.469
25.000-49.999 42 1.410.494 27 799.289 24 772.349 9 232.290 102 3.214.422
50.000-99.999 17 1.103.522 8 486.849 6 369.874 1 60.390 32 2.020.635
100.000 en meer 2 263.750 1 101.275 3 528.286 1 179.980 7 1.073.291
Totaal 1.573 8.575.762 1.474 4.068.136 2.343 6.356.115 661 1.643.997 6.051 20.644.010

 

|pag. 251|

_______________↑_______________

Men ziet, dat de grote vermogens tussen 1675 en 1758 aanmerkelijk in aantal zijn verminderd: in 1675 waren er 35 personen met een vermogen van 100.000 gld. of meer, in 1758 is dit gedaald tot 7. Gedeeltelijk is dit toe te schrijven aan de verlaging van de taxatie van de havezathen. In 1675 en 1758 behoren – behalve in de drie steden – alle vermogens boven 100.000 gld. aan de leden van de Ridderschap.
Het aantal rijke burgers in de drie steden is echter ook gedaald van 6 op 2. In 1675 waren het hoogst aangeslagen de weduwe van kolonel A. van Haersolte en U. Ripperda tot Hengelo, ieder met 400.000 gld.
Hierop volgen A.R. van Raesfelt tot Twickelo met 300.000 gld., Z. van Rechteren, heer van Almelo met 250.000 gld., H. Bentinck tot Werkeren en de weduwe van de drost van Haersolte, ieder op 225.000 gld. getaxeerd; op 200.000 gld. zijn aangeslagen J.A. van Rechteren tot Rechteren, de weduwe van D. van Haersolte tot Wolfshagen, U. Ripperda tot Weldam en H. van Isselmuden tot de Rollecate. De hoogste burgerlijke vermogens behoren aan de kinderen Wyntgens met 160.000 gld. en de weduwe Roelinx met 150.000 gld., beiden te Zwolle.
     In 1758 is slechts één persoon boven 200.000 gld. aangeslagen, nl. O.W. graaf van Wassenaer tot Twickelo met 225.790 gld., hierop volgen A. Sloet tot Tweenyenhuizen met 179.980 gld., S.V.G.L. graaf van Heyden Hompesch tot Ootmarsum met 176.871 gld. en A.P.Z. graaf van Rechteren tot Almelo met 163.415 gld. De hoogste burgerlijke vermogens zijn in handen van de weduwe van de Deventer burgemeester A. Bouwer, nl. A. Bouwer-van Suchtelen, en de zuster van haar schoondochter Johanna Catharina van Markel, wier moeder eveneens een Van Suchtelen was, resp. met 137.650 gld. en 126.100 gld.13 [13. Zie blz. 316-318.]
De klassen van de vermogens tussen 25.000 en 50.000 gld. en 50.000 en 100.000 gld. zijn tussen 1675 en 1758 ook achteruit gegaan, zowel wat het aantal aangeslagenen als het totale bedrag der vermogens betreft. Een uitzondering in de klasse van 25.000-50.000 gld. vormen de Twentse steden en het platteland van Vollenhove. In 1675 was er in de acht Twentse steden slechts één bezitter van een vermogen van meer dan 25.000 gld., in 1758 waren er 7 met een totaal bedrag van 253.250 gld.; op het platteland van Vollenhove was er in 1675 ook één bezitter van een vermogen van boven 25.000 gld., in 1758 waren het er drie met een totaal vermogen van 82.290 gld.
     Duidelijker worden de verschillen tussen 1675 en 1758, indien men de percentages berekent, waarbij in ieder deel van het gewest het aantal aangeslagenen en het totaal vermogen op 100% gesteld worden:

|pag. 252|

_______________↑_______________

 

Vermogens 1615 percentages
aangeslagenen (A) en vermogens (V)
Drie steden Salland Twente Vollenhove Totaal
A V A V A V A V A V
500- 1.999 54.3 7.2 74.1 10.9 59.9 9.5 83.1 30.0 66.0 10.6
2.000- 4.999 20.9 10.6 13.1 6.7 23.4 9.7 13.9 16.5 18.0 9.7
5.000- 9.999 9.7 10.9 3.7 4.3 7.4 7.4 1.3 3.9 6.1 7.7
10.000-24.999 9.2 24.5 4.0 10.0 4.2 8.5 0.1 1.1 5.2 14.8
25.000-49.999 4.3 25.3 2.6 15.1 2.2 9.5 0.7 9.7 2.8 17.5
50.000-99.999 1.3 13.8 1.4 17.5 1.5 14.8 0.6 17.4 1.2 15.4
100.000 en meer 0.3 7.7 1.1 35.5 1.4 40.6 0.3 21.4 0.7 24.3
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0

 

Salland sted. Sall. plattel. Twente sted. Twente platt. Vollenh. st. Vollenh. pl.
A V A V A V A V A V A V
500- 1.999 76.3 33.1 73.8 9.9 63.8 20.0 57.3 7.2 73.3 23.3 92.7 39.0
2.000- 4.999 15.5 19.3 12.8 6.1 24.7 23.3 22.6 6.8 22.3 23.1 5.7 7.7
5.000- 9.999 3.4 10.7 3.7 4.0 7.5 16.3 7.4 5.4 2.0 4.8 0.7 2.8
10.000-24.999 3.4 19.7 4.1 9.5 2.9 12.3 5.0 7.7 0.2 1.9
25.000-49.999 1.4 17.2 2.7 15.0 0.3 2.5 3.5 11.1 1.1 14.5 0.2 3.1
50.000-99.999 1.6 18.3 0.5 10.8 2.1 15.7 0.9 23.0 0.2 10.0
100.000 en meer 1.3 37.2 0.3 14.8 2.1 46.1 0.2 9.4 0.5 37.4
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0

 

|pag. 253|

_______________↑_______________

 

Vermogens 1758 percentages
aangeslagenen (A) en vermogens (V)
Drie steden Salland Twente Vollenhove Totaal
A V A V A V A V A V
500- 1.999 44.3 7.7 71.2 25.3 72.6 26.5 74.7 29.5 65.2 18.7
2.000- 4.999 28.7 15.4 20.0 21.4 18.1 19.7 18.2 21.8 21.3 18.4
5.000- 9.999 13.1 16.7 4.7 11.8 5.3 13.0 3.8 9.9 7.1 14.0
10.000-24.999 10.0 27.8 1.3 7.4 2.6 14.5 1.7 10.2 4.1 18.3
25.000-49.999 2.8 16.4 1.7 12.0 1.0 12.2 1.4 14.1 1.7 15.6
50.000-99.999 1.0 12.9 0.5 19.6 0.3 5.8 0.1 3.6 0.5 9.8
100.000 en meer 0.1 3.1 0.6 2.5 0.1 8.3 0.1 10.9 0.1 5.2
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0

 

Sall. steden Sall. plattel. Twente sted. Twente platt. Vollenh. sted. Vollenh. pl.
A V A V A V A V A Y A V
500- 1.999 71.9 41.3 71.2 24.0 59.9 17.7 77.3 31.1 69.9 19.7 77.2 40.3
2.000- 4.999 23.3 40.8 19.7 20.0 22.4 19.7 16.6 19.7 17.9 14.7 18.3 29.6
5.000- 9.999 4.2 14.2 4.9 11.6 10.9 21.4 3.2 8.6 5.8 9.9 2.7 9.8
10.000-24.999 0.6 3.7 1.4 7.7 5.5 23.4 1.5 9.8 2.7 10.4 1.1 9.8
25.000-49.999 2.1 21.1 1.1 11.5 1.0 12.5 2.7 17.4 0.7 10.5
50.000-99.999 0.6 12.9 0.3 8.9 0.5 7.0
100.000 en meer 0.1 2.7 0.2 6.3 0.1 9.4 0.5 20.9
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0

 

|pag. 254|

_______________↑_______________

Men ziet uit nevenstaande cijfers, dat het percentage der aangeslagenen in de laagste vermogensklasse (500-1.999) in geheel Overijssel in 1675 en 1758 ongeveer gelijk is gebleven, hun gezamenlijk vermogen is echter gestegen. In de tweede en derde vermogensklassen (resp. 2.000-4.999 en 5.000-9.999) stijgen tussen 1675 en 1758 zowel de percentages van de aangeslagenen als die van hun vermogens. Voor de klasse van 10.000-24.999 is het percentage der aangeslagenen gedaald, dat van de vermogens evenwel gestegen. Voor de klassen boven 25.000 gld. ziet men daling der percentages van de aangeslagenen en van de vermogens. In het algemeen kan men een versterking van de middenklassen constateren. De toegenomen betekenis van de middenklassen (2.000-9.999) blijkt het best uit het volgende: in 1675 bezitten 24.1% der aangeslagenen in deze beide vermogensklassen 17.4% van het totale vermogen, in 1758 zijn het 28.4% van de aangeslagenen met 32.5% van het totale vermogen. Het vermogen van deze groep is dus zeer aanzienlijk toegenomen.
     Anderzijds kan men een daling van de betekenis der hoogstaangeslagenen opmerken. In 1675 bezitten 0.2% van de totale bevolking (gerekend naar gezinnen) bijna een kwart van het totale Overijsselse vermogen (24.3%); 1.4% der bevolking bezit 57.2% van het totale Overijsselse vermogen. In 1758 is dit gedaald: 1.4% der bevolking bezit dan 48.9% van het totale vermogen. Het verschil hierbij is, dat in 1675 uitsluitend de vermogens boven 25.000 gld. gerekend zijn, in 1758 echter moet men, om ongeveer hetzelfde percentage der aangeslagenen te bereiken als in 1675, reeds afdalen tot de klasse van de vermogens boven de 10.000 gld.
     Bij de vergelijking van de percentages der aangeslagenen en vermogens in de verschillende vermogensklassen, zien we, dat in de drie grote steden tussen 1675 en 1758 vooral een verschuiving ten gunste van de klasse van 2.000-9.999 gld. heeft plaats gevonden. In de Sallandse kleine steden zijn in het bijzonder de vermogens uit de beide laagste klassen van 500-4.999 gld. toegenomen. Op het Sallandse en Twentse platteland vindt men een vermeerdering van de vermogens uit de drie laagste klassen (500-9.999), waarbij valt op te merken, dat in Twente het percentage der aangeslagenen alleen gestegen is in de laagste klasse. In de steden van Twente en Vollenhove zijn de vermogensklassen van 5.000-24.999 gld. aan de winnende hand. Het platteland van Vollenhove toont een vermeerdering van de klassen van 2.000-24.999. In het algemeen dus overal in 1758 een vooruitgang van de middenklassen (2.000-9.999), welke in geheel Salland en op het Twentse platteland meer neigt naar de kleinste vermogens van 500-

|pag. 255|

_______________↑_______________

1.999, in geheel Vollenhove en de Twentse steden meerde richting uitgaat van de middelgrote vermogens van 10.000-24.999 gld., in deTwentse steden zelfs zich uitstrekt tot de vermogens van 25.000-49.999 gld.
     Overal ziet men een doorbreking van het overwicht van adel en regentenpatriciaat door een groeiende middenstand.

DE VERMOGENS-HIËRARCHIE

Bij de beroepen is een poging gewaagd om met behulp van Van Heek’s hiërarchische indeling van de beroepsbevolking te komen tot een groter kennis van de beroepsstructuur.14 [14. Blz. 183-191.] In plaats van de beroepen kan men ook het vermogen als norm nemen. Om een inzicht in de vermogens-hiërarchie te krijgen, moet men echter te voren de vermogens van de uitheemsen, d.w.z. de vermogens van hen, die niet in Overijssel wonen, uit het totale Overijsselse vermogen lichten. Dit levert enige moeilijkheden op, daar in de kohieren niet steeds wordt vermeld, wie van de aangeslagenen uitheems is. In de meeste schout- en richterambten geschiedt het wel, in sommigen echter niet. In totaal kan men het uitheems vermogen in 1675 berekenen op 644.350 gld., behorend aan 105 aangeslagenen; in 1758 zijn er 309 uitheemse aangeslagenen met een vermogen van 1.037.132 gld. De meeste uitheemse vermogens vindt men op het platteland van Salland en Twente.
     Naar analogie van Van Heek’s vier rangstanden kan men ook vier vermogensrangen vormen:

I met vermogens van 10.000 gld. of meer;
IIA met vermogens van 2.000-9.999 gld.;
IIB hiertoe behoren zowel de personen met vermogens van 500-1.999 gld., als zij, die alleen hoofdgeld betalen;
III de armen, die geen hoofdgeld betalen en geen vermogen bezitten.

     Uit bovenstaande indeling blijkt, dat het hierna volgende onderzoek niet alleen betrekking heeft op de aangeslagenen in de vermogensheffing, doch de gehele bevolking betreft, dus ook de niet-aangeslagenen. De aangeslagenen vormen dus in deze beschouwing een deel van de totale bevolking. Zij zijn slechts een betrekkelijk klein deel van de bevolking: in 1675 28.3%, in 1758 gedaald tot 22.1%. Door het betrekkelijk geringe percentage, dat de aangeslagenen van de gehele bevolking uitmaakt, blijken de veranderingen, die zich binnen de kring van de aangeslagenen voltrekken en daar van grote omvang schijnen te zijn, in het kader van de totale bevolking procentueel veel geringer afmetingen te hebben.
     Voor 1675 en 1758 verkrijgt men nu de volgende cijfers:

|pag. 256|

_______________↑_______________

 

Vermogens-hiërarchie 1675
aantal (A) en vermogens (V)
Drie steden Salland Twente Vollenhove Overijssel
A Y A V A Y A V A V
I 262 6.899.000 100 4.923.500 68 3.991.500 17 936.000 447 16.750.000
II A 530 2.076.500 189 630.000 247 893.000 130 359.000 1.096 3.958.500
II B 2.440 697.500 3.558 698.783 2.805 540.500 2.002 546.075 10.805 2.482.858
III 1.469 -.- 943 -.- 1.385 -.- 352 -.- 4.149 -.-
Totaal 4.701 9.673.000 4.790 6.252.283 4.505 5.425.000 2.501 1.841.075 16.497 23.191.358
Vermogens-hiërarchie 1758
aantal (A) en vermogens (V)
Drie steden Salland Twente Vollenhove Overijssel
A V A V A V A V A V
I 212 5.047.749 51 1.586.066 86 2.349.159 20 557.787 369 9.540.761
II A 634 2.664.335 313 1.141.578 513 1.928.457 143 514.750 1.603 6.249.120
II B 2.839 626.171 5.376 939.950 5.108 1.613.881 2.292 459.952 15.615 3.639.954
III 2.422 -.- 2.098 -.- 4.267 -.- 995 -.- 9.782 -.-
Totaal 6.107 8.338.255 7.838 3.667.594 9.974 5.891.497 3.450 1.532.489 27.369 19.429.835

 

|pag. 257|

_______________↑_______________

Veel duidelijker worden deze getallen, indien men de procentuele verhoudingen berekent en de gevonden resultaten in diagrammen afbeeldt (zie diagrammen 19):
 

Percentages vermogens-hiërarchie 1615, aantal (A) en vermogens (V)
Drie sted. Salland Twente Vollenhove Overijssel
A V A V A V A V A V
I 5.6 71.3 2.1 78.7 1.5 73.6 0.7 50.8 2.7 72.2
II A 11.3 21.5 3.9 10.1 5.5 16.4 5.2 19.5 6.6 17.1
II B 51.9 7.2 74.3 11.2 62.3 10.0 80.0 29.7 65.5 10.7
III 31.2 19.7 30.7 14.1 25.2
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0

 

Sall. sted Sall. Pl. Twen. sted. Twen. pl. Voll. sted. Voll. pl.
A V A V A V A V A V A V
I 1.5 36.9 2.2 80.8 1.0 39.7 1.7 81.2 1.4 49.9 0.2 52.1
II A 5.8 30.0 3.7 9.1 8.2 39.9 4.3 11.2 11.0 26.9 1.6 9.4
II B 68.6 33.1 74.9 10.1 55.4 20.4 65.2 7.6 73.6 23.2 84.1 38.5
III 24.1 19.2 35.4 28.8 14.0 14.1
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0

 

Percentages vermogens-hiërarchie 1758, aantal (A) en vermogens (V)
Drie sted. Salland Twente Vollenhove Overijssel
A V A V A V A V A V
I 3.5 60.5 0.6 43.3 0.9 39.9 0.6 36.4 1.3 49.1
II A 10.4 32.0 4.0 31.1 5.1 32.7 4.1 33.6 5.9 32.2
II B 46.5 7.5 68.6 25.6 51.2 27.4 66.4 30.0 57.1 18.7
III 39.6 26.8 42.8 28.9 35.7
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0

 

Sall. sted. Sall. pl. Twen. sted. Twen. pl. Voll. sted. Voll. pl.
A V A V A V A V A V A V
I 0.1 3.8 0.7 46.6 1.6 41.5 0.6 38.9 1.2 53.3 0.3 18.5
II A 5.7 55.0 3.8 29.1 7.7 41.1 4.2 27.8 4.9 26.5 3.8 41.1
II B 57.7 41.2 69.9 24.3 35.5 17.4 57.1 33.3 58.6 20.2 69.9 40.4
III 36.5 25.6 55.2 38.1 35.3 26.0
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0

 

|pag. 258|

_______________↑_______________

[19. Vermogenshiërarchie, 1675 en 1758.]


|pag. 259|

_______________↑_______________

In het algemeen kan men constateren, dat de vermogensrangen naar aantal (A) I, IIA en IIB in de diagrammen van de procentuele verhouding van de bevolking de vorm van een pyramide vertonen. De basis, vermogensrang III, is echter veel smaller dan vermogensrang IIB. Dit is althans het geval in 1675. De vermogensrangen I en IIA zijn overal, met uitzondering van de drie grote steden en de steden van Vollenhove, weinig omvangrijk.
     De vermogens (V) vertonen juist het tegengestelde beeld van de bevolkingsgroepen; zij vormen een omgekeerde pyramide, de basis is te vinden bij de vermogensrang I, bij IIA en IIB versmalt de pyramide naar de omgekeerde top; vermogensrang III bezit geen vermogen.
     In 1675 wijken van dit vrij algemene model de Sallandse en Twentse steden af, daar vindt men min of meer een kubusvorm, de grootte van de vermogens van vermogensrang I is hier veel kleiner dan elders.
Het platteland van Vollenhove heeft een zeer smalle vermogensrang IIA, vermogensrang IIB is hier veel belangrijker.
     Welke wijzigingen zijn hierin in 1758 gekomen? Bij de bevolkingsgroepen zien we in het algemeen een verzwaring van de basis, vermogensrang III, die ten koste van vermogensrang IIB is gegaan. Zeer geprononceerd is dit in de Twentse steden, maar ook in de Sallandse en Vollenhoofse steden en het Twentse platteland is dit proces duidelijk merkbaar. De beide hoogste vermogensrangen I en IIA zijn overal in omvang achteruitgegaan, met uitzondering van de Twentse steden en, in geringer mate, ook het platteland van Vollenhove.
     Beschouwen we de vermogens, dan tonen deze in zeer veel gevallen nog de omgekeerde pyramide, doch de basis is overal veel kleiner geworden. De pyramide is gecomprimeerd. In plaats van vermogensrang I zijn de vermogensrangen IIA en IIB belangrijker geworden; men zou kunnen zeggen, dat de vermogens naar onderen zijn gezakt.
Afwijkend is het beeld van de Sallandse steden, van de steden en het platteland van Twente en van het platteland van Vollenhove. In de Sallandse steden zijn de vermogens van vermogensrang I vrijwel verdwenen; in Twente ziet men dezelfde kubusvorm als in 1675, ook het Twentse platteland vertoont deze vorm. De vermogens van vermogensrang IIB zijn hier procentueel veel groter dan die van dezelfde rang in de Twentse steden. Het platteland van Vollenhove laat ook een sterke vermindering van vermogensrang I zien, terwijl de vermogensrangen IIA en IIB kubusvormig zijn.
     Wat betekent dit alles? In 1675 bestaat de Overijsselse maatschappij uit een zeer kleine groep zeer rijke personen (vermogensrang I), daarnaast heeft men een zeer grote groep van personen, die geen of zeer

|pag. 260|

_______________↑_______________

geringe vermogens bezitten, maar die toch nog niet tot de armen gerekend mogen worden (vermogensrang IIB). Van dit algemene beeld wijken in 1675 de Sallandse en Twentse steden af: de rijken zijn hier minder excessief rijk, een gegoede middenstand (vermogensrang IIA) is hier van betekenis en zelfs de kleine middenstand (vermogensrang IIB) beschikt nog over enig vermogen.
     Een belangrijke verandering blijkt in 1758 te zijn ingetreden. De rijke bovenlaag is naar aantal en vermogens ingekrompen, de vermogens zijn in de handen gekomen van de gegoede en vooral van de kleine middenstand (IIA en IIB). De omvang van de kleine middenstand is echter verminderd, de armen (vermogensrang III) zijn overal aanzienlijk toegenomen. In de Twentse steden is de gegoede middenstand procentueel toegenomen naar het aantal der aangeslagenen, niet naar vermogen, op het platteland van Vollenhove en in de Sallandse steden ziet men in dezelfde groep ook een vermeerdering, niet naar het aantal der aangeslagenen, maar naar vermogen.
     Uit de diagrammen van de vermogens-hiërarchieën kan men derhalve aflezen, dat tussen 1675 en 1758 de suprematie van adel en regentenpatriciaat wordt doorbroken. De aristocratische overheersing wijkt voor een middenstand, die financieel krachtiger is geworden, naar aantal echter beperkter, omdat een deel van die middenstand bij de armen is terecht gekomen. Terwijl er vroeger tegenover aristocratie en regentenpatriciaat een grote vrij eenvormige, weinig vermogende, maar toch zeker niet arme groep stond, is in 1758 een differentiatie ingetreden van een meer gegoede burgerij, waar tegenover komt te staan een veel groter proletariaat. Het verlies van het aristocratische stempel, de verburgerlijking, is het verst gevorderd in Twente, zowel in de steden als op het platteland; voorts in de Sallandse steden en het platteland van Vollenhove. Men kan dit proces van verburgerlijking in Overijssel in de 17e en 18e eeuw nog zo goed constateren, omdat dit gewest zoveel langer de aristocratische structuur in politiek, economisch en sociaal opzicht heeft bewaard dan de Westelijke provincies.
Het is begrijpelijk, dat men dit proces aan de gang vindt in de bij uitstek niet-agrarische delen, nl. Twente en het platteland van Vollenhove, waar nieuwe takken van nijverheid waren ontstaan, de textiel en de turfgraverij. Een sterk agrarisch gebied als het platteland van Salland geeft geen structurele veranderingen te zien. De adel blijft hier politiek en financieel de machtigste groep, de middenstand groeit, maar blijft nog in een ondergeschikte positie, de armoede neemt nog weinig toe.
     Ook de drie steden en de steden van Vollenhove behouden het oude patroon: oppermacht van het regentenpatriciaat en in de stad Vollen-

|pag. 261|

_______________↑_______________

hove van de adel. De gegoede middenstand behield zijn reeds van vroeger daterende financieel sterke positie, de omvangrijke kleine middenstand bleef financieel van weinig betekenis, terwijl de armoede enigermate was toegenomen.
     De schijnbare tegenstrijdigheid van gelijktijdige verrijking en verarming in Twente zijn nu verklaarbaar geworden, doordat zij betrekking hebben op twee verschillende groepen: de kleine middenstand werd rijker, werd gegoede burgerij, daarnaast werd tegelijkertijd het aantal armen groter.

DE HIËRARCHIE VAN VERMOGENS- EN BEROEPSRANGEN

Belangwekkend is het om de diagrammen van de hiërarchische beroepsindeling 15 [15. Grafieken 11, zie blz. 186.] te leggen naast die van de vermogenshiërarchie. Bij de steden ziet men een vrij grote overeenstemming, bij de diagrammen van het platteland is er een aanzienlijk verschil, doordat rangstand IIA van de beroepsindeling veel omvangrijker is dan die van de vermogensindeling.
     De overeenstemming op verschillende punten is begrijpelijk. In de beroepsrangstand I bijvoorbeeld waren opgenomen de hogere ambtenaren, de gestudeerden en de fabrikanten, in vermogensrang I de personen met een vermogen van ƒ 10.000.— of meer. In deze tijd werden de hoge bestuursfuncties en de intellectuele beroepen door vermögenden bekleed. Zoals hierna zal blijken, bezaten de meeste fabrikeurs vermogens beneden ƒ 10.000.—.16 [16. Blz. 322-332.]
     Tot beroepsrangstand IIA behoorde de hogere middenstand, waarbij ook de grotere boeren werden gerekend. Tot de vermogensrang IIA zijn zij gerekend, die op een vermogen van 2.000-9.999 gld. waren aangeslagen. Voor de steden bestaat er tussen beroepsrangstand en vermogensrang overeenstemming, op het platteland is er een groot verschil, een gevolg van het opnemen van de boeren in beroepsrangstand IIA, terwijl bij de vermogens boeren met een vermogen boven 2.000 gld. zeldzaam zijn.17 [17. Blz. 321-322.]
     Tot beroepsrangstand IIB behoren de ambachtslieden, de winkelstand en de kleine boeren, in de vermogensrang IIB vindt men de personen, die alleen hoofdgeld betalen en zij, die een vermogen beneden 2.000 gld. bezitten. Voorzover is na te gaan behoren alle ambachtslieden, winkeliers en ook alle boeren tot deze groep.

|pag. 262|

_______________↑_______________

     In beroepsrangstand III zijn opgenomen de arbeiders, wevers, dagloners en turfgravers. Reeds bleek, dat de turfgravers in het kwartier van Vollenhove niet tot beroepsrangstand III maar tot IIB gerekend moeten worden.18 [18. Blz. 190.] Vermogensrang III wordt gevormd door de armen.
Over de overeenstemming tussen beroepsrangstand III en de armen is hiervoor al gehandeld.19 [19. Blz. 190.]
     Brengt men nu de volgende correcties tot stand in de hiërarchische beroepsindeling: de fabrikeurs in rangstand IIA in plaats van I, alle boeren zonder onderscheid in rangstand IIB, dus verwijdering van de grotere boeren uit rangstand IIA en tenslotte plaatsing van de turfgravers in rangstand IIB in plaats van in rangstand III, dan ziet men een zeer sterke overeenstemming:
 

Procentuele indeling vermogensrangen 1758 (Vm.) en beroepsrangstanden 1795 (Ber.)
I II A II B III Totaal
Vm. Ber. Vm. Ber. Vm. Ber. Vm. Ber. Vm. Ber.
Drie steden 20 [20. Bij de vermogensrangen Zwolle, Deventer en Kampen, bij de beroepsrangstand zonder Kampen.] 3.5 2.6 10.4 2.7 46.5 59.4 39.6 35.3 100 100
Salland steden 0.1 1.4 5.7 4.6 57.7 69.3 36.5 24.7 100 100
Salland platteland 0.7 0.7 3.8 1.5 69.9 79.5 25.6 18.3 100 100
Twente steden 1.6 2.5 7.7 5.7 35.5 42.8 55.2 49.0 100 100
Twente platteland 0.6 0.3 4.2 1.1 57.1 62.1 38.1 36.5 100 100
Vollenhove steden 1.2 2.0 4.9 2.4 58.6 59.5 35.3 36.1 100 100
Vollenhove plattel. 0.3 0.7 3.8 1.4 69.9 77.5 26.0 20.4 100 100
Overijssel 1.3 1.2 5.9 2.4 57.1 65.4 35.7 31.0 100 100

 
De beroepsindeling is in zeer sterke mate ook een vermogensindeling.
Zij, die tot een bepaalde rangstand behoren krachtens hun beroep, hebben naast deze speciale beroepsstatus ook een daarmee overeenstemmende vermogensstatus. Vermogen en beroep staan zeer nauw met elkaar in verband. Enkele afwijkingen kunnen gemakkelijk worden verklaard. Bij de steden – met uitzondering van de drie grote steden – ziet men, dat het percentage van beroepsrangstand I hoger is dan van vermogensrang I. De oorzaak hiervan is, dat de burgemeesters van de kleine steden vrijwel nimmer over een vermogen van ƒ 10.000.— of meer beschikken. Deze burgemeesters behoren niet tot de zeer rijke, patricische burgerij.

|pag. 263|

_______________↑_______________

     In de grote steden is het percentage van beroepsrangstand I kleiner dan dat van de vermogensrang I, daar er in deze steden een aantal vermogende, soms zelfs zeer vermogende kooplieden zijn, die bij de beroepstelling niet gescheiden konden worden van hun minder kapitaalkrachtige beroepsgenoten. Bovendien vindt men in de steden verschillende rijke weduwen en ongehuwde vrouwen. Deze personen vallen buiten de beroepsindeling, maar zijn wel onder de vermogens opgenomen. Zo zijn er in 1758 in Zwolle onder de 91 aangeslagenen voor vermogens van 10.000 gld. of meer 30 vrouwen, in Deventer zijn van 96 aangeslagenen 31 vrouwen, in Kampen van 25 aangeslagenen 5 vrouwen; voor de drie steden samen van 212 aangeslagenen zijn er 66 vrouwen. Ook van de vermogens van 2.000-9.999 gld. zijn er in de drie grote steden opvallend veel in handen van vrouwen: Deventer 64, Zwolle 71, Kampen 26, in totaal 161 van 634 aangeslagenen in deze groep. De drie grote steden, maar wel in het bijzonder Deventer en Zwolle vallen op als woonplaatsen van gegoede en zelfs zeer rijke vrouwen, die daar van hun rente leven. Op het platteland kent men de vermogende vrouw, tenzij in adellijke kring, veel minder. Zowel tengevolge van het grote aantal vrouwen en door de aanwezigheid van enige rijke kooplieden zijn in de grote steden de percentages van de vermogensrangen I en IIA hoger dan die der beroepsrangstanden I en IIA.
     Beschouwt men de vermogens- en beroepsrangstanden IIA in het algemeen, dan ziet men overal hogere percentages voor de vermogensrangen dan voor de beroepsrangstanden, een teken, dat er overal kleine groepen personen zijn, die naar beroep in IIB thuis horen, doch vermogender zijn dan in deze rangstand gebruikelijk is. Zij hebben de vermogensgrens van 2.000 gld. overschreden.
     In IIB zien we juist het omgekeerde, de percentages der beroepsrangstanden zijn hier in het algemeen hoger dan die van de vermogensrangen. Terwijl we zo juist enige beoefenaren van beroepen uit beroepsrangstand IIB vonden, die uit hoofde van hun vermogen hoger geklasseerd hadden moeten worden, ontmoeten we hier echter personen, die uit hoofde van hun beroep in rangstand IIB hoger geklasseerd zijn dan in overeenstemming is met hun vermogen, waardoor ze in rangstand III thuis horen.
     De percentages van de vermogensrangen geven een meer gespecificeerde indruk dan die van de beroepen, hoewel zij toch van iets ouder datum zijn. De ontwikkeling van de middenstand tot gegoede burgerij enerzijds, de daling naar de armen anderzijds laat zich eerder op het terrein van het vermogen gelden dan bij de waardering van de beroepen.

|pag. 264|

_______________↑_______________

     In het algemeen kan men tot de conclusie komen, dat de regenten en de adel, de gestudeerden en enige rijke kooplieden tot de bezitters van de vermogens boven 10.000 gld. gerekend mogen worden, zij vormen de rijke burgerij. Lagere functionarissen, een aantal kooplieden en de linnenfabrikeurs behoren tot de gegoede middenstand met vermogens van 2.000-9.999 gld. Zeer omvangrijk is de groep van de boeren, kleine kooplieden, winkeliers, ambachtslieden, schippers en turfgravers, waarvan een klein deel vermogend is (vermogens van 500-1.999 gld.), doch de grote meerderheid geen vermogens boven 500 gld. bezit. De boeren moeten tot deze groep gerekend worden, omdat onder hen slechts weinigen gevonden worden met een eigen erf, de meesten zijn pachtboeren.21 [21. Blz. 612-631.] Werkelijk onvermogend zijn de daghuurders, de arbeiders en de wevers.

ADEL, PATRICIAAT, MIDDENSTAND EN ARMEN

Het adellijk vermogen kan worden onderscheiden in bezittingen van uitheemse adel (niet-Overijsselse adel of Overijsselse adel buiten Overijssel gevestigd), inheemse adel en de ten Landdage beschreven adel, de bezitters van de havezathen. Over de verschillende waardering van de havezathen in 1675 en 1758 is reeds gehandeld.22 [22. Blz. 243-245.] Over de omvang van het adellijk vermogen verschaffen de volgende cijfers enig licht:
 

Adellijk vermogen 1675
aantal aangeslagenen (A) en vermogens (V)
Uitheems Inheems Havezathen Totaal
A V A V A V A V
Drie steden 36 733.000 36 733.000
Salland steden
Salland platteland 14 164.500 26 437.500 55 4.134.000 95 4.736.000
Twente steden 3 22.000 2 4.000 1 150.000 6 176.000
Twente platteland 16 161.000 15 195.500 31 2.953.000 62 3.309.500
Vollenh. steden 4 16.000 11 520.000 15 536.000
Vollenh. platteland 4 405.000 4 405.000
Overijssel 33 347.500 83 1.386.000 102 8.162.000 218 9.895.500

 

|pag. 265|

_______________↑_______________

 

Adellijk vermogen 1758
aantal aangeslagenen (A) en vermogens (V)
Uitheems Inheems Havezathen Totaal
A V A V A V A V
Drie steden 5 74.229 37 392.874 4 158.084 46 625.187
Salland steden
Salland platteland 26 141.849 36 222.370 36 1.189.895 98 1.554.114
Twente steden 1 2.500 2 156.587 3 159.087
Twente platteland 15 223.285 17 165.788 22 968.211 54 1.357.284
Vollenh. steden 1 60.390 4 21.492 8 352.708 13 434.590
Vollenh. platteland 4 3.800 2 33.350 3 74.190 9 111.340
Overijssel 51 503.553 97 838.374 75 2.899.675 223 4.241.602

 
Uit bovenstaande cijfers blijkt duidelijk, dat de adellijke vermogens, behalve die van de uitheemse adel, sterk zijn gedaald. Deze daling is niet alleen bij de havezathen, maar ook bij de overige inheemse adellijke vermogens merkbaar. Naar het aantal der aangeslagenen is er geen sprake van achteruitgang; veel meer heeft er een verschuiving plaats gevonden van de ten Landdage beschreven adel naar de niet beschrevenen (zowel uitheems als inheems). Heel duidelijk ziet men, dat de adellijke aangeslagenen vooral op het platteland van Salland en Twente wonen, voorts in de stad Vollenhove en de niet ten Landdage beschreven adel vooral in de drie grote steden.
     Men kan de adellijke vermogens ook naar de vermogensrangen indelen. Hiervoor komen alleen de vermogens van de inheemse adel en de ten Landdage beschreven adel in aanmerking. De uitheemse adel zal bijna steeds ook in andere gewesten gegoed zijn. Deze dient daarom buiten beschouwing te blijven. De cijfers zijn de volgende:
 

Adellijke vermogens 1675
aantal aangeslagenen (A) en vermogens (V)
10.000 of meer 2.000-9.999 Minder dan 2.000 Totaal
A V A V A V A V
Drie steden 25 689.500 11 43.500 36 733.000
Salland 75 4.549.000 6 22.500 81 4.571.500
Twente 37 3.237.000 11 64.000 1 1.500 49 3.302.500
Vollenhove 17 936.000 2 5.000 19 941.000
Overijssel 154 9.411.500 30 135.000 1 1.500 185 9.548.000

 

|pag. 266|

_______________↑_______________

 

Adellijke vermogens 1758
aantal aangeslagenen (A) en vermogens (V)
10.000 of meer 2.000-9.999 Minder dan 2.000 Totaal
A V A V A V A V
Drie steden 18 451.075 17 93.333 6 6.550 41 550.958
Salland 35 1.288.665 22 108.715 15 14.885 72 1.412.265
Twente 28 1.228.680 10 59.026 4 5.380 42 1.293.086
Vollenhove 13 465.850 3 13.895 1 1.995 17 481.740
Overijssel 94 3.434.270 52 274.969 26 28.810 172 3.738.049

 
Onmiddellijk valt op, dat niet alleen het totaal bedrag der vermogens van 10.000 gld. of meer tussen 1675 en 1758 aanzienlijk is gedaald, maar dat dit ook is geschied met het aantal aangeslagenen, nl. van 154 op 94. De totale bedragen en het aantal der aangeslagenen in de vermogensrangen beneden 10.000 gld. zijn daarentegen gestegen. Dit geldt zowel voor de vermogensrang van 2.000-9.999 gld. als beneden 2.000 gld., resp. van 30 op 52 en van 1 op 26. Dit betekent per individu een veel kleiner vermogen. We zien dus een proces van verarming optreden bij de adel.
     Uitvoerig is dit proces van verarming, dat zich in de 18e eeuw aan de adel voltrekt aan de hand van nauwkeurige gegevens betreffende het geslacht Sloet tot Singraven geschilderd door Döhmann en Dingeldein in hun werk over Singraven.23 [23. K. Döhmann en W. H. Dingeldein, Singraven, dl. III (1934).] Maar over deze verarming van de adel kan men ook gegevens vinden in de kohieren van de 1000e penning van 1750 en 1758. Zo zien we, dat sommige havezathen in handen van burgerlijke geslachten geraken, anderen zijn met schulden beladen, weer anderen worden hoger getaxeerd dan hun werkelijke waarde bedraagt om toch nog maar de minimumgrens van ƒ 25.000.— voor de beschrijving in de Landdag te halen. In burgerlijk bezit zijn gekomen de Stoevelaar (Van der Wyck), Westerflier (Van der Sluis), Windesheim (enige tijd aan P. Benelle), de Dam onder Hellendoorn (P. Benelle, na 1774 D. van der Wyck), de Bredenhorst (mej. C. Muntz), later volgen Peckedam, het Laar, de Borgel, Kampherbeek, de Grimberg, Alerdink, Nyenhuis, Arendshorst, de Pol, Bellinkhof. Hiervan zijn sommigen echter slechts tijdelijk in het bezit van burgers geweest.24 [24. Gegevens ontleend aan J. van Doorninck, Geslachtkundige aanteekeningen ten aanzien van de gecommitteerden ten Landdage van Overijssel, 1871.]
     De Dingshof (Olst) van Van Keppel tot Dingshof was zwaarder

|pag. 267|

_______________↑_______________

belast dan de waarde 25 [25. Kohier 1000e penning 1750: „baron van Keppel toe den Dingshoff eerst geschat op 25000 gld.” Daar hij in den Haag woonde kon hij niet op de landdag compareren: „en dien na aangetoond, den Huyse Dingshoff cum annexis, behalve de Bosjen en opgaande Houtgewas, meerder beswaart als na de revenue waardigh is”.], hypotheken waren hierop gegeven door Van Lochem en Vijfhuis, beiden uit Deventer, ten bedrage van 27.000 gld. Op Averbergen (eveneens Olst) van Van Voerst tot Averbergen had Ten Brink uit Deventer een hypotheek gegeven van 16.000 gld. Op Hoenlo (Olst) van Van Haersolte tot Hoenlo, grietman in Barradeel, rustte een hypotheek van 45.600 gld., verstrekt door verschillende Deventer burgers.26 [26. Wed. burgemr. Arnold Bouwer 31.600 gld., oud-burgemr. Antoni Bouwer 5.000 gld., wed. prof. Bouwer 500 gld., wed. Ayers 3.500 gld., W. Vijfhuis, W. Meynts en wed. Friesendorp samen 5.000 gld.] De Vellenaer (Raalte) is bezwaard met 12.000 gld., verstrekt door G. Scriverius te Zwolle. Wittensteyn (Kamperveen) is op 25.000 gld. getaxeerd, hoewel deze aanslag naar het oordeel van de taxateurs te hoog was.
     In Twente vindt men de volgende adellijke goederen bezwaard: Saasfeld (richterambt Oldenzaal) 5.000 gld.27 [27. Koopman Hommels te Oldenzaal en Th. Coster te Almelo.], de havezathe Ootmarsum in de stad 19.000 gld.28 [28. Burgemr. Podt te Deventer.], op de landerijen in het richterambt Ootmarsum 11.000 gld.29 [29. Wed. burgemr. Arnold Bouwer 1.000 gld., Dr. Putman 1.000 gld., wed. Ayers 6.500 gld., allen te Deventer, koopman Hommels te Oldenzaal 2.000 gld.], op bezittingen in Ootmarsum van de heer Van Twickel 11.961 gld., Singraven (richterambt Ootmarsum) 10.500 gld., Welevelt (Borne) 20.500 gld.30 [30. Verstrekt door Van der Wyck en wed. Ayers.], Peckedam (Diepenheim) 6.000 gld., Ensinck (Diepenheim) 6.500 gld., en Bellinckhof (richterambt Almelo) 24.111 gld.31 [31. Wed. Metelerkamp 2.570 gld., burgemr. Podt 8.600 gld., juffr. B. van Suchtelen 60 gld., Dr. A. van Suchtelen 60 gld., allen te Deventer, G. Hommels te Oldenzaal 1.500 gld., Th. van Gronouwe te Kampen 620 gld., Dr. A.W. Westerlo, richter te Borne 4.101 gld., wed. Schimmelpenninck 2.680 gld., wed. L. Bruyns 2.720 gld., G. Overink 200 gld., allen te Borne en wijnkoper J. Boom te Amsterdam 1.000 gld.] Opvallend is het, dat men bijna overal dezelfde geldschieters ziet optreden, enige rijke Deventer burgers, die blijkbaar hun geld in hypotheken beleggen. Merkwaardig doet het aan, dat de Kamper linnenfabrikeur T. van Groenou een deel van zijn waarlijk niet groot vermogen (4.471 gld.) in een hypotheek op een havezathe heeft gestoken.
     De factoren, die tot de achteruitgang van de adel hebben geleid, kunnen slechts gedeeltelijk uit de bronnen gekend worden. Men kan

|pag. 268|

_______________↑_______________

vermoeden, dat in de 18e eeuw zich een zucht naar groter weelde doet gelden. Vele geslachten hadden generaties lang van hun pachten en andere inkomsten geleefd, zonder zelf enige werkzaamheden te verrichten, die verdiensten opleverden. De voortgezette stijging der graanprijzen na 1730 en de klacht over de hoge lonen in 1753 wijzen op stijgende kosten van levensonderhoud. In Twente leidt de textielnijverheid tot het doordringen van de geldeconomie, ook in de agrarische sector. De edelen, levende van de vaste pachten, komen dan in een ongunstiger financiële positie te verkeren.
     Dalende betekenis van de adel, daartegenover stijgende vermogens van de burgerij. De onderstaande percentages van de verdeling van het vermogen tussen adel en burgerij in 1675 en 1758 laten het duidelijk zien:
 

Verhouding tussen adellijke en burgerlijke vermogens in 1675 en 1758
1675 1758
Adel Burgerij Adel Burgerij
Drie steden 7.6 92.4 6.6 93.4
Salland 73.1 26.9 38.5 61.5
Twente 60.9 39.1 21.9 78.1
Vollenhove 51.1 48.9 31.4 68.6
Overijssel 41.2 58.8 19.2 80.8
Salland steden 0 100.0 0 100.0
Salland platteland 76.7 23.3 41.8 58.2
Twente steden 15.5 84.5 7.3 92.7
Twente platteland 71.1 28.9 30.6 69.4
Vollenhove steden 50.4 49.6 47.5 52.5
Vollenhove platteland 52.2 47.8 14.5 85.5

 
Bijzonder sprekend is de verandering, die zich in geheel Overijssel heeft voltrokken, in 1675 behoorden 41.2% van het totale vermogen aan de adel, in 1758 nog maar 19.2%, het burgerlijk aandeel is daarentegen gestegen van 58.8% tot 80.8%. Weinig was er tussen 1675 en 1758 veranderd in de drie steden en in de Sallandse en Twentse steden, zij waren in 1675 al burgerlijk. De grootste procentuële wijziging heeft zich voltrokken op het Twentse platteland, een daling van het deel van de adel van 71.1% tot 30.6%, maar ook op het Sallandse en

|pag. 269|

_______________↑_______________

[KAART 16.
Verhouding vermogens adel-burgerij, 1675.
(gerekend naar de schoutambten)]

|pag. 270|

_______________↑_______________

Vollenhoofse platteland was de achteruitgang niet minder indrukwekkend, resp. van 76.7% op 41.8% en van 52.2% op 14.5%.
     Stelt men adellijk en burgerlijk vermogen tegenover elkaar (zie kaart 16), dan is het opvallend, dat in 1675 de beide uitersten zo overheersen. Er zijn gebieden, waar geen of bijna geen adellijke bezitters zijn, er zijn andere, waar één of enkele vermogende edelen alles overheersen en het burgerlijk vermogen van zeer geringe betekenis is.
Burgerlijk zijn alle steden, met uitzondering van Vollenhove en Ootmarsum. Voorts is het gehele platteland van Vollenhove burgerlijk, met uitzondering van de schoutambten Vollenhove en Steenwijk.
Eveneens burgerlijk zijn het hoogschoutambt Hasselt, Wilsum, IJsselmuiden, Genemuiden en Kamperveen. Ook in het binnenland vindt men nog enige burgerlijke eilanden: Holten, Vriezenveen, het richterambt Enschede, Haaksbergen, in iets geringer mate (50-70% burgerlijk vermogen) den Ham, het richterambt Ootmarsum en Borne.
     Sterk adellijk (90-100% adellijk vermogen) zijn Zwollerkerspel, Colmschate, Hellendoorn, het richterambt Almelo en Diepenheim, onder grote adellijke invloed (70-90% adellijk vermogen) staat de gehele rest van Salland en Twente.
     In 1758 (zie kaart 17) is hierin een grote verandering gekomen, overal hebben de burgerlijke vermogens procentueel gewonnen, nergens vindt men een percentage van het adellijk vermogen boven 90%. In het kwartier van Vollenhove is alleen in stad en schoutambt Vollenhove het percentage van het adellijk vermogen nog boven 50%. In Salland is dit nog het geval in Zwollerkerspel, Zalk, Kamperveen, Dalfsen, schoutambt Ommen, Raalte, Hellendoorn en Staphorst, in Twente in de richterambten Almelo, Delden en Diepenheim.
     Sterk burgerlijk (70-100% burgerlijk vermogen) zijn alle steden, behalve Vollenhove, voorts het gehele kwartier Vollenhove (met uitzondering van het schoutambt Vollenhove), Wilsum, IJsselmuiden, Genemuiden, Hasselterkerspel, Colmschate, Bathmen, Holten, Haaksbergen, Enschede, Oldenzaal, Borne en Vriezenveen; tussen 50-70% burgerlijk vermogen treft men aan in Olst, Wijhe, schoutambt Hardenberg, Kedingen en richterambt Ootmarsum.
     Op de vraag in hoeverre er verband bestaat tussen de overheersing van adellijk of burgerlijk vermogen, de armoede en de beroepsstructuur zal hierna nog nader worden ingegaan.32 [32. Zie blz. 286-300.]
     De burgerlijke vermogens kan men wederom naar de drie vermogensstanden indelen:

|pag. 271|

_______________↑_______________

[KAART 17.
Verhouding vermogens adel-burgerij, 1758.
(gerekend naar de schoutambten)

|pag. 272|

_______________↑_______________

 

Burgerlijk vermogen 1675
aantal aangeslagenen (A) en vermogens (V)
10.000 of meer 2.000-9.999 Minder dan 2.000 Totaal
A V A V A V A V
Drie steden 237 6.209.500 519 2.033.000 941 697.500 1.697 8.940.000
Salland 25 374.500 183 607.500 931 698.783 1.139 1.680.783
Twente 31 754.500 236 829.000 518 539.000 785 2.122.500
Vollenhove 128 354.000 749 546.075 877 900.075
Overijssel 293 7.338.500 1.066 3.823.500 3.139 2.481.358 4.498 13.643.358
10.000 of meer 2.000-9.999 Minder dan 2.000 Totaal
A V A V A V A V
Salland steden 7 107.000 28 87.000 113 96.100 148 290.100
Salland plattel. 18 267.000 155 520.500 818 602.683 991 1.390.683
Twente steden 12 244.500 109 393.000 221 201.800 342 839.300
Twente plattel. 19 510.000 127 436.000 297 337.200 443 1.283.200
Vollenh. steden 104 281.000 326 247.350 430 528.350
Vollenh. plattel. 24 73.000 423 298.725 447 371.725
Burgerlijk vermogen 1758
aantal aangeslagenen (A) en vermogens (V)
10.000 of meer 2.000-9.999 Minder dan 2.000 Totaal
A V A V A V A V
Drie steden 194 4.596.674 617 2.571.002 691 619.621 1.502 7.787.297
Salland 16 297.401 291 1.032.863 1.036 925.165 1.343 2.255.429
Twente 58 1.121.479 503 1.869.431 1.697 1.608.501 2.258 4.599.411
Vollenhove 7 91.937 140 500.855 493 457.957 640 1.050.749
Overijssel 275 6.107.491 1.551 5.974.151 3.917 3.611.244 5.743 15.692.886
10.000 of meer 2.000-9.999 Minder dan 2.000 Totaal
A V A V A V A V
Salland steden 1 10.699 46 158.174 120 118.448 167 287.321
Salland plattel. 15 286.702 245 874.689 916 806.717 1.176 1.968.108
Twente steden 41 750.254 210 895.417 383 379.003 634 2.024.674
Twente plattel. 17 371.225 293 974.014 1.314 1.229.498 1.624 2.574.737
Vollenh. steden 4 55.127 50 201.554 155 157.070 209 413.751
Vollenh. plattel. 3 36.810 90 299.301 338 300.887 431 636.998

 

|pag. 273|

_______________↑_______________

In bovenstaande cijfers valt allereerst op, dat het totale vermogen van de burgerij in Overijssel tussen 1675 en 1758 met ruim 2 millioen is toegenomen; bij de vermogens van 10.000 gld. en meer is echter een vermindering ingetreden, zowel naar het aantal aangeslagenen als naar het totaal vermogen.
     Bij de totale vermogens van de verschillende delen van het gewest ziet men een achteruitgang bij de drie grote steden en de Sallandse en Vollenhoofse steden, hoewel de getallen der aangeslagenen in de beide laatstgenoemden wel hoger zijn; gemiddeld dus lagere vermogens. De grootste vermeerdering naar vermogens heeft plaats gevonden in de Twentse steden (index 241.2; 1675 = 100), hierop volgen het Twentse platteland (200.6), het Vollenhoofse en het Sallandse platteland (resp. 171.4 en 141.5). Alleen in de Twentse steden en op het Vollenhoofse platteland zijn de aantallen der aangeslagenen procentueel minder toegenomen dan de vermogens, zodat daar de gemiddelde vermogens per aangeslagene hoger zijn geworden; op het Twentse en Sallandse platteland zijn zij daarentegen lager geworden.
     Bij de vermogens van 10.000 gld. of meer (vermogensrang I) is vooral de vermeerdering naar aantal en naar vermogen in de Twentse steden opvallend, de drie grote steden tonen daarentegen een belangrijke achteruitgang in de grote vermogens.
     De gegoede middenstand (vermogensrang IIA) is overal vooruitgegaan, vooral op het Twentse en Vollenhoofse platteland. Een uitzondering vormen echter de steden van het kwartier van Vollenhove.
     De kleine middenstand (vermogensrang IIB) is ook weer vooral op het Twentse platteland toegenomen, hij is achteruitgegaan in de drie grote steden en de Vollenhoofse steden. Bij deze vermogensrang is op het platteland van Vollenhove het vermogen ongeveer gelijk gebleven, doch het aantal aangeslagenen is achteruitgelopen. Dit betekent vergroting van het gemiddelde vermogen per aangeslagene.
     De vermogens-hiërarchie, zoals zij hiervoor is beschreven, kan men ook op de adellijke en burgerlijke vermogens toepassen.33 [33. Blz. 256-262.] De gehele vermogens-hiërarchie valt dan uiteen in een adellijke en een burgerlijke component. De percentages voor de jaren 1675 en 1758 zijn de volgende (zie hiernaast).
     Men kan hieruit constateren, dat de adel, numeriek van weinig betekenis, naar vermogen het machtigst is in 1675 in de plattelandsgebieden en de stad Vollenhove. In 1758 blijkt de achteruitgang, naar vermogen gerekend, op het platteland overal ongeveer even sterk te zijn geweest (Twente 40.5%, Vollenhove 37.7%, Salland 35.0%); in de Vollenhoofse

|pag. 274|

_______________↑_______________

 

Vermogens-hiërarchie adel en burgerij 1675
aantal aangeslagenen (A) en vermogens (V)
Adel Drie steden Salland Twente Vollenhove Overijssel 34 [34. Zie diagram 20.]
A V A V A V A V A V
Vermogensr. I 0.6 7.1 1.6 72.8 0.8 59.7 0.7 50.8 0.9 40.6
II A 0.2 0.5 0.1 0.3 0.3 1.2 0.1 0.3 0.2 0.6
II B
Adel totaal 0.8 7.6 1.7 73.1 1.1 60.9 0.8 51.1 1.1 41.2
Burgerij
Vermogensr. I 5.0 64.2 0.5 6.0 0.7 13.9 1.8 31.6
II A 11.0 21.0 3.8 9.7 5.2 15.3 5.1 19.2 6.5 16.5
II B 51.9 7.2 74.3 11.2 62.2 9.9 80.0 29.7 65.5 10.7
III 31.3 19.7 30.8 14.1 25.1
Burgerij totaal 99.2 92.4 98.3 26.9 98.9 39.1 99.2 48.9 98.9 58.8

 

Salland st. Salland pl. Twente st. Twente pl. Vollenh. st. Vollenh. pl.
Adel A V A V A V A V A V A V
I 1.7 76.3 0.1 15.1 1.1 69.7 1.4 49.9 0.3 52.2
II A 0.2 0.4 0.1 0.3 0.3 1.4 0.2 0.5
II B
Adel 1.9 76.7 0.2 15.4 1.4 71.1 1.6 50.4 0.3 52.2
Burgerij
I 1.5 36.9 0.4 4.5 0.9 24.7 0.6 11.5
II A 5.8 30.0 3.6 8.7 8.2 39.6 4.0 9.8 10.8 26.4 1.5 9.4
II B 68.6 33.1 74.9 10.1 55.3 20.3 65.2 7.6 73.6 23.2 84.1 38.4
III 24.1 19.2 35.4 28.8 14.0 14.1
Burgerij 100.0 100.0 98.1 23.3 99.8 84.6 98.6 28.9 98.4 49.6 99.7 47.8

 

|pag. 275|

_______________↑_______________

 

Vermogens-hiërarchie adel en burgerij 1758
aantal aangeslagenen (A) en vermogens (V)
Adel Drie steden Salland Twente Vollenhove Overijssel 35 [35. Zie diagram 20.]
A V A V A V A V A V
Vermogensr. I 0.3 5.4 0.4 35.1 0.3 20.9 0.4 30.4 0.3 17.7
II A 0.3 1.1 0.3 3.0 0.1 1.0 0.1 0.9 0.2 1.4
II B 0.1 0.1 0.2 0.4 0.1 0.1 0.1 0.1
Adel totaal 0.7 6.6 0.9 38.5 0.4 22.0 0.5 31.4 0.6 19.2
Burgerij
Vermogensr. I 3.2 55.1 0.2 8.1 0.6 19.0 0.2 6.0 1.0 31.4
II A 10.1 30.9 3.7 28.2 5.0 31.7 4.1 32.7 5.7 30.8
II B 46.4 7.4 68.4 25.2 51.2 27.3 66.4 29.9 57.0 18.6
III 39.6 26.8 42.8 28.8 35.7
Burgerij totaal 99.3 93.4 99.1 61.5 99.6 78.0 99.5 68.6 99.4 80.8

 

Salland st. Salland pl. Twente st. Twente pl. Vollenh. st. Vollenh. pl.
Adel A V A V A V A V A V A V
I 0.5 38.1 0.1 7.2 0.4 28.9 0.8 46.3 0.2 13.6
II A 0.3 3.2 0.1 0.1 1.5 0.2 1.0 0.9
II B 0.2 0.4 0.1 0.2 0.1 0.2
Adel 1.0 41.7 0.1 7.3 0.6 30.6 1.1 47.5 0.2 14.5
Burgerij
I 0.1 3.8 0.2 8.5 1.5 34.3 0.2 10.0 0.4 7.0 0.1 5.0
II A 5.7 55.0 3.5 25.9 7.7 41.0 4.0 26.3 4.7 25.6 3.8 40.1
II B 57.7 41.2 69.6 23.9 35.5 17.4 57.1 33.1 58.5 19.9 69.9 40.4
III 36.5 25.7 55.2 38.1 35.3 26.0
Burgerij 100.0 100.0 99.0 58.3 99.9 92.7 99.4 69.4 98.9 52.5 99.8 85.5

 
steden trad vrijwel geen vermindering in. De vermogens van de adel bevonden zich vooral in vermogensrang I, dus onder de vermogens van 10.000 gld. en meer.
     Het percentage van het aantal der burgerlijke aangeslagenen kon

|pag. 276|

_______________↑_______________

tussen 1675 en 1758 vrijwel niet meer stijgen, doordat in 1675 reeds een percentage was bereikt van 98.9%. In vermogensrang I valt nu naast de reeds bekende vermogensstijging der Twentse steden (24.7% tot 34.3%) en vermogensdaling van de drie grote steden (64.2% tot 55.1%) ook de vermogensdaling in de Sallandse kleine steden op van 36.9% tot 3.8%.
     In vermogensrang IIA is procentueel de vooruitgang het grootst op het platteland van Vollenhove (30.7%), daarna volgen de Sallandse

[20. Vermogenshiërarchie adel-burgerij, 1675 en 1758.]

steden (25.0%) en het Sallandse en Twentse platteland (resp. 17.2% en 16.5%).
     Vermogensrang IIB laat procentueel vooral belangrijke vooruitgang zien op het platteland van Twente (25.5%) en Salland (13.8%).
     Vermogensrang III, de armen, omvat in de Twentse steden meer dan de helft van de bevolking, ook elders is het percentage van deze groep zeer toegenomen, naar verhouding het sterkst in de steden van Vollenhove (21.3%) en van Salland (12.4%).

|pag. 277|

_______________↑_______________

     Met behulp van de gegevens betreffende de adel en de burgerij kan men een andere indeling van de welstands-hiërarchie maken, waarbij meer rekening wordt gehouden met de sociale geleding van de maatschappij dan bij de vrij grove indeling van de vermogensrangen mogelijk was. Men kan de volgende vijf groepen onderscheiden:

  1. adel (ongeacht het verschil in vermogen);
  2. rijke burgerij, met vermogens van 10.000 gld. en meer;
  3. gegoede middenstand, met vermogens van 500-9.999 gld.;
  4. kleine middenstand, betaalt alleen hoofdgeld;
  5. armen.

     De met behulp van deze indeling verkregen cijfers kan men het best vergelijken als men de percentages van de groepen naast elkaar plaatst (zie ook diagrammen 21):
 

Percentages nieuwe indeling welstands-hiërarchie 1675
aantal gezinnen van niet-aangeslagenen en aangeslagenen (A), en vermogens (V)
Drie steden Salland Twente Vollenhove Overijssel
A V A V A V A V A V
Adel 0.8 7.6 1.7 73.1 1.1 60.9 0.8 51.1 1.1 41.2
rijke burgerij 5.0 64.2 0.5 6.0 0.7 13.9 1.8 31.6
gegoede middenstand 31.1 28.2 23.3 20.9 16.7 25.2 35.1 48.9 25.5 27.2
kleine middenstand 31.9 54.8 50.8 50.0 46.5
armen 31.2 19.7 30.7 14.1 25.1
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0
Percentages 1758
Adel 0.7 6.6 0.9 38.5 0.4 21.9 0.5 31.4 0.6 19.2
rijke burgerij 3.2 55.1 0.2 8.1 0.6 19.0 0.2 6.0 1.0 31.4
gegoede middenstand 21.4 38.3 16.9 53.4 22.1 59.1 18.3 62.6 20.0 49.4
kleine middenstand 35.0 55.2 34.1 52.2 42.7
armen 39.7 26.8 42.8 28.8 35.7
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0

 
Onderscheidt men ook hier weer steden en platteland dan krijgt men de volgende percentages:

|pag. 278|

_______________↑_______________

 

Percentages 1675
Salland st. Salland pl. Twente st. Twente pl. Vollenh. st. Vollenh. pl.
A V A V A V A V A V A V
Adel 1.9 76.7 0.2 15.5 1.4 71.1 1.6 50.4 0.3 52.2
r. burg. 1.5 36.9 0.4 4.5 0.9 24.7 0.6 11.5
geg. mid. 29.3 63.1 22.6 18.8 24.8 59.8 13.4 17.4 44.7 49.6 29.1 47.8
kl. mid. 45.1 55.9 38.7 55.8 39.7 56.5
armen 24.1 19.2 35.4 28.8 14.0 14.1
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0
Percentages 1758
Adel 1.0 41.8 0.1 7.3 0.5 30.6 1.1 47.5 0.2 14.5
r. burg. 0.1 3.8 0.2 8.5 1.5 34.3 0.2 10.0 0.4 7.0 0.1 5.0
geg. mid. 20.4 96.2 16.5 49.7 21.7 58.4 22.2 59.4 19.3 45.5 17.9 80.5
kl. mid. 43.0 56.7 21.5 39.0 43.9 55.8
armen 36.5 25.6 55.2 38.1 35.3 26.0
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0

 

[21. Welstandshiërarchie, 1675 en 1758.]

Numeriek vormen vrijwel overal de kleine middenstanders de basis van de gehele samenleving, in 1675 vooral op het platteland (overal meer dan 50%), in de steden vindt men daarnaast nog sterke groepen van gegoede middenstanders, vooral in het kwartier van Vollenhove en de drie grote steden. De armen vormen in 1675 een belangrijke groep in heel Twente en de drie grote steden. De rijke burgerij is naar aantal alleen belangrijk in de drie grote steden. De adel vormt slechts een zeer klein deel van de totale bevolking.

|pag. 279|

_______________↑_______________

     De vermogens in 1675 tonen een geheel andere verdeling. In de drie grote steden zijn zij voor een groot deel in handen van het patriciaat.
Op het Sallandse en Twentse platteland heeft de adel de grootste vermogens. In de Sallandse en Twentse steden behoren de vermogens vooral aan de gegoede middenstand. In Vollenhove is er ongeveer een gelijke verdeling van de vermogens tussen adel en gegoede middenstand.
     Beschouwen we nu de toestand in 1758. Op het Sallandse en Vollenhoofse platteland behoort meer dan de helft van de bevolking tot de kleine middenstand, ook in de Sallandse en Vollenhoofse steden en op het Twentse platteland omvat deze groep nog een groter deel der bevolking dan één der andere groepen, hoewel op het Twentse platteland de groep der armen procentueel weinig minder telt. De armen zijn de grootste groep in de drie steden en in de Twentse steden. De gegoede middenstanders omvatten overal ongeveer 15 deel van de bevolking.
De numerieke betekenis van de adel en de rijke burgerij is wederom slechts gering.
     Het grootste deel der vermogens (meer dan 50%) bevindt zich in 1758 in de Sallandse en Twentse steden en op het Twentse en Vollenhoofse platteland in handen van de gegoede middenstanders. In de drie grote steden is de rijke burgerij nog de vermogendste groep. Op het Sallandse platteland en in de Vollenhoofse steden is er ongeveer een gelijke verdeling van de vermogens tussen adel en gegoede middenstand.
     Welke groepen hebben naar aantal en vermogen een vermeerdering te zien gegeven en is deze vermeerdering evenredig aan de bevolkingsvermeerdering? De volgende indexcijfers verschaffen hierover meer licht, waarbij de aantallen en vermogens van 1675 op 100 zijn gesteld.
     Men kan uit het nevenstaande constateren, dat overal de armen sterker vermeerderd zijn dan de totale bevolking. Het sterkst lopen de indices van de vermeerdering van de armen en van de bevolking uiteen in het kwartier Vollenhove (steden zowel als platteland). Dit zou er op kunnen wijzen, dat daar de verpaupering het ergst was, doch dit is slechts schijn, omdat het aantal armen daar in 1675 juist zo gering was. Een niet bijzonder belangrijke vermeerdering veroorzaakt dientengevolge een zeer hoog indexcijfer. In werkelijkheid was de toestand in de Twentse steden het ergst.
     De kleine middenstand is in de drie grote steden ook nog sterker toegenomen dan de bevolkingsvermeerdering. Naar verhouding is de ontwikkeling van de kleine middenstand vooral in de Twentse steden, maar ook op het Twentse platteland bij de bevolkingsvermeerdering ten achter gebleven.
     De gegoede middenstand is op het platteland van Twente, zowel naar

|pag. 280|

_______________↑_______________

 

Indices van de vermeerdering der welstandsgroepen, der vermogens en der bevolking
1675/1758 (1675 = 100)
Drie steden Salland st. Salland pl. Twente st. Twente pl.
A V A V A V A V A V
Adel 113.9 75.2 88.9 30.9 100.0 103.3 84.8 36.0
rijke burgerij 81.9 74.0 14.3 10.0 83.3 107.2 341.7 306.9 89.5 72.7
geg. middenst. 89.6 116.9 117.7 151.1 119.3 149.7 179.7 214.3 379.0 285.0
kl. middenst. 144.9 161.8 168.4 115.7 162.3
armen 164.9 256.0 217.8 319.5 302.2
Bev. 1675/1764 139.8 176.9 233.3 272.7

 

Indices van de vermeerdering der welstandsgroepen, der vermogens en der bevolking
1675/1758 (1675 = 100)
Vollenh. st. Vollenh. pl. Overijssel
A V A V A V
Adel 80.0 69.8 125.0 26.6 93.0 39.2
rijke burgerij 93.9 83.2
geg. middenst. 47.7 67.9 95.7 161.5 130.0 152.0
kl. middenst. 124.5 151.6 154.6
armen 277.8 285.7 235.8
Bev. 1675/1764 143.0 176.4 186.9

 

|pag. 281|

_______________↑_______________

aantal als naar vermogen, sterker toegenomen dan de bevolkingsvermeerdering heeft bedragen. In alle andere delen echter is de numerieke vermeerdering van de gegoede middenstand bij die van de bevolking ten achter gebleven, in veel minder mate geldt dit voor de vermeerdering van de vermogens van deze groep. Wat de vermogensvermeerdering betreft, vergeleken bij de bevolkingsvermeerdering, is de achterstand bij de gegoede middenstand het sterkst in de Sallandse en Vollenhoofse steden.
     De rijke burgerij laat in de Twentse steden naar aantal en naar vermogen een sterker vooruitgang zien dan de bevolkingsvermeerdering.
Elders is deze groep numeriek achteruit gegaan, naar vermogen ook, behalve op het platteland van Salland. Uit de Sallandse steden zijn de rijke burgers vrijwel verdwenen.
     De adel is naar aantal vermeerderd in de drie grote steden en op het Vollenhoofse platteland, terwijl zij in de Twentse steden gelijk is gebleven. In de beide laatste gevallen gaat het om zeer kleine getallen. De vermeerdering van de adel in de grote steden wijst op de aantrekkingskracht van deze plaatsen, waar meer te beleven viel dan op de havezathen. Het zijn vooral de adellijke weduwen en de freules, die de steden als woonplaats kozen. Het vermogen van de adel is overal aanzienlijk teruggelopen, met uitzondering van de Twentse steden.
Het gaat hier echter slechts om één enkel geval.
     In het algemeen kan men zeggen, dat de bevolkingsvermeerdering heeft geleid tot een aanmerkelijke uitbreiding van de armoede. De kleine middenstand kon zich tegenover de bevolkingsdruk moeilijk handhaven, met uitzondering van de kleine middenstanders in de drie grote steden. De gegoede middenstand heeft zich vooral op het Twentse platteland ontwikkeld, overal elders is deze groep bij de bevolkingsvermeerdering ten achter gebleven. Het totale vermogen van de gegoede middenstand is sneller gestegen dan het aantal van deze groep.
Dientengevolge is het gemiddelde vermogen gestegen. De rijke burgerij heeft overal aan betekenis verloren, behalve in de Twentse steden.
Achteruitgang was ook het lot van de adel. Beide groepen, adel en rijke burgerij, zijn niet zo zeer numeriek achteruitgegaan, maar wel naar vermogen. Het gemiddelde vermogen van deze beide groepen is dus gedaald.
     Neemt men nogmaals de diagrammen 21 36 [36. Zie blz. 279.] ter hand, dan kan men daaruit aflezen, dat bij beschouwing van de numerieke verhoudingen blijkt, dat structurele veranderingen zich vooral in Twente en in de drie steden hebben voltrokken. In Twente heeft een aanzienlijke verschuiving van de kleine middenstand naar de armen plaats gevonden;

|pag. 282|

_______________↑_______________

in de drie grote steden is de rijke burgerij verminderd, het aantal der armen is daarentegen gestegen.
     In de vermogensverdeling zijn overal structurele veranderingen opgetreden, behalve in de drie grote steden. De pyramide met de basis naar boven is overal omgekeerd. In plaats van de adel is de gegoede middenstand het kapitaalkrachtigst geworden.

Bij de behandeling van de bevolkingsvermeerdering en de beroepsstructuur is bij het platteland steeds een onderscheid gemaakt tussen kerkdorpen en buurschappen. In het bronnenmateriaal van de kohieren is het moeilijker deze onderscheiding door te voeren, daar in enige schoutambten alleen het totaal is opgegeven en geen onderverdeling is gemaakt in buurschappen. Toch is het van belang te weten of de structuur van de kerkdorpen op die van de steden of op die van de buurschappen gelijkt. Zowel in de demografische verschijnselen als in de beroepsstructuur toonden de kerkdorpen meer overeenkomst met de steden dan met het eigenlijke platteland, de buurschappen. Voor zover het mogelijk is de onderscheiding tussen kerkdorpen en buurschappen in de bronnen te maken, verkrijgt men de volgende percentages:
 

Welstands-hiërarchie 1675
kerkdorpen-buurschappen naar aantal (A) en vermogen (V)
Sall. kd. Sall. bp. Twente kd. Twente bp. Voll. kd. Voll. bp.
A V A V A V A V A V A V
Adel 1.1 51.8 2.3 83.5 0.6 64.2 1.9 73.8 0.8 79.1
r. burg. 0.4 11.4 0.4 2.5 0.7 10.8 0.5 11.8
geg. m. 30.4 36.8 18.6 14.0 14.6 25.0 12.7 14.4 30.3 100.0 25.3 20.9
kl. mid. 49.9 59.0 54.9 56.3 57.4 56.5
armen 18.2 19.7 29.2 28.6 12.3 17.4
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0
Welstands-hiërarchie 1758 kerkdorpen-buurschappen
Adel 1.0 32.6 1.1 46.1 0.3 18.4 0.6 36.1 0.7 45.4
r. burg. 0.4 15.9 0.1 5.0 0.5 17.3 0.1 6.7 0.1 5.3 0.1 4.3
geg. m. 18.0 51.5 15.6 48.9 24.2 64.3 21.2 57.2 19.2 94.7 14.5 50.3
kl. mid. 50.3 60.0 37.6 40.1 59.2 48.7
armen 30.3 23.2 37.4 38.0 21.5 36.0
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0

 

|pag. 283|

_______________↑_______________

Vergelijkt men nu de percentages van de kerkdorpen, enerzijds met die der buurschappen, anderzijds met die der steden 37 [37. Zie blz. 279.], dan blijkt, dat in 1675 de Twentse kerkdorpen nog volkomen hetzelfde karakter hebben als de Twentse buurschappen, ook de Sallandse kerkdorpen gelijken op de Sallandse buurschappen, met uitzondering echter ten aanzien van de gegoede en de kleine middenstand. De gegoede middenstand is in de Sallandse kerkdorpen echter nog niet zo vermogend als die van de Sallandse steden. De Vollenhoofse kerkdorpen tonen een sterke overeenkomst met de kleine steden door het ontbreken van adel en rijke burgerij.
     In 1758 ziet men overal een wijziging van de kerkdorpen in de richting van de stedelijke welstands-hiërarchie. In Salland gelijken de kerkdorpen op de steden door het hoge percentage armen, door de omvang van de vermogens van de rijke burgerij en door de geringe invloed van de adel. In Twente stemmen de kerkdorpen nog met de buurschappen overeen doordat het aantal armen geringer is dan in de steden en ook door de grotere betekenis van de kleine middenstand, maar verder gelijken zij op de steden door het groter vermogen van de gegoede middenstand en van de rijke burgerij en door het geringer aandeel van de adel. Met uitzondering ten aanzien van de armen en de kleine middenstand dragen ook de Vollenhoofse kerkdorpen een stedelijk karakter.
     In grove trekken kan men zeggen, dat in 1675 alleen de kerkdorpen in het kwartier van Vollenhove een stedelijke structuur hebben, terwijl in de Sallandse kerkdorpen reeds een begin van verandering merkbaar wordt door de aanwezigheid van een gegoede middenstand; overigens onderscheiden zij zich niet van het omringende platteland, waar een boerse samenleving bestaat. De Sallandse kerkdorpen en in veel sterker mate de Twentse kerkdorpen zijn in 1675 nog agrarisch van structuur.
In 1758 is hier in feite weinig meer van overgebleven, de kerkdorpen zijn steedser geworden, zij lijken minder op het omringende platteland.
De gegoede middenstand en de rijke burgerij hebben aan betekenis gewonnen, de invloed van de adel is getaand.

Het gemiddelde vermogen stijgt als de vermogensvermeerdering hoger is dan de bevolkingsvermeerdering, omgekeerd daalt het gemiddelde vermogen als de bevolkingsvermeerdering sneller geschiedt dan de vermogensvermeerdering. We kunnen in 1675 en 1758 de gemiddelde vermogens van iedere groep berekenen.
Overal is het gemiddelde vermogen van de gegoede middenstand toegenomen met uitzondering van de Twentse kerkdorpen en buurschap-

|pag. 284|

_______________↑_______________

 

Gegoede middenstand (500-9.999 gld.)
1675 1758 1675 1758
Drie steden 1.870 2.439 Drie steden 1.870 2.439
Salland steden 1.299 1.666 Kleine steden 1.450 1.981
kerkdorpen 1.085 1.471 Kerkdorpen 1.151 1.473
buurschappen 1.211 1.437 Buurschappen 1.308 1.361
Twente steden 1.802 2.149
kerkdorpen 2.038 1.470
buurschappen 1.700 1.326
Vollenhove steden 1.229 1.749
kerkdorpen 817 1.480
buurschappen 871 1.157
Geheel C Iverijssel 1.499 1.753
Rijke burgerij (10.000 of meer)
Drie steden 26.200 23.694
Twente steden 20.375 18.299
Geheel Overijssel 25.046 22.209
Adel
Geheel Overijssel 51.611 21.733

 
pen. De stijging van het gemiddelde vermogen van deze groep was het grootst in de kerkdorpen van Vollenhove, daarna in de drie grote steden en de steden van Vollenhove. In 1675 was de gegoede middenstand het welvarendst in Twente, en daar weer vooral in de kerkdorpen. In 1758 was de voorrang overgegaan op de middenstand van de drie grote steden, waarna de steden van Twente en Vollenhove kwamen.
     Tussen kleine steden, kerkdorpen en buurschappen is in 1675 nog weinig verschil. De kerkdorpen zijn van deze drie het armst. De boeren, voor zover zij tot deze groep behoren, zijn vermogender dan de middenstand in de kerkdorpen. In 1758 is hierin verandering gekomen. De stedelijke middenstand in grote en kleine steden overtreft het agrarisch deel verre. In Salland en Vollenhove viel er nog vooruitgang in het gemiddelde vermogen te constateren, in Twente achteruitgang. Dit laatste is wel een gevolg van de te grote agrarische bevolkingsdichtheid, de opeenhoping van vele gezinnen op het boerenerf.
     Het gemiddelde vermogen van de rijke burgerij is tussen 1675 en 1758 ook achteruitgegaan, zelfs in de Twentse steden, waar de grote vermogensvermeerdering is gegaan ten koste van de grootte der vermogens.
     De achteruitgang van het gemiddelde vermogen van de adel is begrijpelijk in het licht van de totaal gewijzigde taxatie der adellijke

|pag. 285|

_______________↑_______________

vermogens. In 1758 ontlopen de gemiddelde vermogens van de rijke burgerij en de adel elkaar niet veel meer.
     In het algemeen kan men concluderen, dat alleen bij de gegoede middenstand een belangrijke groei in het gemiddelde vermogen valt waar te nemen, bij de rijke burgerij en de adel ziet men een achteruitgang.

VERMOGENS-HIËRARCHIE, DEMOGRAFISCHE VERSCHIJNSELEN EN
SOCIALE STRATIFICATIE IN LOCAAL VERBAND

Bij een behandeling van de locale structuur kan alleen weer de aandacht gevestigd worden op de exceptionele gevallen. De gegevens, die men bij vergelijking naast elkaar kan plaatsen, zijn:
le, de gemiddelde grootte van het burgerlijk vermogen per gezin per plaats in 1675 en 1758;
2e, de vermeerdering of vermindering van het totaal burgerlijk vermogen in 1758 per plaats, waarbij het burgerlijk vermogen van 1675 op 100 wordt gesteld;
3e, de bevolkingsvermeerdering, tussen 1675 en 1764 per plaats, waarbij de bevolking in 1675 op 100 wordt gesteld;
4e, de percentages der armen in verhouding tot de totale bevolking in 1675 en 1764 per plaats;
5e, het percentage adellijk vermogen in verhouding tot het totaal vermogen in 1675 en 1758 per plaats.

     Onder burgerlijk vermogen wordt hier verstaan het totale vermogen van de gegoede middenstand en de rijke burgerij samen, dus al het niet-adellijke vermogen. Om de gemiddelde grootte van het burgerlijk vermogen per gezin per plaats vast te stellen is het totale burgerlijke vermogen per plaats gedeeld door het totale aantal gezinnen, waaronder niet alleen de in de vermogensheffing aangeslagen gezinnen, maar ook de arme gezinnen en de gezinnen, die alleen hoofdgeld betalen, moeten worden verstaan.
     Voor geheel Overijssel komt men op een gemiddeld burgerlijk vermogen per gezin van 836 gld. in 1675 en 577 gld. in 1758. Een achteruitgang, welke te wijten is aan de bevolkingsvermeerdering, die sneller ging dan de stijging van de vermogens. Als exceptionele gevallen zijn aangemerkt de gemiddelde vermogens per gezin, die kleiner zijn dan 200 gld. of groter dan 700 gld. Het algemeen gemiddelde van Overijssel ligt in 1675 weliswaar boven de 700, maar dit is een gevolg van de grote gemiddelde vermogens van de drie grote steden: voor de drie steden bedraagt het gemiddelde vermogen 1916 gld., verder echter in Salland

|pag. 286|

_______________↑_______________

357, Twente 476 en Vollenhove 363 gld. Men moet de maximumgrens in dit geval dus lager stellen dan het provinciaal gemiddelde.
     Het indexcijfer van de groei van het burgerlijk vermogen bedraagt tussen 1675 en 1758 in geheel Overijssel 115.0; als bijzondere gevallen worden beschouwd die, waarin het vermogen niet is gegroeid of zelfs is verminderd sedert 1675 (indexcijfer 100 of lager), en die gevallen, waarin het vermogen in 1758 tot een indexcijfer van meer dan 250 is gestegen.
     Stagnatie of zeer grote vermeerdering van het burgerlijk vermogen kunnen samenhangen met bijzonder grote of bijzonder geringe bevolkingsvermeerdering. De index van de bevolkingsvermeerdering in geheel Overijssel bedroeg tussen 1675 en 1764 186.9. Als bijzonder geringe bevolkingsvermeerdering is een stijging van het indexcijfer tot minder dan 125 aangemerkt, als een bijzonder grote bevolkingsvermeerdering die van meer dan 250.
     Behalve door het burgerlijk vermogen kan de structuur van een plaats ook bepaald worden door het adellijk vermogen. Als bijzonder geval worden in 1675 de plaatsen beschouwd met meer dan 50% adellijk vermogen, in 1758 met meer dan 25%, dit in verband met de achteruitgang van het adellijk vermogen tussen 1675 en 1758. Voorts zijn ook de plaatsen met minder dan 10% adellijk vermogen exceptioneel.
     Men kan ook een correlatie vermoeden tussen de vermogensvermeerdering of -vermindering en de armoede. Bijzondere gevallen zijn in 1675 percentages hoger dan 25% en in 1764 hoger dan 30%. Het percentage van 1764 is hoger gesteld in verband met de vergroting van de armoede in 1764; zeer gunstig zijn de plaatsen, waar minder dan 10% armen zijn.
     Beschouwt men aan de hand van deze criteria de plaatselijke gegevens dan blijkt het volgende (zie volgende pag.).
     Uit achterstaande schematische voorstelling van de combinatie der verschillende factoren, die in verband kunnen worden gebracht met de grootte der gemiddelde burgerlijke vermogens en de wijzigingen daarin, kan men aflezen, dat plaatsen met een hoog gemiddeld burgerlijk vermogen in 1675 in de periode tot 1758 wel achteruit gaan – geen enkele plaats komt voor grote vermeerdering in aanmerking, daarentegen wel 8 voor vermindering – maar dat geen enkele plaats tot het laagste niveau is gedaald en dat er nog verscheidene zijn, die nog tot de hoogstgeplaatsten blijven behoren. Omgekeerd zijn de plaatsen met een laag burgerlijk vermogen in 1675 over het algemeen wel gestegen, doch geen enkele heeft de hoogste categorie bereikt, sommigen zijn in dezelfde klasse gebleven.

|pag. 287|

_______________↑_______________

 

Toestand in 1675
11 gevallen met
gem. hoog burgerl.
verm. hiervan:
13 gevallen met
gem. laag burgerl.
verm. hiervan:
hoog burg. vermogen 1758 5 0
laag burg. vermogen 1758 0 4
vermeerdering burg. verm. 1675/1758 0 9
vermindering burg. verm. 1675/1758 8 1
grote bevolkingsvermeerdering 1675/1764 3 3
bevolkingsverm. < 125 3 1
grote armoede 1675 7 5
geringe armoede 1675 0 4
veel adellijk verm. 1675 1 7
weinig adellijk verm. 1675 6 6
Toestand in 1758
8 gevallen met
gem. hoog burgerl.
verm. hiervan:
10 gevallen met
gem. laag burgerl.
verm. hiervan:
hoog burg. vermogen 1675 5 0
laag burgerl. vermogen 1675 0 4
vermeerd. burg. verm. 1675/1758 3 2
vermindering burg. verm. 1675/1758 3 6
grote bevolkingsvermeerdering 1675/1764 1 1
bevolkingsverm. <125 2 2
grote armoede 1764 5 2
geringe armoede 1764 0 1
veel adellijk verm. 1758 1 7
weinig adellijk verm. 1758 6 2

 
     Ten opzichte van bevolkingsvermeerdering of -vermindering staan de beide groepen indifferent. De plaatsen met een hoog burgerlijk vermogen worden in 1675 gekenmerkt door grote armoede en weinig adellijk vermogen. Voor de plaatsen met een laag burgerlijk vermogen is dit veel onduidelijker.

|pag. 288|

_______________↑_______________

 

Verandering tussen 1675 en 1758 (1675 = 100)
16 geval. met ver-
meerdering burg.
verm.
(meer dan 250)
hiervan:
21 geval. met ver-
mindering burg.
verm.
(beneden 100)
hiervan:
hoog burgerl. verm. 1675 0 8
laag 1675 9 1
hoog 1758 3 3
laag 1758 2 6
grote bevolkingsvermeerd. 1675/1764 6 2
bevolkingsverm. <125 2 9
grote armoede 1675 7 6
geringe armoede 1675 3 7
grote armoede 1764 5 5
geringe armoede 1764 3 3
veel adell. verm. 1675 6 5
gering adell. verm. 1675 10 10
veel adell. verm. 1758 3 7
gering adell. verm. 1758 8 13

 
     Bij de gevallen van 1758 merken we op, dat sommige plaatsen met een hoog burgerlijk vermogen ook reeds in 1675 tot deze categorie behoorden; sommige plaatsen met een laag burgerlijk vermogen waren ook reeds laag in 1675. In het algemeen tonen deze laatste plaatsen een vermindering van het totale burgerlijke vermogen. Ook hier is geen merkbare invloed van bevolkingsvermeerdering of -vermindering. De plaatsen met een hoog burgerlijk vermogen worden wederom gekenmerkt door grote armoede en weinig adellijk vermogen. De plaatsen met een laag burgerlijk vermogen hebben nu meestal veel adellijk vermogen.
     Bij de vermogensvermeerdering en -vermindering kan men de volgende verschijnselen opmerken: vermogensvermeerdering treedt vooral op bij een laag burgerlijk vermogen in 1675, vermogensvermindering omgekeerd bij een hoog burgerlijk vermogen in 1675. In enige gevallen zijn door vermogensvermindering de plaatsen in 1758 in de laagste categorie terecht gekomen.
     Zeer duidelijk zien we, dat vermogensvermeerdering vooral gepaard gaat met grote bevolkingsvermeerdering, terwijl anderzijds vermogensvermindering gevonden wordt bij geringe bevolkingsvermeerdering of zelfs bevolkingsvermindering.

|pag. 289|

_______________↑_______________

     De vermogensvermeerdering vindt men in een aantal plaatsen, waar in 1675 reeds een grote armoede bestond. Het verband tussen vermogensvermindering en armoede is onduidelijker.
     Zowel vermogensvermeerdering als -vermindering tonen een waarneembare voorkeur voor plaatsen met een gering adellijk vermogen.
     Hoewel hieronder bij de bespreking van de locale gevallen het beeld nog meer gedifferentieerd kan worden, kunnen nu reeds de volgende algemene lijnen onderkend worden: Het is moeilijk voor plaatsen om uit de categorie te treden, waarin zij eenmaal zijn opgenomen. Er zijn geen plaatsen, die van het ene uiterste in het andere vallen, geen plotselinge ontwikkeling van een laag burgerlijk vermogen in een hoog, of omgekeerd. De periode tussen 1675 en 1758 was daarvoor misschien ook te kort en te weinig revolutionnair, ook in economisch opzicht.
De feiten wijzen in de richting van een vrij geleidelijke ontwikkeling.
     In 1675 en 1758 gaat een hoog burgerlijk vermogen gepaard met een laag adellijk vermogen, in 1758 vindt men lage burgerlijke vermogens, waar de adellijke vermogens hoog zijn. In het algemeen sluiten burgerlijk en adellijk vermogen elkaar uit.
     Er zijn tekenen, die er op wijzen, dat de hoge burgerlijke vermogens gepaard gaan met grotere armoede en dat ook in plaatsen, waar grotere armoede is eerder vermogensvermeerdering van de gegoede middenstand en rijke burgerij optreedt. Men moet dit in verband brengen met de opmerking, dat vermogensvermeerdering en -vermindering vooral voorkomt in plaatsen met weinig adellijk vermogen. Men kan het aldus verklaren, dat in de plaatsen, waar het adellijk vermogen weinig invloed heeft, de agrarische rust is doorbroken, waardoor zich eerder wijzigingen in de vermogensstructuur kunnen voltrekken, een deel van de middenstand wordt welvarender, een ander deel armer.
     De samenhang tussen vermeerdering van de vermogens en van de bevolking en ook bij vermindering van deze beide factoren, wijst er op, dat het burgerlijk vermogen een goede voedingsbodem vindt in plaatsen, waar de bevolking in belangrijke mate toeneemt. Het „klimaat” voor de ontwikkeling van het burgerlijk vermogen is in groeiende plaatsen gunstig. Grote bevolkingsvermeerdering leidt tot groter welvaart, de florissante demografische toestand wekt op tot ontplooiing van de economische krachten. Met dien verstande echter, dat welvaart en ontplooiing van de economische krachten alleen gelden voor die personen in de maatschappij, die behoren tot de „vermögenden”, dus gegoede middenstand en rijke burgerij. Daarnaast zien we in dit zelfde milieu ook de armoede om zich heen grijpen.

|pag. 290|

_______________↑_______________

Bij een onderzoek van de plaatselijke omstandigheden vinden we, dat het gemiddelde burgerlijke vermogen in 1675 het hoogst is in de drie grote steden: Zwolle 2.367, Deventer 2.194 en Kampen 1.110 gld. Zwolle en Deventer zijn veel rijker dan Kampen, wat ook tot uitdrukking komt in het totale burgerlijke vermogen, dat voor Zwolle en Deventer resp. 3.432.000 en 3.925.000 gld. bedraagt, terwijl dat voor Kampen slechts 1.583.000 gld. is. In Salland vindt men hoge gemiddelde burgerlijke vermogens slechts in de beide steden Hardenberg en Hasselt, resp. 1.110 gld. en 781 gld. Het totaal burgerlijke vermogen van Hasselt is veel groter dan van Hardenberg, 140.500 tegenover 86.600 gld., maar Hasselt is ook veel volkrijker. Bovendien zijn er in Hasselt vijf rijke burgers met een vermogen van meer dan 10.000 gld., en in Hardenberg slechts twee. Hasselt wekt in deze tijd nog de indruk van een welvarende handelsstad met een omvangrijker gegoede middenstand dan de overige Sallandse steden.
     In Twente wordt in 1675 het hoogste gemiddelde burgerlijke vermogen aangetroffen in Borne, nl. 1.246 gld. Hiermede komt Borne onmiddellijk achter Zwolle en Deventer en vóór de steden Oldenzaal, Kampen en Hardenberg (allen boven 1.000 gld.). In Borne vindt men 8 burgerlijke aangeslagenen met meer dan 10.000 gld., hun totaal vermogen bedraagt 144.000 gld. Hiertoe behoren o.a. leden van de families ten Cate en Hulshoff. Er zijn in Borne in totaal 11 ten Cate’s, aangeslagen voor een bedrag van 63.000 gld., 2 Hulshoff’s voor 20.000 gld., voorts is er nog een R.B. Coster met 2.000 gld. Het zijn allen namen, die in verband staan met de textiel; de ten Cate’s en Coster’s ontmoeten we later in Almelo. Op Borne volgt de stad Oldenzaal met een gemiddeld burgerlijk vermogen van 1.184 gld. Er zijn acht aangeslagenen met een vermogen van 10.000 gld. of meer. Bijzonder talrijk in deze stad zijn de gegoede middenstanders met vermogens tussen 2.000 en 9.999 gld. Boven de 700 gld. burgerlijk vermogen liggen in Twente nog de stad Goor met 826 gld. en de richterambten Ootmarsum en Diepenheim, resp. met 750 en 719 gld. Naast enkele grote vermogens vindt men in het richterambt Ootmarsum een vrij behoorlijk gesitueerde kleine middenstand, voor het merendeel moet die uit boeren hebben bestaan.
     Onder deze plaatsen in Twente met een hoog gemiddeld burgerlijk vermogen komt men nog niet de latere grote textielplaatsen tegen als de steden Almelo en Enschede en het richterambt Enschede. Het totaal burgerlijk vermogen in Almelo bedroeg 125.500 gld., waaronder één aangeslagene met 12.500 gld. (burgemr. J. Swam), het totaal burgerlijk vermogen in de stad Enschede bedroeg 94.000 gld. met twee

|pag. 291|

_______________↑_______________

aangeslagenen boven 10.000 gld. (richter Cost 10.000 en H. van Loggum 12.000 gld.).38 [38. Voorts worden genoemd J. van Lochum met 4.000 gld. en A. van Loggum met 500 gld.] Het totaal burgerlijk vermogen in het richterambt Enschede beliep slechts 34.500 gld.; niemand was hier voor een bedrag van 10.000 gld. of meer aangeslagen. Over de vermogens van de fabrikeurs en linnenkooplieden zal hierna nog worden gehandeld.39 [39. Blz. 322-332.]
     In het kwartier van Vollenhove is slechts in de stad Steenwijk het gemiddelde burgerlijke vermogen hoger dan 700 gld., nl. 763 gld. De stad Steenwijk heeft geen rijke burgers, alleen een zeer talrijke gegoede middenstand.
     De zeer lage burgerlijke vermogens beneden 200 gld. vindt men in 1675 alleen op het platteland, niet in de steden. Een uitzondering is de stad Genemuiden met een bedrag van 189 gld. per gezin; toch is het percentage armen hier het laagst van alle Sallandse steden. Op het platteland van Salland vindt men de meeste van de plaatsen met lage gemiddelde burgerlijke vermogens. In het schoutambt Genemuiden zijn zelfs in het geheel geen aangeslagenen! In Colmschate bedraagt het gemiddelde 76 gld., in Hellendoorn 141, in Zwollerkerspel 172 en in Dalfsen 196 gld. In Twente spant het richterambt Almelo de kroon met 11 gld., daarna komen de richterambten Oldenzaal 102, Enschede 125 en Vriezenveen 147 gld. In het kwartier van Vollenhove zijn het de schoutambten Giethoorn 111, Steenwijk 169 en IJsselham 188 gld.
     Overeenkomstig de algemene daling van het gemiddelde burgerlijk vermogen tussen 1675 en 1758 is het aantal plaatsen met een hoog gemiddeld burgerlijk vermogen verminderd van 11 in 1675 op 8 in 1758. In de meeste plaatsen is bovendien de grootte van het gemiddeld burgerlijk vermogen gedaald. Onder de drie grote steden staat nu Deventer vooraan met 1.669 gld., Zwolle heeft de grootste daling ondergaan van 2.367 op 1.186 gld., omdat hier de bevolkingsvermeerdering veel groter is geweest (index 209.1) dan in Deventer (index 120.6). Kampen is gedaald tot 829 gld. Plaatsen met gemiddelde burgerlijke vermogens, die meer dan 700 gld. bedragen, vindt men in 1758 niet meer in Salland, niet meer op het platteland van Twente en Vollenhove. De steden Oldenzaal en Steenwijk hebben zich kunnen handhaven, resp. op 901 en 711 gld. In Twente zijn Goor en Borne beneden de 700 gld. gedaald (resp. 575 en 440 gld.). Opgekomen zijn hier echter de steden Almelo, Delden en Enschede, met resp. 941, 859 en 728 gld. De stad Almelo heeft nu het hoogste gemiddelde bur-

|pag. 292|

_______________↑_______________

gerlijke vermogen in Twente en komt in grootte onmiddellijk na de steden Deventer en Zwolle, dus nog voor Oldenzaal, Delden en Kampen. Almelo heeft een totaal burgerlijk vermogen van 614.231, tegen Oldenzaal 472.213, Enschede 283.131 en Delden 211.347 gld. Almelo heeft de meeste rijke burgers (vermogen van 10.000 gld. of meer), nl. 16 met een gezamenlijk vermogen van 344.079, Oldenzaal 14 met een vermogen van 258.443, Delden 4 met 63.972 en Enschede 3 met 37.226 gld. Almelo bezit een talrijker gegoede middenstand met vermogens van 2.000 – 9.999 gld. dan de andere Twentse steden: Almelo 53, Oldenzaal 35, Enschede 36 en Delden 25. De kleine middenstand met vermogens van 500-1.999 gld. is in Enschede het talrijkst, met 96 vertegenwoordigers.
     In het kwartier van Vollenhove heeft Steenwijk het karakter van een stad met een gegoede middenstand bewaard.
     Het aantal plaatsen met een zeer laag burgerlijk vermogen is tussen 1675 en 1758 gedaald van 13 op 10. Men ziet hier dus een zekere nivellering over de gehele provincie. Het aantal der plaatsen met een hoog gemiddeld burgerlijk vermogen daalt, die met een laag vermogen stijgen; de uitersten verdwijnen. Des te opvallender is daarom de stijging in Twente van de steden Almelo, Enschede en Delden. De lage gemiddelde burgerlijke vermogens vindt men nu nog alleen maar op het platteland en wederom vooral in Salland. Hier zijn het nu vooral Staphorst en Rouveen, die het meest de aandacht vragen door gemiddelde vermogens van 29 en 72 gld. Beneden 200 gld. zijn voorts nog Zalk-Veecaten met 115, Hellendoorn 171, Raalte 180 en Ommen en den Ham 185 gld. Sedert 1675 is de toestand verbeterd in Colmschate, Zwollerkerspel, Dalfsen en het schoutambt Genemuiden.
     In Twente is de toestand in de richterambten Oldenzaal en Almelo gunstiger geworden, doch nog niet voldoende (resp. 146 en 171 gld.).
Ver boven de 200 gld.-grens zijn gestegen het richterambt Enschede van 125 op 453 gld. en Vriezenveen van 147 op 426 gld.
     In het kwartier van Vollenhove is het gemiddeld burgerlijk vermogen het laagst in Giethoorn, gedaald van 111 op 61 gld., terwijl ook het schoutambt Vollenhove met 127 gld. beneden de minimum grens is.
In de schoutambten Steenwijk en IJsselham heeft men deze grens overschreden (resp. 282 en 463 gld.).
     De veranderingen in de verschillende plaatsen in het gemiddelde burgerlijke vermogen per gezin tussen 1675 en 1758 geeft nog geen inzicht in de groei of achteruitgang van het totale burgerlijke vermogen in die plaatsen. Dit kan achteruit zijn gegaan, zoals in de drie grote steden, terwijl het toch nog boven de maximum grens van 700

|pag. 293|

_______________↑_______________

gld. is gebleven. Het totale burgerlijke vermogen kan zijn gegroeid, zelfs zeer aanzienlijk, zoals in het richterambt Almelo met 2.299.0 (1675 = 100), terwijl toch het gemiddelde burgerlijke vermogen slechts is gestegen van 11 op 176 gld. Uit dit voorbeeld ziet men, dat bij een zeer gering gemiddeld burgerlijk vermogen in 1675 gemakkelijk hoge vermeerderings-indices in 1758 te voorschijn kunnen komen. Het richterambt Almelo is het meest opvallende voorbeeld, maar de vermeerderings-indices zijn ook hoog in het richterambt Enschede (1.140.1) en Colmschate (741.8).
     De groei van de burgerlijke vermogens heeft vooral op het platteland plaats gevonden en in de Twentse steden. In Salland zijn het Colmschate (741.8), Holten (353.5) en Zwollerkerspel (252.5). In Twente, behalve de richterambten Almelo en Enschede, ook Oldenzaal, Vriezenveen en Haaksbergen. Onder de Twentse steden moet Almelo het eerst worden genoemd (489.4), daarna volgen Rijssen (366.8), Enschede (301.2) en Delden (289.5). Op het platteland van Vollenhove zijn het de schoutambten IJsselham (364.4), Steenwijk (362.0) en Zwartsluis (341.5).
     Het aantal plaatsen, waar het totaal burgerlijk vermogen tussen 1675 en 1758 is gedaald, is groter dan dat waarin een stijging plaats vond, nl. 21 tegen 16. De ernstigste daling geschiedde in Staphorst, nl. tot 14.1 (1675 = 100), daarna komen Rouveen (32.9), Blokzijl (36.8), Kuinre (39.0) en het schoutambt Vollenhove (42.3). Beneden 75.0 zijn nog Zalk, Kampen, Hasselt, Wijhe, Giethoorn en IJsselmuiden.
Talrijk zijn de plaatsen uit het gebied van de IJsselmonding en het land van Vollenhove. Het is het gebied van de veeteelt. Misschien is het niet onwaarschijnlijk, dat de veesterfte, die in het midden van de 18e eeuw de veestapel teisterde, een ongunstige invloed op de vermogensvermeerdering heeft uitgeoefend. Hasselterkerspel is in deze streek de enige uitzondering door de ontwikkeling van de nederzetting bij Zwartsluis, de Nieuwe Sluis.
     Classificeert men de plaatsen volgens de hiervoor genoemde richtlijnen 40 [40. Blz. 286-287.], dan ziet men stijging van het burgerlijke vermogen in die plaatsen, waar dit in 1675 naar verhouding tot het gemiddelde Overijsselse vermogen laag was (Colmschate, Zwollerkerspel, de richterambten Oldenzaal, Enschede, Almelo, Vriezenveen, de schoutambten Steenwijk, IJsselham en Genemuiden) en in die plaatsen, waar het burgerlijk vermogen in 1758 naar verhouding hoog was (de steden Enschede, Delden en Almelo). Omgekeerd treedt daling in van het burgerlijke vermogen in de plaatsen, waar het in 1675 naar verhouding

|pag. 294|

_______________↑_______________

hoog was (Zwolle, Deventer, Kampen, Hardenberg, Hasselt, richterambten Ootmarsum, Diepenheim en Borne) en in de plaatsen, waar het in 1758 naar verhouding laag was (schoutambt Ommen, Zalk, Staphorst, Rouveen, schoutambt Vollenhove, Giethoorn).
     Grote groei van het burgerlijk vermogen samen met grote bevolkingsvermeerdering vindt men in Holten, de richterambten Oldenzaal en Enschede, de stad Enschede, het schoutambt Steenwijk en Zwartsluis.
Met uitzondering van de stad Enschede was in deze plaatsen de vermogensvermeerdering groter dan die van de bevolking. Slechts één geval ontmoet men van een buitengewone vermeerdering van het vermogen, terwijl de bevolkingsgroei slechts gering was, nl. Kedingen (vermogen 343.8, bevolking 104.3).
     Vermindering van het vermogen en geringe bevolkingsvermeerdering of -vermindering ontmoet men in Deventer, Kampen, Kamperveen, Diepenheim, schoutambt Vollenhove, Blankenham, Kuinre en Blokzijl. Slechts tweemaal gaat een vermogensvermindering gepaard met een sterke bevolkingsvermeerdering, nl. in de richterambten Ootmarsum en Borne. Deze beiden staken in 1675 al door een hoog gemiddeld burgerlijk vermogen bij hun omgeving af.
     Grote vermogensvermeerdering en geringe armoede, zowel in 1675 als in 1758 vindt men in Colmschate en Zwollerkerspel, terwijl er in 1675 in IJsselham weinig armen waren en in 1758 in Holten. De ontwikkeling is dus bijzonder gunstig geweest in Holten, waar ook nog een grote bevolkingsvermeerdering plaats greep.
     Grote bevolkingsvermeerdering en grote armoede, zowel in 1675 als in 1758, treft men aan in het richterambt Oldenzaal en de stad Enschede. Ongunstig is de ontwikkeling ook, waar de vermogensvermeerdering gepaard ging met een verscherping van de armoede, dus waar in 1675 het percentage der armen nog niet bijzonder hoog was, doch in 1758 wel. Dit is het geval in de steden Rijssen en Almelo en het schoutambt Steenwijk.
     In een aantal andere plaatsen is de vermeerdering van het burgeilijk vermogen gepaard gegaan met een vermindering van de armen, zo in Haaksbergen, richterambt Almelo, Vriezenveen, stad Delden en Zwartsluis.
     Een geringe vermogensvermeerdering met weinig armoede, zowel in 1675 als in 1758, komt voor in het schoutambt Ommen, Kamperveen en Blankenham. Een zekere achteruitgang kan men constateren in Zalk-Veecaten, schoutambt Vollenhove, Giethoorn en Kuinre, daar was in 1675 het percentage der armen zeer laag, in 1758 echter niet meer.

|pag. 295|

_______________↑_______________

     Vaak is een geringe vermogensvermeerdering samen gegaan met grote armoede. Deze heerst, zowel in 1675 als in 1758, in de steden Kampen, Hasselt en Diepenheim en voorts in Borne. In 1675, maar niet in 1758, is er grote armoede in Deventer en in het richterambt Ootmarsum, hier is dus van enige verbetering sprake, ondanks een geringe groei van het burgerlijk vermogen. Grote armoede in 1758, maar niet in 1675, heerst er in IJsselmuiden, hier is de toestand slechter geworden.
     In het algemeen kan men zeggen, dat de vermeerdering van de burgerlijke vermogens in een achttal gevallen een gunstige ontwikkeling ten opzichte van de armoede heeft ingeluid, waaronder drie in Salland (Colmschate, Zwollerkerspel en Holten), vier in Twente (Haaksbergen, stad Delden, richterambt Almelo, Vriezenveen) en één in Vollenhove (Zwartsluis). In Salland dus twee plaatsen in de onmiddellijke nabijheid van de beide grote steden en een plaats met enige ontginnings-activiteit (Holten), in Twente enige textielplaatsen en in Vollenhove een verkeerscentrum. Hier is derhalve een verbetering ingetreden voor alle groepen der bevolking, niet alleen voor de vermögenden, maar ook voor de armen. Bovendien vond er in Holten en Zwartsluis nog een grote bevolkingsvermeerdering plaats.
     Een ongunstige ontwikkeling ziet men in zes gevallen, weliswaar ziet men hier een grote vermogensvermeerdering, maar dit geldt alleen van de groep van de vermogenden, daarnaast wordt de armoede groter: in Twente het richterambt Oldenzaal, de steden Enschede, Almelo en Rijssen; in Vollenhove het schoutambt Steenwijk en IJsselham. Almelo en Enschede zijn textielplaatsen, in het schoutambt Steenwijk en IJsselham was de turfgraverij van belang. Grote bevolkingsvermeerdering deed zich voor in de stad Enschede, het richterambt Oldenzaal en het schoutambt Steenwijk. Deze omstandigheid zal mede van invloed zijn geweest op de ontwikkeling.
     Een geringe vermeerdering van het vermogen is slechts in vijf gevallen samengegaan met een verbetering in de positie van de armen.
De weinige mogelijkheden tot ontplooiing, die er voor de middenstand bestonden, hebben geen ongunstige invloed gehad op de armoede. Het zijn Deventer, Kamperveen, schoutambt Ommen, richterambt Ootmarsum en Blankenham. Opvallend is, dat in drie van deze plaatsen de bevolking weinig groeide of zelfs achteruitging (Deventer, Kamperveen en Blankenham). Dit heeft het waarschijnlijk mogelijk gemaakt, dat de armoede niet ernstiger werd. Alleen het richterambt Ootmarsum kende een grote bevolkingsvermeerdering. Sterk agrarisch zijn Kamperveen, Blankenham en het schoutambt Ommen.

|pag. 296|

_______________↑_______________

     In negen gevallen ziet men, dat de vermindering van het totale burgerlijke vermogen niet alleen de vermogende groepen heeft getroffen, maar ook de armoede heeft vergroot: de steden Kampen, Hasselt, Kuinre, voorts IJsselmuiden, Zalk, het schoutambt Vollenhove en Giethoorn; in Twente de stad Diepenheim en Borne. Voornamelijk dus een aantal handelssteden, die achteruit zijn gegaan – Blokzijl hoort er eigenlijk ook nog bij – en enige schoutambten aan de IJsselmonding en in het kwartier van Vollenhove. In Twente is Diepenheim economisch een onbetekenend stadje met een vrijwel stationaire bevolking. Borne bloeide in 1675 ver boven alles. De achteruitgang van Borne dient wel verklaard te worden door een verplaatsing van de textiel, of in ieder geval door een verandering in de vestigingsplaats van de linnenreders naar het nabijgelegen Almelo.
     Borne is de enige plaats in deze groep met een grote bevolkingsvermeerdering. Een zeer geringe bevolkingsvermeerdering of zelfs vermindering kan men constateren in Kampen, Kuinre, schoutambt Vollenhove en de stad Diepenheim. Stilstaande plaatsen met weinig mogelijkheden voor de middenstanders, terwijl de armoede steeds zwaarder gaat drukken.
     De vergroting van de burgerlijke vermogens, de ontplooiing van de middenstand heeft vaker gunstig dan ongunstig gewerkt, meestal waren de armen er ook mee gebaat. In enkele Twentse steden zijn echter de tegenstellingen tussen armen en middenstand verscherpt. Zeer duidelijk is de samenhang tussen een geringe groei of achteruitgang van de middenstand en grotere verarming der lagere klassen, in vele gevallen gepaard gaande met een geringe vermeerdering of achteruitgang van het bevolkingsaantal. Het is een proces, dat zich voornamelijk in het gebied van de IJsselmonding en in het kwartier van Vollenhove afspeelt.
     Bestaat er verband tussen een grote vermeerdering van het burgerlijk vermogen en het voorkomen van adellijk vermogen? Het adellijk vermogen is vooral een plattelandsverschijnsel, en daarbij voornamelijk aan Salland en enige delen van Twente gebonden. Zowel bij de grote vermeerdering van het burgerlijk vermogen als bij een zeer geringe groei vindt men enige gevallen met overheersend adellijk vermogen. Veel groter is echter het aantal gevallen, waarin het adellijk vermogen ontbreekt of van geringe betekenis is. En ook hier kan het burgerlijk vermogen in bijzondere mate zijn gegroeid of zich juist niet ontwikkeld hebben.
     Sterke stijging van het burgerlijk vermogen met sterke vermindering van het adellijk vermogen vindt men in Colmschate, richterambt Oldenzaal en schoutambt Steenwijk. Sterke stijging van het burgerlijk

|pag. 297|

_______________↑_______________

vermogen met behoud van een aanzienlijk adellijk vermogen treft men aan in Zwollerkerspel, Kedingen en het richterambt Almelo. Het burgerlijk vermogen is aanzienlijk toegenomen in de volgende plaatsen, waar geen of slechts gering adellijk vermogen was: de steden Delden, Enschede, Rijssen, Almelo, voorts Holten, Haaksbergen, Vriezenveen, richterambt Enschede, Zwartsluis, IJsselham en schoutambt Steenwijk.
     Geringe vermeerdering van het burgerlijk vermogen met vermindering van het adellijk vermogen vindt men in Borne, IJsselmuiden en de stad Diepenheim. Het burgerlijk vermogen is ook niet vermeerderd bij het ontbreken van adellijk bezit in Zwolle, Deventer, Hasselt, Hardenberg, Kuinre, Blokzijl, Giethoorn, Blankenham en Rouveen.
Tenslotte is het burgerlijk vermogen niet gestegen in de volgende plaatsen, waar wel een belangrijk adellijk vermogen was: schoutambt Ommen, Wijhe, Zalk, Kamperveen, Staphorst, schoutambt Vollenhove en de richterambten Ootmarsum en Diepenheim.
     Er zijn 23 plaatsen, waar de adel geen rol meer speelde, in 10 ervan heeft de middenstand zich ontplooid, in 13 niet. Van de 14 plaatsen, waar de adel nog grote invloed had zijn er zes, waarin de middenstand zich heeft kunnen ontwikkelen, in acht niet. In drie van de zes plaatsen heeft de burgerij de adel teruggedrongen, in de andere drie niet. Het is dus geenszins zo, dat het overwegen van de adellijke invloed een belemmering is geweest voor de burgerlijke ontwikkeling of dat juist de afwezigheid van de adel een bijzonder gunstige factor was voor de groei van de middenstand. Men mag niet de ontwikkeling van het burgerlijk vermogen aan het ontbreken van de adel toeschrijven, zoals dit wel eens ten aanzien van de stad Enschede is geschied.41 [41. F. van Heek, Stijging en daling op de maatschappelijke ladder, 1945, blz. 204-205.] Ook in de andere Twentse steden, behalve in Ootmarsum, was geen adellijk vermogen, evenals in grote delen van Vollenhove en in alle Sallandse steden. Hier ziet men echter juist een achteruitgang van het burgerlijk vermogen.
     Een ander probleem, naast de verhouding tussen middenstand en adel, vraagt nog de aandacht, nl. de vraag of er verband bestaat tussen het adellijk vermogen en de omvang van de armoede. Men zou zich kunnen denken, dat de adel heerste als een kleine kaste over vrijwel de gehele boerenbevolking, die in een uiterste staat van armoede leefde. Scherpe tegenstellingen tussen heersers en onderworpenen. In werkelijkheid is de situatie anders, in ieder geval veel gecompliceerder. Er zijn in het geheel, 1675 en 1758 tezamen genomen, 9 gevallen, waarin naast een aanzienlijk adellijk vermogen grote armoede voorkomt: vier in 1675 Hellendoorn, de richterambten Oldenzaal en

|pag. 298|

_______________↑_______________

Almelo en de stad Ootmarsum, vijf in 1758 Hellendoorn, het richterambt Delden en de steden Ootmarsum, Steenwijk en Vollenhove. Opmerkelijk is, dat de verarming zich voornamelijk in de steden voordoet, waar de adel zeker niet alleen oppermachtig is.
     Een groot adellijk vermogen met weinig armen komt in 9 gevallen voor: vijf in 1675 Colmschate, Zwollerkerspel, Zalk en de schout-ambten Ommen en Vollenhove, vier in 1758 Zwollerkerspel, Kamperveen en de schoutambten Ommen en Hardenberg. Deze gunstige verhoudingen vindt men voornamelijk op het platteland van Salland, waar de oude, meer feodale structuur is blijven bestaan: een machtige adel, een gering aantal vermogende boeren en middenstanders, maar tevens weinig armen.
     Men treft tien gevallen aan van weinig of geen adellijk vermogen, terwijl er tevens weinig armen zijn: zes in 1675 Wilsum, Kamperveen, IJsselham, Blankenham, Giethoorn en Kuinre, vier in 1758 Holten, Wilsum, Blankenham en Wanneperveen. Bijzonder groot is het aantal plaatsen waar de adel van geringe of van totaal geen betekenis is en waar de armen zeer talrijk zijn, nl. 20, waarvan 11 in 1675 Deventer, Kampen, Hasselt, schoutambt Genemuiden, Haaksbergen, Vriezenveen, de steden Oldenzaal, Enschede, Delden, Goor en voorts Zwartsluis en 9 in 1758 Kampen, Hasselt, stad Genemuiden, IJsselmuiden, de steden Oldenzaal, Enschede, Goor, Almelo en Diepenheim. Men ziet, dat de steden hier wederom overheersen.
     In het algemeen kan men zeggen, dat de armoede het meest in de steden wordt aangetroffen, terwijl daar de adel juist het minst invloedrijk is. Op het platteland kan men schout- en richterambten aantreffen, waar de adel vermogend en de armoede van de laagste klasse groot is, maar veelvuldiger zijn de plaatsen, waar de adel een belangrijke rol vervult zonder dat de armoede er bijzonder groot is. Maar ook daar waar de adel van weinig betekenis is, kan de armoede gering zijn. De steden buiten beschouwing latend, komt men tot de volgende schematische voorstelling:
 

Groot adellijk vermogen Geen of gering adellijk vermogen
1675 grote armoede 3 1675 grote armoede 4
1675 geringe      „ 5 1675 geringe      „ 5
1758 grote      „ 2 1758 grote      „ 1
1758 geringe      „ 4 1758 geringe      „ 4

 
     Er zijn dus zowel bij een grote rol van de adel als bij een geringe 5 gevallen met grote armoede en 9 met geringe armoede. De grote armoede op het platteland kan derhalve niet aan het grote adellijke be-

|pag. 299|

_______________↑_______________

zit worden toegeschreven. Armoede vindt men ook in streken, waar het adellijk vermogen nimmer van betekenis is geweest. De armoede hangt samen met de bevolkingsvermeerdering.

BEZITTINGEN EN VERMOGENS

De kohieren van de 500e en 1000e penning van 1675, 1694, 1711/24, 1733, 1738 en 1758 geven alleen de vermogens naar de woonplaats van de bezitter. Voor zover deze vermogens uit onroerende goederen – huizen, boerderijen, percelen land – bestonden, kunnen zij ver buiten de woonplaats van de eigenaar verspreid liggen. Het kohier van de 1000e penning van 1750 echter vermeldt de bezittingen naar de plaats der ligging. Het is bijzonder belangrijk, dat men naast de kohieren van de vermogens ook de beschikking heeft over een kohier van de bezittingen. Een gelukkige omstandigheid is daarbij, dat het kohier der bezittingen van 1750 chronologisch vrij dicht staat bij het kohier van de vermogens van 1758; in acht jaar tijds zullen er weinig grote verschillen zijn opgetreden. Het is nu mogelijk enig inzicht te krijgen in de samenstelling van de vermogens, gerekend naar de bezittingen. Op de moeilijkheid, dat in 1750 alle bezittingen zijn opgenomen en in 1758 slechts de vermogens van 500 gld en meer, zal hierna worden ingegaan. Voorlopig interesseert ons alleen een vergelijking van het totale vermogen met het totale bezit in de steden en op het platteland. Aan de hand van de cijfers kan men constateren, dat het totaal vermogen der burgers in de steden in 1758 steeds groter is dan het totaal der in de steden gelegen bezittingen in 1750. Hieruit volgt, dat de vermogens van de stedelijke burgerij veelal uit land of boerderijen op het platteland moeten hebben bestaan. Dit wordt bevestigd door de verhouding tussen totaal vermogen en bezit op het platteland: de vermogens van de plattelandsbewoners in 1758 zijn aanmerkelijk lager dan het totaal van de waarde der op het platteland gelegen bezittingen.
 

Bezittingen 1750 en vermogens 1758
Bezittingen 1750 Vermogens 1758
Drie steden 6.016.784 8.575.762
Salland steden 279.866 287.846
Salland platteland 7.657.422 3.780.290
Twente steden 1.244.902 2.197.925
Twente platteland 6.148.522 4.158.190
Vollenhove steden 578.142 861.549
Vollenhove platteland 1.280.042 782.448
Overijssel 23.205.680 20.644.010

 

|pag. 300|

_______________↑_______________

Voegt men stedelijke en plattelandsbezittingen, resp. vermogen samen, dan stemmen de getallen reeds meer overeen:
 

Bezittingen 1750 Vermogens 1758
Drie steden 6.016.784 8.575.762
Salland 7.937.288 4.068.136
Twente 7.393.424 6.356.115
Vollenhove 1.858.184 1.643.997
Overijssel 23.205.680 20.644.010

 
     De grootste discrepantie bestaat nog bij de drie grote steden en Salland; telt men ook deze samen, dan bestaat er ook tussen deze een overeenkomst:
 

Bezittingen 1750 Vermogens 1758
Drie steden en Salland 13.945.072 12.643.898

 
     Het is begrijpelijk, dat de bedragen van 1750 steeds hoger zijn dan die van 1758, omdat hier ook de vermogens beneden 500 gld. zijn meegeteld.
     Het zou bijzonder belangwekkend zijn om te weten op welke wijze de vermogenden hun vermogen hebben belegd. De verschillende wijze van optekening van de bezittingen in 1750 en van de vermogens in 1758 doen een oplossing van deze vraag vermoeden. Het pad ligt echter bezaaid met voetangels en klemmen, zodat niet meer dan gissingen hierover gemaakt kunnen worden. De grootste moeilijkheid ligt wel in het vergelijkbaar maken van de gegevens van 1750 en van 1758. De opgaven van 1750 omvatten immers mede de bezittingen beneden 500 gld., die van 1758 sluiten de vermogens beneden 500 gld. uit.
Het is nu zeer goed mogelijk, dat de vermogens boven 500 gld. tevens bezittingen van een waarde beneden dit bedrag hebben omvat. Men kan niet het totaal bedrag van 1750 met alle bezittingen beneden 500 gld. verminderen en dan het overblijvende met het totaal bedrag van 1758 vergelijken. Daar het tijdsverschil tussen de jaren 1750 en 1758 vrij gering is, kan men beter van de veronderstelling uitgaan, dat de vermogens boven 500 gld. tussen 1750 en 1758 weinig verandering zullen hebben ondergaan. Gaat men van deze hypothese uit, dan blijft er 23.205.680 — 20.644.010 = 2.561.670 gld. over voor bezittingen beneden 500 gld., die tevens vermogens beneden 500 gld. zijn. De volgende moeilijkheid is om deze 2$\frac{1}{2}$ millioen over de verschillende

|pag. 301|

_______________↑_______________

delen van de provincie te verdelen. Men kan veronderstellen, dat dit ongeveer evenredig zal zijn geweest aan het aantal aanslagen van bezittingen beneden 500 gld. in 1750 in die verschillende delen.
In totaal waren het er 8364, dus gemiddeld per aanslag 306 gld. Voor de verschillende delen der provincie komt men dan tot de volgende schatting:
 

Geschatte vermogens beneden 500 gld. in 1750
Aantal aangeslagen bezittingen
beneden 500 gld.
Geschatte vermogens
beneden 500 gld.
Drie steden 845 258.801
Salland steden 363 111.177
Salland platteland 2.259 691.872
Twente steden 811 248.388
Twente platteland 2.856 874.716
Vollenhove steden 256 78.406
Vollenhove platteland 974 298.310
Totaal 8.364 2.561.670

 
     Indien men nu de totale bedragen van 1750 met deze geschatte vermogens beneden 500 gld. vermindert, kan men het resterende bedrag, dat de bezittingen in 1750 aangeeft zonder de vermogens van 1-499 gld. vergelijken met de vermogens van 1758 boven 500 gld. Het verschil tussen de bedragen van 1750 en 1758 in de verschillende delen van Overijssel zal het bedrag aangeven van de bezittingen, die men heeft buiten het deel, waarin men zelf woonachtig is.
 

Bezittingen 1750 zonder
vermogens
beneden 500 gld.
Vermogens
1758
Verschil
1758-1750
Drie steden 5.757.983 8.575.762 + 2.817.779
Salland steden 168.689 287.846 + 119.157
Salland platteland 6.965.550 3.780.290 3.185.260
Twente steden 996.514 2.197.925 + 1.201.411
Twente platteland 5.273.806 4.158.190 1.115.616
Vollenhove steden 499.736 861.549 + 361.813
Vollenhove platteland 981.732 782.448 199.284
Overijssel 20.644.010 20.644.010 0

 

|pag. 302|

_______________↑_______________

     Men ziet hieruit, dat de inwoners van alle steden bezittingen op het platteland hadden. Hiervoor werd reeds aangetoond, dat de inwoners van de drie grote steden en van de kleine Sallandse steden hun bezittingen meest in het kwartier van Salland zullen hebben gehad, die van de Twentse steden in Twente en die van de Vollenhoofse steden in hun kwartier, omdat de totale bedragen per kwartier immers vrij sterk overeenstemden. Toch blijven er nog enige verschillen, de inwoners van de Vollenhoofse steden hebben een aanmerkelijk groter bedrag buiten hun woonplaatsen belegd (361.813 gld.) dan op het platteland van Vollenhove mogelijk was (199.284 gld.). Tot de inwoners van de Vollenhoofse steden behoorden ook de vele edellieden in de stad Vollenhove, die vooral ook goederen in Salland zullen hebben gehad, ter waarde van 162.529 gld. Ook de inwoners van de Twentse steden moeten gegoed zijn geweest in Salland voor 1.201.4411.115.616 = 85.795 gld. Tezamen dus 248.324 gld., dit was het bedrag, dat aan de bezittingen van de inwoners der drie steden en de Sallandse steden nog te kort schoot: 3.185.260 — (2.817.779 + 119.157) = 248.324.
     Men kan nu met behulp van de aldus gevonden getallen enige berekeningen uitvoeren. De inwoners der drie grote steden hebben in 1758 een vermogen van 8.575.762 gld. Hiervan moeten 2.817.779 gld. belegd zijn in onroerende goederen buiten de steden (31.9% van het totaal), zoals hierboven is aangetoond. Men mag hieruit concluderen, dat boerderijen en land nog steeds voor de gegoede stedelijke burgers een zeer belangrijk object voor vermogensbelegging zijn. Tot de 5.757.983 gld., die in de steden zelf belegd zijn, behoorden ook de stedelijke huizen. Er waren in de drie grote steden in 1764 6.107 gezinnen, maar in vele huizen woonde meer dan één gezin. Men kan dus het totaal der huizen op een 4.500 schatten. De prijzen van de huizen in de steden zijn niet bekend, in het kerkdorp Borne worden ze gemiddeld op 162 gld. getaxeerd; in de steden zullen de prijzen allicht hoger zijn geweest.
Houdt men echter vast aan de taxatieprijzen van Borne, dan komt men voor een totaal bedrag van de geschatte waarde der huizen op 729.000 gld. Er blijft in de steden 5.757.983729.000 = 5.028.983 gld. over, die op andere wijze, in bedrijven, in obligatiën, leningen, lijf- en losrenten, etc. belegd moeten zijn.
     Volgt men deze redenering ook voor de belegging van de vermogens in de andere steden, dan levert de berekening voor de kleine Sallandse steden het volgende resultaat. Het totaal vermogen bedroeg hier 287.846 gld., waarvan 119.157 elders in onroerende goederen belegd moet zijn, de waarde der huizen (ca. 800, er zijn 814 gezinnen) bedraagt

|pag. 303|

_______________↑_______________

129.600 gld. Op andere wijze kan dan belegd zijn 39.089 gld. Dit is een buitengewoon klein bedrag.
     Het totaal vermogen van de inwoners der Twentse steden is 2.197.925 gld. groot; hiervan zijn 1.201.411 op het Twentse platteland belegd.
Als men het aantal der huizen in de steden op 2.500 stelt – er zijn in 1764 2.728 gezinnen – dan kan men de waarde der huizen op 405.000 gld. schatten. Er blijft nog 591.514 gld. voor belegging in bedrijven, obligatiën, enz.
     In de Vollenhoofse steden hebben de inwoners een totaal vermogen van 861.549 gld, waarvan 361.813 in onroerende goederen buiten de steden belegd zijn. Men kan het aantal huizen op ca. 1.000 schatten, daar er 1.062 gezinnen zijn; de waarde der huizen kan geschat worden op 162.000 gld. Ongeveer 337.000 gld. kunnen in bedrijven of op andere wijze zijn belegd.
     In de steden moest bij deze berekeningen uitgegaan worden van het vermogen, omdat de stedelijke vermogens groter waren dan de stedelijke bezittingen. Een vermoeden kon worden uitgesproken over de wijze, waarop de stedelijke vermogens belegd waren. Op het platteland moeten we van de bezittingen uitgaan; met behulp hiervan kunnen we berekenen wie de eigenaren zijn van dit plattelandsbezit.
     De totale waarde der Sallandse plattelandsbezittingen bedroeg 6.965.550 gld., waarvan 3.185.260 gld. in handen is van stedelijke burgers. Uit de vroegere gegevens weten we, dat in 1758 het bezit van uitheemsen, personen, die niet in Overijssel gevestigd zijn 391.927 gld. bedroeg en van de adel 1.412.265 gld. Voor de niet-adellijke inwoners van het Sallandse platteland blijft nog 1.976.098 gld. over. Behalve de boeren zijn hier ook de middenstanders in de kerkdorpen begrepen. Het bezit van deze laatste groep bedroeg in 1758 731.706 gld. Voor de inwoners van de buurschappen resteert dan nog 1.244.392 gld. Onder deze bezittingen waren ook de eigen huizen begrepen.
     Het totaal der bezittingen op het Twentse platteland bedroeg 5.273.806 gld., waarvan aan stedelijke burgers 1.115.616 gld, aan uitheemsen 449.454, aan de adel 1.133.999 behoorde. Aan de inwoners van de kerkdorpen viel 945.691 gld. ten deel en aan de inwoners van de buurschappen 1.629.046 gld.
     Voor het platteland van Vollenhove zijn de cijfers de volgende: totaal der bezittingen 981.732 gld., hiervan behoren aan de stedelijke burgers 199.284 gld., aan uitheemsen 37.910, aan de adel 107.540 gld.
De waarde van de bezittingen van de inwoners van de kerkdorpen is 284.106 gld., die van de buurschappen 352.892 gld. Daar de scheiding tussen buurschappen en kerkdorpen in het kwartier van Vollenhove

|pag. 304|

_______________↑_______________

moeilijk te trekken is, aangezien vele kerkdorpen niet in buurschappen zijn onderverdeeld, zijn in deze berekening alleen „de echte” kerkdorpen Steenwijkerwold, IJsselham, Oldemarkt en Zwartsluis als kerkdorp beschouwd, dus niet Blankenham, Wanneperveen en Giethoorn, die hier tot de buurschappen zijn gerekend.
     Het is mogelijk deze bedragen in percentages uit te drukken en in een diagram af te beelden (zie diagram 22):
 

Vermogensbeleggingen van de inwoners der steden 1750/58
Drie steden Salland st. Twente st. Vollenh. st.
Onroerende goederen |
buiten de steden |
31.9 41.4 54.7 42.0
Huizen in de steden 8.5 45.0 18.4 18.8
Op andere wijze belegd 59.6 13.6 26.9 39.2
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0

 
[22. Percentages bezitsverdeling, 1750/58.]

|pag. 305|

_______________↑_______________

 

Bezittingen op het platteland 1750/58
Salland pl. Twente pl. Vollenh. pl.
Bezittingen stedelijke burgers 46.7 21.1 20.3
uitheemsen 5.6 8.5 3.9
adel 20.3 21.5 11.0
inwoners kerkdorpen 10.5 17.9 28.9
inwoners buurschappen 16.9 31.0 35.9
Totaal 100.0 100.0 100.0

 
  Bij de berekening zijn de bezittingen beneden 500 gld. buiten beschouwing gelaten. Juist van deze bezittingen, in dit geval tevens de vermogens beneden 500 gld. omvattend, zullen velen bestaan hebben uit het bezit van een eigen huis. De waarde der huizen is hierdoor in bovenstaande schattingen waarschijnlijk te hoog. Door het aantal aanslagen in de groep van de bezittingen beneden 500 gld. te vermenigvuldigen met de gemiddelde waarde van de huizen (162 gld.) kan men ongeveer een taxatie wagen van het bedrag waarmede de schatting der huizen verminderd moet worden. Alleen voor de Sallandse kleine steden geeft dit een aanzienlijke wijziging. De percentages worden dan:
 

Vermogensbeleggingen van de inwoners der steden 1750/58
Drie steden Salland st. Twente st. Vollenh. st.
Onroerende goederen |
buiten de steden |
31.9 41.4 54.7 42.0
Huizen in de steden 6.9 24.6 12.4 14.0
Op andere wijze belegd 61.2 34.0 32.9 44.0
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0

 
     Hoewel men bedenken moet, dat bovenstaande cijfers en percentages voor een deel op schattingen berusten, is toch de grote betekenis van de onroerende goederen op het platteland als beleggingsobject voor de stedelijke burgerij duidelijk geworden. Het hoge percentage bij de Twentse steden kan misschien ten dele verklaard worden door het land, vlak buiten het stedelijk gebied, dat aan de burgers behoorde voor het houden van wat vee. Hoewel de schatting der huizen zeer grof is, is er naar gestreefd om deze zo laag mogelijk te houden. Het vermogen, dat op andere wijze belegd kan worden is dientengevolge geflatteerd, het is eerder een maximum dan een

|pag. 306|

_______________↑_______________

minimum. Alleen in de drie grote steden zijn grote kapitalen beschikbaar. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat we Deventer en Zwolse burgers als geldschieters aan de adel zien optreden.
     Voor alle overige Overijsselse steden – zonder de grote drie – kan het op andere wijze belegde kapitaal slechts 968.339 gld. of in het allergunstigste geval 1.199.999 gld. bedragen hebben. Tegenover de 5 millioen van de grote drie staan hoogstens 1.2 millioen van de overige 16 steden.
     Op het platteland is de financiële invloed van de stedelijke burgers het sterkst in Salland. De kapitaalkrachtige burgerij der drie grote steden belegde het kapitaal liefst in de onmiddellijke nabijheid, althans binnen het eigen kwartier.42 [42. Zie blz. 315-319.] Naar verhouding hadden de inwoners van de kleine steden een veel groter deel van hun kapitaal in land belegd dan op andere wijze productief gemaakt: nl. 1.682.381 gld. in land en hoogstens 1.199.999 gld. op andere wijze. In de grote steden bedraagt de verhouding tussen belegging in landerijen en belegging op andere wijze (zonder de huizen) 35.9% – 64.1%, in de kleine steden in het gunstigste geval (na aftrek van huizen alleen van de groep boven 500 gld.) 58.4% – 41.6%, of anders (na aftrek van de waarde van alle huizen) 66.4% – 41.6%.
     De betekenis van de adel is op het platteland van Salland en Twente bijna even groot, in het kwartier van Vollenhove geringer. In Salland wordt de adel overvleugeld door de burgerij van de drie grote steden, in Twente wegen stedelijke burgers en edellieden tegen elkaar op, in Vollenhove zijn de „burgers” op het platteland vermogender dan de adel, maar hierbij dient in het oog te worden gehouden, dat onder de „burgers” van de Vollenhoofse steden zich ook de edellieden van de stad Vollenhove bevinden. Het percentage adellijk bezit moet dus in werkelijkheid hoger zijn. Daar de verdeling van het adellijk bezit over stad en land niet bekend is, kan de omvang van het adellijk bezit ook niet berekend worden.
     De inwoners der kerkdorpen hebben in de regel geen agrarische beroepen, zij moeten van de eigenlijke boerenbevolking worden gescheiden. Veelal zullen zij wel enige stukken land hebben gehad om in eigen behoeften voor een deel te voorzien. Als de schattingen van de waarde der huizen juist is, moet dit vooral in Twente het geval zijn geweest.
     De leus „boerenland in boerenhand” is in deze tijd nog allerminst verwerkelijkt. Het bedrag, dat uiteindelijk voor de agrarische bevolking in de buurschappen resteert, is gering. Vooral in Salland is dit

|pag. 307|

_______________↑_______________

het geval, de boerenbevolking moest zich hier tevreden stellen met 16.9% van alle bezittingen boven 500 gld. op het platteland. Dit wijst reeds duidelijk in de richting, dat op het platteland van Salland het pachtbedrijf sterk moet overheersen. In Twente en Vollenhove zijn de percentages gunstiger: 31.0% en 35.9%. Toch moeten er ook in deze kwartieren veel pachtbedrijven zijn geweest.
     De hierboven, gedeeltelijk door schatting, verkregen cijfers kunnen enigermate gecontroleerd worden door de percentages van de bedragen, waarvoor de verschillende groepen in de verpondingskohieren van 1601/02 zijn aangeslagen. Wat Salland betreft zijn deze kohieren niet geheel volledig, bij het kwartier van Vollenhove ontbreken de vermeldingen van de eigenaren geheel en al, zodat de verpondingskohieren van Vollenhove niet gebruikt kunnen worden. Een andere moeilijkheid is, dat in de kohieren van de 1000e penning de domeingoederen en de oude geestelijke goederen buiten beschouwing zijn gelaten. Voor Salland en Twente krijgt men de volgende percentages (zie diagram 23):
 

Salland
Percentages
1601/02 43 [43. Uitvoeriger blz. 631.] met kerk. goederen en
domeinen (naar waarde)
Percentages
1601/02 zonder kerk. goed. en
domeinen (naar waarde)
Percentages
1750/58
(bezittingen)
Adel 28.7 35.1 20.3
Geest. goed. 18.2
Eigenerfd 5.8 7.1 16.9 (inw.bp.)
Rest 47.3 57.8 62.8
Totaal 100.0 100.0 100.0
Twente
Adel 32.8 44 [44. Idem.] 51.9 21.5
Geest. goed. 26.2
Landsheer 10.5
Eigenerfd 12.7 20.0 31.0
Rest 17.8 28.1 47.5
Totaal 100.0 100.0 100.0

 
     Ook hier is de waarde der vergelijking zeer betrekkelijk, maar het bovenstaande is gereleveerd om de geringe betekenis van het eigenerfd

|pag. 308|

_______________↑_______________

bezit en de grote omvang van de pacht te accentueren. Bovendien valt de achteruitgang van de adel niet te miskennen, vooral in Twente. De „rest” omvat zowel de stedelijke burgers als een deel van de eigenaren op het platteland. In 1601 zijn het de niet-eigenerfden. Vooral in Salland vindt men boeren, zelf op een pachtbedrijf wonend, die toch tevens eigenaar zijn van andere boerderijtjes of percelen land, die zij verpacht hebben. In 1750/58 behoren tot de rest de bezittingen van de inwoners van de kerkdorpen.
     De achteruitgang van de betekenis van de adel in Salland lijkt in tegenspraak met de vroeger geconstateerde sterke feodale structuur van dit kwartier, ook nog in 1758. Men moet echter tweeërlei onderscheiden: de ter plaatse levende gemeenschap, dus de gemeenschap

[23. Vergelijking tussen de verdeling van het grondbezit in 1601/2 en het totale bezit in 1750/58.]

van alle op het platteland van Salland levende personen, zoals deze te voorschijn komt uit de kohieren van 1758 betreffende de vermogens, en geheel afzonderlijk hiervan, de verdeling van het onroerend bezit, welke we uit de kohieren van 1750 leren kennen. In het eerste geval vindt men de edelman op zijn havezathe, die zijn agrarische omgeving beheerst; men komt hier tot de conclusie van een agrarische sociale structuur onder de ban van de adel. Beschouwt men de bezittingen, dan komt men ook de in de stad levende rijke burger tegen, de regent, de koopman en de rentenier. Zij oefenen op het platteland geen sociale invloed uit, voor hen is het land een beleggingsobject. Men heeft hier met een bij uitstek economische macht te doen.

|pag. 309|

_______________↑_______________

     Duidelijk ziet men hoe de feodale structuur in Twente op bijna revolutionnaire wijze sociaal en economisch doorbroken wordt door de opkomst van de burgerij in de steden en de kerkdorpen tezamen met de zich snel ontwikkelende textielindustrie enerzijds en de toenemende betekenis van het eigenerfd bezit anderzijds. De vermeerdering van het eigenerfd bezit moet vooral worden toegeschreven aan de toeneming van het aantal keuterbedrijven. In Salland is de feodale structuur blijven bestaan, economisch is deze echter ondergraven door de financiële macht van de rijke burgers der drie grote steden.
     Een andere, wederom niet bijzonder betrouwbare controle kan men op bovenstaande gegevens verkrijgen door de waarde van het gecultiveerde land te berekenen. Maar ook hier is veel twijfelachtig.
Men moet daartoe het areaal en de prijs van de cultuurgrond kennen.
Op de met beide onderwerpen samenhangende vraagstukken zal hierna nog uitvoeriger worden ingegaan.45 [45. Blz. 401-410 en 434-442.] Het areaal van de cultuurgrond in Salland en Twente moet men wederom leren kennen uit de verpondingskohieren van 1601 en 1602; de kohieren uit de 18e eeuw zijn daartoe niet geschikt. Voor de ontginningen tussen 1682 en 1749 kan men het register van de nieuw aangegraven landen raadplegen. Men moet nu van de veronderstelling uitgaan, dat tussen 1602 en 1682 de ontginningen tengevolge van de oorlogsomstandigheden van geringe omvang zijn geweest en dat in die periode alleen de erven, die in 1601/2 woest waren, weer in cultuur zijn gebracht.
     Voor de prijs der gronden kan men niet afgaan op de taxaties in het register van de aangegraven landen, omdat dit over het algemeen slechtere, juist in cultuur gebrachte gronden zijn, waarvan de opbrengsten nog laag zijn. De gemiddelde taxatiewaarde in Salland en Twente bedraagt volgens dit register resp. fl. 111,63 en fl. 98,22 per mud bouwland, fl. 118.98 en fl. 112.22 per morgen weiland of fl. 77.47 en fl. 67.29 per dagwerk wei- of hooiland. Dit komt neer op ong. fl.195. – per HA. bouwland en fl. 110.— per HA. wei- en hooiland. Deze prijzen zijn bijzonder laag; zij komen in het geheel niet overeen met die, welke men met behulp van de registers van de 50e penning kan vaststellen.
Bij de verkoop van onroerende goederen moest de 50e penning betaald worden. In de 18e eeuw heeft men hiertoe afzonderlijke registers aangelegd. De prijzen tonen bijzonder grote verschillen, waarschijnlijk een gevolg van de kwaliteit van de grond en de ligging der percelen.
Naar gegevens uit verschillende delen van de akkerbouwstreken van Salland en Twente kan men de gemiddelde prijs van bouwland op 450 gld. per HA. bepalen en van het weiland op 325 à 350 gld.

|pag. 310|

_______________↑_______________

Splitst men Salland in een akkerbouw- en een veeteeltgebied 46 [46. Voor de omvang van het akkerbouw- en van het veeteeltgebied van Salland zie blz. 405.], dan krijgt men voor het akkerbouwgebied van Salland de volgende cijfers:
 

Salland akkerbouwgebied
In 1749 6.234 HA. bouwland à 450 gld. per HA. 2.805.300 gld.
1.537 HA. weiland à 350 gld. per HA. 537.950 –
Totale waarde cultuurgrond 3.343.250 gld.

 
     Het totale bedrag der bezittingen, met inbegrip van die beneden 500 gld. bedroeg in 1750 4.064.758 gld. Berekent men de waarde der huizen evenals hierboven tegen 162 gld. per huis, dan komt men voor 3.889 huizen tot een bedrag van 630.018 gld. Het totale bedrag van cultuurgrond en huizen is voor dit deel van Salland 3.343.250 + 630.018 = fl. 3.973.268 gld. Dit verschilt slechts fl. 91.490 gld. met de totale waarde van alle bezittingen. Uit de overeenstemming tussen de bedragen van alle bezittingen en de gezamenlijke waarde van de huizen en landerijen blijkt, dat op het platteland van Salland huizen en landbezit vrijwel de uitsluitende vormen van bezit zijn geweest. Men mag hieruit de conclusie trekken, dat dit deel van Salland ook in zijn vermogensstructuur typisch agrarisch is.

Voor Twente komen we tot de volgende berekening:
 

In 1749 7.650 HA. bouwland à 450 gld. per HA. 3.442.500 gld.
2.438 HA. weiland à 350 gld. per HA. 853.300 –
Totale waarde cultuurgrond 4.295.800 gld.

 
De totale waarde der bezittingen beliep in 1750 fl. 6.148.522, terwijl die van de huizen op 1.173.852 gld. geschat kan worden (7.246 huizen à 162 gld.). De waarde van landerijen en huizen samen bedraagt derhalve 4.295.800 + 1.173.852 = 5.469.652 gld., dit is 678.870 gld. minder dan de waarde van alle bezittingen. Men kan hieruit concluderen, dat men op het platteland van Twente naast de belegging in landerijen en huizen nog wel andere vormen van bezit kende. Men moet hier denken aan beleggingen in het bedrijf of aan de verstrekking van leningen en hypotheken. Veel van dit bezit zal in handen geweest zijn van de inwoners der kerkdorpen.
     Voor het veeteeltgebied van Salland, vooral uit wei- en hooilanden bestaande, klopt de hiervoor gevolgde berekening niet. Zou men ook hier de wei- en hooilanden op 350 gld. per HA. berekenen, dan zou de waarde der landerijen ver boven de totale waarde der bezittingen

|pag. 311|

_______________↑_______________

liggen. Bij de IJsselmonding en in het hoofdschoutambt Hasselt, (Hasselterkerspel, Staphorst en Rouveen omvattend), zijn waarschijnlijk veel hooi- en weilanden van minder kwaliteit tot het areaal gerekend. Wil men tot een redelijke verhouding komen tot de waarde van alle bezittingen dan moet men de prijs van het wei- en hooiland op gemiddeld 150 gld. per HA. rekenen. In dit geval zijn de cijfers de volgende:
 

Salland veeteeltgebied
In 1749 1.698 HA. bouwland à 450 gld. per HA. 764.100 gld.
14.793 HA. weiland à 150 gld. per HA. 2.218.950 –
Totale waarde cultuurgrond 2.983.050 gld.

 
Het totale bedrag der bezittingen bedroeg in 1750 fl. 3.592.664. De waarde van 3135 huizen à fl. 162 per huis bedraagt 507.870 gld., tezamen met de waarde van de landerijen maakt dit fl. 3.490.920. Het verschil met de totale waarde der bezittingen is fl. 101.744.
     Hoe onzeker deze berekening ook is, er blijkt wel zeer duidelijk uit, dat in het veeteeltgebied van Salland het bezit bijna uitsluitend uit huizen en landerijen bestond, van beleggingen op andere wijze kan geen sprake zijn. Ook dit deel van Salland is in zijn vermogensstructuur geheel agrarisch. Het platteland van Twente draagt alleen een iets ander karakter.
     Waagt men zich aan een berekening van de totale waarde van de landbouwgronden, ondanks de onvolledigheid van de gegevens betreffende het kwartier van Vollenhove, de drie grote steden en de Sallandse en Vollenhoofse steden, dan komt men tot het volgende resultaat 47 [47. Het bedrag voor Vollenhove is op dezelfde wijze berekend als dat voor het Sallandse veeteeltgebied.]:
 

Waarde landerijen akkerbouwgebied Salland 3.343.250 gld.
       —             — veeteeltgebied Salland 2.983.050 –
       —             — platteland Twente 4.295.800 –
       —             — Vollenhove 567.050 – (onv.)
       —             — steden Twente 290.800 –
Totaal 11.479.950 gld.

 
Ook dit bedrag kan men weer controleren. Reeds eerder is berekend, dat het totale bedrag der vermogens, die niet in landerijen of in huizen belegd waren, bedroeg:

|pag. 312|

_______________↑_______________

 

Drie steden 5.028.983 gld.
Salland steden 119.157 –
Twente 591.514 –
Vollenhove 337.000 –
Totaal 6.076.654 gld.

 
Het aantal gezinnen bedroeg in 1764 27.359. Veronderstellende, dat ieder der gezinnen ook een huis bewoonde en de waarde per huis op 162 gld. schattend, komt men tot een totale waarde der huizen van 4.432.158 gld. Het totale vermogen, met inbegrip van de vermogens beneden 500 gld., beliep in 1750 23.205.680 gld. Van dit bedrag was blijkens bovenstaande berekening 6.076.654 gld. niet in landerijen of huizen belegd. De waarde der huizen bedroeg 4.432.158 gld., zodat er voor de waarde der landerijen overbleef 23.205.680 — (6.076.654 + 4.432.158) = 12.696.868 gld. Zo juist is de waarde van het land naar het areaal berekend op 11.479.950 gld.; een bedrag, dat niet de volledige waarde weergeeft, omdat betreffende het areaal nog de gegevens van enkele delen ontbraken. Het verschil tussen beide bedragen (1.218.918 gld.) zal voor een belangrijk deel bij het bedrag van het kwartier van Vollenhove gevoegd moeten worden.
     Ondanks vele onzekerheden kan men het toch waarschijnlijk achten, dat in geheel Overijssel de vermogensbelegging in 1750/58 als volgt was:
 

belegd in landerijen 12.696.868 gld. 54.7%
–         –     huizen 4.432.158 – 19.1%
op andere wijze belegd 6.076.654 – 26.2%
Totaal vermogen 23.205.680 gld. 100.0%

 
     De onroerende goederen nemen in het midden van de 18e eeuw nog een grote plaats in Overijssel’s rijkdom in (73.8%), maar toch is deze provincie minder agrarisch – ook in de vermogensstructuur – dan men oppervlakkig gedacht zou hebben. Overigens dient er op te worden gewezen, dat de belegging buiten de onroerende goederen vrijwel alleen gevonden werd in de drie grote steden, centra van de handel en woonplaatsen van renteniers.
     In de bovenstaande berekening van het areaal werd reeds de geringe omvang der ontginningen in Overijssel gedurende de periode van 1682 tot 1749 en zeer waarschijnlijk ook tussen 1602 en 1682 aangeroerd.
     Uit de cijfers van de nieuw aangegraven landen tussen 1682 en 1749 blijkt, naar later zal worden aangetoond 48 [48. Zie blz. 436-438.], dat de oppervlakte van het gecultiveerde land (bouw- en weiland) is toegenomen tot een index-

|pag. 313|

_______________↑_______________

cijfer van 106.0 (1682 = 100). Plaatst men hiernaast nu de indexcijfers van de vermeerdering van het vermogen zonder de havezathen en van het burgerlijk vermogen en ook die van de bevolking en van de armoede (1675 = 100) dan ziet men het volgende (zie diagram 24).
 

areaal 1682/1749 vermogen 1675/1758 burgerlijk vermogen 1675/1758 bevolking 1675/1764 armoede 1675/1764
Salland platteland 105.9 121.2 141.5 176.9 200.5
Twente platteland 105.6 187.0 200.6 272.7 309.4
Vollenh. platteland 100.2 178.3 171.4 176.4 293.5
Geheel Overijssel
(met inbegrip van st.)
106.0 113.7 115.0 186.9 244.3

 
[24. Indices platteland (bevolking, burgerlijk vermogen, totaal vermogen, areaal cultuurgrond en armoede), 1675-1764.]

    We zien, dat niet alleen de kapitaalvorming bij de bevolkingsvermeerdering is ten achter gebleven, maar meer nog de ontginningsactiviteit. Het ergst lopen de indices in Twente uiteen. De voornaamste moeilijkheid op het Twentse platteland was de stilstand in de landbouwontwikkeling juist tijdens de periode van de grootste bevolkingsvermeerdering. Salland is er nog beter aan toe, terwijl in Vollenhove

|pag. 314|

_______________↑_______________

de geringe agrarische mogelijkheden gecompenseerd worden door een aanzienlijke vermeerdering van de vermogens. Overal hebben deze omstandigheden geleid tot een vergroting van het aantal armen.
     De achterstand van de vermeerdering van het areaal bij de vermogensvermeerdering is een teken, dat een deel van de kapitaalsvermeerdering het gevolg is van niet-agrarische activiteit. De hoge percentages van de vermogensvermeerdering op het platteland, vergeleken bij het percentage voor geheel Overijssel, wijzen niet op grote activiteit, doch op vermogensverschuivingen van de steden naar het platteland, want de vermogens in de steden zijn achteruitgegaan, met uitzondering van die in Twente.

De verspreiding van de bezittingen kan men uit de kohieren van de 1000e penning van 1750 leren kennen. In een 24-tal steden, schout- en richterambten zijn de „uitheemse” bezitters opgegeven. Onder „uitheems” moet hier niet, zoals in 1675 en 1758, de buiten Overijssel woonachtige eigenaren worden verstaan, maar allen, die niet ter plaatse wonen. De verspreiding van de niet-Overijsselse eigenaren is reeds vroeger behandeld.49 [49. Zie blz. 102.] Voor Salland zijn de woonplaatsen van eigenaren bekend betreffende goederen gelegen in Zwolle, Zwollerkerspel, Olst, Dalfsen, Zalk, stad Ommen, Gramsbergen, Kamperveen en stad en schoutambt Genemuiden; in Twente de richterambten Oldenzaal (niet volledig), Ootmarsum, Delden, Kedingen en de steden Oldenzaal, Ootmarsum, Delden, Goor en Rijssen; in het kwartier van Vollenhove: Steenwijk, Blokzijl, Kuinre, Blankenham, Kuinderdijk en Baarlo.
 

Bezittingen gelegen in de kwartieren (aantal en waarde)
Uitheemse eigenaren te: Salland Twente Vollenhove
A W A W A W
Zwolle 307 779.320 37 161.634 9 6.580
Deventer 89 236.060 89 230.286
Kampen 129 161.370 12 15.222 12 5.900
Salland 370 256.314 50 56.092 5 3.400
Twente 17 20.600 887 1.007.824 1 30
Vollenhove 20 28.850 2 6.484 188 97.182
Buiten Overijssel 109 163.352 156 159.089 38 18.560
Totaal 1.041 1.645.866 1.233 1.636.631 253 131.652

 

|pag. 315|

_______________↑_______________

     Bij de plaatsen, waarvan de gegevens bekend zijn, ziet men, dat in Salland de eigenaren voornamelijk in de drie grote steden wonen. Dat Zwolle hierbij vooraan staat, komt door Zwollerkerspel, waar veel Zwollenaren bezittingen hadden, Colmschate ontbreekt daarentegen.
In Twente, dit is zeker geen toevalligheid, is Deventer belangrijker dan Zwolle, terwijl Kampen weinig financiële betrekkingen met Twente onderhoudt. Twente is meer op Deventer dan op de beide andere grote steden gericht. In het kwartier van Vollenhove ontbreekt daarentegen Deventer, daar hebben Zwolle en Kampen enige invloed. In ieder kwartier staan de eigenaren uit het eigen kwartier met het hoogste bedrag genoteerd, met uitzondering van Salland, waar de drie grote steden de eerste plaats innemen. Naast de stedelijke burgers hebben ook de inwoners uit naburige schout- en richterambten bezittingen in de onderzochte plaatsen. Inwoners uit Wijhe en Raalte hebben bezittingen in Olst, uit Zwollerkerspel in schoutambt Genemuiden of in Dalfsen, uit Dalfsen veel in Zwollerkerspel (103 bezittingen ter waarde van 49.875 gld.). Hoewel in de regel meest stedelijke inwoners eigendommen op het platteland hebben, komt de omgekeerde verhouding ook voor: inwoners uit Zwollerkerspel bezitten goederen in Zwolle ter waarde van 9.450 gld., inwoners van schoutambt Ommen in de stad Ommen ter waarde van 5.873 gld., inwoners van schoutambt Hardenberg in Gramsbergen (10.487 gld.). Het bezit van eigenaren buiten de provincie is betrekkelijk gering, nl. 9.7% van het gehele „uitheemse” bezit, of 3% van het totale bezit.
     De verspreiding van het bezit kan men illustreren aan de hand van enkele gevallen. Hiervoor zijn de twee grootste adellijke en burgerlijke vermogens uitgekozen. Het vermogen van de graaf van Wassenaer tot Twickeloe was in 1758 getaxeerd op 225.790 gld. Telt men in het kohier van de 1000e penning van 1750 alle op zijn naam staande goederen bijeen, dan komt men tot een vermogen van 227.568 gld.:
 

richterambt Oldenzaal 1.786 gld.
2.112
Ootmarsum 7.082
Delden 4.828
167.464
Enschede 5.500
Borne 14.126
stad Delden 24.670
Totaal 227.568 gld.

 
     De bezittingen zijn voornamelijk rond het kasteel in het richterambt

|pag. 316|

_______________↑_______________

Delden en de stad Delden geconcentreerd. Het bezit in Oldenzaal was groter, maar aanmerkelijk bezwaard. De waarde bedroeg 13.747 gld, hierop rustten hypotheken ten bedrage van 11.961 gld., zodat slechts 1.786 gld. het eigendom van de graaf was.
     Het vermogen van de graaf van Rechteren tot Almelo bedroeg volgens de taxatie van 1758 163.415 gld. In 1750 is de waarde van alle bezittingen tezamen 171.993 gld. Ook hier zijn de bezittingen vooral in de nabijheid van het kasteel gelegen, in het richterambt Almelo, in de stad Almelo en in Wierden:
 

Zwollerkerspel 1.000 gld.
richterambt Ootmarsum 3.300 –
Kedingen, Wierden 11.780 –
Bornerbroek 5.290 –
richterambt Almelo 125.800 –
stad Almelo 19.218 –
Vriezenveen 5.605 –
Totaal 171.993 gld.


 
     De weduwe van burgemeester Arnold Bouwer te Deventer, in 1758 getaxeerd op 137.650 gld., bezat in 1750 145.640 gld.:
 

Deventer 30.000 gld.
Colmschate 3.300 –
Olst 57.370 –
Raalte 8.275 –
Hellendoorn 1.000 –
Bathmen 6.878 –
Heino 2.317 –
richterambt Oldenzaal 3.500 –
          –          Ootmarsum 24.200 –
Kedingen 8.800 –
Totaal 145.640 gld.


 
     Ook hier vindt men de belangrijkste beleggingen in de stad zelf of in de nabijheid (Olst, Colmschate, Bathmen en Raalte), maar daarnaast toch ook een belangrijk Twents bezit. In Olst bezat de weduwe Bouwer een hypotheek op Hoenlo ten bedrage van 31.600 gld., in Ootmarsum op Singraven van 1.000 gld.
     Het vermogen van mej. J.C. van Markel te Deventer bestaat voornamelijk uit Sallandse goederen in de nabijheid van Deventer, daar-

|pag. 317|
_______________↑_______________

naast nog enige Twentse bezittingen. In 1750 is op haar naam aan bezittingen gevonden een bedrag van 110.937 gld., in 1758 is zij voor een iets hoger bedrag aangeslagen, nl. 126.100 gld., Het is derhalve mogelijk, dat één of meer posten ten haren name in het kohier van 1750 over het hoofd zijn gezien.
 

Colmschate 26.585 gld.
Wijhe 17.052 –
Olst 15.950 –
Hellendoorn 9.000 –
Deventer 28.000 –
richterambt Ootmarsum 5.000 –
Kedingen 9.350 –
Totaal 110.937 gld.


 
     Het streven naar concentratie van de bezittingen, de wens om de bezittingen zoveel mogelijk in de eigen nabijheid te hebben, is duidelijk.
Oculaire inspectie van het bezit moet mogelijk zijn, zowel bij de adel als bij de rijke burgerij, waartoe de beide Deventer dames behoorden.
Een uitvoerig onderzoek in het kohier van de 1000e penning van 1750 heeft aangetoond, dat dit de algemene regel was. Men kan het eveneens constateren in het kohier van 1758 onder de stad Steenwijk, waar bij iedere eigenaar is opgegeven, waar zijn bezittingen zijn gelegen.
     De concentratie van het bezit kan door toevallige omstandigheden nader geïllustreerd worden ten aanzien van het huizenbezit in de stad Almelo. Voor de huizen, die in 1682 in het verpondingskohier met de eigenaren vermeld waren, zijn in 1752 wederom de eigenaren opgetekend, buiten beschouwing zijn derhalve de tussen 1682 en 1752 nieuw gebouwde huizen gebleven. In 1682 waren 327 huizen in eigendom van 259 personen, in 1752 behoorden 325 huizen aan 157 personen.50 [50. Twee huizen waren samengevoegd tot het stadhuis.] Terwijl in 1682 van het totaal aantal huizenbezitters 66.7% ieder één huis bezat, was dit in 1752 gedaald tot 29.8%. In 1682 waren er maar 5 personen, die meer dan drie huizen in eigendom hadden (tezamen hadden zij 30 huizen), in 1752 waren het er 22, die tezamen 143 huizen in eigendom hadden. De textielfabrikeurs met hun familieleden hadden vooral hun vermogen in huizen belegd. Alle ten Cate’s bezaten in 1682 slechts 4 huizen, in 1752 35; de Coster’s in 1682 2 huizen, in 1752 20; de Waanders stegen van 6 op 18. Maar het waren niet alleen de fabrikeurs, die er voordeel in zagen in de snel groeiende stad hun vermogen

|pag. 318|
_______________↑_______________

in huizen te beleggen, ook de graaf van Rechteren, de heer van Almelo, deed dit: in 1682 bezat hij 2 huizen, in 1752 14 en zelfs de Doopsgezinde gemeente kreeg huizenbezit: in 1682 geen, in 1752 4.51 [51. Anderen zijn de Hagedoorn’s: in 1682 2 huizen, in 1752 15; burg. Jolinck in 1682 geen, in 1752 13; de Schimmelpenninck’s van 1 op 5.] Het aantal gezinnen in de stad steeg van 271 in 1675 tot 565 in 1748 en tot 653 in 1764.
Mag men het kohier van de nieuw getimmerde huizen vertrouwen, dan zijn er tussen 1682 en 1749 slechts 25 nieuwe huizen gebouwd. Indien dit juist is, dan moet de snelle bevolkingsgroei tot een zelfde overvolle bewoning geleid hebben, als we ook reeds op het Twentse platteland aantroffen.52 [52. Zie blz. 86-88.] Ieder huis moet bijna door 2 gezinnen zijn bewoond (565 gezinnen tegenover 350 huizen).53 [53. In 1748 zijn er 2229 personen, dit betekent dus per huis gemiddeld 6.4 personen. – Over de huisvesting in Almelo, zie blz. 362.] Het grote huizengebrek moet tot hoge huishuren hebben geleid, huizen werden hierdoor een begerenswaardig beleggingsobject.
     Men zou kunnen vermoeden, dat de textielfabrikeurs een deel van de huizen van de thuiswerkende wevers in eigendom zouden hebben.
Dit kan het geval zijn geweest, maar tegen deze veronderstelling spreekt de omstandigheid, dat de armen – waartoe de wevers meestal behoorden – verspreid zijn onder de huurders van de meest verschillende huiseigenaren. Geen enkele huiseigenaar heeft meer dan 2 armen onder zijn huurders.

VERMOGEN EN BEROEP

Tussen beroep en vermogen bestaat een onmiskenbaar verband. Niemand zal verwachten, dat een timmerman, een bakker of een smid tot de rijke burgerij behoort met een vermogen van meer dan 10.000 gld., hun vermogens zullen vaak zelfs beneden de 2.000 gld. blijven.
In de groep van 2.000-9.999 gld. zal men kunnen aan treffen advocaten, predikanten, officieren, molenaars, brouwers; in het algemeen personen, wier opleiding langer is geweest en met groter kosten is gepaard gegaan, of personen, die tot een zekere stand moeten behoren om het ambt te kunnen bekleden. Eveneens personen, die voor de uitoefening van hun bedrijf een kostbare apparatuur nodig hebben, zoals molens, ovens, etc.
     Ongelukkigerwijze worden in de kohieren van de 500e en 1000e penning de beroepen slechts zelden vermeld; in 1675 vindt men nog iets meer beroepen dan in 1758. In het eerstgenoemde jaar worden ook nog wel eens beroepen van kleine middenstanders vermeld, in 1758

|pag. 319|

_______________↑_______________

blijft de beroepsaanduiding meer beperkt tot de maatschappelijk vooraanstaanden. Uit het jaar 1675 zijn ons 287 beroepsvermeldingen bekend, uit 1758 – met enigen uit 1750 – zijn het er 326. Op het geheel aantal aangeslagenen van 4.683 in 1675 en 5.915 in 1758 is dit maar een zeer gering aantal. De boeren en vele andere middenstanders ontbreken.
     Gaat men de in de kohieren vermelde beroepen per beroepstak en per beroepsklasse na, dan blijkt, dat de ambachtslieden in de beroepstak van de nijverheid voor het grootste deel met vermogens beneden 2.000 gld. zijn aangeslagen. In 1675 zijn een stadstimmerman – we zouden thans eerder spreken van stadsarchitect – een koekbakker en twee moutmakers de enige uitzonderingen. Voorts zijn er nog enkele individuele gevallen bij de molenaars, de bakkers en de smeden met een vermogen boven 2.000 gld. In 1758 zijn de apothekers, de molenaars, de bakkers, een banketbakker, een grutter en een leerlooier boven de 2.000-grens. Beneden de 500 gld. zijn in 1675 de kleermakers geplaatst, in 1758 enige wevers en een glazenmaker.
     De beroepstak van de landbouw laat zo goed als geheel verstek gaan; in 1758 worden in het richterambt Enschede een paar wonners – bijwoners, die in het algemeen tot de allerarmsten behoren – vermeld, die zelfs niet geheel en al onbemiddeld zijn. Ook boerenknechten met een vermogen tot 800 gld. komen voor.
     Bij de beroepstak van de handel valt de rijkdom van twee der drie vermelde factoren in Zwolle op 54 [54. Factor J. Lindenhof 15.635 gld., wed. factor J. Kok 21.650 gld. en factor A.J. Kistemaker 3.300 gld.] ook twee kooplieden zijn bemiddeld.55 [55. J.C. Thorbekke in Zwolle heeft in 1750 een vermogen van 15.000 gld.; de weduwe van de koopman Hommels in Oldenzaal bezit in 1758 49.270 gld.]
In de gespecialiseerde handel is er een groot onderscheid in vermogen tussen de wijnkopers met gem. 3.150 gld., de boekverkopers met gem. 400 gld. en een „toebacxman” uit Blokzijl met een vermogen van 500 gld. Twee Joodse kooplieden zijn getaxeerd op 500 en 1.000 gld.
     De grote vermogens vindt men in de beroepstak van de maatschappelijke diensten. Hier heeft men tal van functie’s, waarin het gemiddelde vermogen boven 10.000 gld. ligt. Het zijn de personen op wie de taak van het bestuur en het financieel beheer der drie grote steden rust, voorts de, meestal adellijke, officieren van het leger. In 1758 zijn de gemiddelde vermogens van deze groep iets achteruitgegaan, vergeleken bij 1675, maar in verhouding tot de andere groepen is het verschil nog zeer aanzienlijk. De rechtspraak is veelal in handen van de welgestelden, op het platteland is meestal de rijkste man schout

|pag. 320|

_______________↑_______________

of richter. In de onderwijswereld tekent zich duidelijk de gradatie in rang ook in het vermogen af: in 1758 professoren gem. 5.200, conrectoren 3.883, franse meester 2.500, schoolmeester 885 gld.
     De burgemeesters van de drie grote steden – in de bronnen worden ook de oud-burgemeesters nog burgemeester genoemd – zijn uit een geheel ander milieu dan hun collegae van de kleine steden. In 1675 bedraagt het gemiddeld vermogen van de burgemeesters der drie grote steden 27.614 gld., van de kleine steden in Salland 3.000, van de steden in Twente 3.192 en in Vollenhove 3.286 gld. In 1758 zijn deze gemiddelde vermogens: drie grote steden 14.668 gld., Salland 2.190, Twente 7.025 en Vollenhove 3.447 gld. Opmerkelijk is, dat er in 1675 vrijwel geen verschil bestaat tussen de vermogens van de burgemeesters der kleine steden van de drie kwartieren, maar dat in 1758 de burgemeesters van Twente veel rijker zijn geworden. Het hoogste vermogen onder de Twentse burgemeesters, van burgemr. Bastiaen te Almelo (44.680 gld.), ontloopt al niet veel het hoogste vermogen van de burgemeesters der drie grote steden, nl. van burgemr. J. Weerts te Deventer (67.000 gld.).
Ook de predikanten behoren tot de welgestelde klasse (gem. 2.908 gld.), hoewel de „geestelijke vermaander” van de Doopsgezinden, St. van Delden in Deventer, met 17.000 gld. nog de kroon spande.
     Zelfs uit de onvolledige lijst van de beroepen van 1675 en 1758 kan men concluderen, dat de minder welgestelden gemiddeld in vermogen zijn gestegen en dat de hoogste klasse is gedaald.
     Door de opeenhoping van de vermogenden in de bedrijfstak van de maatschappelijke diensten beantwoordt de vermogensstructuur mede aan de rangstanden van de beroepsindeling, de vermogenden bekleden tevens de maatschappelijk meest gewaardeerde beroepen.
     Gaarne zou men nog ingelicht worden over de vermogens van twee belangrijke groepen, nl. van de boeren en van de Twentse linnenfabrikeurs. Enige indruk van de boerenvermogens kan men krijgen door de gemiddelde vermogens van de buurschappen in 1675 en 1758 naast elkaar te plaatsen. In 1795 waren de buurschappen sterk agrarisch, althans in Salland en Twente (83.3% en 68.7%); het is niet te verwachten, dat dit in 1675 en 1758 minder was. Het gemiddelde vermogen van de gegoede middenstand (500-9.999 gld.) bedroeg:
 

in 1675 in 1758
Salland buurschappen 1.211 1.437
Twente buurschappen 1.700 1.326
Vollenhove buurschappen 871 1.157
Alle buurschappen 1.308 1.361

 

|pag. 321|

_______________↑_______________

Onder deze middenstanders moeten vele boeren begrepen zijn, althans vele der meer gegoede boeren. In Salland en Vollenhove ziet men een zekere vooruitgang, in Twente achteruitgang, die hier echter door de grote vermeerdering van het aantal middenstanders wordt gecompenseerd.
     Dezelfde verschijnselen vinden we ook bij de vermogens van de horige boeren. In 1675 zijn 28 van in totaal 176 horige boeren getaxeerd op een vermogen van 36.750 gld. Het gemiddelde van deze aangeslagen horige boeren bedroeg 1.312$\frac{1}{2}$ gld. In 1750 was het aantal met een vermogen van meer dan 500 gld. toegenomen tot 60 met een gezamenlijk vermogen van 69.599 gld. Het gemiddelde vermogen was ook hier iets gedaald, nl. tot 1.160 gld. De vermeerdering der aangeslagenen echter tot een indexcijfer van 214.3 (1675 = 100) getuigt van een veel meer algemene welvaart onder de boeren, hoewel deze stijgende welvaart nog geen gelijke tred heeft gehouden met de vermeerderings-index van de totale bevolking van de Twentse buurschappen tussen 1675 en 1764, welke 298.6 bedroeg (1675 = 100). Dit verschil tussen de vermeerderingsindices van bevolking en vermogenden herinnert er nogmaals aan, dat de verbetering van de toestand van de middenklasse is samen gegaan met een voortschrijdende verarming van de lagere klassen.

     De vermogens van de linnenreders en -kooplieden kunnen we opsporen voor zover de namen van deze personen bekend zijn. Aan de hand van de ondertekeningen van de requesten, door hen aan de Staten gericht, kan men vaststellen wie dit bedrijf hebben uitgeoefend. De volkstelling van 1795, waarin de namen van de linnenfabrikeurs ook vermeld staan, is voor ons doel niet bruikbaar, omdat het kohier van de 1000e penning, dat chronologisch het dichtst bij 1795 staat, al van 1758 dateert.56 [56. De namen der fabrikeurs in 1795 zijn gedrukt in Naamlijst der fabrikeurs te Enschede, Hengelo, Borne, Oldenzaal en Almelo, in Overijssel en der goederen, die zij fabriceeren, in Algemeene Konst- en Letterbode, 1795, no. 96, blz. 142-144. Voor de requesten zie blz. 201 en 210.]
     Na 1672 requestreren de gildemeesters van het drapeniersgilde te Kampen aan de Gedeputeerde Staten, nl. Dirk de Roos, Jan Bijsterbos, Abram Tervoordt en Frederik de Bruyn. In het kohier van de 500e penning van 1675 wordt alleen Bijsterbos genoemd: J.G. Bijsterbos met 1.000 gld., J.M. Bijsterbos met 1.500gld. en J.D. Bijsterbos met 500gld.
     In 1704 richten de kooplieden en linnenreders van de stad Almelo een request aan de Gedeputeerde Staten. Van de 26 ondertekenaren

|pag. 322|

_______________↑_______________

hebben we in de kohieren van 1675, 1694 en 1715 de onderstaande met de volgende vermogens gevonden:
 

Stad Almelo 1675 1694 1715 57 [57. Door de geringe verscheidenheid van namen en persoonsnamen is het mogelijk, dat de in 1675 genoemde personen niet dezelfde zijn als die uit 1715.]
J. Coster 3.000 6.000 12.000 (wed.). J.C. Jr 5.000
B. Coster 1.500 6.000 14.000
H. ter Haer 20.000 (met J. Tidemans)
A. van Lochem 5.000 14.000
J. Schimmelpenninck 5.000 12.000 6.000
Herm. ten Cate 8.000 23.000
Hendr. ten Cate 2.000 8.000
L. ten Cate 13.000
G. ten Kate 6.000 6.000
J. ten Cate 7.000 1.000 6.000
T. Coster 6.000
B. Warners 500 1.000
L. Pryns 8.000
Harm. ten Cate 27.000
J. ten Cate 1.500 7.000
E. Coster 5.000
L. Coster 6.000 28.000 (wed.)
Hendr. ten Cate 4.000 10.000
R. Warners
G. Warners 1.000 2.000 1.000
J. Luycx 2.000 500
H. Warnaars 500 1.000 5.000
J. Bulck 500 2.000 10.000 (wed.)
T. Schimmelpenninck 10.000
J. Nyenhuis
L. ten Cate

 
Men ziet, vele leden van dezelfde geslachten. In het kohier van de 500e penning van 1675 komt men in de stad Almelo tegen 3 ten Cate’s met een gezamenlijk vermogen van 14.500, 2 Schimmelpenninck’s met 12.500, 3 Coster’s met 9.500, 4 Wamers’ met 8.000 en 8 Bulck’s met 9.500 gld. Bij de behandeling van het burgerlijk vermogen is reeds op de vele ten Cate’s in Borne gewezen, waar 11 leden van deze familie waren aangeslagen op 63.000 gld., terwijl er ook nog een J.B. Coster voorkwam met 2.000 gld. In Hengelo ontmoet men ter zelfder tijd Stephen ten Katte, getaxeerd op 4.000 gld. Bijzonder opvallend is wel de stijging van de vermogens in 1715. De jaren van de Spaanse successie-oorlog schijnen de bloei van de Almelose textiel wel in hoge mate bevorderd te hebben. De personen, die zowel in 1694 als in 1715 ver-

|pag. 323|

_______________↑_______________

meld worden, zijn tezamen in 1694 aangeslagen op 57.500, in 1715 op 138.500 gld., een stijging tot 240.9 (1675 = 100).
     Door de reders en kooplui van Ootmarsum wordt in hetzelfde jaar 1704 eveneens een request tot de Gedeputeerde Staten gericht.
Van de 23 ondertekenaren kan men de volgende terug vinden:
 

Stad Ootmarsum 1675 1694 1716
E. Staverman
J.H. Staverman 2.000 4.000 4.000
J. Staverman 3.000 4.000 4.000
W. Cremer (advocaat) 1.500 1.500
J.H. van Neel 3.000
J. Warners 1.000 750
A. Laembers
W.A. van Laer 2.000
A. Goossens 1.000
J. Warnaars 3.000 (wed.)
H. Splinterinck
J.L. Berentse 500
G. Perizonius 1.000 1.000
J. H. Tydeman 500
J. Nijhoff 1.000
B. van Assen 3.000
Fl. te Matcate 1.000 1.500
Wed. J. Drommert
de van Ledden 2.000 750
J. Cremer (brouwer) 1.000
H. Molt
H. ten Over 1.000
J. van Goor 1.500 1.200 2.500

 
Men ziet, dat de vermogens hier van veel bescheidener omvang zijn dan in Almelo, en dat men veel minder van de oorlogsjaren heeft geprofiteerd. Voor de personen, die zowel in 1694 als in 1716 vermeld zijn, bedraagt de stijging van het gezamenlijk vermogen van 11.200 gld. in 1694 tot 13.000 gld. in 1716; indexcijfer 116.1 (1675 = 100).
     In 1752 treden als gecommitteerden van de kooplieden uit Twente op W. ten Cate, G. Bussemaker, D. en H. Hoedemaker. De beide laatsten zijn reders uit Enschede, zij bezitten in 1758 resp. 3.500 en 4.995 gld. W. ten Cate is de uit de textielgeschiedenis bekende Wolteroom in Hengelo, tegelijkertijd Doopsgezind predikant en fabrikeur, getaxeerd op 2.225 gld. G. Bussemaker hoort in Borne thuis; hij wordt in 1758 niet genoemd, in 1750 wordt hij steeds met A. Bussemaker vermeld, tezamen voor een bedrag van 8.399 gld. In 1758 vinden we in

|pag. 324|

_______________↑_______________

Borne Adam Bussemaker met 9.284 gld. en Abraham met 5.132 gld.
     De veelheid van de requesten uit de jaren 1752 tot 1755 maken het noodzakelijk de gegevens plaatsgewijze te behandelen. Uit Borne requestreren J.St. ten Cate (7.364 gld.), B.H. Hulshoff (2.575 gld.) en A. ten Cate (in 1758: erven Abraham T. ten Kaate 7.937, Adam St. ten Kaate 3.088 en A.J. ten Kaate 840). De ten Cate’s zijn in 1758 als familiegroep in Borne nog zeer talrijk en zeer vermogend: 10 ten Cate’s zijn aangeslagen voor 44.215 gld. Toch reeds een achteruitgang vergeleken bij 1675, maar verschillende leden van de familie zullen zich in Almelo hebben gevestigd, waar het aantal ten Cate’s ook bijzonder groot is. De in Borne gevestigde linnenreder B.H. Hulshoff heeft daar ter plaatse nog rijkere verwanten: H. Hulshoff met een vermogen van
36.000 gld. en T. Hulshoff met 10.385 gld. Hiernaast werken in Borne nog de Bussemaker’s, waarover reeds is gesproken.
     Uit de stad Almelo treden in 1755 als kooplieden en linnenfabrikeurs op G. ten Cate, getaxeerd op 6.616 gld. en B. Coster op 2.730 gld.
Doch er zijn meer ten Cate’s en rijkere! In totaal worden er in 1758 21 vermeld met een gezamenlijk vermogen van 168.439 gld. Het grootste vermogen heeft Jan ten Cate Janszn. nl. 34.224 gld. De Coster’s zijn vertegenwoordigd met 10 leden met een totaal vermogen van 142.407 gld.; onder hen staat Egbert Coster vooraan met 46.251 gld.
De Schimmelpenninck’s, die in 1675 tot de voornaamste geslachten behoren, zijn achtergebleven, zes leden van dit geslacht bezaten in 1758 tezamen 22.817 gld. De Warners’ tonen hetzelfde beeld, vijf van hen bezaten 31.665 gld. Achteruitgegaan zijn ook de Bulck’s, in 1758 worden er nog maar twee vermeld met 7.710 gld. De 21 leden van deze vijf geslachten tezamen bezaten in 1675 54.000 gld., in 1758 waren 44 leden van dezelfde vijf familie’s aangeslagen op 373.038 gld. De betekenis van deze geslachten blijkt het best hieruit, dat zij in 1675 43% van het totale burgerlijke vermogen der stad Almelo in handen hadden, in 1758 was dit zelfs gestegen tot 60.7%.
     Als linnenreders in Hengelo worden in 1755 vermeld Wolter ten Cate (2.225 gld.), Jan ter Horst (1.870 gld.) en H. Bussemaker. Van de laatste vinden we in 1758 diens weduwe en kinderen met resp. 1.740 en 1.017 gld. Behalve Wolter ten Cate zijn er in Hengelo nog Hendrik, Herman en Jan ten Cate, resp. met 1.464, 1.250 en 785 gld. Tezamen bezitten zij 5.724 gld.).58 [58. A. Blonk, Fabrieken en menschen. Een sociografie van Enschede, 1929, blz. 157 vermeldt, dat Wolter ten Cate begon met een bedrijfskapitaal van 6.000 gld. Waarschijnlijk is hier het gehele familiekapitaal bedoeld.] De Ter Horst’s, in 1675 niet vermeld, worden in 1758 met 3 leden aangeslägen op 7.127 gld.

|pag. 325|

_______________↑_______________

     Het request van de kooplieden en linnenreders uit Haaksbergen en Buurse is ondertekend door J. ter Horst (Sr en Jr, resp. 2.000 en 1.000 gld.) en St. en H. Leeffrinck (resp. 1.100 en 2.000 gld.) uit het kerkdorp, verder G. ter Kuile (1.625 gld.) en G. Buersinck (2.050 gld.) uit Buurse. Familieleden van dezen kunnen zijn: wed. D. ter Horst (520) de wed. en Dr. Buursink (16.500) in het kerkdorp en A. Buursink in Buurse (1.150). Van hen vindt men in 1675 terug de namen ter Horst (1.500), Buursink (1.500) en Kuil Jan (500 gld.).
     De kooplieden en reders in het richterambt Enschede worden in 1755 vertegenwoordigd door H. Vaart (Voort) uit Lonneker (1.900 gld.), T. Lammerink uit Usselo (2.300 gld.) en W. Ypkemeule uit de Esmarke.
In 1758 worden genoemd de weduwe H. Ypkemeule (700 gld.) en H. Ypkemeule (700 gld.). Geen van deze namen wordt in 1675 vermeld.
     Als damastfabrikeurs zijn in 1742 in de stad Enschede bekend W. Nijhoff en J. ter Hofste.59 [59. De bleek van W. Nijhoff in de Esmarke ter grootte van 13 HA. wordt vermeld in het Register der aangegraven landen, 1682-1749, RA. Ov., Statenarch., no. 2518-2520.] De eerstgenoemde is in 1758 aangeslagen op 1.950 gld. In 1752 en 1755 requestreren uit de stad Enschede een groot aantal fabrikeurs en kooplieden: J. van Lochem (2.160), H. van Lochem (4.080), J. Blijdenstein (1.040), wed. N. Hoedemaker (10.411), D. Hoedemaker (3.500), J. Stroink (1.690), A. Nyenhuis (1.030), L. Nieuwenhuis (1.300), G. Bekker (650), J. Hanterman (810), A. ten Thye (510), J.B. Lazonder (ontvanger, 5.680) en E. Muller (niet in 1758 vermeld). Ook uit het jaar 1769 zijn een aantal namen bekend, doch hiervan vindt men minder personen, die ook reeds in de kohieren van 1758 vermeld zijn: Hendrik Hoedemaker (4.995), Hermen Hoedemaker (n.v.), S. ten Cate (600), J. Roessingh (commies, 2.395), H. Roessingh (n.v.), J. Nieuwenhuis (n.v.), J. Steenberg (1.910), J. Queckeboom (in 1758 een L. Queckeboom in Usselo, 3.520), E. ter Kuile (n.v.), A. Costers (n.v.), H. Hofste (n.v.).
     Telt men de 13 in 1752-1755 en 1769 vermelde families met al hun familieleden, tezamen 49 personen, bij elkaar, dan bezitten zij een vermogen van 110.287 gld. of 39.0% van het gehele burgerlijke vermogen in Enschede. Van deze textielgeslachten zijn in 1758 de Lazonders het rijkst, 20.243 gld. met 10 leden, daarna komen de Hoedemaker’s met 3 leden (18.906), de Stroink’s met 4 leden (15.366), Blijdenstein met 4 leden (12.031), ten Cate met 7 leden (10.839) en van Lochem met 3 leden (7.520).60 [60. Over van Lochem zie blz. 292 n. 1, over de Blijdenstein’s C. Elderink, Een Twentsch fabriqueur van de achttiende eeuw, 1923.] Van deze geslachten ontmoet men in 1675 de van

|pag. 326|

_______________↑_______________

Lochem’s met 3 leden (16.500), die toen het rijkst waren. Daarop volgen J. Becker (7.000), L. en de wed. Lazonder (6.500), Cl. Hoedemaker (3.000) en J. Stroink (2.000). Tezamen bezitten zij 35.000 gld. of 37.2% van het totale burgerlijke vermogen in 1675. Na de jonker van Loen, die op 15.000 gld. is getaxeerd, is in 1675 H. van Loggum met 12.000 gld. de rijkste man.
     Ter vergelijking met de Enschedese textielkooplieden en -fabrikeurs kunnen de vermogens van het in 1758 nog in Delden gevestigde geslacht van Heek dienen: wed. H. van Heek (5.044), burgemr. W.I. van Heek (8.577), wed. Helmig van Heek (16.694), burgemr. Harm. van Heek (9.115) en G.I. van Heek (2.000). Dit is 19.6% van het totale vermogen in de stad Delden.
     Beschouwt men de financiële positie van de geslachten der linnenkooplieden en fabrikeurs in 1675, dan zijn zij in die tijd het rijkst in Borne. Hier komen vier ten Cate’s en één Hulshoff boven de 10.000 gld.
Dergelijke personen vindt men dan nog niet in Almelo, Hengelo, Ootmarsum of Haaksbergen, alleen in Enschede is H. van Lochem ook zo vermogend. Na Borne volgen in rijkdom de steden Almelo en Enschede; in Haaksbergen en Hengelo zijn de vermogens van de textielgeslachten nog uiterst klein.
     Enigermate kan men de ontwikkeling van de textielnijverheid leren kennen uit de schommelingen in de totale burgerlijke vermogens in de plaatsen, waar de textielgeslachten zijn gevestigd.61 [61. Men diene hierbij in het oog te houden, dat niet alle burgerlijke vermogens in verband behoeven te staan met de textielnijverheid. In Haaksbergen bijv. woonden verschillende rijke houtkopers. (Mededeling van de heer D. Jordaan J.G Hzn.).] Van deze plaatsen is Borne in 1675 verreweg het rijkst met 322.500 gld. De anderen volgen eerst op grote afstand: Haaksbergen met 138.900 gld., de steden Almelo en Enschede met resp. 125.500 gld. en 109.000 gld., Ootmarsum en Hengelo blijven zelfs beneden de 100.000 gld. Een omkeer heeft plaatsgegrepen in Borne tussen 1675 en 1683, vóór 1715 is de textielrijkdom reeds in Almelo geconcentreerd. Waarschijnlijk is dit een gevolg van de verhuizing van verschillende kooplieden en fabrikeurs van Borne naar Almelo, dat betere verbindingen had. De groei van de Almelose vermogens kan voorts worden toegeschreven aan de grote winsten, die tijdens de Spaanse successie-oorlog zijn behaald. De opkomst van de grote vermogens in Enschede moet tussen 1738 en 1758 hebben plaats gevonden. Eerst in de 18e eeuw komt ook Hengelo op. Uit het volgende staatje kan men de wisselingen in het vermogen het beste zien (zie diagram 25).

|pag. 327|

_______________↑_______________

[25. De omvang van de burgerlijke vermogens in de Twentse textielplaatsen, 1675-1758.]

Voor zover het de vermogensontwikkeling betreft kan men uit deze indexcijfers de gevolgtrekking maken, dat Borne het oudste en belangrijkste textielcentrum in Twente is geweest, in 1694 leek het opgevolgd te worden door de stad Enschede, maar in 1711 neemt Almelo de leiding over, welke het tot 1758 behoudt. Eerst tussen 1733 en 1758 wint ook Enschede weer aan betekenis.62 [62. De betekenis van de textielnijverheid aan het einde van de 17e eeuw blijkt ook uit de resolutie van de Staten van 19 Mei 1682, waarbij het roten van het vlas in de openbare kleine rivieren wordt verboden. In 1694 volgt hierop een resolutie, dat ingevoerd vlas en ingevoerde garens op de vrije jaarmarkten verkocht mogen worden zonder betaling van invoerrechten (12 Oct. 1694).]

|pag. 328|

_______________↑_______________

 

Vermogen zonder havezathen
Borne Almelo stad Enschede stad Haaksbergen Ootmarsum stad Hengelo
1675 322.500 125.500 109.000 138.900 82.500 58.000
1683 165.500 n.v. 103.500 126.500 70.000 33.300
1694 152.100 199.500 213.400 292.100 121.600 n.v.
1711 145.500 451.000 132.250 281.800 121.800 33.500
1733 114.500 303.000 154.000 255.000 64.500 26.500
1738 109.000 295.000 144.850 216.000 61.700 24.900
1758 257.179 614.231 283.131 406.325 195.406 94.015
De indices bedragen:
1675 100 100 100 100 100 100
1683 51.3 95.0 91.1 84.8 57.4
1694 47.2 159.0 195.8 210.3 147.4
1711 45.1 359.4 121.3 202.9 147.6 57.8
1733 35.5 241.4 141.3 183.6 78.2 45.7
1738 33.8 235.1 132.9 155.5 74.8 42.9
1758 79.7 489.4 259.8 292.5 236.9 162.1

 
     De linnenkooplieden en fabrikeurs behoefden geenszins in de plaatsen te wonen, waar veel wevers waren. Het is bekend, dat zij soms in wijde omtrek van hun woonplaats de voor hen werkende huiswevers vonden.
Zo is in 1795 het percentage, dat de wevers van het totaal aantal beroepspersonen vormde, in de stad Ootmarsum naar Twentse verhoudingen zeer laag, nl. 19.8%. Dit kan betekenen, dat tussen 1758 en 1795 de textiel in deze stad is achteruitgegaan, maar het kan ook zijn, dat de voor de Ootmarsumse reders werkende wevers buiten de stad woonden.
     Omgekeerd kan men bij een hoog percentage beroepspersonen in de textiel werkzaam in 1795, zonder dat men in deze plaatsen tussen 1675 en 1758 grote burgerlijke vermogens vindt, twee mogelijkheden veronderstellen: de textielnijverheid heeft zich in die plaatsen tussen 1758 en 1795 ontwikkeld, òf, de wevers waren reeds vóór 1758 in die plaatsen gevestigd, maar de fabrikeurs woonden elders. In dit laatste geval moet het percentage armen in 1764 zeer hoog zijn, omdat de wevers behoren tot de armen, die het hoofdgeld niet kunnen betalen.
     Voor de hierboven besproken plaatsen zijn de percentages armen in 1764 (naar personen) en beroepspersonen in de textiel werkzaam in 1795 de volgende:

|pag. 329|

_______________↑_______________

 

Perc. armen
1764
Perc. in textiel
werkzaam 1795
Borne 45.7 44.0
Almelo 53.7 63 [63. In 1748 bedroeg het aantal diaconie-armen in Almelo 156, onvermogend waren 554 personen op een totale bevolking van 1.519 personen (diaconie-armen + onvermogenden 33.1% van totale bevolking).] 50.2
Enschede 57.6 63.8
Haaksbergen 28.0 28.0
Ootmarsum 40.1 19.8
Hengelo 49.3 57.1

 
Deze cijfers met die betreffende de vermogensontwikkeling in verband brengende, kan men concluderen, dat er in Borne wel wevers waren, maar dat de linnenreders verdwenen zijn. In Almelo, Enschede en Hengelo woonden zowel de fabrikeurs als de wevers. De fabrikeurs in Haaksbergen vonden hun wevers ook buiten het richterambt. In Ootmarsum is wellicht de textielnijverheid tussen 1764 en 1795 achteruitgegaan.
     In enige andere plaatsen in Twente is de textielnijverheid in 1795 een belangrijke bron van bestaan, zoals de steden Oldenzaal, Delden, Goor en in mindere mate ook Rijssen; op het platteland in het richterambt Almelo. De burgerlijke vermogens in 1675 en 1758, de percentages armen in 1764 en personen in de textiel werkzaam in 1795 zijn de volgende:
 

Burgerlijk vermogen Perc. armen Perc. text.
1675 1758 1764 1795
Oldenzaal 226.000 477.104 56.9 64 [64. In 1748 worden 191 gezinnen aangeduid met arm, slecht of gering, dit is 39.1% van de totale bevolking.] 37.6
Delden 73.000 65 [65. In 1683; de opgave van 1675 ontbreekt.] 211.347 27.8 36.4
Goor 74.300 141.559 48.2 40.2
Rijssen 33.000 97.366 36.4 28.6
Almelo (richterambt) 10.500 67.242 53.4 51.9
Vriezenveen 37.000 173.724 28.3 13.3

 
Oldenzaal blijkt hier de enige plaats te zijn, waar veel wevers waren en waar wellicht tussen 1675 en 1758 ook reeds verschillende linnenkooplieden woonden. Daar echter van de Oldenzaalse reders geen requesten in het Statenarchief zijn bewaard gebleven, zijn hun namen

|pag. 330|

_______________↑_______________

niet bekend. Zeer waarschijnlijk hebben de wevers in Goor, Rijssen en het richterambt Almelo voor elders wonende linnenkooplieden gewerkt. De totale burgerlijke vermogens in deze plaatsen waren in 1758 al niet zo hoog, in de voorafgaande jaren, tot en met 1738, waren zij nog lager: Goor 82.000 gld., Rijssen 65.000, richterambt Almelo 21.200. Ook in Delden bedroeg het totaal burgerlijk vermogen in 1738 nog maar 106.700 gld. Dit wijst er niet op, dat in deze plaatsen in die tijd rijke en vele linnenkooplieden woonden. Vriezenveen heeft weinig wevers en betrekkelijk weinig armen, maar bekend is, dat hier kooplieden woonden, die met textielgoederen rondreisden en hun tochten zelfs tot Rusland uitstrekten. De vermogens in Vriezenveen zijn vooral gestegen tussen 1675 en 1711:
 

1675 37.000 gld.
1683 n.v.
1694 94.200
1711 125.010
1733 161.750
1738 164.100
1758 173.724


 
De belangrijkheid van de textiel in de reeds vroeger genoemde plaatsen wordt enigermate aangeduid door het percentage, dat het vermogen van de z.g. textielgeslachten uitmaakt van het gehele burgerlijke vermogen. Dit is echter geen zuivere graadmeter, daar als textielgeslachten alleen de familieleden van de ondertekenaren van de requesten zijn beschouwd. Er zullen echter ook nog wel linnenreders en fabrikeurs zijn geweest, wier familienaam niet bij de ondertekenaren voorkomt. De percentages zijn de volgende:
 

1675 1758
Borne 31.3% 42.1%
Almelo (stad) 43.0% 60.7%
Enschede (stad) 37.2% 39.0%
Haaksbergen (kerkd. en Buurse) 4.8% 10.8%
Hengelo 6.9% 13.7%


 
Het is opvallend, dat de familieleden van de ondertekenaren der requesten vaak veel rijker zijn dan de linnenfabrikeurs en kooplieden zelf. De verdeling der vermogens, voor zover deze konden worden vastgesteld, is als volgt:

|pag. 331|
_______________↑_______________

 

vermogen (1675-1758) aantal
500-1.999 44
2.000-4.999 34
5.000-9.999 21
10.000 of meer 13
Totaal 112


 
Behalve de 12 Almeloërs (één in 1694 en 11 in 1715) is alleen de weduwe N. Hoedemaker te Enschede met 10.411 gld. boven de 10.000 gld.
Het grootste aantal heeft een vermogen van nog geen 2.000 gld. Veel kapitaal heeft men voor de uitoefening van het textielbedrijf niet nodig. Men heeft het ook nog wel eens gecombineerd met andere beroepen, zoals chirurgijn, ontvanger, commies, predikant en advocaat.
Het is een bedrijf, dat men gemakkelijk opneemt in profijtvolle jaren, maar dat ook zeer gemakkelijk weer van de hand kan worden gedaan.
In dit licht zal men ook de opkomst van een nieuwe generatie van fabrikeurs en reders omstreeks 1795 moeten beschouwen, toen een deel van de oude, Doopsgezinde fabrikeursgeslachten zich uit de textiel terugtrok.
     Behalve in Twente waren er in de 18e eeuw ook handelslieden en industriëlen in Zwolle en Deventer. Over de vrij geringe vermogens van de Zwolse en Kamper linnenfabrikeurs is reeds vroeger gehandeld.66 [66. Zie blz. 200-201.]
Maar er waren in Zwolle en Deventer toch ook personen, die met groter kapitalen werkten. In een request van 1730 verzoeken de geïnteresseerden in de zeven Overijsselse pelmolens om bescherming tegen de invoer van gepelde gerst van buiten de provincie. Het stuk is ondertekend door de Zwollenaren H. Stenvers en G. Aems en de Deventenaren H. Lindeman, P. Schimmelpenninck en J. van Calker. Van hen worden in de kohieren van 1733 genoemd: G. Aems met 2.000 gld. en H. Lindeman met 6.000 gld. In 1758 vinden we H. Stenvers met een vermogen van 26.585 gld., G. Aems 4.800 gld. en H. Lindeman heeft 7.650 gld. met 15 deel van 49.000 gld. en een ongenoemd deel van 26.850 gld. Hij is dezelfde, die in 1755 zijn pelmolen heeft omgebouwd tot de bekende Deventer ijzermolen en daardoor de grondlegger is geworden van de latere Deventer ijzerindustrie.
     Ook de secretaris van Goor, W. Pothof wil in 1751 een ijzermolen oprichten, en wel in de Buursermark (Haaksbergen). De ingezetenen van Buurse protesteren hiertegen, daar zij vrezen voor schade door de afgraving van de gemene gronden en door de opstuwing van het

|pag. 332|
_______________↑_______________

water ten behoeve van de molen. Pothof is in 1758 een vermogend man, hij is getaxeerd op 10.692 gld.

ONVERMOGENDEN EN ARMLASTIGEN

Om de omvang van de armoede te leren kennen moet men gebruik maken van de hoofdgeldkohieren van 1675, 1723, 1764, 1765 en 1767; dezelfde kohieren hebben ook het materiaal voor de demografische verschijnselen geleverd.
     Door de opstellers van de kohieren worden allen, die het hoofdgeld niet konden voldoen, aangemerkt met arm of pauper. Men moet zich realiseren, dat men in die tijd, en ook nog in de eerste helft van de 19e eeuw, iets anders onder armen heeft verstaan dan thans. Tot de armen behoorden toen ook de arbeiders, in Twente de wevers, op het platteland de dagloners en daghuurders. Voor al deze mensen was het bestaan wisselvallig, de verdiensten waren laag. De afstand tussen arbeider en arme was in die dagen niet groot. Men zou deze hele groep van armen in uitgebreide zin kunnen noemen: de onvermögenden.
Hiertegenover staan dan de werkelijke armen, zij, die van de bedeling moeten leven, de armlastigen. Een scherpe grens tussen beide groepen is er niet, net zo min trouwens als tussen de armen enerzijds en de kleine middenstand, die nog wel het hoofdgeld kan betalen, maar geen vermogen bezit van 500 gld. anderzijds.
     Uit de jaren 1675 en 1723 zijn alleen gegevens bekend over de onvermogenden, alleen voor de jaren 1764, 1765 en 1767 heeft men ook de beschikking over materiaal betreffende de armlastigen. Wanneer men het aantal armlastigen wil bepalen, stuit men op de moeilijkheid, dat in sommige delen van Overijssel de Rooms-Katholieken uitdrukkelijk van de bedeling zijn uitgesloten. Het aantal armlastigen, dat men dus in de bronnen vindt, is dientengevolge lager dan het getal van de werkelijk armlastigen.
     Men kan het aantal onvermogenden berekenen naar het aantal onvermogende gezinnen of onvermogende personen, waarbij dan alleen de personen boven 16 of 17 jaar zijn geteld. Berekent men de percentages, dan kan men het aantal onvermogende gezinnen vergelijken met de totale gezinsbevolking, of het aantal onvermogende personen met de personenbevolking. Bij dergelijke berekeningen blijkt, dat het percentage van de onvermogende gezinnen bijna steeds hoger is dan dat van de onvermogende personen. Dit wijst er op, dat de arme gezinnen in verhouding minder personen boven de 16 of 17 jaar tellen dan die van de meer welgestelden, die wel hoofdgeld betalen.67 [67. Zie blz. 94.]

|pag. 333|

_______________↑_______________

     Bij de onderstaande cijfers is steeds uitgegaan van de berekening naar personen. Het aantal onvermogenden in Overijssel bedroeg:
 

1675 1723 1764 1765 1767
Drie steden 2.635 3.219 4.540 4.196 5.470
Salland steden 236 309 543 374 496
Salland platteland 1.666 2.084 3.341 3.069 5.152
Twente steden 788 1.077 3.024 2.624 3.320
Twente platteland 1.834 2.108 5.674 5.398 8.179
Vollenhove steden 270 660 824 711 738
Vollenhove platteland 413 645 1.212 809 966
Totaal 7.842 10.102 19.158 17.181 24.321
Drie steden 2.635 3.219 4.540 4.196 5.470
Salland 1.902 2.393 3.884 3.443 5.648
Twente 2.622 3.185 8.698 8.022 11.499
Vollenhove 683 1.305 2.036 1.520 1.704
Totaal 7.842 10.102 19.158 17.181 24.321
In percentages van de totale personenbevolking:
1675 1723 1764 1765 1767
Drie steden 25.5 24.8 31.1 29.8 40.5
Salland steden 24.4 22.2 28.5 21.7 27.6
Salland platteland 14.8 14.1 16.8 16.4 26.9
Twente steden 29.9 30.6 49.1 45.6 56.4
Twente platteland 26.5 17.7 30.1 29.9 47.5
Vollenhove steden 14.4 23.5 30.7 26.8 27.5
Vollenhove platteland 12.4 13.7 20.6 14.0 16.8
Overijssel 21.0 19.7 27.4 25.7 36.9
Drie steden 25.5 24.8 31.1 29.8 40.5
Salland 15.6 14.8 17.4 16.9 27.0
Twente 27.5 20.6 34.5 33.6 49.8
Vollenhove 13.1 17.9 23.6 18.1 20.2
Overijssel 21.0 19.7 27.4 25.7 36.9

 
Voor geheel Overijssel ziet men een onrustbarende stijging van het aantal onvermogenden. Van 7.842 in 1675 is het aantal gestegen tot 24.321 in 1767. Men kan deze stijging gedeeltelijk zien als een gevolg van de bevolkingsvermeerdering, maar berekent men het percentage,

|pag. 334|

_______________↑_______________

dat het aantal on vermögenden van de gehele bevolking uitmaakt, dan bemerkt men ook een stijging van 21.0% tot 36.9%, van ruim 15 tot bijna 25 van de totale bevolking. De verarming is sneller gegaan dan de bevolkingsvermeerdering, zoals men ook uit de volgende indexcijfers kan zien:
 

(1675 = 100) indices verarming indices bevolkings-vermeerdering
1675/1723 128.8 137.6
1723/1764 189.6 135.8
1675/1764 244.3 186.9
1675/1767 310.1 186.9

 
De eerste periode van 1675/1723 is nog zeer gunstig geweest, relatief ziet men zelfs een kleine vermindering van de onvermogenden, maar tussen 1723 en 1764 is de toestand aanzienlijk verergerd, waardoor de gehele periode tussen 1675 en 1764 negatief wordt gekleurd. Houdt men rekening met de cijfers van 1767 dan is de toestand catastrofaal.
Nu zijn de kohieren van 1765 en 1767 op aandrang van de Staten opgesteld, omdat in 1764 teveel personen wegens armoede van het hoofdgeld waren vrijgesteld. Inderdaad heeft de vertoorndheid van de Staten in 1765 tot een geringe verlaging van het aantal armen geleid, maar in 1767 hielp ook het boze humeur van de Staten niet meer om de benarde toestand te verbergen.
     Hoe was de ontwikkeling in de verschillende delen van Overijssel?
In 1675 was het percentage van de onvermogenden het hoogst in de Twentse steden (29.9%), daarop volgden het Twentse platteland, de drie grote steden en de Sallandse steden. In vergelijking tot de overige gebieden was de toestand gunstig in Vollenhove en het Sallandse platteland. De armoede was vooral een stedelijk verschijnsel, met daarnaast ook nog het Twentse platteland. Indien men in Twente nog weer de kerkdorpen van de buurschappen onderscheidt, blijkt daar weinig verschil tussen te zijn.
     In 1723 is het percentage van de onvermogenden overal lager, met uitzondering van het kwartier van Vollenhove (steden zowel als buurschappen) en de Twentse steden.
     In 1764 kan men drie graden in de hoogte van het percentage der onvermogenden onderscheiden: het percentage is het hoogst in de Twentse steden (49.1%); deze steken boven alles uit. Op een lager plan (ca. 30%) volgen de drie grote steden, de steden van Salland en Vollen-

|pag. 335|

_______________↑_______________

KAART 18.
Percentage armen in 1675.
(gerekend naar totaal aantal gezinnen per buurschap)

|pag. 336|

_______________↑_______________

hove en het Twentse platteland. Het gunstigst is de toestand in de derde groep, die het platteland van Salland en Vollenhove omvat (ca. 20%). Ontleedt men ook hier weer het platteland in kerkdorpen en buurschappen, dan is er in Twente wederom weinig verschil tussen beiden (31.1 en 29.2%). In Salland en Vollenhove is het verschil tussen beiden aanmerkelijk, doch de tendentie in ieder van hen is juist tegengesteld. In Salland vooral onvermogenden in de kerkdorpen (21.2%) en minder in de buurschappen (14.1%), in Vollenhove is de toestand in de kerkdorpen gunstiger dan in de buurschappen (resp. 15.3% en 32.1%). Hieruit blijkt, dat in de Sallandse buurschappen sedert 1675 niets is veranderd. De achteruitgang in de Vollenhoofse buurschappen moet wel verklaard worden uit de aanwezigheid van de turfgravers-bevolking.
     In het algemeen is het begrijpelijk, dat juist in de steden en – na de bevolkingsvermeerdering — ook in de kerkdorpen zich de grootste armoede manifesteert. In het agrarisch milieu, op een boerderij is men niet zo gauw onvermogend of arm, omdat er in het boerenbedrijf voor velen plaats is. Eerst wanneer men van deze mogelijkheid is afgesneden, dus zodra de bevolkingsconcentraties in de steden en kerkdorpen optreden, vervallen de dagloners, de losse arbeiders en de beroepswevers tot armlastigheid. De toevlucht van het boerenbedrijf bestaat voor hen niet meer. Zij zijn afhankelijk geworden van allerlei invloeden, die buiten hun macht liggen.
     Wanneer deze stedelijke verschijnselen zich ook op het platteland van Twente gaan voordoen, zijn zij een duidelijke waarschuwing, dat de agrarische structuur van Twente niet in orde is.
     In 1767 zijn de verschillen nog meer geprononceerd: in Twente en de drie grote steden is de situatie bijzonder ernstig, zoals blijkt uit de percentages van 56.4% voor de Twentse steden en 47.5% voor het Twentse platteland.
     Bij een locale rondgang (zie kaart 18) – waarbij voor het jaar 1675 het aantal onvermogenden naar gezinnen is gerekend, wegens lacunes in het materiaal ten aanzien van de onvermogende personen – blijkt, dat het hoogste percentage onvermogenden in Borne voorkomt (41.8%).
In dit richterambt zijn het voornamelijk de buurschap Zenderen (46.5%) en het kerkdorp (40.3%).68 [68. Hertmen 39.1% en Bornerbroek — ook in 1795 agrarisch van structuur – 34.2%.] Bij de beschrijving van de vermogens hebben we Borne, eveneens in 1675, leren kennen als de plaats, waar het gemiddelde burgerlijke vermogen het hoogst was, onmiddellijk na Deventer en Zwolle. Doch naast de rijkste plaats is Borne

|pag. 337|

_______________↑_______________

tevens de armste, doordat het percentage onvermogenden er hoger is dan ergens elders. Rijkdom bij de groep van linnenreders, armoede bij de wevers, die voornamelijk geconcentreerd zijn in Zenderen en in het kerkdorp.
     Bij de steden is de toestand het ongunstigst in Oldenzaal (41.7%) en Kampen (40.4%). Voorts liggen nog boven 30%: Hellendoorn (38.1%), de stad Enschede (33.8% naar gezinnen, 29.7% naar personen) en de richterambten Oldenzaal (31.7%) en Almelo (31.3%). In het richterambt Oldenzaal vindt men de hoogste percentages in de buurschappen, die in de nabijheid van de stad zijn gelegen, zoals Berghuizen, Lutte en Lemselo; in het richterambt Ootmarsum is hetzelfde het geval met de onder de rook van de stad gelegen buurschappen Nutter en Olde Ootmarsum. Met uitzondering van Hellendoorn en Kampen zijn de plaatsen met hoge armen-percentages de textiel-centra. Ook in Kampen vindt men nog enige textielnijverheid, maar eer heeft men hier te maken met een oude handelsstad, nog terend op vergane glorie, waarin de minder vermogende burgers door te gering emplooi tot armoede zijn vervallen.
     De armoede in het niet-industriële Hellendoorn is een vraagstuk, dat bijzondere aandacht waard is, omdat hier de armoede chronisch is van 1675 tot 1767. In 1795 is Hellendoorn nog overwegend agrarisch (83.2%), een uitweg in de nijverheid is hier eerst in de 19e eeuw gevonden; in het gehele schoutambt waren in 1795 slechts vier beroepswevers. De ontwikkeling in Hellendoorn wordt echter begrijpelijk door de gegevens, die ons over de landbouw in deze plaats ten dienste staan.
In 1520 zijn er in Hellendoorn 112 boeren en 37 keuters, totaal 145 landbouwers 69 [69. Dit getal stemt volkomen overeen met het aantal gezinnen zonder de arme gezinnen in de tweede helft van de 15e eeuw: 1457 146 gezinnen; 1474 144 gezinnen; 1490 140 gezinnen. Het aantal arme gezinnen bedraagt in 1457 28. In de eerste helft van de 15e eeuw moet er in Hellendoorn een grote bevolkingsvermeerdering hebben plaats gevonden.]; bij de telling van de paarden in 1602 blijken er 118 boeren met 1 of meer dan 1 paard te zijn, waarvan 113 met twee of meer paarden. Duidelijk is het geringe verschil in het aantal boeren tussen 1520 en 1602. Dit blijkt ook uit de verpondingskohieren van 1601/1602, waarin 147 personen worden genoemd, hiervan hebben er 127 een boerderij met meer dan 5 mud akkerland. Van de 127 boerderijen zijn er echter 7 woest, zodat er 120 overblijven; bovendien zijn er dus nog 20 keuters. Bij de volkstelling van 1795 wordt een aantal van 129 boeren opgegeven. Tussen 1520 en 1795 is het aantal boeren slechts gestegen van 112 tot 129. Geheel anders is het met de keuters, hier een

|pag. 338|

_______________↑_______________

vermeerdering van 37 tot niet minder dan 235! In Hellendoorn heeft dus geen overgang naar de industrie plaats gevonden, maar een agrarische uitbreiding. De keuterbevolking leefde echter op de rand van het bestaan, zij was in grote mate onvermogend. De situatie in 1675 is aan de hand van bovenstaande gegevens spoedig duidelijk. Er zijn 167 gezinnen, die hoofdgeld betalen en 103 onvermogende gezinnen, waarvan 29 gedeeltelijk onvermogend. Vergelijkt men het aantal aangeslagenen in de verpondingskohieren van 1602 van alle buurschappen tezamen – dus zonder het kerkdorp – met het aantal hoofdgeldbetalers in 1675 in deze plaatsen dan komt men resp. op 117 en 125; het aantal onvermogende en gedeeltelijk onvermogende gezinnen in de buurschappen bedroeg in 1675 75 gezinnen.
     In 1723 was de armoede verminderd, maar ook het aantal personen boven 17 jaar was toen aanmerkelijk gedaald vergeleken bij 1675, nl. van 838 tot 628. Het aantal gezinnen daarentegen was nog iets gestegen, en wel van 270 op 288. Dit betekent een zeer sterke inkrimping van de grootte der gezinnen, een proces van uitstoting uit het ouderlijk gezin van personen boven 17 jaar moet hebben plaats gevonden, deze zullen naar andere streken zijn geëmigreerd.
     In 1764 bedraagt het percentage onvermogenden, naar gezinnen gerekend 45.7%, naar personen 37.6%, na den Ham het hoogst in Salland. De bevolking is tussen 1723 en 1764 vermeerderd tot 139.3 (1723 = 100). Evenals elders is de groeiperiode hier gevallen tussen 1723 en 1748; er waren in 1723 288 gezinnen, in 1748 was dit gestegen tot 393. Tussen 1748 en 1795 was er een betrekkelijke stilstand in de bevolkingsgroei, nl. 117.2 (1748 = 100). In de eerste helft van de 19e eeuw groeit de bevolking hier ongeveer overeenkomstig het algemene peil van Salland, nl. tot 154.4 in 1849 (1795 = 100). In de gegeven situatie van een sedert eeuwen bestaande agrarische overbevolking zal deze bevolkingsvermeerdering de maat wel hebben doen overlopen, in 1795 waren er immers reeds 235 keuters. De stichting van Nijverdal, het begin van de textielnijverheid in dit Oostelijke deel van Salland zal voor velen nieuwe bestaansmogelijkheden hebben geschapen.70 [70. Over de textielnijverheid in Nijverdal in de 19e eeuw, zie R.A. Burgers, 100 Jaar G. en H. Salomonson, kooplieden-entrepreneurs, fabrikanten en directeuren van de Koninklijke Stoomweverij te Nijverdal, 1954, blz. 156 en vlg.]
     Op de ontwikkeling van Hellendoorn is iets uitvoeriger ingegaan, omdat men hier vrij laat een proces ziet doorwerken van agrarische overbevolking, een ontwikkeling, die zich elders reeds eerder moet hebben voorgedaan. Als voorbeeld hiervan kan Borne gelden, eveneens met een hoog percentage onvermogenden in 1675 (41.8% naar gezin-

|pag. 339|

_______________↑_______________

nen), in 1723 gedaald tot 22.0% (naar personen), in 1764 en 1767 echter weer het hoogst van het Twentse platteland, resp. 45.7% en 62.8% (naar personen). Hoe was het hier met de agrarische mogelijkheden gesteld? Men ziet wederom een zeer sterke stabiliteit tussen 1475 en 1800 van het aantal grotere boerderijen, als men de keuters van 1475 ook tot de boeren rekent. Het kerkdorp kan voorlopig buiten beschouwing blijven, omdat hier bijna geen boeren zijn.
 

Borne boeren Zenderen Hertmen Bornerbr. Totaal
1475 erven 23 10 9 42
1475 keuters 4 2 7 13
1475 totaal 27 12 16 55
1601 erven boven 5 mud akkerland 26 5 14 45
1602 erven met 3 of meer paarden 29 12 16 57
1720 20 gld. of meer in verponding 31 11 19 61
1800 erven met 4 koeien of meer 27 12 15 54

 
     Bijzonder treffend is wel de grote overeenkomst tussen de getallen van 1475 (totaal) en 1800. Geen uitbreiding derhalve van het grotere boerenbedrijf. In Hellendoorn werd een uitweg gevonden in het keuterbedrijf, in Borne bestond die mogelijkheid slechts in veel geringere mate. In Borne bedroeg het aantal grote boerderijen met keuters samen:
 

Borne boeren en keuters samen Zenderen Hertmen Bornerbr. Totaal
1475 totaal 27 12 16 55
1601 aangeslagenen in verpondingskohier 35 11 24 70
1602 houders van paarden, varkens of schapen 58 17 31 106
1720 aangeslagenen in verpondingskohier 81 23 31 135
1795 boeren 33 17 41 91
1800 houders van 3 of meer koeien 47 16 24 87

 
     Bij deze cijfers moet worden opgemerkt, dat in 1602 en 1720 een aantal personen zijn meegeteld, die beneden de grens van de keuters

|pag. 340|

_______________↑_______________

zijn. Op de stratificatie van de boeren kan echter pas later worden ingegaan.71 [71. Zie blz. 463-464.]Ruwweg kan men zeggen, dat er naast de 55 boeren sinds 1475 nog 36 keuterbedrijven zijn bijgekomen, maar dat in 1602 de mogelijkheden van agrarische uitbreiding al waren afgesloten. Dit blijkt eerst recht, wanneer men de totale bevolkingscijfers er naast plaatst:
 

Borne (zonder kerkdorp) totale
bevolking (gezinnen)
Zenderen Hertmen Bornerbr. Totaal
1475 28 13 16 57
1602 77 20 37 134
1675 99 23 38 160
1723 niet naar buurschappen verdeeld
1748 203 36 76 315
1764 201 49 74 324
1795 173 47 85 305
1849 236 56 118 410

 
     Men ziet, dat in 1602 en nog meer in 1675 vooral Zenderen boven de agrarische mogelijkheden is gegroeid, in 1748 zijn de buurschappen van Borne in het geheel niet agrarisch meer. Dit niet-agrarisch accent wordt versterkt door de gelijktijdige ontwikkeling van het kerkdorp:
aantal gezinnen kerkdorp:
 

1602 74
1675 72
1748 234
1764 253
1795 211
1849 261


 
     Ook hier dus al in 1602 een grote bevolking, die niet agrarisch meer is, want in 1601 is er niemand in het kerkdorp, die meer dan 5 mud akkerland bezit, in het geheel zijn er slechts 2 personen in het verpondingskohier aangeslagen voor kleine stukjes land. In het register der paarden worden bovendien 6 personen en 1 weduwe wever genoemd. Het weven werd hier dus toen reeds vrij intensief beoefend.72 [72. Vlasverbouw blijkt er in Zenderen en Hengelo in 1601/2 te zijn, zie blz. 556.]
     Volledigheidshalve dienen de bevolkingscijfers voor het gehele richterambt vermeld te worden:

|pag. 341|
_______________↑_______________

 

Bevolking Borne (kerkdorp met buurschappen samen)
gezinnen personen
1602 208
1675 232
1723 253 531 personen boven 17 jaar)
1748 549 2.769
1764 577 2.570 (1460 boven 17 jaar)
1795 516 2.298
1849 671 3.417

 
     In tegenstelling tot Hellendoorn ziet men hier een gemeenschap, waarin het keuterbedrijf geen noemenswaardige uitbreiding heeft ondergaan, ten dele misschien een gevolg van het vele lage land in dit richterambt, maar ook zeker een gevolg van het grote aantal horige erven.73 [73. Blz. 697-698.]
     Een deel van de bevolking heeft een andere bestaansmogelijkheid moeten zoeken. Terwijl in Hellendoorn de overgang naar de textiel pas in de 19e eeuw geschiedde, was dit in Borne al in 1602 noodzakelijk.
Na 1602 ziet men een zekere groei, vooral in Zenderen. Tussen 1675 en 1723 is de verandering niet groot meer. In 1748 echter blijkt de bevolking meer dan verdubbeld te zijn, niet alleen in het kerkdorp, doch ook in de buurschappen. Het is niet verwonderlijk, dat in 1764 en veel meer nog in 1767, er in Borne een noodtoestand gaat heersen, omdat inmiddels het centrum van de textielnijverheid zich heeft verplaatst naar Almelo en Enschede. Ook de groeiende buitenlandse concurrentie zal zwaar op de nijverheid in Borne hebben gedrukt; het gevolg is, dat 62.8% der bevolking tot de onvermogenden gerekend moet worden.
Hierbij komt nog, dat de rijke linnenkooplieden zijn weggetrokken naar Almelo en de achterblijvende rijke burgers in vermogen zijn achteruit gegaan. Niet alleen de kooplieden zijn vertrokken, maar ook een gedeelte van de bevolking verlaat de plaats, zodat de bevolking in 1795 nog slechts 83.0% bedraagt van die in 1748. In 1849 is in het bevolkingscijfer weer herstel gekomen, dat vergeleken bij 1795 een belangrijke vermeerdering te zien geeft, doch deze vooruitgang bedraagt veel minder als men de toestand van 1764 in gedachten houdt.
In de 19e eeuw komt dan ook hier het moderne textielbedrijf, als voortzetting van de reeds oude nijverheid.
     Wat hier voor Borne uitvoerig is uiteen gezet, geldt ook voor de andere plattelandsgebieden met een hoog percentage onvermogenden,

|pag. 342|

_______________↑_______________

zoals de buurschappen bij de steden Oldenzaal en Ootmarsum en het richterambt Almelo. Een vergelijking tussen Borne en het richterambt Almelo is leerrijk, omdat hieruit blijkt, dat Almelo in 1602 nog veel meer agrarisch was dan zelfs de buurschappen van Borne.
In 1675 waren de rollen echter al omgekeerd. Ook in het richterambt Almelo waren de aantallen van de grotere boeren en keuters vrij constant van 1602 tot 1800. Terwijl men in Borne kan rekenen op 55 boeren en 37 keuters zijn deze getallen voor het richterambt Almelo 43 boeren en 32 keuters. Naar verhouding is de keuterbevolking hier groter dan in Borne. Waarschijnlijk is door de mogelijkheid om zich als keuter te vestigen en door de nabijheid van de stad Almelo, welke de overtollige arbeidskrachten kon opnemen het niet-agrarische deel in 1602 in het richterambt niet hoog. De ontwikkeling van de niet-agrarische bevolking is in Borne en Almelo als volgt:
 

Aantal niet-agrarische gezinnen
Borne zonder kerkdorp Geheel Borne Richterambt Almelo
1602 42 106 27
1675 68 140 155
1764 232 485 253
1795 213 424 370

 
     De concentratie van de grote burgerlijke vermogens in 1675 in Borne en niet in Almelo wees reeds in de richting, dat in 1675 de textielnijverheid in Almelo nog van vrij recente datum is. Door de cijfers van het agrarische bevolkingsoverschot wordt dit bevestigd, in 1602 was Bome al zeer sterk niet-agrarisch, het richterambt Almelo is dat daarentegen nog wel. In 1675 is de textiel in het richterambt Almelo in opkomst, waarschijnlijk ook in de stad, hoewel deze toen nog maar 271 gezinnen telde. Het aantal onvermogende gezinnen bedroeg in de stad slechts 55. Naar analogie van de latere toestanden zou men onder deze 55 onvermogende gezinnen vooral de wevers willen zoeken. Een groot textielcentrum kan echter de stad Almelo nog niet geweest zijn, gezien het geringe bevolkingsaantal. Almelo is een later stadium in de ontwikkeling van de textielnijverheid dan Borne. Het is moeilijk te bepalen, waarom het centrum van de textielnijverheid zich van Borne naar Almelo heeft verplaatst. Wellicht gaven de fabrikeurs aan Almelo de voorkeur omdat het een stad was; bovendien waren de verbindingen

|pag. 343|

_______________↑_______________

te water vanuit Almelo beter dan vanuit Borne. In 1809 althans wordt geklaagd over de slechte toestand van de beek van Borne naar Almelo, die zelden met vrachten te passeren is.74 [74. RA. Ov. Archief van de Commissie van Landbouw in Overijssel, inv. no. 31.]

In 1723 is het percentage der onvermogende gezinnen in het algemeen verminderd, de toestand lijkt gunstiger geworden (zie kaart 19). Er zijn echter ook nu enige zieke plekken. De percentages zijn het hoogst in enkele buurschappen in een gebied, dat overigens zeer welvarend is, nl. Wijhe. Het zijn Wengelo met 55.8%, Hengeveld met 48.1% en het kerkdorp Wijhe met 46.5% onvermogenden. Boven de 40% liggen wederom enkele buurschappen in het schoutambt Hellendoorn – waarover reeds uitvoerig is gehandeld -, de buurschap Bestmen in het schoutambt Ommen, de stad Diepenheim en voorts Zwartsluis.
Minder gunstig zijn ook nog Haaksbergen, het richterambt Almelo, enige buurschappen in het schoutambt Dalfsen en de steden Rijssen en Blokzijl, het percentage der onvermogenden bedraagt hier meer dan 30%.
     Beschouwt men de locale omstandigheden van enkele der bijzondere gevallen nader, dan blijkt Wijhe en naaste omgeving weer een ander aspect te bieden van het vraagstuk der onvermogenden. In Wengelo is het aantal grote boerderijen vanaf de 15e eeuw tot 1795 niet toegenomen (10), in Hengeveld schijnt een kleine uitbreiding te hebben plaats gevonden (van 14 op 20), het kerkdorp Wijhe is bijna niet agrarisch.
De keuterbedrijven zijn – behalve aan het einde van de 18e eeuw, in het kerkdorp Wijhe (17) – van weinig betekenis geweest. De bevolking van Hengeveld en vooral van het kerkdorp is tussen 1602 en 1723 toegenomen. Tussen 1723 en 1795 is er in de beide buurschappen Wengelo en Hengeveld weinig veranderd, het kerkdorp is nog verder gegroeid.
In de beroepsbevolking toont het kerkdorp in 1795 een grote verscheidenheid, de buurschappen bestaan voornamelijk uit boeren en dagloners. Daar in de buurschappen noch het bevolkingsaantal noch het aantal boeren tussen 1720 en 1795 veel gewijzigd is, moeten ook in 1723 de onvermogenden dagloners zijn geweest. Hier derhalve geen uitbreiding van het keuterbedrijf, zoals in Hellendoorn, hier ook geen uitweg in de textielnijverheid, zoals in Borne en het richterambt Almelo, maar er ontstaat een landloos proletariaat.
     Het geval van Bestmen (Ommen) is met behulp van het voorhanden materiaal niet te verklaren. Het aantal boerderijen is hier constant gebleven. Men ziet in het gehele schoutambt Ommen in 1723 een vermeerdering van het aantal personen, maar niet van de gezinnen. De

|pag. 344|

_______________↑_______________

KAART 19.
Percentage armen in 1723.
(gerekend naar totaal aantal personen per buurschap)

|pag. 345|

_______________↑_______________

gezinnen zijn derhalve groter geworden, maar in de andere buurschappen leidde dit geenszins tot een hoger percentage onvermogenden. De kleine getallen, waar het in deze buurschap om gaat – 12 gezinnen, waarvan 6 onvermogend – leiden gemakkelijk tot een hoog percentage. Waarschijnlijk zijn hier plaatselijke omstandigheden in het spel.
     In het naburige Dalfsen vindt men in de buurschappen Oosterdalfsen, Oudleusden en Rechteren een grote vermeerdering van de keuter-bedrijven. Het kerkdorp Dalfsen zelf is niet agrarisch, daar vormen de schippers een belangrijke groep in de beroepsbevolking.
     Het grote aantal onvermogenden in bepaalde steden is vaak moeilijk te verklaren. Diepenheim is een stadje met weinig economische mogelijkheden. Uit de gegevens betreffende de vermogens is bekend, dat Blokzijl in de 18e eeuw al over het hoogtepunt heen is, Zwartsluis is daarentegen nog in opkomst. Men ziet nu zowel in het achteruitgaande Blokzijl als in het opkomende Zwartsluis een groot percentage onvermogenden. Men kan zich het eerste geval gemakkelijker indenken dan het tweede. In Zwartsluis bestaat volgens de beroepstelling van 1795 de bevolking voor een deel uit schippersknechten, knechten van timmerlieden en scheepstimmerlieden, voorts turfsjouwers en andere arbeiders. Het is heel wel mogelijk, dat de bedrijvige na 1675 sterk opkomende plaats grote aantrekkingskracht heeft uitgeoefend op onvermogenden uit andere streken, die zich daar hebben gevestigd om er een goed bestaan op te bouwen. Juist in het eerste stadium van een dergelijke ontwikkeling is het aantal onvermogenden zeer groot. Zij, die zich door dergelijke overwegingen hebben laten leiden om zich in Zwartsluis te vestigen, zijn in hun verwachtingen niet teleurgesteld.
In 1764 was het percentage der onvermogenden gedaald tot 20.7% (in 1723 41.1%), het vermogen der inheemse burgers was gestegen van 26.500 gld. in 1711 tot 131.495 gld. in 1758. Uit de rekeningen van het Ensergeld – een belasting geheven op de in- en uitvarende schepen van de Overijsselse Zuiderzeehavens ten behoeve van een vuurbaken op Ens – blijkt bovendien, dat de scheepvaart van Zwartsluis tussen 1720 en 1728 tijdelijk was verminderd, doch na 1747 zien we tot 1790 een voortdurende stijging.75 [75. E. Vroom, Het Ensser-geld, in VMORG., 63 (1948) blz. 168-181; zie ook blz. 219-222.] Blokzijl gaat daarentegen gedurende de 18e eeuw steeds meer achteruit.

De kohieren van 1764-1767 tonen, vergeleken met die van de vroegere jaren, een rampspoedig beeld. Terwijl percentages boven 50% in 1675 en 1723 tot de uitzonderingen behoorden, zijn deze nu geen

|pag. 346|

_______________↑_______________

KAART 20.
Percentage armen in 1764.
(gerekend naar totaal aantal personen per buurschap)

|pag. 347|

_______________↑_______________

zeldzaamheden meer (zie kaart 20). Het hoogste percentage bereikt Zuidveen met 76.5% onvermogenden, daarna volgen Magele (68.9%) en Linde in het kerspel den Ham; ook het kerkdorp den Ham ligt boven de 50% (51.1%). Bijzonder ongunstig is de toestand in de Twentse steden: Enschede 57.6%, Oldenzaal 56.9%, Almelo 53.4%, Diepenheim 52.0%, voorts de textielcentra op het platteland Zenderen (richterambt Borne) 55.2% en Hengelo 49.3%. Van de grote steden ligt Kampen boven de 50.0% (50.6%).
     Meer dan 40% onvermogenden hebben enige buurschappen van Hellendoorn, van het richterambt Oldenzaal, verder Lonneker, Deldener Es, de buurschap Tubbergen, Hertmen, de steden Goor en Ootmarsum en in het kwartier van Vollenhove Scherwolde.
     In de beide turfgraversdorpen Zuidveen en Scherwolde heeft men het aantal onvermogenden veel te hoog opgegeven. De toorn van de Gedeputeerde Staten over de onjuiste opgaven heeft hier zijn uitwerking niet gemist. In 1765 en 1767 is de toestand bij toverslag veranderd. In Zuidveen daalde het aantal onvermogende personen van 274 in 1764 tot 46 in 1765 en 50 in 1767; in Scherwolde smolten de 79 onvermogenden als sneeuw voor de zon weg, in 1765 waren er nog maar 4, in 1767 11. Terwijl echter de totale bevolking van Scherwolde tussen 1764 en 1767 gelijk bleef (resp. 174 en 175 personen boven 17 jaar), verminderde die van Zuidveen in dezelfde periode aanzienlijk (1764: 358 personen boven 17 jaar, 1765: 323 en 1767: 300). Een gedeelte van de turfgraversbevolking is naar elders vertrokken.
     De andere gevallen waren erger, hier stegen de percentages zelfs nog in 1765 en 1767. Er kwamen bovendien nog nieuwe gebieden bij, als Haaksbergen (54.3%), dat in 1764 nog maar 20.7% onvermogenden had, de stad Delden met 55.6%, de richterambten Oldenzaal met 55.9%, Ootmarsum 52.0% en Enschede 51.1%.
     In vele gevallen kan het grote percentage onvermogenden worden toegeschreven aan de grote bevolkingsvermeerdering of aan de opkomst van de textielnijverheid, soms ook aan beiden tegelijk. Textielcentra bij uitstek zijn de Twentse steden Enschede, Almelo, Oldenzaal en Goor en het kerkdorp Hengelo, voorts de landelijke gebieden als Borne, Lonneker, Haaksbergen en ook gedeeltelijk den Ham. Sterk agrarisch gebleven zijn de Hellendoornse buurschappen, Linde (den Ham), Hasselo (Oldenzaal), de buurschap Tubbergen en Deldener Es. In Hasselo en Deldener Es heeft de bevolkingsvermeerdering geleid tot het ontstaan van een groep zeer kleine boeren, in de buurschap Tubbergen vindt men een aantal keuters met daarnaast een groep van arbeiders, in Linde zijn velen daghuurder geworden.

|pag. 348|

_______________↑_______________

ARMLASTIGEN EN ARMENZORG

Onder de on vermogenden zijn zij, die op enigerlei wijze ondersteuning ontvangen, de erkende armlastigen. In 1764, 1765 en 1767 is steeds in de kohieren van het hoofdgeld opgegeven, welke armen ondersteund werden. Ruim een vierde deel van de onvermogenden ontving ondersteuning (in 1764 27.2%). Toen in 1767 het aantal der onvermogenden gestegen was, rees ook het aantal ondersteunden, zodat het percentage toch ongeveer gelijk bleef (26.8%).
     In 1764 werden 3.014 gezinnen onderhouden, dat is 11.0% van de totale gezinsbevolking; zij omvatten 5.224 personen boven 17 jaar of 7.5% van de totale bevolking van personen boven 17 jaar. Het percentage armlastigen was in 1764 het hoogst in de Twentse steden (12.3% van de totale bevolking). Tussen 1764 en 1767 steeg het aantal armlastigen, vooral op het Twentse platteland, zodat in 1767 daar het hoogste percentage werd aangetroffen (14.8%), terwijl de Twentse steden stegen tot 13.6%.
     De cijfers en percentages der armlastigen zijn de volgende:
 

Aantal armlastige
personen
Percent, van het totaal
aantal onvermogenden
1764 1765 1767 1764 1765 1767
Drie steden 1.230 1.088 1.287 27.1 25.9 23.5
Salland 1.091 877 1.342 28.1 25.1 23.8
Twente 2.338 2.742 3.348 26.9 34.1 29.1
Vollenhove 565 566 545 27.7 37.2 32.0
Overijssel 5.224 5.273 6.522 27.2 30.7 26.8
1764 1765 1767 1764 1765 1767
Salland steden 168 49 135 30.9 13.1 27.2
Salland platteland 923 828 1.207 27.6 27.1 23.4
Twente steden 760 723 802 25.1 27.6 24.2
Twente platteland 1.578 2.019 2.546 27.8 37.4 31.1
Vollenhove steden 246 307 265 29.9 43.2 35.9
Vollenhove platteland 319 259 280 26.3 32.0 29.0

 
De cijfers van de armlastigen zouden een indruk kunnen geven van de bittere armoede, die onder de onvermogenden werd geleden. Doch het is bekend genoeg, hoe slecht de verzorging van de armen was. Gedeeltelijk geschiedde deze door de kerkgenootschappen, gedeeltelijk door de wereldlijke overheid. Door ter Kuile zijn onlangs nog weer enige

|pag. 349|

_______________↑_______________

voorbeelden gepubliceerd van de wijze, waarop de autoriteiten zich aan de taak van de armenzorg trachtten te onttrekken.76 [76. G.J. ter Kuile Jr., Rechtspraak en bestuur in Overijssel ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden, B. Bestuur, in VMORG., 68 (1953) 87-92.] In dit licht bezien, moet men er zich eigenlijk over verbazen, dat het aantal personen waaraan ondersteuning werd gegeven, zo groot was. De ondersteuning bestond vaak hierin, dat de armen of de weeskinderen werden uitbesteed bij boeren, die daarvoor een geringe geldelijke vergoeding kregen. Voor de boeren waren het betrekkelijk goedkope werkkrachten.
     Uit de hoofdgeldkohieren blijkt eveneens, dat de armenzorg nog verre van ideaal was. Men verneemt, dat er veel meer armen waren, die eigenlijk voor ondersteuning in aanmerking moesten komen. Daar de armenzorg door de Nederduits Hervormde Kerk geschiedde, leden vooral de Rooms-Katholieken hieronder. Zo kregen de armen van Mander (richterambt Ootmarsum) en Bentelo (richterambt Delden) niets, omdat zij Rooms-Katholiek waren. Elders zorgden de Rooms-Katholieken en de Doopsgezinden voor hun eigen armen, dit geschiedde in Kuinre en IJsselham (Rooms-Katholieken en Doopsgezinden), in Haarle (Hellendoorn) en Raalte (beiden Rooms-Katholieken). In 1765 zijn er in het richterambt Delden 133 diaconie-armen en 193 onvermogenden. Van deze laatsten wordt gezegd: „personen en huisgesinnen, welke schoon niet van Diaconyen trecken, omdat meest van de Roomse religie sijn, egter seer onvermoget en genoegsaem armer sijn dan die van den armen leven”. Ook in Heeten (Raalte) hoort men in 1767 hetzelfde. Daar is één diaconie-arme, terwijl er 236 onvermogenden zijn op een bevolking van 505 personen. Onder de onvermogenden zijn Rooms-Katholieke armen „die armer zijn als die van de Diejakonnye trekken”. Daar een betrekkelijk groot deel van de Overijsselse bevolking Rooms-Katholiek was – vooral in Twente, waar juist de armoede het ergst was – is het duidelijk, dat de cijfers van de ondersteunden geen enkele waarborg geven voor de omvang van de werkelijke armoede. Hoewel ruim een vierde deel van de onvermogenden ondersteuning ontving, mag men wel aannemen, dat alle onvermogenden in zeer behoeftige omstandigheden leefden en dat ook van de niet-ondersteunden velen werkelijk gebrek leden.
     Bij een locale beschouwing (zie kaart 21) blijkt, dat het percentage van ondersteunde onvermogenden het hoogst was in Holten (79.5%); meer dan de helft der onvermogenden werd verzorgd in de steden Ommen, Kuinre en Blokzijl, voorts in Wanneperveen. De toestand was het ongunstigst in Raalte (slechts 9.0% ondersteund), schoutambt

|pag. 350|

_______________↑_______________

Kaart 21
Percentage armenverzorging in 1764.
(gerekend naar de schoutambten)

|pag. 351|

_______________↑_______________

Genemuiden, Kampen, Colmschate, de steden Hardenberg, Goor, Oldenzaal, Enschede en Steenwijk, het richterambt Enschede en het schoutambt Steenwijk (allen met slechts 10 tot 20% ondersteuning).

DE ARMOEDE IN VERBAND MET ANDERE SOCIALE FACTOREN
In het voorgaande is bij de verklaring van verschillende locale toestanden als vanzelfsprekend aangenomen, dat vergroting van de armoede een gevolg zou zijn van een excessieve bevolkingsvermeerdering. Geldt deze veronderstelling – behalve voor de bijzondere gevallen – ook in het algemeen? Wat is het verband tussen armoede en bevolkingsvermeerdering en in hoeverre worden de demografische verschijnselen beheerst door een reeds bestaande sociale toestand?
In concreto komen de vragen neer op de volgende onderzoekingen:

  1. in hoeverre is de armoede in 1764 of de vergroting van de armoede tussen 1675 en 1764 een gevolg van een bevolkingsvermeerdering tussen 1675 en 1764?
  2. in hoeverre heeft een in 1675 of in 1764 bestaande armoede invloed gehad op het bevolkingsverloop van de daaropvolgende tijd, resp. van 1675 tot 1764, of van 1748 tot 1795, of van 1748 tot 1849?

     In het algemeen kan men zeggen, dat tussen 1675 en 1764 in 36 van de 57 plaatsen de percentages der armen in verhouding tot de totale bevolking zijn gestegen, hier is de armoede verscherpt. In 54 plaatsen heeft tussen 1675 en 1764 bevolkingsvermeerdering plaats gevonden.
Achteruitgegaan in bevolking zijn alleen Kampen, Blankenham en het richterambt Diepenheim, maar ook in Kampen en Diepenheim is de armoede nog toegenomen.
     Op zichzelf zegt echter een stijging van de percentages der armen niet veel. Er bestaat een groot verschil tussen de stijging van 3.2% op 7.0% in Colmschate en die van 16.9% op 53.4% in de stad Almelo.
Men dient in stijging en daling enige gradatie’s aan te brengen. Hierbij worden als normaal beschouwd de algemeen gemiddelde percentages van de armoede in Overijssel in 1675 en 1764, resp. 21.0% en 27.4%.
Bij de bevolkingsvermeerdering tussen 1675 en 1764 wordt ook de algemeen gemiddelde index van Overijssel nl. 186.9 (1675 = 100) als normaal aangenomen.
     Ten aanzien van de armoede doen zich de volgende vier mogelijkheden voor:
A le. percentages der armen in 1675 en 1764 beiden boven normaal.
Dit is het geval in 17 plaatsen, waarvan in 13 de armoede is toegenomen en in vier verminderd.

|pag. 352|

_______________↑_______________

2e. percentages der armen in 1675 boven, in 1764 beneden normaal; dit komt voor in 6 plaatsen. Uiteraard is in al deze plaatsen de armoede verminderd.
3e. percentages der armen in 1675 beneden, in 1764 boven normaal.
Men vindt dit in 7 plaatsen. Het is onnodig te vermelden, dat in al deze plaatsen de armoede is verscherpt.
4e. percentages der armen in 1675 en 1764 beneden normaal. Men ziet dit in 27 plaatsen geschieden, waarvan in 11 de armoede is verminderd en in 16 is gestegen.
     In al deze vier groepen komen plaatsen voor, waar de bevolkingsvermeerdering van 1675 tot 1764 hoger dan 186.9 (= normaal) of beneden dit indexcijfer was:
 

B meer dan normale bevolkingsverm. minder dan normale bevolkingsverm.
1. Grote armoede in 1675 en 1764 11 6
2. In 1675 grote armoede, in 1764 minder 3 3
3. In 1675 geringe armoede, in 1764 meer 5 2
4. Geringe armoede in 1675 en 1764 8 19

 
     Men ziet bij de eerste groep van gegevens (A) betreffende de vermeerdering of vermindering van de percentages der armen duidelijk, dat in plaatsen met hoge percentages armen in 1675 en 1764 slechts zelden een vermindering van de armoede valt te constateren, veeleer nog een verscherping, nl. in 13 van de 17 plaatsen. In de plaatsen met een geringe armoede in 1675 en 1764 is de kans op verbetering in de toestand veel groter, dit geschiedt in 11 van de 27 plaatsen. We kunnen dus concluderen, dat, gezien van uit de toestand van 1675, er sedert dien een tendentie is geweest om zich naar de uitersten te ontwikkelen.
In de plaatsen met een in 1675 reeds grote armoede stijgt deze tot nog groter nood, in de plaatsen met weinig armoede tot een nog groter algemene welvaart.
     Beschouwt men deze ontwikkeling aan de hand van de gegevens van de bevolkingsvermeerdering (B), dan blijkt een blijvende grote armoede of vergroting van de armoede, samengaande met een grote bevolkingsvermeerdering in 16 (= 11 + 5) plaatsen voor te komen.
Blijvende geringe armoede of vermindering van de armoede samengaande met een geringe bevolkingsvermeerdering treft men in 22 (= 19 + 3) plaatsen aan. Men kan het ook anders zeggen: in 24 plaatsen

|pag. 353|

_______________↑_______________

bestond in 1764 grote armoede (hiervan in 1675 reeds 17, tussen 1675 en 1764 zijn er 7 bijgekomen). Van deze 24 plaatsen hadden 16 een meer dan normale bevolkingsvermeerdering doorgemaakt, 8 een minder dan normale. In 33 plaatsen bestond in 1764 een geringe armoede, in 11 hiervan was de bevolkingsvermeerdering hoger dan normaal geweest, in 22 was zij echter beneden het normale peil gebleven. Er blijkt dus wel degelijk een sterke samenhang te bestaan tussen grote armoede en grote bevolkingsvermeerdering enerzijds en geringe armoede en geringe bevolkingsvermeerdering anderzijds. Bijzonder opvallend is, dat de in 1675 reeds bestaande armoede geen remmend effect heeft uitgeoefend, maar eerder stimulerend op de bevolkingsvermeerdering heeft gewerkt.
De armoede in 1675 kan niet uit de bevolkingsvermeerdering sedert de 15e eeuw worden verklaard, zoals uit onderstaande cijfers blijkt:
 

grote bevolkings-
vermeerdering van
15e eeuw tot 1675
geringe bevolkings-
vermeerdering van
15e eeuw tot 1675
1675 grote armoede 4 3
1675 geringe armoede 8 9
12 12

 
     Dit is volkomen begrijpelijk, daar in de tijd tussen de 15e eeuw en 1675 de verwoestingen van de tachtigjarige oorlog vallen; dientengevolge is er van een gelijkmatig doorgaande demografische ontwikkeling geen sprake.
     De toestand van de armoede in 1764 heeft op de bevolkingsvermeerdering in de periode van 1748 tot 1849 weinig invloed uitgeoefend:
 

grote bevolkings-
vermeerdering van
1748 tot 1849
geringe bevolkings-
vermeerdering van
1748 tot 1849
1764 grote armoede 7 7
1764 geringe armoede 7 6
14 13

 
     Deze ontwikkeling is voornamelijk te verklaren door de omstandigheid, dat in dit tijdperk de bevolkingsvermeerdering veel meer in Salland dan in Twente optrad, terwijl in Salland op het platteland de armoede van minder betekenis was.

|pag. 354|

_______________↑_______________

     Bij een vergelijking van de indexcijfers van de vermeerdering van de bevolking (B), de armoede (A) en het burgerlijk vermogen (V) blijkt in sommige gevallen een zekere onderlinge samenhang te bestaan. Men kan opmerken, dat B ongeveer gelijk is aan $\frac{1}{2}$ (A + V), zoals men uit onderstaande cijfers en het diagram 26 kan zien:

Indices (1675 = 100)
 

Bevolking
1675/1764
Armoede
1675/1764
Burgerlijk
Vermogen
1675/1764
 
B
 
$\frac{1}{2}$ (A + V)
Verschil
$\frac{1}{2}$ (A + V)-B
Drie steden 139.8 172.3 87.1 139.8 129.7 -10.1
Salland 178.4 204.2 134.2 178.4 169.2 – 9.2
Twente 261.7 331.7 216.7 261.7 274.2 12.5
Vollenhove 166.4 298.1 116.7 166.4 207.4 41.0
Overijssel 186.9 244.3 115.0 186.9 179.7 – 7.2
Salland steden 196.8 230.1 99.0 196.8 164.6 -32.2
Salland platteland 176.9 200.5 141.5 176.9 171.0 – 5.9
Twente steden 233.3 383.7 241.2 233.3 312.5 79.2
Twente platteland 272.7 309.4 200.6 272.7 255.0 -17.7
Vollenhove steden 143.0 305.2 78.3 143.0 191.8 48.8
Vollenhove plattel. 176.4 293.5 171.4 176.4 232.5 56.1

 
     Men kan hieruit opmerken, dat bovenstaande formule slechts geldt voor het platteland, voor zover dit het plattelandskarakter heeft bewaard, dus niet voor de steden en ook niet voor het platteland van Vollenhove.
     In het algemeen zal een versnelling of een vertraging in de bevolkingsvermeerdering leiden tot wijzigingen in het percentage der armen en in het indexcijfer van het burgerlijk vermogen.77 [77. De vergroting van het burgerlijk vermogen kan leiden tot een vermeerdering van de economische mogelijkheden.] Een groter worden van B zal voeren tot vergroting van A, of V, of A en V samen, omgekeerd een kleiner worden van B zal een vermindering van A, V of A en V tot gevolg hebben. Dit stemt volkomen overeen met de reeds eerder geconstateerde samenhang tussen grote armoede en grote bevolkingsvermeerdering enerzijds en geringe armoede en geringe bevolkingsvermeerdering anderzijds. Begrijpelijk wordt nu, waarom een aan de gang zijnde ontwikkeling zo moeilijk doorbroken kan worden.

|pag. 355|

_______________↑_______________

     Hoe moet de verklaring luiden van de gevallen, waarin de formule B = $\frac{1}{2}$ (A + V) niet opgaat? In de Sallandse steden is de ontwikkeling van het burgerlijk vermogen ten achter gebleven. In de Twentse steden zien we weliswaar een sterke bevolkingsvermeerdering, maar de armoede èn het burgerlijk vermogen zijn ieder, en dientengevolge ook samen, nog meer gestegen. Het proces van de reeds eerder beschreven splitsing der maatschappij in een groep van rijke burgers en

[26. Indices armoede en bevolkingsvermeerdering, 1675-1764.]

gegoede middenstand enerzijds en een grote groep van armen anderzijds vinden we in het grote verschil tussen $\frac{1}{2}$ (A + V) en B terug. In de Vollenhoofse steden is de armoede teveel gestegen, terwijl de vermeerdering van de bevolking en het burgerlijk vermogen sterk ten achter is gebleven. We hebben dit verschijnsel leren kennen als de achteruitgang van de Zuiderzeesteden, voornamelijk van Blokzijl.
Op het platteland van Vollenhove zijn de armoede en het vermogen te sterk gestegen in verhouding tot de bevolkingsvermeerdering, dus

|pag. 356|

_______________↑_______________

ook hier een zelfde proces als in de Twentse steden: verrijking van een klein deel der inwoners, verarming van de groep der turfgravers.
     De plaatselijke armoede in 1764 kan onderzocht worden in verband met de bevolkingsvermeerdering van 1748-1849, met de belangrijkste beroepen in 1795 (landbouw, textiel en veenderij) en de verbreiding der godsdiensten in 1849.
     Als excessief worden beschouwd:
 

geringer dan meer dan
armoede in 1764 15% 35% v.d. totale bevolking
bevolkingsvermeerdering 1748/1849 150 200 (1748 = 100)
landbouw in 1795 20% 70% v.d. beroepsbevolking
textiel in 1795 20%                    –
turfgravers in 1795 10%                    –
Rooms Katholieken in 1849 20% 45% v.d. totale bevolking
Christ. Afgescheidenen in 1849 5%                    –

 
     Hierbij is verondersteld, dat in de beroepsstructuur tussen 1764 en 1795 weinig verandering is gekomen en dat het Rooms Katholieke bevolkingsdeel in 1764 in dezelfde gebieden geconcentreerd was als in 1849. Ten aanzien van de Chr. Afgescheidenen is het belangwekkend na te gaan, in welke streken de Afscheiding vooral haar aanhang heeft gevonden. Met nadruk moet er op worden gewezen, dat de bevolkingsvermeerdering zich tussen 1748 en 1849 in een geheel ander deel van Overijssel afspeelt, dan vóór 1748 het geval was.
     Bij de vergelijking der verschillende factoren zullen slechts die behandeld worden, welke zeer duidelijke aanwijzingen van een verband geven. Hierboven is reeds uiteengezet, dat er tussen de armoede in 1764 en de bevolkingsvermeerdering van 1748-1849 generlei verband valt te constateren; dergelijk soort gevallen blijft derhalve thans buiten beschouwing.
     We vinden dan, dat grote armoede 7 X samengaat met weinig landbouw en slechts lx met veel landbouw (Hellendoorn). Acht maal treffen we grote armoede in uitgesproken textielplaatsen aan. Omgekeerd is er geringe armoede in tien plaatsen, waar veel landbouw en

|pag. 357|

_______________↑_______________

weinig textiel is. Nimmer vindt men geringe armoede in een plaats met weinig landbouw en veel textiel. We kunnen hieruit concluderen, dat de armoede vooral een niet-agrarisch verschijnsel is. De agrarische maatschappij kent de armoede niet in die mate als de industriële plaatsen. We moeten hierbij echter wel bedenken, dat de groep der armen, zoals vroeger is gebleken, vooral de arbeiders, de wevers, omvat.
     Geringe armoede treft men ook in de plaatsen aan, waar weinig Rooms Katholieken zijn (9x), men vindt weinig armoede nooit in plaatsen met veel Rooms Katholieken.
     Grote bevolkingsvermeerdering tussen 1748 en 1849 treedt op in 14 plaatsen, waar weinig Rooms Katholieken zijn, daarentegen slechts in twee plaatsen, waar veel Rooms Katholieken zijn. Deze uitzonderingen zijn Heino en het richterambt Oldenzaal. Groot is de bevolkingsvermeerdering geweest in vijf van de zes plaatsen waar in 1849 de Afscheiding een grote aanhang vond (stad en ambt Ommen, den Ham, schoutambt Hardenberg en de stad Genemuiden).78 [78. De zesde plaats is Hellendoorn.]
     Geringe bevolkingsvermeerdering komt vooral in de textielplaatsen voor (9x), en in die plaatsen, waar de Rooms Katholieken talrijk zijn (ook 9X).
     De centra van het textielbedrijf worden gekenmerkt door grote armoede (8x), een talrijke Rooms Katholieke bevolking (6x), een geringe bevolkingsvermeerdering (9x) en weinig landbouw (5X).
     Het veendersbedrijf wordt uitgeoefend in niet-Rooms Katholieke plaatsen (5x).
     Uit het voorgaande is reeds gebleken, dat de Rooms Katholieke gebieden gekarakteriseerd worden door een geringe bevolkingsvermeerdering en door de uitoefening van het textielbedrijf. Het zijn tevens de streken met grote armoede. In de niet-Rooms Katholieke plaatsen is de landbouw belangrijk, de armoede is hier minder hevig.
     De Afscheiding vindt in Overijssel de meeste weerklank in plaatsen met een grote bevolkingsvermeerdering, terwijl de landbouw daar nog de voornaamste bron van bestaan is. Bovendien zijn het plaatsen, waar het aantal Rooms Katholieken zeer gering is.
     In het algemeen kan men zeggen, dat in de tweede helft van de achttiende en de eerste helft van de 19e eeuw het Twentse textielgebied gekenmerkt wordt door een geringe bevolkingsvermeerdering, terwijl in 1764 de armoede hier groot was. De landbouw was hier van minder betekenis dan in Salland. De bevolking beleed voor een groot deel de Rooms Katholieke godsdienst. In zijn algemeenheid is dit beeld wel

|pag. 358|

_______________↑_______________

juist, toch zijn er nog locale verschillen. In Twente zijn er 6 steden, waar meer dan 20% van de beroepsbevolking in de textiel werkzaam is, in 5 hiervan is meer dan 35% van de bevolking arm en in 2 zijn er meer dan 45% Rooms Katholieken. Hiernaast zijn er 7 kerkdorpen, waarin de textiel een belangrijke bedrijfstak is, in 3 hiervan heerst buitengewone armoede en in 4 vormen de Rooms Katholieken een belangrijk deel van de bevolking. Van de 21 buurschappen met veel textiel zijn er 11 buitengewoon arm, in 17 maken de Rooms Katholieken meer dan 45% van de bevolking uit. De armoede in de textiel-plaatsen is vooral een stedelijk verschijnsel, minder erg is zij in de agrarische buurschappen. De Rooms Katholieken vindt men, zoals wij reeds eerder geconstateerd hebben 79 [79. Blz. 105.], vooral in de buurschappen. Bij een beschouwing, zoals hiervoor is gegeven, waar alleen op de richter- of schoutambten wordt gelet, en niet op kleinere eenheden als kerkdorpen en buurschappen, komt dit niet voldoende tot uiting. Dat het verband tussen de textiel en de godsdienst niet zo nauw is, blijkt ook reeds doordat er 19 buurschappen zijn, waar meer dan 70% van de beroepsbevolking zich aan de landbouw wijdt en waar meer dan 45% van de bevolking Rooms Katholiek is.
     Hoewel bij de Afscheiding ook andere factoren, zoals de persoonlijke invloed van de voorgangers, een grote rol zullen hebben gespeeld, valt het op, dat men de Christelijk Afgescheidenen vooral aan treft in een landbouwgebied, waar een grote bevolkingsvermeerdering plaatsvond. Dreigde er gebrek aan land in de schoutambten Ommen en Hardenberg, ten gevolge van de nieuwe ontginningen, waardoor de oorspronkelijke boerenbevolking van het gebruik van de voor haar zo belangrijke woeste gronden werd beroofd? Zoals we reeds zagen, was de agrarische toestand in Hellendoorn door de grote vermeerdering der keuters beslist niet rooskleurig.80 [80. Blz. 338-339.] Hetzelfde was het geval in den Ham. De bedreiging van haar agrarische existentie heeft de bevolking wellicht ontvankelijker gemaakt voor het aanvaarden van de meer rechtzinnige godsdienstige opvattingen.

     De bevolkingsvermeerdering heeft op het platteland geleid tot een groot agrarisch bevolkingsoverschot, vooral in Twente. In dit kwartier is de textiel een bron van bestaan geworden voor hen, die in de landbouw geen plaats meer konden vinden; evenzo vindt men in het kwartier van Vollenhove een talrijke bevolking van turfgravers.

|pag. 359|

_______________↑_______________

Dit houdt echter in, dat de personen werkzaam in deze takken van nijverheid volkomen afhankelijk werden van de wisselvalligheden, waaraan de textiel en de turfgraverij ten prooi waren. Vooral in de textiel moest in de tweede helft van de 18e eeuw een zware strijd gestreden worden tegen de van vele kanten komende concurrentie.
Silezië, Engeland, Schotland en Ierland maakten het de Twentse industrie moeilijk. Bovendien moest men vechten tegen de mechanisatie van het bedrijf, die zich in Engeland begon te voltrekken. Op de lange duur was de huisnijverheid in de strijd tegen de fabrieksmatige productie tot ondergang gedoemd.
     Er was echter nog een andere, meer algemene oorzaak van de verscherping van de armoede in de tweede helft van de 18e eeuw. Zoals hierna nog uitvoeriger zal worden uiteengezet, kan men overal constateren, dat de graanprijzen vanaf 1756 een voortdurende stijging vertoonden, terwijl de lonen gelijk bleven.81 [81. Blz. 604-607.] Graan was toen echter nog het belangrijkste voedingsmiddel. Dit betekende derhalve voor iedereen, maar vooral juist voor de armen, de onvermogenden, een duurder worden van de eerste levensbehoeften, anders uitgedrukt een achteruitgang van het reëel loon. De klachten over de toenemende armoede moeten ook in dit licht worden beschouwd.

HUISVESTING

Grote armoede drukt op de gehele levenswijze van de armen een zwaar stempel, een arme bevolking zal slecht gevoed, gekleed en gehuisvest zijn. Voor de moderne onderzoeker zijn de levensomstandigheden van de totale bevolking, ook van het armste deel, dat vaak zulk een groot percentage van de gehele bevolking inneemt, van buitengewoon belang.
Slechte huisvesting betekent slechte hygiënische toestanden, of verhoogde ziektekansen. Onvoldoende voeding en zeer eenzijdige voeding, vooral door gebrek aan dierlijke eiwitten, moet de oorzaak zijn geweest van de geringe weerstand tegen epidemieën, vitaminen-gebrek moet tot het ontstaan van allerlei ziekten hebben geleid. Een slecht gevoede, geklede en gehuisveste bevolking, geplaagd door vele ziekten, is lusteloos, apathisch; de arbeidskrachten kunnen in het productieproces slechts weinig presteren.
     Hoe belangrijk de levensomstandigheden van de gehele bevolking voor de huidige onderzoeker ook mogen zijn, het is een onderwerp, waarover weinig gegevens beschikbaar zijn, vooral wanneer het gaat om het armste deel van de bevolking. Enig inzicht in de huisvesting,

|pag. 360|

_______________↑_______________

voeding en kleding van de meer met aardse goederen gezegenden is vrij gemakkelijk te krijgen, moeilijker wordt het de dagelijkse sleur te leren kennen van hen, die in het donker leefden.
     Iets over het grote woninggebrek konden wij uit de kohieren van het hoofdgeld vernemen.82 [82. Blz. 86-88.] We weten ook, dat de nieuwbouw tussen 1682 en 1749 ver bij de behoeften ten achter bleef.83 [83. Blz. 95-97.] Uit het daartoe geraadpleegde register van de nieuw aangegraven landen en de na 1682 gebouwde huizen 84 [84. Ra. Ov. Statenarch., nos 2518-2520.] krijgt men een nog duidelijker inzicht in de vaak zeer ongelukkige huisvesting van het arme deel der bevolking. We verkeren in de gelukkige omstandigheid, dat in sommige plaatsen enige bijzonderheden van de „nieuwbouw” tussen 1682 en 1749 zijn opgegeven. De afmetingen der huizen liepen zeer uiteen, waarschijnlijk hing dit samen met het gebruik van de huizen, een boerderij moet groter zijn geweest dan een woonhuis. Men vindt in het register huizen van 8 à 10 M. lengte en van dezelfde breedte.85 [85. In 1809 worden als maten van de boerenwoningen in het richterambt Almelo en Vriezenveen opgegeven: lengte 18 à 24 M., breedte 9 à 12 M. – RA. Ov., Arch. Commissie van Landbouw, inv. no. 31.] Talrijk zijn daarnaast echter de huisjes van 3$\frac{1}{2}$ M. breedte bij 4 M. lengte, er zijn er zelfs van 3.36 M. bij 3.36 M. en een hoogte van 1.96 M.86 [86. Gegevens uit het richterambt Oldenzaal en de stad Enschede.] Van een hut wordt als oppervlakte vermeld 3.36 M. bij 2.66 M.
     De hutten werden meestal op de gemene grond opgeslagen, zij mochten blijven staan, zolang de bewoners leefden, daarna moesten ze worden afgebroken. Sommige hutten zijn aardhutten, in de grond gegraven woonkommen (richterambt Oldenzaal, Wijhe in 1723), andere hutten en huisjes zijn opgetrokken van elzen- of populierenhout of van staken, weer andere zijn van turven opgezet (richterambten Oldenzaal, Enschede en Borne). Schoppen, stallen, schuren, stookhutten, schapenkotten, varkenskotten en smidsen worden bewoond (Haaksbergen, Wijhe, richterambt Delden, schoutambt Hardenberg, Borne, Staphorst en Rouveen). Dit geschiedt niet alleen op het platteland, maar ook in de steden, in Zwolle worden stallen, pakhuizen, een oude raffinaderij en een oude azijnmakerij als woningen gebruikt. In het Land van Vollenhove en het hoogschoutambt Hasselt vindt men planken huisjes (Wanneperveen, Hasselterkerspel, Yhorst, Grafhorst en Mastenbroek).
     In Zwartsluis horen we van een huisje, dat in een hooiberg is gemaakt met twee woningen en een klein „smoegertjen”; onder Heino vinden we de vermelding ”t huisjen . . . slegt, en van voren met planken;

|pag. 361|

_______________↑_______________

dogh van ter sijden en van agteren met stroo alleen toegemaakt”.
Een klein hutje in Welsum (Olst) was zo vervallen, dat de boermannen „bijna niet konnen sien waar de vuurstede was”. In de „stad” Gramsbergen heeft men naast huizen, bestaande uit een keuken en een deel, ook huisjes zonder afgescheiden keuken, waar men op de deel stookt. De boermannen van Driene klagen: „Dese arme hutten en kamers en schoopen bint aan die menschen vergunt om in te wonen om datse nergens niet kunnen bliven en buyten niet kunnen liggen”. Minder welwillend is men in Langelo (Haaksbergen): „veele woningen die op de gemeente (= gemene gronden) staan so lange als het die Heer Marken Rigter en die Goet Heren belieft, anders moeten sy vertrekken”.
Voor velen was het in de hutten en schoppen een kommervol bestaan, ternauwernood gegund, buiten het dorp en de buurschap, aan de zelfkant van de agrarische samenleving.
     Een inzicht in de woningtoestanden, welke aan het einde van de 18e eeuw onder de stedelijke wevers heersten, krijgen we uit een bericht over de stad Almelo.87 [87. Twee medische rapporten (over Almelo en Oldenzaal) zijn gepubliceerd in de Verhandelingen van de natuur- en geneeskundige correspondentie-sociëteit in de Vereenigde Nederlanden, opgericht in ’s Hage, dl. III, stuk II, 1789, blz. 406-420 (Oldenzaal), 421-441 (Almelo). De gegevens betreffende Almelo zijn gedeeltelijk geciteerd door G.J. ter Kuile sen., De opkomst van Almelo en omgeving, 1941, blz. 118.] Deze stad wordt beschreven als bestaande uit één grote straat, waarop verscheidene gangen uitkwamen, waarin dicht opeengedrongen de woningen van de wevers stonden. „De weverwooningen zijn alle kleine nauwe huisjes, dicht aan elkander gebouwdt. Zij hebben maar een klein keukentje, waar in het heele huisgezin bij een woond: Twee of drie aan en op elkander staande Bed-steeden, of naauwe hoeken, waar in twee of drie menschen bij elkander slapen.
De vloeringen dier huizen zijn van gebakken steen of van leem. De Weefkamer is laager in de grond en laag van verdieping met leeme vloering, voorzien met kleine glaazen, die zelden geöpend, uit vrees droog worden des gaarns; in dezelve staan meest twee of drie Weeftouwen. De stank van de zuure en veelal rottige sterke brij is zeer onaangenaam in dezelve”.88 [88. Ib., blz. 424.]

VOEDING EN VOEDSELGEBREK

Over de voeding beschikken we ten aanzien van Overijssel slechts over weinig gegevens. De belangrijkste bron zijn twee medische rapporten over de gezondheidstoestand in de steden en het platteland van

|pag. 362|

_______________↑_______________

Almelo en Oldenzaal, die in 1789 zijn gepubliceerd.89 [89. Zie noot vorige bladzijde.] Hieruit vernemen we, dat de gegoede inwoners van de stad Oldenzaal allerlei soorten groenten aten, voorts vers, gezouten en gerookt vlees, meel- en melkspijzen. De arbeiders en huislieden (= boeren) nuttigden knollen, wortelen, aardappelen, die vrijwel het gehele jaar door gegeten werden, met oud gerookt vlees en spek. Vers vlees en groenten kwamen slechts zelden op tafel. De tabak, vaak eigen teelt, werd meestal gerookt, niet gesnoven, en men gebruikte vrij veel alcoholische dranken. De schrijver van het rapport over Oldenzaal meent het veelvuldig voorkomen van gal- en rotkoortsen te moeten toeschrijven aan het eten van aardappelen en aan de geringe zindelijkheid van de bevolking. In stad en richterambt Oldenzaal waren er gedurende het jaar 1781 in het totaal 115 zieken, die aan rotkoortsen leden.
     De medicus Heppe, die het rapport over stad en ambt Almelo opstelde, verdeelt de inwoners van de stad in drie klassen: de kooplieden en fabrikanten, de middenstand en het gemeen (de wevers). De kooplieden en fabrikanten zijn door te weinig lichaamsbeweging zwak van lichaam.
Zij eten allerlei groenten, vers en gerookt vlees, veel vis en zij zijn niet onmatig in het drinken. De middenstanders zijn meer gespierd, zij gebruiken vlees, spek, spekpannekoeken en groenten. De wevers zijn bijna steeds zwakke en veelal gebrekkelijke mensen. De kindersterfte in deze klasse is zeer groot ten gevolge van de slechte verzorging der jonggeborenen.
     Over de wevers schrijft Heppe als volgt: „Maar veele in luiheid en armoede opgebragt, blijven de meeste tijd hunnes levens zukkelaars, en zijn dus zich en de Maatschappij tot last. — Teregt mag men meede onder de voorbeschikkende oorzaaken der veelen kwijnenden onder deeze lieden tellen het vroege trouwen, reeds zwaklijk, arm, verzwakken en verarmen dezelve hoe langer hoe meer; en de zorgen en bekommeringen, de trouwe gezellen der armoede, martelen den geest en het lichaam”.90 [90. Ib., blz. 433.] „De dagelijksche kost der Wevers is ook geschikt genoeg om ziekten voort te brengen: Immers dag aan dag Aardappelen, Boekweite-Pannekoek met Raapolie of oud Vet, Boekweite Meelpappen – en ’s daags 4 (à) 5 maal slegte Thee of Coffy geslorpt – en bij voorkomende gelegenheeden braaf Genever en Bier gedronken – en hunnen kleine huizingen en arbeid beschouwende dan gewis vindt men oorzaken genoeg tot klier knoestgezwellen, die niet zelden kankerachtig worden”.91 [91. Ib. blz. 434.] Onze arts klaagt, dat de wevers in geval van ziekte hulp

|pag. 363|

_______________↑_______________

zoeken bij „Pispropheeten en Prophetessen”, niet bij de geneesheren.
Deze laatsten worden er pas bijgeroepen als de gevallen hopeloos zijn.
     De boeren in het ambt Almelo zijn van sterke lichaamsgesteldheid, zij „hebben meest alle schoone witte Tanden”. Zij gaan ’s winters zwaar gekleed. Zij eten „’s morgens een goede Boterham, daarbij een goede portie Melkpap, of slegte Coffy, waarin een goed deel Melk gekookt wordt; ’s middags vullen zij zich met Aardappelen, geele Wortelen, Raapen, waaronder altijd de helft van Aardappelen, met oud Vet of Spek, Boekweite Pannekoeken met Spek of Raapolie.
Versch Vleesch zeldzaam, maar wel gerookt Runder- of Varkensvleesch en Worsten; meestentijds eeten zij noch een of twee koppen gekaamde of zoete Melk na. Thee met Saffraan en Melk drinken zij zeer veel, een of twee uuren na het eeten – en om 4 of 5 uuren ’s achtermiddaags alweêr een goede ketel vol Coffy, met een goede Boterham – ’s avonds alweêr Aardappelen of Spekpannekoeken, of met Olie, en een of twee koppen gekaamde Melk er boven op”.92 [92. Ib., blz. 436.] Het alcoholgebruik is thuis onder hen niet groot, maar zij drinken wel veel als zij de herbergen bezoeken. Ook bij de boeren is de zindelijkheid „zeldzaam”.
     De stadsbewoners gebruiken drinkwater uit putten en uit de beken.
De stadsgrachten stinken door de afvoer van de secreten en het vuil, dat er in gestort wordt. Vooral ’s zomers was de lucht ondragelijk, doordat in het stilstaande water ook het vlas roten plaats vond. Het vlas werd na het roten op weiden uitgespreid, die in de onmiddellijke nabijheid van de stad lagen. De lucht werd voorts nog bedorven door een leerlooierij, die in de stad haar bedrijf uitoefende. In het voorjaar kon men soms wel drie à vier weken last hebben van rookwolken als het veen in brand werd gestoken om de grond in gereedheid te brengen voor de veenboekweitteelt.
     Deze uiteenzettingen stemmen vrijwel overeen met de antwoorden op vraag 188x, die in 1800 op de landbouw-enquête in Almelo en Steenwijk zijn binnengekomen. Uit Almelo bericht men, dat het voedsel van de boeren „bestaat ’s morgens, nadat zij enige uuren gewerkt hebben in koffij met boterhammen, enkelden eeten pap van karnemelk en meel gekookt. Hun middagmaal is door den tijd zamengesteld uit aardappelen, met rapen, wortelen of kool vermengd, waarin vlees of spek gekookt wordt. Om 5 uur namiddag koffij met boterhammen en ’s avonds melk met brood en pannekoeken tot een dessert.
In den oogsttijd wordt het laatstgenoemde gerecht 2 à 3 maal daags gebruikt en zoetemelk met brood erna”.
     In de omgeving van Steenwijk bestaat het voedsel der boeren uit:

|pag. 364|

_______________↑_______________

„Aardappels, rapen, vlees, spek, boekweitenkoeken, meelspijzen, coffij en thee, dog zeer weinig boter wordt door hun gebruikt, in ’t algemeen vaste spijzen”.93 [93. De antwoorden zijn gedrukt in Historia Agriculturae, II (1954) 198 en 218.]
     Naar moderne maatstaven gerekend bevatte het eten van de bevolking teveel zetmeel (brood, meelpap, pannekoeken en aardappelen), te weinig dierlijke eiwitten, terwijl de bladgroenten vrijwel geheel ontbraken. De boerenbevolking kreeg door het gebruik van vlees, spek en melk meer dierlijke eiwitten dan de arme wevers in Almelo, die vrijwel alleen van zetmeel moesten leven. Het was geen wonder, dat onder hen zoveel ziekten voorkwamen en dat er over geklaagd wordt, dat zij lichamelijk zo slap zijn.

In 1772 heerste er in het voorjaar een ernstig voedselgebrek. De graanprijzen liepen tot een ongekende hoogte op, hongersnood dreigde.
De gewestelijke overheid is toen op grootscheepse wijze er toe overgegaan om tussen 25 April en 30 Juli 1772 rogge en bonen tegen gereduceerde prijzen aan de arme bevolking beschikbaar te stellen. De roggeprijzen bedroegen in dat jaar in Twente 46 st. en in Vollenhove 50 st. per schepel. De regering verkocht de rogge tegen 30 st. en de bonen voor 26 st. per schepel. De overheid moet op deze voedseldistributie ongeveer 20.000 gld. hebben toegelegd, voor die tijd een aanzienlijk bedrag.
     Gedistribueerd werden:
 

schepels rogge schepels bonen percent. percent, armen 1764
Drie steden 3.774 541 20.3 23.7
Salland steden 1.079,5 154 5.8 2.8
Salland platteland 4.989 712 26.8 17.5
Twente steden 1.532 221 8.2 15.8
Twente platteland 4.726 674 25.4 29.6
Vollenhove steden 681 96 3.6 4.3
Vollenhove platteland 1.863 255 9.9 6.3
Totaal 18.644,5 2.653 100.0 100.094 [94. RA. Ov. Statenarch., nos. 2784-2785.]

 
     De verhouding tussen de uitdeling in 1772 en de armen in 1764 voor de verschillende kwartieren bedraagt in percentages:

|pag. 365|

_______________↑_______________

 

uitdeling 1772 armen 1764
Drie steden 20.3 23.7
Salland 32.6 20.3
Twente 33.6 45.4
Vollenhove 13.5 10.6
Totaal 100.0 100.0

 
     Indien in 1772 nog dezelfde percentages voor de verhoudingen tussen de delen der provincie ten aanzien van de armen golden als in 1764, dan is Twente bij de distributie van de levensmiddelen ernstig te kort gekomen en Salland zeer bevoordeeld. Men zal er echter rekening mee moeten houden, dat in de veeteeltgebieden van Salland en Vollenhove geen graan werd verbouwd, zodat men daar volkomen van de invoer afhankelijk was. De roggeprijs was dientengevolge in Vollenhove ook 4 st. hoger dan in Twente.

DE ARMOEDE IN DE EERSTE HELFT VAN DE 19E EEUW

In de Verslagen over den staat van het armwezen in het Koningrijk wordt het aantal van de huiszittende armen gedurende de jaren 1826-1844 opgegeven. Vanaf 1832 maakt men bij de huiszittende armen een onderscheid tussen hen, die het gehele jaar onafgebroken van de bedeling leven en personen, die slechts éénmaal of tijdelijk een uitkering hebben ontvangen. Het totaal der armen toont een stijging van 1826 tot en met 1833 van 6.580 tot 9.880. Van 1833 tot en met 1839 blijft het peil vrij constant, daarna treedt van 1840 tot 1844 wederom een stijging op van 9.534 tot 13.605 armen. Het aantal van de voortdurend bedeelden, dat van 1832 tot 1839 schommelde om de 5.500, stijgt in 1844 tot 6.964.
     Het percentage, dat de huiszittende armen van de totale bevolking uitmaakten, liep op van 4.0% in 1826 tot 6.5% in 1844. De cijfers zijn de volgende (zie hiernaast).
     Bij enkele jaren wordt ook een verklaring gegeven voor de stijging of daling van het aantal huiszittende armen. Zo wordt de stijging in 1831 toegeschreven aan de lage lonen, die voor fabriekmatige arbeid betaald worden. De daling van het aantal armen in 1834 is een gevolg van „de gelegenheid om zich verdiensten te kunnen verschaffen in de veelvuldige fabryken, welke bij voortduring in de provincie Overijssel, en voornamelijk in Twenthe, worden opgerigt”. De vermeerdering in 1840 is veroorzaakt door de toegenomen armoede op Schokland en het

|pag. 366|

_______________↑_______________

 

Armen in Overijssel, 1826-1844
Jaar Voortdurend ondersteund Tijdelijk ondersteund Totaal der huiszittende armen Percentage van de gehele bevolking
1826 6.580 4.0
1827 7.065 4.3
1828 4.781 (onvoll) 2.8
1829 7.754 4.3
1830 8.321 4.6
1831 9.482 5.2
1832 5.552 4.164 9.716 5.4
1833 5.837 4.043 9.880 5.4
1834 5.615 3.697 9.312 5.0
1835 5.183 3.723 8.906 4.8
1836 5.501 3.733 9.234 4.9
1837 5.690 4.112 9.802 5.1
1838 5.495 4.135 9.630 5.0
1839 5.563 3.971 9.534 4.8
1840 6.224 5.268 11.512 5.7
1841 6.292 5.932 12.224 6.0
1842 6.812 5.439 12.251 6.0
1843 6.681 5.549 12.230 5.9
1844 6.964 6.641 13.605 6.5

 
vroege invallen van de winter. In 1841 is het aantal armen vermeerderd door de „mingunstige staat van het fabrykwezen”, het misgewas van de boekweit en de stijging van de levensmiddelenprijzen. De stijging in 1844 is wederom een gevolg van de vroeg ingevallen winter.
     Na 1844 is de toestand ongunstiger geworden, zoals blijkt uit de schets van de toestand der armen in 1850 van J. Zeehuisen.95 [95. J. Zeehuisen, Verhandeling over de daglooners en bedeelden ten platten lande in het kwartier Salland, provincie Overijssel, in Tijdschrift voor staathuishoudkunde en statistiek, VIII (1853) 165-182.] Er waren toen in geheel Overijssel 20.116 bedeelden op een bevolking van 216.275 zielen, dit is 9.3%. De armoede schijnt het ergst te zijn geweest in de drie grote steden. Hier vond men 6.199 bedeelden op een bevolking van 44.095 inwoners (14.1%). Voor de rest van Overijssel komt men derhalde tot 13.917 bedeelden op een totale bevolking van 172.180 (8.1%).96 [96. Ib., blz. 167-168.]
     Het is de vraag of men deze percentages met die van 1764 en 1767 kan vergelijken, omdat men toen de onvermogenden, die het hoofdgeld niet konden betalen, als armen beschouwde, terwijl de hierboven ge-

|pag. 367|

_______________↑_______________

noemde cijfers betrekking hebben op de bedeelden. Naar wij vroeger zagen, leverde het aantal der bedeelden in 1764 geen juiste maatstaf op om de omvang van de armoede in dat jaar te bepalen.97 [97. Blz. 350.] Ondanks de moeilijke vergelijkbaarheid der getallen krijgt men toch de indruk, dat de armoede, vooral vóór 1840, veel geringer was dan in 18e eeuw. In 1764 bedroeg het aantal onvermogenden 19.158 of 14.5% van de totale bevolking; voor de drie grote steden komt men op een percentage onvermogenden van 17.4% en voor de rest van Overijssel 13.8%.
     De verbetering in Overijssel in de 19e eeuw komt ook tot uitdrukking bij een vergelijking met de tegengestelde ontwikkeling in Friesland.
In deze laatste provincie waren in 1744 7.913 arme personen op een totale bevolking van 135.133; ruim honderd jaar later, in 1848, waren er 34.942 armen op een bevolking van 213.510 inwoners. De bevolkingsgrootte in beide provincie’s wijkt weinig van elkaar af. De percentages der onvermogenden en bedeelden in verhouding tot de totale bevolking zijn de volgende:
 

Jaar Overijssel Friesland
1744 5.9
1764 14.5
1767 18.3
1826 4.0 11.3
1833 5.4 11.3
1840 5.7 11.7
1844 6.5 14.3
1848 16.4
1849 9.3 14.2

 
     De armoede is in Overijssel in 1764 veel erger dan in Friesland in 1744; in de 19e eeuw is het juist omgekeerd, Friesland is er veel slechter aan toe dan Overijssel. De achteruitgang van Friesland kan hier niet worden verklaard, de verbetering in de Overijsselse toestand wel. Bij het onderzoek naar de oppervlakte cultuurgrond zal blijken, dat deze in de eerste helft van de 19e eeuw in bijzondere mate is toegenomen.98 [98. Blz. 484-494.]
De verbetering in de landbouwtoestanden heeft een gunstige uitwerking op de toestanden op het platteland gehad. Voor velen is toen de mogelijkheid geschapen een klein bedrijfje te beginnen. Het is tekenend, dat de armoede in 1850 heel sterk een stedelijk verschijnsel is, vooral in de drie grote steden voorkomend. Van uit de steden zwermt de

|pag. 368|

_______________↑_______________

bedelaarschaar over het platteland.99 [99. Zeehuisen, blz. 177.] Bij de beroepsstructuur is reeds gebleken, dat de mogelijkheden voor de economische ontwikkeling van de drie grote steden niet gunstig waren. Zij teerden nog op de oude roem; ook in 1764 was het percentage der armen daar al hoog.

DE BELASTINGDRUK

In het tweede deel van de Tegenwoordige Staat van Overijssel kan men een uitvoering en uitmuntend overzicht vinden van de geschiedenis der belastingen tijdens de Republiek. Het is echter een historische en juridische beschouwing, waarin niets wordt vermeld over de opbrengsten van de belastingen en evenmin over de belastingdruk op de verschillende bevolkingsgroepen.
     Men zou kunnen vermoeden, dat de geringe stijging der vermogens tussen 1675 en 1758 is toe te schrijven aan zware belastingen op de vermogens, waardoor vorming en vermeerdering van vermogens vrijwel werd uitgesloten. Men zou ook de toenemende armoede gedurende de 18e eeuw in verband kunnen brengen met een verzwaring van de belastingen op de armste volksgroepen, vooral bij de toenmalige voorliefde voor de heffing van accijnzen op de eerste levensbehoeften, opdat de belastingdruk zo eerlijk mogelijk, d.w.z. gelijkelijk over de gehele bevolking verdeeld zou worden.
     Een antwoord op deze vragen kan worden gegeven door een onderzoek van de rekeningen van de ontvangers van Salland, Twente en Vollenhuve.100 [100. RA. Ov. Statenarch., nos. 1931-2001 (Salland), 2032-2083 (Twente), 2111-2153 (Vollenhove).] Voor het hierboven geschetste doel zijn de rekeningen van 1680 tot en met 1790 telkens om de tien jaren (1680, 1690, etc.) door ons geanalyseerd. Gezien de geringe wijzigingen in de opbrengsten van de belastingen werd het niet noodzakelijk geacht ieder jaar afzonderlijk te onderzoeken.
     De ambtsgebieden der ontvangers waren als volgt verdeeld: de ontvanger van Salland ontving de belastingen uit Zwolle en Salland, met uitzondering van het hoogschoutambt Hasselt (Hasselterkerspel, Rouveen en Staphorst), tot het ambtsgebied van de ontvanger van Twente hoorden Deventer en Twente, de ontvanger van Vollenhove ontving de gelden uit Kampen, het kwartier van Vollenhove en het hoogschoutambt Hasselt. Door ieder der ontvangers werd afzonderlijk rekening en verantwoording afgelegd.
     In de rekeningen van de ontvangers vindt men velerlei soorten van belastingen met hun opbrengsten vermeld. Zeer groot zijn de inkom-

|pag. 369|

_______________↑_______________

sten uit de generale, gemene of aangeschreven middelen, waartoe de accijnzen op het gemaal (het malen tot meel), het geslacht of bestiaal (slachten van vee), azijn, bier, wijn, brandewijn en gedistilleerde wateren en later ook de tabak gerekend werden. Tot de generale middelen hoorde nog het waaggeld. De accijnzen werden naar de hoeveelheid, niet naar de waarde der producten gerekend, met uitzondering van de accijns op de brandewijn en de gebrande wateren, die berekend werd naar de graanprijzen. In het algemeen echter zullen prijsstijgingen of -dalingen, bij gelijk gebleven omzet, niet in een verhoging van de belastingopbrengst tot uiting komen. – Naast de accijnzen echter omvatten de generale middelen een geheel ander soort belastingen, namelijk die op het hoornvee (de hoornebeesten), de bezaaide landen, de paarden en de reliqua, waaronder de schapen, de varkens en de bijenkorven worden verstaan. De edelen werden voor hun deel in de generale middelen op een afzonderlijke wijze aangeslagen; hun belasting wordt aangeduid met „consumptie der edelen”.
In 1710 heeft men nog een zoutgeld geheven, een accijns op het zout. De generale middelen bestonden derhalve deels uit accijnzen, die op iedere consument drukten, deels ook uit een belasting op het landbouwbedrijf.
     De opbrengsten zijn per stad, schout- of richterambt verantwoord en ten aanzien van de bezaaide landen en hoornebeesten nog weer per buurschap. Over de grootte van het areaal, de veestapel en het gebruik van verschillende consumptiegoederen kunnen deze bedragen ons niets leren, daar bijna overal de belastingen op een vast bedrag waren gefixeerd. Vooral in de tweede helft van de 18e eeuw wordt de redemptie, afkoop tegen een vaste som, regel. In het kwartier van Vollenhove was dit minder het geval ten aanzien van de belasting op de hoornebeesten, zodat hieruit gegevens kunnen worden verkregen over de omvang van de veestapel.101 [101. Blz. 513-519.] In een aantal plaatsen, waaronder de grote steden, zijn ook het gemaal en het bestiaal jaarlijks verpacht, zodat men de fluctuaties in het gebruik van graan en vlees kan onderzoeken.102 [102. Blz. 519-521.]
     Belastingen op de onroerende goederen op het platteland waren de verponding en de contributie. De laatste werd in het kwartier van Vollenhove Oosterlening genoemd. De contributie en oosterlening waren op een reeds gedurende lange jaren vast bedrag gefixeerd. Ook met de verponding was dit het geval; het aantal opcenten op de verponding wisselde echter; het basisbedrag bleef ongeveer gelijk. Hierdoor wordt het begrijpelijk, dat in de tweede helft van de 17e en de gehele 18e eeuw de opbrengsten van de verpondingen en de contributie’s

|pag. 370|

_______________↑_______________

in generlei verband staan met de oppervlakte van de cultuurgronden.
     Een andere in de loop der jaren gefixeerde belasting is het schoorsteen- of vuürstedengeld. Ook deze verhoogde of verlaagde men door wijzigingen in de opcenten. Over het aantal vuursteden en daardoor over de omvang van de bevolking verschaft deze belasting ons geen licht. De schoorsteen- of vuurstedengelden rustten op de huizen. Een persoonlijke belasting waren de hoofdgelden, de onvermogenden (armen) waren hiervan vrijgesteld. Zoals bekend, werden op gezette tijden kohieren opgemaakt van hen, die het hoofdgeld verschuldigd waren. In de opbrengsten van deze belasting werden bij tijd en wijle de demographische veranderingen weerspiegeld. Deze kohieren hebben we dan ook kunnen gebruiken voor de vaststelling van het aantal inwoners.
     De hierboven behandelde belasting op het vermogen, de 1000e penning, vinden we slechts vermeld in de jaren 1680 tot en met 1700 en 1740 tot en met 1760.
     Generale middelen, verponding, contributie, schoorsteengeld, hoofdgeld en 1000e penning maken het leeuwendeel uit van alle belastinginkomsten, bijna steeds meer dan 95%. De overige belastingen, zoals het officiegeld – een belasting op hen, die salarissen van de provincie of de steden genoten – het dienstbodengeld, het passagegeld, geheven van allen, die uit de provincie Overijssel naar één der andere Nederlandse gewesten reisden, zijn van weinig belang, evenals de turftollen en de halve stuivers op de gegraven roeden turf in het kwartier van Vollenhove.103 [103. Zie over de turftollen, de belasting op de roeden turf en het passagegeld, blz. 211-219 en 222-224.]
     De vijftigste penning en het collateraal, geheven van de overdracht van onroerende goederen, erfpachten, tienden, etc., met uitzondering van overdracht bij erfenis in rechte lijn, werd door een afzonderlijke ontvanger, tegelijk met het havenaccijs geïnd. Buiten de kas van de ontvangers bleef ook het Ensergeld ten bate van de vuurbaak op het eiland Schokland; deze belasting werd geheven van de schepen, die uit de Overijsselse havens vertrokken.104 [104. Zie blz. 219-222.]
     Hoewel bij de ontvangsten in sommige jaren ook de opbrengst van de verkoop van domeingoederen, subsidiën en lijf- en losrenten worden vermeld, zijn deze in de volgende berekeningen steeds als bedragen niet uit de opbrengst van belastingen voortvloeiende, buiten beschouwing gelaten.

|pag. 371|

_______________↑_______________

  1. Opbrengsten belastingen, 1680-1790.

     De totale opbrengsten van de belastingen der drie kwartieren tezamen met de drie grote steden bedroegen in de jaren 1680-1790 de volgende (zie ook diagram 27):
 

guldens indices (1680 = 100)
1680 628.262 100.0
1690 828.144 131.8
1700 787.234 125.3
1710 960.808 152.9
1720 836.439 133.1
1730 849.837 135.3
1740 763.373 121.5
1750 841.180 133.9
1760 842.730 134.1
1770 793.704 126.3
1780 762.569 121.4
1790 759.091 120.8


 

|pag. 372|
_______________↑_______________

     Uit de indices ziet men, dat na de eerste stijging van 1680 tot 1790, met uitzondering van het in de Spaanse Successie-oorlog vallende jaar 1710, er weinig veranderingen optreden. De belasting is tussen 1680 en 1790 gestegen tot 120.8 (1680 = 100). De vermeerdering is in de verschillende kwartieren van ongelijke graad geweest. Het meest zijn de belastingen gestegen in Salland en Zwolle (129.8), de stijging was iets minder in Twente en Deventer (124.1), terwijl Vollenhove en Kampen geheel ten achter bleven (105.8). Voor een deel hangt dit samen met de geringe bevolkingsvermeerdering in Vollenhove, maar een juist inzicht kan men eerst krijgen, als men de belastingen omrekent per kwartier en de grote steden als een afzonderlijke groep beschouwt.
     Terwijl de index van de vermeerdering van de belastingen van 1680 tot 1790 120.8 bedroeg, was de index voor de bevolkingsvermeerdering in de periode van 1675 tot 1795 169.3 (gerekend naar gezinnen). De belastingdruk per gezin en dientengevolge ook per persoon is dus in de loop der jaren verminderd. Men kan dit zeer goed constateren aan de hand van de volgende cijfers:
 

per gezin (in gld.) per persoon (in gld.)
1675/80 105 [105. Het eerste jaartal duidt het jaar aan, waaruit het bevolkingsaantal bekend is, het tweede jaartal geeft het jaar van de belastingen aan.] 38.29 8.89
1723/20 37.77 8.60
1748/50 6.87
1764/60 30.80 6.38
1795/90 27.34 5.75

 
     De vermindering van de belastingdruk, zowel per gezin als per persoon, is in de periode van 110 jaren aanzienlijk. De belastingen toch zijn niet in belangrijke mate verzwaard, de bevolking is daarentegen snel toegenomen.
     In 1812 zien we een behoorlijke stijging, toen moesten aan grondbelasting, personele belasting, patenten en accijnzen 1.119.413 gld. worden opgebracht.106 [106. d’Alphonse, Aperçu, blz. 536.] Het bevolkingsaantal was 143.141 inwoners, dit betekende dus een belastingdruk van 7.82 gld. per persoon. De zwaarte van de belastingen viel in de Franse tijd in Overijssel dus nog wel mee.
Men moest meer betalen dan in de tweede helft van de 18e eeuw, maar minder dan in de 17e en de eerste helft van de 18e eeuw. Toch zal de verhoging van de belastingen in de Franse tijd als een zware druk zijn gevoeld, omdat er in de 17e en het begin van de 18e eeuw nog van een

|pag. 373|

_______________↑_______________

algemene welvaart gesproken kan worden, terwijl dat in de Franse tijd niet het geval was.
     Tussen 1680 en 1760 was de vermindering van de gemiddelde belasting per persoon nog geenszins zo groot als de vermindering van het gemiddelde vermogen per persoon. De vermogens waren tussen 1675 en 1758 slechts weinig gestegen, maar de bevolking was daarentegen snel toegenomen. Het gemiddelde vermogen per gezin en per persoon bedroeg in de jaren 1675, 1733 (berekend naar het aantal inwoners in 1723) en in 1758 (berekend naar het aantal inwoners in 1764) het volgende:
 

Gemiddeld vermogen in guldens
per gezin per persoon
met havez. zond. havez. met havez. zond. havez.
1675 1.453 952 337 221
1723/33 665 547 152 125
1758/64 755 649 156 134

 
     Het gemiddelde vermogen is veel meer gedaald dan de gemiddelde belasting in de periode van 1675 tot 1758/60 (1675 = 100):
 

per gezin per persoon
gemiddeld vermogen (zonder havez.) 64.0 60.6
gemiddelde belasting 80.4 71.8

 
     Dit is geenszins verrassend, omdat de belastingen op het vermogen slechts een gering gedeelte uitmaken van de totale belastingen. De daling van het gemiddelde vermogen zal daardoor weinig invloed hebben op de totale opbrengst der belastingen. De accijnzen daarentegen, op de gehele bevolking rustend, zullen bij bevolkingsvermeerdering een neiging tot stijging vertonen.
     Hoe waren de belastingen verdeeld over de kwartieren, de steden en het platteland? Dit is voor de jaren 1680 en 1790 onderzocht. Bij enkele belastingen, zoals het officiegeld is het echter onmogelijk de opbrengst per stad of per kwartier te bepalen, omdat deze post in haar geheel verantwoord wordt zonder de drie grote steden te scheiden van de drie kwartieren waaraan zij zijn toegevoegd. Het totaal bedrag der belastingen is dientengevolge iets lager, nl. 624.981 gld. in 1680 zonder

|pag. 374|

_______________↑_______________

het officiegeld en enkele andere heffingen, tegen 628.262 gld. met inbegrip van deze belastingen; in 1790 zijn de bedragen resp. 745.497 gld. en 759.091 gld.
     Men kan nu de verdeling der belastingen per kwartier in percentages uitdrukken en deze percentages vergelijken met die van de bevolking en van de vermogens. De cijfers zijn de volgende:
 

1680 1675 1675 1790 1795 1758
belasting bevolking vermogen belasting bevolking vermogen
Drie steden 23.1 27.9 40.6 27.5 19.8 41.5
Salland 35.6 32.7 27.6 31.3 30.5 19.7
Twente 24.3 25.5 24.0 26.0 39.4 30.8
Vollenhove 17.0 13.9 7.8 15.2 10.3 8.0
Totaal 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0
Salland steden 1.8 2.6 1.2 1.4 2.7 1.4
Salland platteland 33.8 30.1 26.4 29.9 27.8 18.3
Twente steden 2.9 7.0 4.2 3.3 8.8 10.7
Twente platteland 21.4 18.5 19.7 22.7 30.6 20.1
Vollenhove steden 3.0 5.0 4.5 2.9 3.5 4.2
Vollenhove plattel. 14.0 8.9 3.4 12.3 6.8 3.8

 
     We zien, dat het aandeel in de totale opbrengst der belastingen van de drie steden en Twente is gestegen, van Salland en Vollenhove daarentegen is gedaald. In 1675/80 moeten Salland en Vollenhove naar verhouding tot hun bevolking meer opbrengen dan de drie grote steden en Twente; in 1790 brengen de drie grote steden en Salland naar verhouding tot hun bevolking te veel op, terwijl de belastingdruk in Twente in het geheel niet evenredig is toegenomen met de bevolkingsvermeerdering, vooral de Twentse steden hebben hiervan geprofiteerd.
     Naar de vermogensverdeling gerekend, betalen in 1680 en 1790 de drie grote steden te weinig belasting, Salland en Vollenhove – en dan vooral het platteland in deze beide kwartieren – te veel. Het Twentse aandeel is in 1790 te gering, vooral dat van de Twentse steden. Zowel in 1680 als in 1790 dragen de kleine steden van Overijssel te weinig in de belastingen bij, niet alleen wanneer men rekent naar hun bevolkingsaantal, maar ook als men het vermogen van hun inwoners als grondslag aanneemt.
     De verhouding tussen steden en platteland laat duidelijk een sterke bevoordeling van de steden zien:

|pag. 375|

_______________↑_______________

 

1680 1675 1675 1790 1795 1758
belasting bevolking vermogen belasting bevolking vermogen
steden 30.8 42.5 50.5 35.1 33.9 57.8
plattel. 69.2 57.5 49.5 64.9 66.1 42.2

 
     In 1680 is een proportionele verdeling van de belasting tussen steden en platteland op basis van de bevolkings- of vermogensverhoudingen geheel zoek. In 1790 bestaat er wel een overeenstemming met de bevolkingsverhoudingen, niet echter met die van het vermogen.
     Men kan hetzelfde constateren als men de gemiddelde belasting per gezin in 1680 en 1790 berekent. Hierbij ziet men echter, dat door de bevolkingsvermeerdering op het platteland het sterke verschil tussen stad en platteland in 1790 is verdwenen. Hierbij komt ook een andere factor: de op de landbouw rustende belastingen maakten in 1680 een veel belangrijker deel uit van de totale opbrengst der belastingen dan in 1790, toen de accijnzen zwaarder drukten, waardoor ook de stedelijke bevolking werd getroffen.
 

Belasting per gezin, in guldens
1680/75 1790/95
Drie steden 31.40 33.91
Salland 46.49 30.19
Twente 33.58 18.20
Vollenhove 42.48 33.99
Overijssel 38.29 27.34
Salland steden 22.97 13.27
Salland platteland 49.12 32.10
Twente steden 13.53 9.01
Twente platteland 41.96 21.40
Vollenhove steden 19.68 19.11
Vollenhove platteland 56.76 41.77
Steden 26.10 24.42
Platteland 47.89 28.38

 
     In 1680 was het platteland overal het zwaarst belast, vooral in Vollenhove en in Salland, de belastingdruk is het laagst in de Twentse steden. In 1790 is de belastingdruk in het bijzonder in Twente af-

|pag. 376|

_______________↑_______________

genomen; een teken, dat de belastingopbrengsten in dit kwartier niet in verhouding tot de bevolkingsvermeerdering zijn gestegen.
     Vergelijkt men de indices van de stijging der belastingen tussen 1680 en 1790, de vermeerdering van de bevolking van 1675 tot 1795 en de toeneming van de vermogens (zonder de havezathen) tussen 1675 en 1758 dan verkrijgt men de volgende cijfers:
 

Indices (1675 en 1680 = 100%)
Belasting
1680-1790
Bevolking
1675-1795
(gezinnen)
Vermogen
1675-1758
(zonder havez.)
Drie steden 141.7 131.2 87.0
Salland 104.8 161.4 119.0
Twente 128.1 236.4 203.4
Vollenhove 106.5 133.1 129.2
Overijssel 119.3 169.3 113.7
Salland steden 94.1 163.0 99.3
Salland platteland 105.4 161.2 121.2
Twente steden 138.1 207.4 235.9
Twente platteland 126.8 248.6 187.0
Vollenhove steden 115.2 118.7 93.6
Vollenhove platteland 104.6 142.2 178.3

 
     Men ziet, dat de stijging van de belastingopbrengsten overal, echter met uitzondering van de drie grote steden en de Vollenhoofse steden, ten achter is gebleven bij de vermeerdering van de bevolking en van de vermogens. De geringe soepelheid van het fiscale systeem maakte aanpassing aan zich wijzigende economische toestanden vrijwel onmogelijk. Dit viel ten voordele uit van het snel opkomende Twente, speciaal van de Twentse steden. Het nadeel was aan de zijde van het kwartier van Vollenhove en de drie grote steden, waar de bevolking niet zo vlug groeide en waar de nieuwe rijkdommen zich niet zo snel opstapelden als in de Twentse steden. De starheid van het belastingsysteem heeft de opkomst van Twente bevorderd, de achteruitgang van Vollenhove, en wel in het bijzonder van de steden in dit kwartier, verhaast.
     De opbrengsten van de vijf belangrijkste belastingen: de generale middelen, de verponding en contributie, het schoorsteengeld, het hoofdgeld en de 1000e penning, waren gedurende de periode van 1680 tot 1790 de volgende (zie diagram 28):

|pag. 377|

_______________↑_______________

 

Generale Middelen Verponding Contributie Schoorsteengeld Hoofdgeld 1000e penn. Totaal alle belastingen
1680 319.828 202.396 81.204 21.475 628.262
1690 361.453 219.404 123.349 105.611 16.569 828.144
1700 400.457 232.916 79.870 47.480 18.074 787.234
1710 387.333 326.043 118.788 90.110 960.808
1720 343.271 299.041 88.752 79.716 836.439
1730 390.091 270.165 88.786 67.487 849.837
1740 365.465 223.845 70.839 50.815 12.886 763.373
1750 353.177 250.307 115.121 65.543 22.226 841.180
1760 432.337 213.963 71.928 67.321 19.371 842.730
1770 426.196 213.834 57.570 69.277 793.704
1780 408.191 193.163 57.371 66.599 762.569
1790 428.492 177.388 57.302 65.493 759.091

 
     In percentages uitgedrukt krijgt men een beter overzicht van het aandeel van iedere belasting in het totaal:
 

Generale Middelen Verponding Contributie Schoorst. geld Hoofdgeld 1000e penning Overige belast. Totaal
1680 50.9 32.2 12.9 3.4 0.6 100.0
1690 43.6 26.5 14.9 12.8 2.0 0.2 100.0
1700 50.9 29.6 10.1 6.0 2.3 1.1 100.0
1710 40.3 33.9 12.4 9.4 4.0 100.0
1720 41.0 35.8 10.6 9.5 3.1 100.0
1730 45.9 31.8 10.4 7.9 4.0 100.0
1740 47.9 29.3 9.3 6.7 1.7 5.1 100.0
1750 42.0 29.8 13.7 7.8 2.6 4.1 100.0
1760 51.3 25.4 8.5 8.0 2.3 4.5 100.0
1770 53.7 26.9 7.3 8.7 3.4 100.0
1780 53.5 25.3 7.5 8.7 5.0 100.0
1790 56.4 23.4 7.5 8.6 4.1 100.0

 
     Duidelijk blijkt, dat naast de vijf hoofdbelastingen, de overigen van geen betekenis zijn. De generale middelen leveren het grootste deel op, in de loop der jaren neemt dit nog toe. Relatief is de opbrengst van de generale middelen in de jaren 1710 en 1720 het laagst (40.3 en 41.0%).
In het algemeen zien we een stijging van 50.9% in 1680 tot 56.4% in 1790. De verponding en contributie hebben juist in 1710 en 1720 het meest opgebracht. Terwijl de contributie en de Oosterlening op een gezamenlijke opbrengst van 75.000 gld. gefixeerd bleven, bedroegen de opcenten op de verponding in 1710 meer dan 100% en in 1720 bijna 100%. In de totale opbrengst der belastingen daalt het aandeel van de

|pag. 378|

_______________↑_______________

verponding en contributie van 1680 tot 1790 van 32.2% op 23.4%.
Ook de opbrengsten van het schoorsteengeld gaan achteruit. In 1680 bedroeg de aanslag 4 car. gld. per vuurstede, in 1690, 1710 en 1750 was deze verhoogd tot 6 car. gld., daarna volgde een daling tot 3 car. gld. in 1770-1790. Het aantal aangeslagen vuursteden schommelde steeds

  1. De opbrengsten der belastingen, onderscheiden naar de verschillende soorten van belastingen, 1680-1790.

om de 20.000, ondanks de bevolkingsvermeerdering. Het percentage van het schoorsteengeld in de totale opbrengst daalde van 12.9% in 1680 tot 7.5% in 1790.
     Het hoofdgeld is in 1680 niet verantwoord, in 1690 werd door middel van het hoofdgeld 12.8% van alle belastingen opgebracht, in 1790 nog maar 8.6%.
     De opbrengsten van de 1000e penning, de vermogensbelasting bij uitstek, blijkt in de jaren, dat deze belasting werd geheven, van weinig belang te zijn geweest voor de totale belastingheffing. De opbrengst van de 1000e penning in 1680 staat geboekt op 22.680 gld. Dit betekent dus een totaal vermogen van 22.680.000 gld. Volgens de berekening

|pag. 379|

_______________↑_______________

van de kohieren van de 500e penning in 1675 bedroeg het totale vermogen toen 23.833.708 gld. Indien ook voor deze belasting de bepaling gold, dat de ontvangers 5% van de opbrengst mochten houden als salaris 107 [107. Tegenwoordige Staat van Overijssel, III (1801) blz. 2 noot. Eerst bedroeg het aandeel der ontvangers 2%, al spoedig verhoogd tot 3%, later was 5% gebruikelijk.], dan komt men in 1680 tot een totaal vermogen van 23.874.000 gld., een bedrag, dat volkomen overeenstemt met het totaal, dat voor 1675 is gevonden.
     In 1750 staat de opbrengst van de 1000e penning geboekt voor 22.226., na verrekening van de door de ontvangers ingehouden 5% komt men tot een bruto opbrengst van 23.396 gld., een vermogen van 23.396.000 gld. vertegenwoordigend. Volgens de kohieren van de 1000e penning bedroeg het vermogen in 1750 23.205.680 gld. In beide gevallen stemt dus het uit de kohieren berekende totale vermogen volkomen overeen met het in de rekeningen verantwoorde bedrag.
     Aangezien de generale middelen uit twee zeer verschillende soorten van belastingen bestaan, enerzijds de accijnzen, anderzijds de agrarische belastingen op de bezaaide landen, de hoornebeesten, de paarden en de reliqua, is het noodzakelijk voor de berekening van de belastingdruk de generale middelen in deze twee belastinggroepen te scheiden.
De opbrengst van de bezaaide landen, hoornebeesten, etc. was in de jaren:
 

1680 122.169 gld.
1760 90.125 –
1790 90.185 –


 

1680 195.910 gld.
1760 342.212 –
1790 327.208 –


 
     Men kan voor ieder deel van het gewest het percentage van de verschillende belastingen in de totale opbrengst berekenen. In 1680 en 1790 bedroegen deze percentages (zie hiernaast).
     De cijfers van 1680 tonen aan, dat de accijnzen vooral een stedelijke belastingbron vormen. De belasting op de bezaaide landen en de hoornebeesten rustte voornamelijk op het platteland; het schoorsteengeld was weer een stedelijke belasting.
     In 1790 is het aandeel van de accijnzen in de totale belastingopbrengst gestegen, een gevolg van de hogere opbrengsten van de accijnzen op het platteland. De agrarische belastingen (op de bezaaide landen en

|pag. 380|
_______________↑_______________

 

1680 Generale Middelen Verponding Contributie Schoorst. geld 1000e penn. Hoofdgeld Overige belast. Totaal 100%
Accijnzen Bezaaide Landen,etc.
Drie steden 63.8 3.6 4.0 22.2 6.4 0
Salland steden 53.3 7.4 11.3 25.4 2.6 0
Salland platteland 20.4 26.0 41.1 9.5 3.0 0
Twente steden 36.8 15.6 24.2 19.7 3.7 0
Twente platteland 18.7 26.3 43.2 8.4 3.4 0
Vollenhove steden 57.1 12.0 1.3 26.9 2.7 0
Vollenhove plattel. 13.7 24.2 52.7 7.2 1.2 0
Overijssel 31.3 19.6 32.2 12.9 3.4 0.6
1790
Drie steden 76.4 2.3 2.3 10.9 5.4 2.7 Totaal 100%
Salland steden 48.0 5.9 11.1 14.4 17.2 3.4
Salland platteland 28.6 16.3 37.2 5.7 9.5 2.7
Twente steden 35.7 9.4 16.3 18.4 16.6 3.6
Twente platteland 30.4 19.0 34.0 5.2 9.1 2.3
Vollenhove steden 54.3 3.8 8.3 15.4 14.5 5.7
Vollenhove plattel. 33.5 13.6 30.8 4.6 14.9 2.6
Overijssel 44.3 12.1 23.4 7.5 8.6 4.1

 

|pag. 381|

_______________↑_______________

de verponding) zijn op het platteland achteruitgegaan. Dit blijkt nog duidelijker, indien men de percentages van deze beide belastingen samenvoegt:
 

Percentage belasting bezaaide landen en verponding van totale belastingopbrengst.
1680 1790
Salland platteland 67.1% 53.2%
Twente platteland 69.5% 53.0%
Vollenhove platteland 76.9% 44.4%

 
     Naast de accijnzen en het hoofdgeld, waarvan de last door de gehele bevolking wordt gedragen, drukken de belastingen op de bezaaide landen en de hoornebeesten, de verponding, de contributie, het schoorsteengeld en de 1000e penning alleen op de groep van de vermogenden. Beschouwt men de verdeling van de belastingen uit deze gezichtshoek, dan kan men een verschuiving van het zwaartepunt van de op het vermogen drukkende belastingen naar de accijnzen en het hoofdgeld constateren:
 

Percentage van totale belastingopbrengst.
Belasting op vermogen Accijnzen en hoofdgeld
1680 68.1% 31.3%
1760 46.9% 48.6%
1790 43.0% 52.9%

 
De totale opbrengst van de belastingen op het vermogen is ook in absolute cijfers teruggelopen:
 

1680 428.376 gld.
1760

395.387 –

1790 327.858 –

 
Uit de jaren 1675 en 1758 zijn ons het totale bedrag der vermogens boven 500 gld. en het aantal aangeslagenen bekend. In 1675 waren er 4757 personen in de 500e penning aangeslagen met een vermogen van meer dan 500 gld., in 1758 was dit aantal gestegen tot 6051. De gemiddelde belasting, die deze vermogenden moesten betalen, daalde van fl. 90.05 per aangeslagene in 1675/80 tot fl. 65.34 in 1758/60.

|pag. 382|

_______________↑_______________

Rekent men de vermogens met inbegrip van de havezathen, dan moest in 1675/80 jaarlijks 1.80% van het vermogen aan belasting worden betaald en in 1758/60 1.92%. De stijging in de percentages is een gevolg van de daling der vermogens van 23.833.708 gld. op 20.644.010 gld.
Laat men de havezathen buiten beschouwing, dan zien we een stijging van de vermogens van 15.615.758 gld. in 1675 tot 17.753.794 gld. in 1758 en dientengevolge een daling van het jaarlijks verschuldigde percentage belasting: 2.74% in 1675/80 verminderd tot 2.28% in 1758/60.
     In theorie rusten de accijnzen en het hoofdgeld op ieder persoon, maar we hebben reeds gezien, dat een zeer groot deel van de bevolking niet bij machte was om het hoofdgeld te betalen. Indien we echter voorlopig van de veronderstelling uitgaan, dat het hoofdgeld ook door allen gedragen wordt, kunnen we overgaan tot de berekening van het gemiddelde bedrag, dat aan accijnzen en hoofdgeld op ieder gezin en elk persoon drukt:
 

Gemiddelde belasting accijnzen en hoofdgeld, in gld.
per gezin per persoon
1675/80 11.94 2.77
1760/64 14.97 3.10
1790/95 14.14 2.97

 
     We constateren hier een vrij grote stijging, vooral van het per gezin verschuldigde bedrag. Terwijl dus de last op de vermögenden is verminderd, is die, welke op de totale bevolking rust, gestegen. We zien dit ook in de absolute bedragen:
 

guldens indices
1675 195.910 100.0
1760 409.533 209.0
1790 392.701 200.4

 
     Het is begrijpelijk, dat de opbrengsten door de bevolkingsvermeerdering zijn toegenomen, maar de stijging van de opbrengst van de accijnzen en het hoofdgeld is groter (meer dan 200) dan de bevolkingsvermeerdering van 1675 tot 1795 (169.3). Dit wijst op een verzwaring van de belastingdruk, welke ook reeds in de stijging van het per gezin of per persoon verschuldigde bedrag tot uiting komt.

|pag. 383|

_______________↑_______________

     De overheid heeft tussen 1675 en 1760 het fiscale beleid gewijzigd: de vermogenden zijn bevoordeeld, men heeft de belastingdruk meer op de totale bevolking gelegd. Daar men geen inkomstenbelasting kende, meende men dit het best te kunnen bereiken door verhoging van de accijnzen en de heffing van het hoofdgeld.
     Ten aanzien van het jaar 1760 kunnen we nog tot een nadere specificatie komen van het door de verschillende bevolkingsgroepen verschuldigde bedrag, daar wij uit het jaar 1764 ook het aantal hoofdgeld betalende gezinnen weten. Ten dele kunnen we deze bedragen met die uit 1680 vergelijken:
 

In gld. 1680/75 1760/64
Door ieder gezin verschuldigd t.g.v. accijnzen 11.94 12.51
Op hoofdgeld betalende gezinnen rusten accijnzen en hoofdgeld 16.34
Op vermogenden rusten accijnzen, hoofdgeld en belastingen op vermogen 101.99 81.68

 
     Ook in deze cijfers komt de verschuiving in het belastingstelsel tot uiting: een vermindering van de belastingdruk op de vermogenden, een verhoging van de druk op de overige bevolkingsdelen, dus op de onvermogenden en de kleine middenstand. Zoals we nog later zullen zien, werden deze groepen na 1755 getroffen door de stijging van de graanprijzen, dus vergroting van de kosten van het meest noodzakelijke levensonderhoud. Aangezien het geldloon gelijk bleef 108 [108. Blz. 604-607.], kwam de geringe man in deze jaren ernstig in de knel door hogere kosten van het voedsel en gestegen belastingdruk. Deze belastingdruk was niet het gevolg van de prijsstijgingen, daar de accijnzen immers naar de hoeveelheid en niet naar de waarde werden gerekend, maar hij werd veroorzaakt door verzwaring van de accijnzen.
     In 1812 werd aan accijnzen een bedrag van fl. 532.422 opgebracht 109 [109. d’Alphonse, blz. 536.], een aanzienlijke verhoging vergeleken bij de opbrengst van de accijnzen in 1790, nl. fl. 392.701. Dit betekent een stijging van de gemiddelde belasting per persoon van fl. 2.97 op fl. 3.72.
     Welk effect had de wijziging van het fiscale systeem op de landbouw?
Telt men de belasting op de bezaaide landen, de hoornebeesten, de paarden en de reliqua samen met de verponding, de contributie en de Oosterlening, dan zien we een achteruitgang van de absolute bedragen en eveneens een relatieve vermindering in de percentages,

|pag. 384|

_______________↑_______________

die de genoemde agrarische belastingen uitmaken van de totale belastingopbrengst, alleen in de Franse tijd treedt er een stijging op.
 

Agrarische belastingen Perc. van totale belast, opbrengst
1680 324.535 gld 51.8%
1760 304.088 „ 36.1%
1790 270.556 „ 35.5%
1812 424.350 „ 37.9%

 
     Het aantal boeren en keuters bedroeg in 1602 6.003. Neemt men aan, dat hierin tussen 1602 en 1680 weinig verandering is gekomen, dan bedroeg de gemiddelde belasting per bedrijf fl. 54.06. In 1795 waren er 8.043 boeren en keuters, de gemiddelde belasting per bedrijf was toen gedaald tot fl. 33.64. Men kan dus in de periode van 1680 tot 1790 een verlichting van de lasten constateren, die op de landbouw drukten, waarna in 1812 weer een verzwaring volgde. In 1680 is de landbouw nog de belangrijkste bedrijfstak, landerijen zijn nog de voornaamste vorm van rijkdom. In deze opvatting is in 1760 al een grote verandering gekomen, want de betekenis van de landbouw en van het landbezit in de totale economische structuur is achteruit gegaan. De vermindering van de belastingdruk op de landbouw wekt de indruk van een vooruitziend beleid van de overheid. Toch is het fiscale beleid niet juist geweest. Aan het einde van de 17e en het begin van de 18e eeuw lag het zwaartepunt van de belastingen vooral op de landbouw, en dat wel in een periode, dat de graanprijzen bijzonder laag waren.110 [110. Blz. 595.] Door deze belastingpolitiek heeft men de landbouw extra getroffen, in het bijzonder in de jaren 1710 en 1720 met de hoge opcenten op de verponding. Zowel de lage graanprijzen als het fiscale beleid van de overheid moeten de ontwikkeling van de landbouw hebben tegengehouden; de omvang van de ontginningen tussen 1682 en 1749 is dan ook slechts gering.
     Het vermogen in de landbouwbedrijven belegd, werd zwaar belast, de belasting op de huizen was veel minder drukkend, terwijl het kapitaal, dat in de nijverheid en in de handel of in hypotheken en leningen was belegd, door de afschaffing van de 1000e penning in het geheel niet werd belast. Deze ongelijke verdeling van de belastingen over de verschillende vermogenscomponenten, moet stimulerend op de industriële activiteit hebben gewerkt, te meer omdat men kon profiteren van het grote arbeidsaanbod tengevolge van de bevolkings-

|pag. 385|

_______________↑_______________

vermeerdering. Voor hen, die in de nijverheid werk vonden, was de toestand vrij gunstig: lage graanprijzen en een lage belastingdruk, in de vorm van niet al te hoge accijnzen.
     Na 1760 is de situatie juist omgekeerd. De landbouw profiteert reeds van de hoge graanprijzen, maar bovendien stimuleren de Staten de landbouw door verlichting van de belastingdruk. De industriële bevolking had reeds met moeilijkheden van allerlei aard te kampen door de verhevigde concurrentie van het buitenland. Hierbij voegden zich nu de gestegen kosten van het levensonderhoud. Door de overheid werd in deze moeilijkheden geen verlichting verschaft van de lasten, doch zij verzwaarde juist de belastingdruk op de kleine man door meer accijnzen. Nu dus bevordering van de landbouw, belemmering van de nijverheid. Zowel in 1680 als in 1760 heeft de overheid door haar fiscale politiek die bedrijfstakken het meest belast, die reeds met andere moeilijkheden te kampen hadden; verlichting werd daarentegen verleend aan bedrijfstakken, die toch reeds een gunstige stroom mee hadden. Van een opzettelijk economisch beleid is hier zeer zeker geen sprake geweest, eerder van een ongewild effect van maatregelen, waarvan men de gevolgen niet overzag.
     Bij de berekening van het totale bedrag der vermogens in 1758, was het mogelijk om ongeveer te bepalen hoe de vermogens belegd waren: in landbezit, huizen of op andere wijze in bedrijven, hypotheken of leningen.111 [111. Blz. 313.] We zijn nu ook in staat de belasting, die op deze verschillende soorten van belegging drukte, te berekenen. Op het landbezit rust de belasting op de bezaaide landen, de verponding en de contributie, van de huizen moet het schoorsteengeld worden betaald, de 1000e penning is verschuldigd van alle vermogens, dus ook van de huizen en de landerijen. Een evenredig percentage van de opbrengst van de 1000e penning moet derhalve bij de opbrengsten van de belastingen op de landbouw en de huizen worden gevoegd.
     De bedragen zijn de volgende:
 

Vermogen in guldens Belasting in guldens
landbezit 12.696.868 agrarische belasting 314.684
huizen 4.432.158 schoorsteengeld 75.628
andere beleggingen 6.076.654 evenredig % 1000e p. 5.075
Totaal 23.205.680 Totaal 395.387

 

|pag. 386|

_______________↑_______________

     De onevenredige verdeling, ook nog in 1760, na de verlichting van de belasting op de landbouw, blijkt duidelijk uit de percentages (zie diagram 29).
 

vermogen belasting perc. belasting in verhouding tot vermogen
landbezit 54.7% 79.6% 2.48%
huizen 19.1% 19.1% 1.71%
andere beleggingen 26.2% 1.3% 0.08%
Totaal 100.0% 100.0% 1.70%

 
     Het niet in landerijen of huizen belegde vermogen is wel bijzonder sterk begunstigd, aan de stedelijke handelsactiviteit, aan de industriële ondernemingsgeest werden generlei belemmeringen in de weg gelegd. Vooral de vermogende klassen in de drie grote steden, aan wie het grootste deel van het niet in landerijen of huizen belegde vermogen behoorde (5.028.983 gld.) moet hiervan profijt hebben getrokken. Voor de Twentse steden was dit fiscale stelsel van minder betekenis, omdat het niet in huizen of landerijen belegde kapitaal daar slechts 591.514 gld. bedroeg.

  1. Vermogensbelegging en belasting in 1760

Wellicht heeft het stelsel hier wel vermogenvormend gewerkt in de tijd, toen de textielnijverheid bloeide. Voor de Twentse industriëel moet het belastingbeleid van de overheid in de tweede helft van de 18e eeuw, waardoor de landbouw werd bevorderd en de nijverheid belemmerd, eerder een rem dan een prikkel zijn geweest. Zoals wij zullen zien, wendde een deel van de bevolking zich van de textielnijverheid af, zij keerde weer terug tot de beoefening van de landbouw, welke voordeliger was geworden.112 [112. Blz. 585-588, 209 en 699.]
     Een schril beeld op de armoede werpt het hoge bedrag, dat ontvangen werd uit de accijnzen op brandewijn en gebrande wateren. In 1749 ging men over tot een monopoliestelsel, waarbij de accijns gerekend werd naar de graanprijzen. Vóór 1730 waren de accijnzen op brande-

|pag. 387|

_______________↑_______________

wijn en gebrande wateren, dus op sterk-alcoholische dranken, mede begrepen in de accijnzen op wijn, bier en azijn, zodat eerst vanaf 1730 de bedragen van de accijnzen op sterke dranken kunnen worden berekend. Van 1730 tot en met 1790 waren de opbrengsten van deze accijnzen de volgende:
 

guldens indices
(1730 = 100)
percentage van
alle belastingen
in het totaal
1730 63.730 100.0 7.5%
1740 85.144 133.6 11.2%
1750 86.742 136.1 10.3%
1760 102.136 160.3 12.1%
1770 121.446 190.6 15.3%
1780 114.153 179.1 15.0%
1790 127.057 199.4 16.7%

 
     Opvallend is de bijzonder grote stijging in deze periode van 60 jaar.
Nu behoeft hogere opbrengst van de accijnzen nog geen stijging van het verbruik te betekenen, daar de accijnzen na 1748 gekoppeld zijn aan de graanprijzen. Vergelijkt men de indices van graanprijzen en accijnzen, dan zien we, dat de graanprijzen een nog veel groter stijging vertonen dan de opbrengsten der accijnzen.
 

indices opbrengsten
accijnzen
(1750 = 100)
indices graanprijzen
(1750 = 100)
1750 100.0 100.0
1760 117.7 135.4
1770 140.0 227.7
1780 131.6 215.4
1790 146.5 178.5

 
     Bij gelijk gebleven gebruik sedert 1750 zouden de opbrengsten van de accijnzen in de volgende jaren nog veel hoger hebben moeten zijn.
De gestegen graanprijzen hebben derhalve op het gebruik van sterke drank een remmende invloed uitgeoefend.
     Vanuit een sociaal oogpunt is het veel afkeurenswaardiger, dat de opbrengst van de accijnzen op sterke drank een steeds groter deel gaan vormen van de totale belasting-opbrengst. De overheid krijgt er belang

|pag. 388|

_______________↑_______________

bij om het gebruik van sterke drank door de bevolking zoveel mogelijk aan te moedigen, het overheidsbeleid kan zich in een richting ontwikkelen, welke lijnrecht ingaat tegen de eisen van de volksgezondheid.
Men behoeft slechts aan de funeste invloed van de overheid in Rusland in de 19e eeuw te denken, waar het wodka-verbruik door de autoriteiten werd aangemoedigd, omdat dit zo’n belangrijke bron van inkomsten was.
     De opbrengst van de accijnzen steeg sneller dan de vermeerdering van de bevolking; de indices zijn de volgende:
 

index bevolkingsvermeerdering
(1723 = 100)
index opbrengst accijnzen
(1730 = 100)
1723 100.0 1730 100.0
1795 125.4 1790 199.4

 
     Men ziet dit nog duidelijker, indien men het bedrag berekent dat gemiddeld per gezin of per persoon aan accijnzen voor sterke drank werd betaald:
 

per gezin in guldens per persoon in guldens
1730 2.88
1750 0.71
1760 3.73
1790 4.58 0.95

 
     Deze stijging is des te funester, omdat in de 18e eeuw het loon gelijk bleef. Dit bedroeg voor weven en voor landarbeid 8 à 10 stuivers per dag, gemiddeld ong. 0.45 gld.
     In 1730 moest door een arbeider van de laagste inkomensgroep zes dagen gewerkt worden om alleen al de accijnzen voor de sterke drank te betalen, welke zijn gezin – in hoofdzaak hij wel alleen – nuttigde.
In 1760 was dit gestegen tot acht, in 1790 tot tien werkdagen.
     Men heeft wellicht de indruk, mede door het ernstige misbruik van sterke drank in Engeland in de tweede helft van de 18e eeuw, dat de opkomende industrie en de daarmede toenemende sociale ellende het misbruik sterk heeft bevorderd. Volgens deze gedachtengang zou men verwachten, dat het gebruik van sterke drank in Twente het hoogst zou zijn. Dit is echter niet het geval. Het bedrag, dat gemiddeld per

|pag. 389|

_______________↑_______________

gezin aan accijnzen voor sterke drank werd betaald was in de verschillende delen van Overijssel het volgende:
 

1730 in guldens 1790 in guldens
Salland met Zwolle 113 [113. Het ambtsgebied van de ontvangers omvatte steeds een kwartier met één der grote steden. De bevolking is op dezelfde wijze berekend. De bevolkingscijfers zijn die van 1723 en 1795.] 3.33 5.18
Twente met Deventer 1.89 3.35
Vollenhove met Kampen 3.87 6.59
Geheel Overijssel 2.88 4.58

 
     In Twente werd dus het minst en in Vollenhove het meest aan sterke drank besteed. De verbruikers in het laatstgenoemde gebied zullen vooral onder de schippers en de turfgravers gevonden moeten worden.
De hoge vochtigheidsgraad van het klimaat in deze streek heeft waarschijnlijk het drankgebruik bevorderd. Het groter drankgebruik was misschien ook een gevolg van de hogere lonen, die bij de seizoenarbeid in de turfgraverijen verdiend werden.114 [114. Terwijl voor landarbeiders en wevers in de 18e eeuw het gemiddelde dagloon à 10 stuivers bedroeg, kon men in de turfgraverij 30 stuivers per dag verdienen. Zie blz. 604.] Toch is het hoge drankgebruik in het kwartier van Vollenhove, waar in 1790 het gemiddelde bedrag aan accijnzen per gezin overeenkwam met het loon van bijna 15 werkdagen van het gezinshoofd, een slecht teken. Aan het einde van de 18e eeuw ging deze streek economisch achteruit, vooral door de vermindering van de verveningen.

|pag. 390|

_______________↑_______________

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.