Het leggen van tonnen in de zeegaten der Noordzee door de stad Kampen

HET LEGGEN VAN TONNEN

IN DE

ZEEGATEN DER NOORDZEE

DOOR DE

STAD KAMPEN.

 

Wagenaar, Beschr. van Amsterdam, II bl, 502, meldt, dat de stad Kampen van ouds, zoo wel als Amsterdam, tonnen plagt te leggen in het Marsdiep, het Vlie en andere zeegaten, en daarvoor een zeker paalgeld te vorderen. Doch den 4 Maart 1527 kwamen de twee steden overeen, dat Amsterdam alle de Kamper zeetonnen, met het gereed­schap daartoe behoorende, zoude overnemen en voortaan onderhouden. De overeenkomst vindt men in de Handvesten van Amsterdam, bl. 28. Dit is alles, wat er omtrent deze zaak wordt medegedeeld.
Het Kamper archief bevat vele bescheiden hiertoe hetrek­kelijk, waaruit men ziet, dat deze stad reeds in het begin der veertiende eeuw op hare kosten maatregelen genomen heeft, om de vaart door de zeegaten en stroomen veilig en zeker te maken; dat vervolgens de stad Amsterdam, bij de

[pag. 2]

uitbreiding van haren koophandel, door overeenkomsten met Kampen, die dikwijls tot geschillen aanleiding gaven, er deel aan genomen heeft, tot dat eindelijk het leggen der zeetonnen in het Marsdiep, het Vlie en andere zeegaten geheel aan Amsterdam werd overgelaten, doch op voordeelige voorwaarden voor Kampen. Deze stukken kunnen aangemerkt worden als eene bijdrage tot de geschiedenis der vaart op de Zuiderzee en van den handel der beide steden.

De vaart der zuiderzeesche steden naar het Noorden van Europa schijnt men reeds tot de helft der dertiende eeuw te moeten brengen, niet lang nadat, volgens het vrij alge­meen gevoelen, geweldige overstroomingen en zeevloeden de zeegaten tusschen het oude meer Flevo en de Noordzee verwijd hadden.1 [1. Scheltema, Geschied- en Letterkundig Mengelwerk, VI. bl. 89. Arends, Geschiedenis van de Kusten der Noordzee, II bl. 135, 140.] Immers Waldemar III, den 7den Junij 1326 op den troon van Denemarken geplaatst, bevestigde reeds den 5den Sept. van dat jaar aan Kampen (gelijktijdig ook aan Harderwijk en Zutphen) privilegiën van zijnen voorzaat (progenitor) Waldemar. Deze voorzaat was Wal­demar II, die van het jaar 1202 tot 1241 koning van Denemarken en Schonen was, en van wien het bekend is, dat hij aan Lübeck en andere steden privilegiën in Schonen verleende. De zuiderzeesche zeevaarders schijnen met an­deren onder den algemeenen naam van Omlandsvaarders (Vmlandsfarae) voor te komen, gelijk de twee oudste stukken in het Kamper archief, van koning Abel in 1251, aan­duiden.2 [2. Ook in een charter van 1316 van koning Erik van Denemarken, aan Zutphen verleend, wordt melding gemaakt van: pars australis, quae vulgariter Ummelandt dicitur; bij Slichtenhorst, bl. 589, en Schrasert , Hardero. ant. bl. 146. Zie Noordsche Charters van Kampen, bl. 2, 30.] Omtrent de maatregelen, door Kampen voor de veilige vaart naar de Noordzee genomen, vinden wij de volgende bescheiden.

[pag. 3]

28 Sept. 1323.

Wy Claes Richter van der Schelinge sine mederichter ende dat mene lant van der Schelinghe maken kenliic allen den ghenen die dessen brief sien soelen ende hoeren lesen mit kennisse der wairheit ende mit onser gruete an gode. Want dicke schade is gheschiet dat Vlie in to segelende beide an liue ende an guede, dairom sy wy Claes Richter ende onse mederichter ende mene lant van der Schelinge to rade worden mit der stad van Campen, dat wy leggen wolden een voerhuys oft eyn merke om dies ghemenen comans oirbaer dat zy oer liif ende oer guet dairmede moghen verberghen. Ende want die stad van Campen voirs, dien steen dair dit voerhuys mede gheleghet waert ende die halken dairt mede ghebalket waert wtlegede ende becostede, dair om heb wij hem gheloeft mit gueden trou­wen ende louen in orconde desen brieue dat die burghere van Campen noch oere goet noch oere schiepe ende al goet dat in oeren schiepen geladen is ewelike ende vmmermeer neghene beschattinge of gheldinc soelen gheuen to desen voerhuys ende merke dat Vlie in of wt te seghelende. Vortmeer wolde die stad van Campen hiernae ene andere merke legghen dat Vle mede ouer te seghelende van der Schelinge dat loue wij hem dat wij hem dies willen gonnen ende steden beholden hem al des rechts dat hier beuoren staet bescreuen. Ende in deser dinge orkonde dat zij den burgheren ende die ghemener stad van Campen ewelike vast bliuen ende onverbroken, so heb wij Claes ende dat mene lant van der Schelinghe onse segele an desen brief gehangen. Geg. int jair ons heren dusent driehondert ende drie ende twentich op Sante Micheels anont.

Afschrift in het Privilegieboek van Kampen, bl, lxvj. Boven staat: van der kapen opter Schellinghe.’’
In 1334 vinden wy de uitgaaf: Scabini dederunt pro

[pag. 4]

tunnis in Vlye xl. gr. ad parandum tunnas, en als ontvangst: paelgelt3 [3. Paelgelt: bij KILIAEN : vectigal nauticum, vectigal nauis palo siue vallo alligatae.] de Sutphania.

 

29 Nov. 1389.

Folkerus Poppanie heerscap ende grietman opter Schellingh doe c1aer ende openbaer alle rechteren dat voer ons is ghecomen Bertold Grobbe een machtig boed wt ghesant van die recht ende raet des eerweerdighe stads van Kampen om te lossen die tonnen daer op ons land ter Schellingh ghebercht waren. En desse vscr. Bartold Grobbe heeft ghegeuen van die tonnen toe berchgheeld summa summarum elf coepmans rijnsguld. daer hy vol hetaeldt heeft ende wi hem dancken ende die eerwerdige heren van Kampen als van die tonnen op dit jaer. Item die heren van Campen pleghen ons jaerlyx toe bedencken mit een verndel salm, dat si nu in twie of drie jaer niet ghedaen en hebben, dat ons seer verwondert, want wi hemmen altijt behulplick sint daer sy toe gerecht synt ende altyt gheerne doen willen. Waerom wi bigheren ons’ toe bidencken als sy van oelds pleghen toe doen. 4 [4. Volgens Jac. Scheltema, Mengelwerk, VI. bl. 92. zond de ste­delijke regering van Kampen aan de heeren van Texel uit het huis van Blois te Gouda jaarlijks een geschenk van steur, omdat zij de hetonning van het Marsdiep toelieten. — Dit moet vóór het jaar 1397 plaats gehad hebben, dewijl Texel toen weder aan de grafelykheid van Holland viel. In eene oude lijst van Charters vindt men: ,,Albrecht ,,etc. woe die van Campen tonnen moegen leggen jnt Vlie ende jnt ,,Marsdiep.’’ Het stuk zelf is verdwenen en zal tusschen de jaren 1397 en 1404 behoord hebben.] In een oerconde d’ waerht soc heb ic Folkerus heerscip ende grietman dissen brief doen beseghelen mit myn selfs sighel al hier beneden gedruct op t spacium des breues jnt jaer ons heren van neghen en tachtich op sinte Andreas auont apostel.

[pag. 5]

Orig. op papier. Het opgedrukte zegel in groen was grootendeels verdwenen.

 

In het midden der vijftiende eeuw zien wij Kampen in verdrag met Amsterdam.

3 Maart 1451.

Amsterdam aan Kampen.

Eerbare wyse ende bysonder gemynde vryende, Vrederick Ysbrantsz ende Heynrich Kercker onse gedeputeerde lest by v wesende hebben ons bygebrocht ende te kennen gegeuen dat zy myt uwe lyefden van onser wegen getracteert hebben gelycken wy heml. dair of gelast hadden ruerende van den tonnen te leggen op dese condicien, dat zy vast gesett hebben dat wi v geuen sullen van dat aencomende jair xlij rynsg ende hebben noch voirt op onse behagen ende gelyeften aengenomen dair toe vyf jaeren syaers te geuen xlv. r. g. jn vorwairden wairt sake dat die tonnen of enych van dien tot enyger tyt verdreuen ofte qualic geleyt waren, dat wy v alsdan dat scriuen ende weten laten souden op uwen cost sonder ons dair of vorder tonderwinden van den tonnen te doen verleggen ofte rekenynge dair of te doen, gy soudt alsdan terstont ten schriuen ende versoecke van ons dieselue doen verleggen totten meeste nvtscip ende behoudenisse van den gemene schepen ende goede als dat behoeren ende nvtste wesen soude. Ende hyer mede soe souden alle saken manynge ende afterstalle spruitende wten paelgelde ende van den tonnen te leggen die gy ons hairtoe geeyscht hebben, doet, of ende te nyete wesen. Ende want wij dese composicie well verstaen ende overgewogen hebben, soe dat ons een weynich vervreemdt dat die vyf jaeren meer verhoocht zijn dant tot hair toe geweest heeft, nyetemyn soe hebben wy nochtans, om heters

[pag. 6]

wille ende om dese costen die wy doen myts onse gede­puteerden jairlix by v te senden die te besparen ende anders, dese composicie ende ouerdracht aengegaen ende geconsenteert, gelouende die vast ende gestade ouer onse zyde te houden ende v jaerlix te hetalen als voirs, is, welke com­posicie wy hebben doen teykenen jn onser stede memoriaell boeck, begherende oic dat gy van gelycken doen willen opdatter namaels gheen geschille ofte duysternisse in gebueren en moge, dat wy ongerne ende lieuer verhoet zyen zouden. Dat beken god onse heer die v bewaren will salich ende gesondt. Gescr. den iijden dach in Mairte anno een ende vijftich. Die stede van Amsterdam.

Intusschen blijkt, dat Amsterdam ook reeds op onder­scheidene punten zeetonnen en kapen onderhield. Er is een Handvest van Philips van Bourgondië, van 16 Mei 1452, waarbij deze hertog en graaf meldt, dat die stad, waar het water niet diep genoeg was, van ouds omtrent zestig tonnen geplaatst had, en vyer-teyckenen5 [5. Zóó in de Handvesten van Amsterdam, bl. 28. Doch in den vidimus-brief van dit stuk, den 4den Maart 1527 door de regering afgegeven, vinden wij duidelijk vier teykenen, geheeten capen.] geheeten kapen, t.w. één op Huisduinen, één op Texel, één op Vlieland en één op Ter Schelling. Hij gaf haar het privilegie, om het geld, dat zij daarvoor gewoon was te ont­vangen, eenigzins te verhoogen, nam. van eenen halven Philippus-penning tot een goede Vlaamsche groot. Hel zal beneden blijken, waar de tonnen door Kampen gelegd werden.

1 April 1463.

Wy scout burgermren schepenen ende rade der stede van Amstelredamme doen cond allen luden, dat wy metten eer­samen luden burgermeesteren schepenen ende rade der gueder

[pag. 7]

stadt van Campen ouer gecomen syn van den tonnen te leg­gen ende dat paelgelt te bueren jnder maniere hier na gescreuen, soe dat die stadt van Campen die voirs. tonnen sullen doen leggen ten besten oirbair des gemenen scipheeren ende coepmans sess jaeren lange nv jngaende, ten eersten dat wy sullen bueren alsulek paelgelt van allen scepen ende gueden, die an onse stede voirs. comen ende hauenen, wtgescheiden die burger van Campen die sullen van allen hoeren scepen ende gueden vry wesen ende niet geuen. Voirt is ouerdragen dat alle scepen ende gueden, die an den Oirt lossen sullen, tot Campen verpalen ende anders nergent. Ende wairt sake dat enige scipheren of coeplude enige gueden ouersceepten in die Zuderzee of daren buten ende dat goet to Campen senden, dat voirs. goet sal oick lot Campen verpalen ende anders nergent. Mede is ouerdragen wairt sake dat enige tonnen qualiken geleit waeren of verdreuen, dat god verbieden moet, dat sullen wy der stadt van Campen scryuen ende so sullen sy die tonnen verleggen ten besten oirbair; mer wairt sake dat wy die voirs. tonnen lieten verleggen buten hoeren consent dair en sullen sy ons niet of geuen noch wy him yet dair voir corten, des sullen wy die van Campen voirs. wel hetalen alle sinte Mertyns dage jn die wynter dese voirs. jaeren duerende vyf ende viertich rynsche guldene sonder argelist. In kennisse der wairheit so hebben wy der voirs. stede segele van saken hier vp gedruct gegeuen vpten eersten dach in Aprille jnt jaer ons heren dusent vierhondert drie ende tsestich.

Op papier met het opgedrukt signet der stad Amsterdam.

18 Mei 1463.

Amsterdam aan Kampen.

Eersame bysondere lieue ende seer gemynde vrienden, enige

[pag. 8]

scipperen ende coepluden hebben ons bygebrocht ende te kennen gegeuen hoe dat die drie tonnen vp dat Vlaeck seer qualiken leggen ende sonderlinge dat die noirder ton mit allen ouer dat diep leit, wair by die gemene scipperen ende coepluden in groten hinder ende schade souden mogen comen van lyf ende van goede, indien by v hier jnne niet en worde voirsien als dat behoirt omme die te ver­leggen. Oic is ons te kennen gegeuen, hoe dat noch een ton seer wel dienen soude jn Kyeldiep by rolle horn voir den gemenen scipperen ende coepluden. Ende want, gemynde vrienden, wy den scipperen ende coepluden gaerne beholpen sagen begheren dair omme an uwe liefden seer vruntliken dat gy die voirs. tonnen willen laten verleggen dair die best dienen ende oic een ton in dat Kyeldiep op dat die gemene coepman scip ende goet to het behouden mach, dair sullen uwe liefden godes loen an verdienen ende ons seer dankelic an doen, ende of wy enige saken ver­mogen dair willen wy mit ganser meynynge toe bereit wesen, dat kenne god onse heer die uwe liefden altyt be­waren wille jn langen saligen gesonde. Gescreuen opten xviijden dach in Meye anno lxiij. Die stede van Amstelredamme.

23 April 1474.

Attest der loodsen te Texel.

Iw belieft toe weten ghy eerbaeren en wijsen Raet der stede van Campen, hoe dat ic Henric Willemss. poirter jn Texel wonende opten Hoern die geheele vloet, die opt dit jaer wt Hollant westwart geseylt is wt gewyst hebbe tzeewarls dat zuytwarts gat wt ende hebbe gelegen mit een schuyt op die tonnen, ende alle die vloet is wel wt gevaeren sonder enich letsel bij der gracien goeds. Ende des gelikes heb ic oic die Camper vloet wt gewijst tot dese selfde vaert ende

[pag. 9]

diep ende oic met een seheuit gelegen op dese selfde tonnen des voirseide dieps, want ic en mochte van die tonnen niet to lande swemmen als ic die vloet quyt was tzeewarts, ende segge dat als een gued man bij mijnen eede dat alle die tonnen in dat diep voirs. wel ende goet legghen ter scepen behoef jn ende wt to vaeren alsmen se nu ter tijt leggen mach also ic wel hetuygen sal moegen by die gehele vloeten als voirs. is. Ende voirt soe heb ic Henrick voirs. met myn broeder Hette Willemsz. dat Noerderdiep ondersocht, ouer ende weder ouer geuaren mit Gysbert Hoijer juwe medeborger van die ene tonne tot die ander geuaeren, ende wij seggen dat beyde wt enen mont bij onsen eeden lieflic totten hilligen dat die tonnen in dat noerder gat oic alsoc wel leggen alsmen se leggen mach op deser tijt, dat oic die ander wel gesien hebben als wij hebben, die dair by onss ende mit ons waeren diet op ons begereden van juwer eerberen stat wegen ende van den scippers wegen. Omdat dit wair is ende om dat ic Henric Willemss. ende Hette myn broeder selue gene segelen en hebben, soe hebben wij ge­beden den eerbaeren Albert Wittsz. onse medepoirter ende onse gemeyne poirters desen brief ouer ons toe besegelen. Ende ic Albert Wittsz poirter in Texel hehbe desen brieff besegelt om bede willen dess voirs. personen, want sie seluen geen segele en hebben, ende ic an ende ouer dese sake geweest hebbe myn segel hier beneden op gedruct jnt jair onss heren dusent vierhondert vier ende tsoeuentich op sunte Jorys dach.

 

30 April 1474.

Aan Amsterdam.

Eirsame lieue vriende, als gy ons auerdages screuen op anscriuen uw’ ammiraels van uw’ vloeten, woe die tonnen jnt Spansdiep ende in Huusduninger diep seer quelicken

[pag. 10]

ende all tonrechte gelecht solden syn, soe hebn wy dair om terstont weder wtgesant om die wairheit dair van toe veruaeren, soe dat die tonnen soe wel gelecht weren als men die vmmermeer leggen mochte, dair wy v een original besegelt schyn van senden hier aen gebonden, begeren dat visiteren of willen doen copieren ende ons wederomme sen­den. Ende mede dat gij op anderen tijden soedanige lichte anbrengen niet gelouen of van v scriuen willen, eer den tijden gy die wairheit dair van weten, opdat ons dat dus tot elker tijt niet opt nie onnutte oncost doen en darf, als gy dat wel merken konnen, wat groter oncost wy alle jaer hebben van den tonnen toe leggen. Begeren vrentlike gy dair nae tasten willen en veruaeren die wairheit. Die in der logene bleue solde billixst die oncost hetalen ende ons dan dair van uwe guetlike bescreuen antwoert toe scriuen willen. Got sy mit v. Gescr. Meyauent. Minuten, I bl. 66.

 

23 Mei 1475.

Amsterdam aan Kampen.

Eerbare wyse lieue ende bysondere, uwe burgeren Lwtkin Volhoirn ende Reynkin Volhoirn gebroderen hebben vp huden by ons geweest ons te kennen geuende dat zy vpten pynxteren auont lestleden by uwen burgermeyster ende by uwen paelmeester omboden zyn geweest, diewelke heml. beualen dat zy dat paelgelt van hoeren schepen ende van den goeden dair jn wesende hem tot uwer stadt behoeff hetalen souden, soo die composicye ende die vorwarden van den tonnen te leggen tusschen v ende ons wtgegaen ende nyet vernywet en is, ende ons dair omme biddende dat wy hem des paalgeldes teser tijdt verdragen worden; dair vp wy hem weder geseyt hebben, dat wy, niet ken­nende v enych machte autoriteyt off jurisdictye te hebben

[pag. 11]

binnen dese onse steden ende haven, nyet te myn waeren ende zyn te vreden omme alles besten wyllen, dat paelgelt van hoeren schepen ende van allen goeden bynnen uwer stadt thuys behoerende van hem niet tontfangen; mer van den goeden bynnen uwer stadt niet thuys behoerende ende hier myt ons van der zee comende, dochten wy ende deyncken tvoirs. paelgelt tontfangen ende des hem noch nyemande te verdragen. Jnt welk doende dunct ons dat wy uwen voirs. burgeren noch nyemande anders te cort en doen, als wy zeer noode doen souden, dat beken god onse heer, die v bewaeren wyll langliuich salich ende gesont. Geser. xxiij dages in Meye anno lxxv. Die stede van Amsterdam.

 

28 Febr. 1476.

 Kampen aan Hamburg.

Eersame voirsichtige bisondere guede vrunde, Uwer liefden, als wy vermoeden, is wel indechtich woe wy die tonnen op onser stat kosten plegen te doen leggen jnt marsdiep jnt vlie ende op andere wateren, dair des behoeff is tot profijt en orber der gemenen schipheren en coepluden. Alsoe plach die stad Amstelredam mit ons te ouercomen dat paelgelt dairvan jairlix te moegen bueren van den gueden en scepen aldair incomende voir eene sekere summe geldes, die selue stat Amstelredam ons alle jaer dair van hetaelde en heeft die dat jair van lxxv naestverleden dat paelgelt geboirt sonder enigen vorwerden mit ons dair op gemaeckt en ons dair niet van gegeuen, woe wal wij die voirs. tonnen op onser stat kosten hebben doen leggen en hem gescreuen omme dat paelgelt ons toe willen wtreiken alst behoirt. Hieromme en want sie dat paelgelt jnt tocomende jair bij auentuer oic solden willen boeren en wij mit hem niet ouercomen en konnen noch dencken die tonnen toe leggen

[pag. 12]

en hem dat paelgelt te laren ontfangen voir die olde taxe, soe men nv meer tonnen liggende en groter costen dair op doen moet dan van oldes, sijn wy nochter tijt niet beraden die tonnen te doen leggen, ten were die van Amstelredam mit ons sich anders ouerdrogen, des wy v eersame vrunde geuen toe kennen voir tbeste dair gij uwe schipheren en coepluden en een jgelic ander den dit angaet, mach weten sich nae toe richten, Begeren guetelic dat den van lubeke en anderen steden by v belegen die des te doene hebn mitten besten willen voirt laten verkondigen oppe dat de schipheren en coepluden dair bij genen schaden en lijden, dat ons van gueder harten leet weer, kent got. Vlt. Februarij [1476]. Minuten, I p. 96.

Intusschen werd het geschil bijgelegd. Den 8sten Maart 1476 reeds kwamen beide steden overeen, dat Kampen, zes jaren lang, 24 tonnen zoude leggen, tegen betaling van 100 gouden Overl. Rijnsche gulden. Indien er meer gelegd wierden, zoude Amsterdam meer geven. — Den 25sten Febr. 1479 achtte men het noodig, eene ton te leggen op Casehoek in het Vlie, waartoe Amsterdam naar het verdrag wilde bijdragen. — Den l5den Maart 1484 vinden wij het verdrag op den voet als van 1 April 1463 over het leggen van 26 tonnen tegen betaling van 140 Overl. Rijnsche gulden; alleen zou Amsterdam het paalgeld ontvangen ook van schepen en goederen in West-Friesland komende. — In 1492 versoekt Kampen aan Amsterdam » mit neersticheit up te sien die ketenen soe ducke ende vake nijet gebroeken en werden, ende onser borgher gueden aldair by v gelosset ons yn schrifften herwert ouer te senden, updat onse tolner ende paelmeyster, alse by voersumenise uwer liefften paelmeyster voirtijts dick geschiet is, geen hinder noch schaden yn syn rekenschap lijden dorue.’’ Den 1sten Sept. van dat jaar werd de overeenkomst gesloten over het leggen van 28 tonnen tegen 162 gouden Rijnsche gulden

[pag. 13]

jaarlijks, nadat Bruning Claeszoen raadslid en Coenraet Janszoen secretaris van Amsterdam afgezonden waren om te onder­handelen. Op dien voet ook in volgenden tijd, nu voor zes dan voor drie jaren, terwijl Amsterdam aan Kampen den 3den Febr. 1509 meldde, dat de tonnen het vorige jaar zeer kwalijk gelegd waren, dat het Vlie geheel verloopen en ver­dorven, en door Frederiks-rug een groot diep gat gescheurd was. Men verzocht, met eenige goede lieden van Ter Schel­ling te rade te gaan, wat daarin best gedaan kon worden.

17 April 1514.

De stad Amsterdam vaardigt Jonge Dirck Claesz. en Coen Jansz. uaar Kampen af om over het leggen der zeetonnen te onderhandelen. Hiervan het volgende verslag.

 

20—24 April 1514.

Op den XXen dach van Aprilt xvcxiiij Jonge Dirck Claesz. ende Coen Janszoen by beueel van den burgermeesteren gereyst tot Campen omme mitten burgermeesteren ende rade der zeluer stadt te spreken dat vernyewet ende gecontinueert zoude wordden die condicie ende voirwaerde van ouercoomst roerende tleggen van de zeetonnen omme daer inne te spreken. De burgermeesteren van Campen hebben geseyt dat al vooren noot ende behouff is gehoort te wesen hare clachte die zy hebben ende geschyet zijn tegen die condicien van oeuercoomst.
Eerst te kennen gegeuen de voirs. burgermeesteren, dat hem in drie jaeren gheen register ofte cedule gesonden is omme te weten wat goeden tot Amsterdamme gelost zyn tot Campen thuys behorende, als nae inhouden die voorwaerden behoort te geschyen ende daer an zy van Campen gheen goedt geneuge en hadden.

[pag. 14]

Daer op geantwoort dat men nyet ontkennende en was die ouercoompst van voirwaerden zoe gemaect te wesen, mar wordde geseyt by Jonge Dirck Claesz. dat hy die paelkiste meer dan eens in pachte gehadt heeft ende dat hy mennich weruen beuondon heeft gebreck geschyet te wesen by horen burgeren coopluden gheen cedulle te willen geuen ende mits dier weygeringe gheen register gesonden en kan wordden, soe dat nae veel woordden te samen gehadt, den burgermeesteren enichsins verstonden hem die waerheyt geseyt te wesen ende behoorden dat inden toecomenden tyt daer inne zoude mogen wordden voorsien.
Die zelue burgermeesteren geclaecht dat een scipper van Hamborch zyn last voor de stadt van Campen gebroken heeft ende paelgelt daer af genomen is nae vermogen van de compositie, ende den zeluen man gecomen tot Amsterdamme zoe heeft hy noch eens paelgelt moeten betalen; ende directelycken is tegens die voorwaerden van der com­positie ofte ouercoomst.
Daer vp geseyt dat gaerne te rapporteren ende indien beuonden wordt die sake geschyet te wesen als zy dat te kennen gegeuen hebben, dat men daer af reparatie doen ende laten geschyen zal, ende zy van Campen zeer ernstelycken begheerden zoe te gescheyen hoe wel dat die sake cleen was.
Item die voirs. burgermeesteren geclaecht dat enige scipheren meninge gehadt hebben omme mit horen scepen ende goeden tot Campen te comen ende hem by sekeren ysghanck belet wordde ende hebben tot sekeren plecken jn Hollandt gelost ende hebben aldaer paelgelt moeten betalen contrarie die voirwaerden.
Op twelck geantwoort wordde ende besonder by monde van Jonge Dirck Claesz. dat een genaempt Adam van Hinneloepen t anderen tyden meninge gehadt heeft tot Campen mit zyn schip te comen ende nyet doen en mochte vuyt sake van den yse, maer en wordde van hem gheen paelghelt genomen dan alleenlycken van den goeden, die tot Deuenter

[pag. 15]

thuys behoorden ende en zal metter waerheyt nyet anders beuonden werdden. Van gelycken geclaecht dat een van horen burgeren tot Amsterdamme paelgelt afgenomen is van twee droge vaten tegens die voorwaerden.
Geantwoort daer vp indient beuonden worden zal alzoe geschyet te wesen dat men die reparatie zonder lanck vertreck doen zal als nae inhouden die voirwaerden behoort te geschyene.
Desgelycx die van der stadt van Campen hem beclaecht dat een horen scipper ende burger by den paelmeesteren bedwongen es eedt te moeten doen ende hem zeer verdunct dat een priuee man gedwongen zoude wordden eedt te moeten doen voor die sake van de generalité.
Daer op jnt cortte geantwoordt ende geseyt, dat men nyet int sekere en wiste wat geschyet is off nyet, mar dat men die sake gaerne rapporteren zoude dat hoeren bur­gheren gheen ongelyck en zoude geschien off gedaen wordden.

                                               Clachten gedaen by den gedeputeerden der stede van Aemsterdamme totten                                                  burgermeesteren ende rade der stadt van Campen.

Eerst hem beclaecht dat dickwyl die zeetonnen jnt voorjaer te late geleyt wordden ofte ten minsten zoe zeer spade ende laet dat tot veel tyden onsprekelycke schade daer of gebeurt is, welcke schade nyet lichtelycken en zoude wesen to estimeren.
Op t welck die burgermeesteren van Campen hem geexcuseert hebben mits reden daer toe allegerende, besonder seggende, jndien zulx geschyet is, dattet toegecomen moet wesen by tyden van groote winter dat die tonnen nyet en hebben mogen vp comen, anders hebben sy geseyt dat zy altyt heur vuyterste meninge doen omme den tonnen mitten eersten geleyt to mogen werdden ende zullen daer inne

[pag. 16]

doen ende gedaen hebben zulcke naersticheyt dat men gheen sake en zal mogen hebben te clagen.
Item die zelue burgermeesteren ende rade van Campen angeseyd dat zij tleggen van den tonnen doen by openbaar vpveylinge ende nyet veel goets in brengen en kan, want alsdan een schalck zoe nae daer toe es als een goedt man ende daer af veel gebreecke mogen comen; hem geexcuseert ende geseyt nyet dan eens geschyet te wesen, seggende dattet zeer goede gesellen zyn die tlast hebben.
Die zelue burgermeesteren van Campen te kennen gegeuen dattet beter waer die tonnen int vlye te doen leggen by Schellingers dan Vlyelanders, omme dat die Schellingers beter gereetscap daer toe hebben ende dat zy daer toe beth gestelt zyn, twelck den heren van Campen danckelyck ge­nomen hebben ende zullen vp die toecomenden jaeren daer jnne zoe doen.
Desgelycx den burgermeesteren van Campen by den ge­deputeerde van Amsterdamme clagende te kennen gegeuen dat enige hoere burgeren en coopluden grole matschap hebben ende houden mitten coopluden van Lyeflandt ende dat zy onder dat decxsel hore goeden verdadingen voor Cam­per goeden ende onredelycken es; geseyt dat zy daer of spreken zullen mitten gheenen hem des verstaende omme daer inne voorsien te worden.
Nae dese clachten ende weder clachten gedaen zyn zy te samen getreden in der communicatie omme te maken continuatie van de voirwaerden omme den zeetonnen te leggen; in dat doende hebben die van der stadt van. Campen groote clachten gedaen dat zy ongelyck grooter ende meerder costen hebben omme die tonnen te leggen dan zy pleghen te hebben ouermits die dyepten dat die ongelyck dyeper ende grooter zyn, ende die veelheyt van kettenen dickwyl breecken ende daer vuyt de stadt van Campen ongelyck meerder costen heeft dan zy pleech te hebben van arbeydt ende anders, seggende daer omme die burgermeesteren van

[pag. 17]

Campen mit gracelycken woorden dat van noode es den raden ende gedeputeerden van Aemsterdamme te byeden voor al een merckelycke somme van penningen meer dan zy plegen te doen, ten eynde dattet beghonnen werck van ouercoomst zal mogen hebben zijn voortghanck.
Dat gehoort by den rade ende gedeputeerden der stede van Aemsterdamme hebben zy geseyt dat hem nyet en ver­wonderde veel te eysschen, mar dochte hemluden dattet heuren meesteren ende heeren vreemt geuen zoude als zy zulcx zouden horen, gemerct sekere redenen daer toe geallegeert, besonder seggende dat zy van Campen tegenwoordich ongelyck meerder schepen hadden dan die van Amsterdamme hebben, ende dattet, godt betert, wel gescapen es dat die van Amsterdamme in de veelheyt van scepen nyet comen en zullen mits die wreetheyt ende quade naebuerscip die den coninck van Vranckrycken dagelycx bewysende es den ondersaten myns genadichsten heren, ende oick dat, godt betert, die gemeen neringe meer vermindert dan vermeert, versochte daer omme die raden ende gede­puteerden van Amsterdamme an den burgermeesteren van Campen omme te verstane tot die oude compositie ende ouercoomst van voirwaerden; belyeffde hem daer toe te verstaene voor ij of iij jaeren, zij zouden gaerne hore last ende beuel openbaren.
Des gehoort hy den burgermeesteren ende geschicten van Campen hebben zy geseyt te nemen hoer beraedt omme van al rapport te doene tot horen heren ende gemeenen rade ende zyn alzoe van een gescheyden omme des anderen daechs den gemeenen raedt Ie doen verghaderen ende eyntlick slot ende conclusie te nemen ende zyn op die tyt van een gescheyden.
Op den xxiiij dach van Aprille xvc ende xiiij die bur­germeesteren ende raden der stadt van Campen zyn mit vier personen gecomen int logys ofte herberghe van den rade ende gedeputeerden der stede van Aemsterdam ende

[pag. 18]

hebben geseyt, dat den burgermeesteren ende gemeene raedt der stadt van Campen gelet hebben op die communicatie te samen gehadt, jn dat doende hebben zy geaccepteert die continuatie van t leggen van de zeetonnen ende dat voor twee ofte drie jaeren, soe den burgermeesteren van Aemsterdamme dat best belyeuen zal ende mitter condicie dat gedaen es tegen die voirwaerdden dattet zelue gerepareert wesen zal ende vpter condicien oick van de voirwaerden onderhouden te wesen.
Die burgermeesteren van Campen hebben medegegeuen die gedeputeerden van Aemsterdam een cedelken, by den welcke gescreuen was die gebreken van den kapen staende op Texel, omme daer inne voirsien te worden.

 

20 Aug. 1514.

Burgermeesteren, schepenen en raden van Kampen ma­ken met Amsterdam eene overeenkomst in het leggen der zeetonnen drie jaren lang en wel achtentwintig, tegen betaling van 162 gouden Overl. Rijnsche gulden. Die van Amsterdam zouden het paalgeld ontvangen van alle schepen en goederen, die in de Zuiderzee kwamen, uitgezonderd de schepen, aan burgers van Kampen, ook van Deventer, Zwolle en Hasselt behoorende, die zouden er vrij wezen en geen paalgeld geven dan hier. Ook zouden alle schepen en goederen, die aan den Oirt losten of hun last braken, en ook alle goederen, die in de Zuiderzee of daar buiten overgescheept en naar Kampen gezonden werden, te Kampen verpalen en anders nergens. Amsterdam zoude elk jaar een register overleggen van al de goederen, die Kamper burgers en van Deventer, Zwolle en Hasselt aldaar gelost hadden, als de paalmeesters het naast zouden kunnen vernemen of bevinden. Wierden er meer dan 28 tonnen gelegd, dan zoude Amsterdam naar rato meer betalen, en

[pag. 19]

zoo minder, mogen korten. » Den xxsten dach Augusti ao dni xvc xiiij’’. 6 [6. Op 10 Febr. 1515 vinden wij de volgende correspondentie. De koning van Denemarken had door Jens Nyelsz. burgermeester en Magnus Scrijver raadman van Helsingor gemeld, dat hij drie tonnen wilde doen leggen op Drakerstroom, t.w. één op Schalcknes, één op Middelgrond en één op Soltholm, tegen betaling van 2½ oirt gelds van elk schip dat er voorbij zeilde, en dat hij de tollen op de victalie aldaar, van St. Olofsdag tot Martini te vertollen, had afgeschaft. Schepenen en raad van Kampen antwoordden, dat dit hunne schippers en kooplieden zeer be­haagde, doch daar zij van ouds her de zeetonnen in deze streken leiden, waartoe zij eenen bijzonder goeden meester hadden, die zulke tonnen kon maken en bereiden, boden zij aan om die drie tonnen met hare ketenen, steenen en ander toebehoor te doen maken en kosteloos te Helsingor te leveren, onder voorwaarde, dat hunne schepen vrij zouden zijn van de 2½ oirt ten eeuwigen dage, zoo lang men daar tonnen noodig had. — Hetzelfde werd aan Jens Nyelsz en Magnus Scrijver gemeld. Dat er eene overeenkomst gemaakt is, blijkt uit de stads rekening van 1520.
,, Uitgegeuen en betaelt Gheert der stadt smyt vant yserwerck
,, an des Conincx van Denemarckens zeetonnen geleidt, welcke permin-
,, gen gecomen syn wter cyscameren en geg. in affcortinge van Hans Holms
,, betalinge, lxx golden guld. facit jcxl heren pont’’
,, Jtem betaelt Cele der stadt cuper van de zeetonnen by den koninck
,, van Denemarcken gemacct heefft, welcke penningen gecomen syn toe
,, betalinge van Hans Holm facit lxiiij pont’’ ]

6 Oct. 1515.

Allen en enen jtlicken den desse certificatie gethoent sal worden ende insunderheyt den eersamen, wijsen, vorsienigen Burgermeysteren Scepenen ende Rade der stadt van Aemstelredamme, vnsen besunderen gueden vrunden, doen wy Burgermeesteren, Scepenen ende Raedt der stadt Campen na behoirlicker erbiedinge kondt ende to weten, verificerende jn de gerechte waerheyt mits dessen, dat voir ons vermits rechtlicke citatie erschenen ende compareert sijndt desse nabescreuene vnse burgere, goede eerbere geloeffelicke ende

[pag. 20]

tuychweirdige mannen, ende hebben voir ons gerichtelicken getuyget ende affirmeert by horen eeden, die sij elcx met opgerichten vingeren lyfflicken an den hilligen gedaen hebben in manieren hier nae volgende. Henrick Kroeser heefft by synen cede als bouen getuycht, dat hij ouer acht ende twintich jaren ende voirt herwaerts selscap gehadt heefft met losen gesellen, oick somtijts met borgers in lijfflandt, ende dat hij altijt hoir gueden, die hem met sijn selscap toebehoirden, alhier tot Campen aen den tollener ende nergent anders verpaelt heefft, beholtlicken de gueden, die sijn selscap alleene toequemen, dair hij gheen paert offt deel an en hadde, heeft hij altijt tot Amsterdam verpaelt, ende tuget mede, dat hy van syne olders, oick anderen goeden coepluden ouer menige jaren, als hij noch een jonge was, altijt gehoirt heefft, dat de borgere van Campen allent guedt, dat hem met sijn masscop toebehoirden, van older hercomst ende gewoenten alhier aen der stadt tollener plegen to verpalen, ende dat men dair jnne nye onderscheyt plach to maken, weer onser stadt borgers masscop, een loes gesell offte een wtheems borger was; ende tuget noch vorder, dat hem tot geenre tijt enigen eedt affgenomen offt ander beswaernisse voirgcholden is, dan plach altijt den schippers syn cedell te doen van sijn ende sijns masschoppen guedt ende met der cedelen plach de schipper aen den paelmeister tot Amsterdam na older gewoenten voll te doen sonder meer beswaernisse.
Goesen Dam tuget by sijnen eede, dat hij de naeste xxiiij jaren se scap gehadt heefft somtijts met gesellen ende somtijts met borgelen ende dat hij altijt na older gewoenten hoer beyder guedt alhier aen onser stadt tollener verpaelt heefft ende tot Amsterdam aen den paelmeister met een cedulken te betalen plach, ende dat hem des nyewerelden enich jndracht gemaect offt enigen eedt affgeeysschet is, ende dat hij altijt gehoirt heefft dat ouer hondert jaren ende meer de gewoente alsoe geweest is, doch tuget, dat hem

[pag. 21]

nv in dessen lesten vergangen somer Jacob Huge tamsterdam enige beswaernisse maken wolde teghens goeder older gewoente.
Mathijs Henricss tuget by sijnen eedt, dat hij omtrent xxj jaren verleden met gesellen ende oick met borgeren sijn selscap gehadt ende altijt hoir beyder guedt verpaelt heefft alhier aen vnser stadt tollener, ende tuget, dat hem tot Amsterdam nyewerelden enighen eedt affgeeysschet offt anders hem yet wes geeysschet is derhaluen, dan plach altijt met een cedelken aen den paelmeister tamsterdam vol te doen; tuget oick dat hij vaken gehoirt heefft van olden coepluden, dat de gewoente ouer meninghe jaren alsoe ge­weest is, ende dat men gheen onderscheyt plach te maken, offte de masschop der burgeren van Campen lose gesellen ofte borgeren weren, want ment altijt alleens plach to verpalen bynnen Campen. Noch tuget Mathijs vors. dat hij eens offt tweemaell syns masschoppen Euert Hesselsz guedt tamsterdam verpaelt heefft, wantet selue guedt Euert vors. alleene toebehoirde, dan wes gueden dat hem beiden toebehoirde heefft bij altyt alhier tot Campen verpaelt ende dairvan tamsterdam met eenige cedulen volgedaen na older gewoenten.
Peter Mulre tuget, dat hij ouer twintich jaren met loezen gesellen ende oick met borgeren in lyfflandt selscap gehadt ende altyt hoir beyden guedt alhier bynnen Campen verpaelt heefft, ende dat hem nye wes geeysschet is, dan plach altyt met cedulen vol te doen, beholtlicken omtrent vijff jaren verleden wolden de pailmeisters tamsterdam dat Peter vors. syns masschoppen guedt aldaer verpalen solde, doch de Raedt alhier dede doe ter tijt voir hem scrijuen, alsoe dat de paelmeisters hem voirtmeer ongemoyet hebben gelaten.
Anthonys van den Grave tuget, dat hy omtrent xiiij jaren verleden met vreemde gesellen vast te doen heefft gehadt ende dat men hem tamsterdam tot geenre tijt enich paelgelt

[pag. 22]

heefft affgeeysschet, dan plach altijt mett cedulen tho betalen, ende tuget noch, dat hij menichwerff gehoirt heefft dat ment ouer menighe jaren altijt alsoe geholden heefft ende dat men gheen onderscheit plach te maken wee de vreemde gesellen loss offt gehilikt weren.
Arent Pigge tuget, dat hij ouer vij jaren met eenen ge­sellen selscap gehadt heefft ende nye anders dan met cedulen tamsterdam syn paelgelt betaelt heefft, ende dat hij oick altijt gehoirt heefft van velen coepluden, dat ment van olden hercoemst soe behoirt te holden. Ende want desse tuychenisse aldus voir ons geschiet ende gerichteliken besuoren is, hebben wij des toirconde onser stadt secreet hier op doen drucken jnt jair onses heren duysent vyffhondert ende vyfftyen opten vtten dach in Octobri.

__________

30 Sept. 1516.

Schout, burgerm., schepenen en raden van Amsterdam wenschen de verlenging der overeenkomst voor een jaar op den reeds bepaalden voet.

__________

 

Instructie, om te bewijsen, dat de stadt van Campen alleen gerechtiget is de zeetonnen to leggen ende dair om weder hel paelgelt van allen schepen en gueden to boeren en nyet de stadt van Amstelredamme etc., sal men anmercken tghene hier na volget.

Ten yrsten sal men anmercken, dat de zeetonnen gelacht worden tot vordell van scipperen en coepluden, om daer nae to sekerder en vryer te mogen seylen, ende dat dair omme weder ingeset en toegelaten is om de oncosten van de zeetonnen to veruallen van allen schepen en gueden,

[pag. 23]

de vors. zeetonnen gebruyckende, het bakengelt en het paelgelt to hetalen.
Soe kan men ten yrsten bewysen, dat de stadt van Cam­pen de zeetonnen over l, lx, hondert jaren, ten mynsten soe langhe datter gheen mensschen memorie contrarie is, alle jairs tot noch toe op horen grooten costen gelacht hebben, twelck doch de stadt Amstelredamme der stadt van Campen ongetwyfelt well toestaen en oick genoch anno lxiij in hoir selfs missive an Campen gescreuen genoch toegestaen hebben dair men dat mede bewijsen can, dair van de copien en de principael brief hier tegenwoirdich is, vermeldende dat de stadt van Amstelredamme aen Campen begeert hebben, van enige zeetonnen die qualicken leggen, deselue to verleggen en dat men oick noch eene zeetonne int Kieldiep leggen wolde, etc. 7 [7. Zie boven bl. 7,8.]
Wt welcke vors. reden is to concluderen en to vermercken, dat de stadt van Campen alleen en nyemants anders weder om gerechtiget is het bakengelt en het paelgelt van allen schepen en gueden, de vors gaten van der zee incomende, to boeren en tontfangen.
Ende vermits de stadt van Campen en nyemants anders daer toe gerechtiget is, soe heefft de stadt van Campen eertijdes hoir selues paelmeyster bynnen Amsterdam gehadt, die aldair van allen schepen en gueden dair ancomende, van der stadt van Campens weghen het bakengelt en het paelgelt plach to boeren.
Voirt dat meer is, soe heeft de stadt van Aemstelredamme eertijdes van wegen en tot behoeff der stadt Campen het paelgelt van allen schepen en gueden, dair ancomende, doen boeren en wes sy dair van ontfingen, hebben sij aling ende all der stadt van Campen voirt ouergesonden by hoir selues bode, soe de brieue, dair van de copien en oick de originale missiuen hier tegenwoordich synt, dat claerlicken vermelden.

[pag. 24]

Soe is naderhandt geboert, want denseluen, den de stadt van Campen bynnen Amstelredamme sittende hadde om de paelgelden te boeren, veel indrachts en verhijnderinge geboirden, ende oick vermits de paelgelden bij der stadt van Amster­dam soe c1aerlicken nyet als behoirde wtgemaent en ouergesonden wordde, soe heeft de stadt Campen, om alle onmynne to schutten, der stadt Amstelredamme verhuert de paelgelden to boeren en dair voir eenen zekeren pennynck te geuen, ende soe dickwijls als de jaren van der hueren om weren gecomen, soe heeft de stede van Amstelredamme altyt van jare tot jare hore vrunde bynnen Campen gesonden en dair dan nye huere gemaect, twelck sy bekennen in horen brieuen, hier oick tegenwoirdich sijnde, dat sij na older gewoenten bynnen Campen behoeren to comen, om de nyc huere van den paelgelden to maken etc. waermede sij oick genoch toestaen de rechticheit der stadt van Campen van de tonnen to leggen ende de paelgelden weder to boeren.
Vorder soe is well to vermercken, dat de stadt van Aemstelredamme niet alleen gheen rechticheyt en heefft de paelgelden to boeren, anders dan hem by den van Campen verhuert en toegelaten wordt, want men kan bewijsen, dat de stadt van Amstelredamme den van Campen voir de voirs. paelgelden betaelt hebben een deell jaren lx gulden, noch etlicke jaren lxx, xc, hondert gulden, myn en meer na datter weynich en veell schepen weren, tot Amsterdam ancomende. Ende nv desse laetste jaren, want tot Amsterdam meer schepen dan te vorens anquemen, hebben sij jaerlicx voir de paelgelden een tijt lanck gegeuen hondert en lxij golden rijnsche gulden van gewichte, soe datse myn ende meer voir de paelgelden jaerlicx betaelden na datse luttell offt veel van de schepen ontfangen hebben.
Ende soe dan nv seer veel schepen tot Amsterdam hoe langer woe meer ancomen, dair jairlicx een groote treffelicke penninck van comt to paelgelden, meer dan viermaell soe veell, als sij der stadt van Campen dair voir gegeuen

[pag. 25]

hebben, ende doch de stadt Campen groote ontallicke costen doen moet de zeetonnen to leggen en tonderholden. twelck bouen older gewoente eenen grooten penninck meer costet dant plach te doen, want de gaten van der zee groot wor­den, de zeetonnen verdrijuen en de ketenen breken, alsoe dat de stadt van Campen dair bij eenen merckelicken penninck ten achteren gaet en bouen de helffte meer moet wtgeuen danse dairvan crijgen, soe dat hem nyet drachelicken noch doenlicken en is, de paelgelden langer alsoe to verhueren, dan sullen dieseluen moeten doen ontfangen en opboeren na older gewoente. Ten wer men met hem na redelickheyt wolde handelen, willen se sich geerne na aller geboirlicheyt vijnden laten,

Op een los stuk vindt men:

Item int husdunre dip iiij tonnen              |
Item int spanger ghat iij tonnen                |
Item int noerder ghat iiij tonnen               |
Item op de lanne 1 tonne                             | Int marsdiep
Item op den nesch 1 tonne                          |
Item iij tonnen vor wyeringen                    |

| Item 1 ton op de hooft stede.
| Item 1 ton op dat vlack.
| Item 1 ton op stuesant.
| Item 1 ton op wolffshoeck.
| Item 1 ton op hobbesant.
| Item 1 ton op den vos.
| Item de ander ton jnt randerdiep op vrecs rogghe.
Int Vlie  | Item de vtterste ton myddes in randers dep.
| Item jn dat ney diep ij ton.
| Item 1 ton op de kreil,
| Item 1 ton op de myddel ghront.
| Item 1 ton op kessehoeck.
| Item 1 ton op langher sant.
| Item 1 ton op den ouerghanck.
| Item 1 ton op de plaet jnt randersdiep.

[pag. 26]

je jn al xxxij ton elcke tonne facit vj golden r g. en 1 st. hollants. Somma van den vier tonnen die geleyt syn bouen die xxviij tonnen fac. xxiiij r. g. van gewichte en iiij st. hollants, summa in al van de xxxij tonnen c en lxxxxiij gulden iiij st. holl.

__________

 

Anno xviij na Paesschen.

Syn dynxdages auont na beloken paesschen gecomen bynnen Amsterdam, dair willecom geheten van twee van den rade, die des auondes voirs. ter maeltijt bleuen ende van der stadt wegen het gelach schenckten.
Des woensdages morgen to samen vergadert tot ten be­keerden susteren tot Wyttemoers huys, dair de vicarius en meester Euert thuys lagen, dair gecomen vj geschictte van der stadt ende Jan Bannynck en meester Peter van Bruesell als geschictte wten rade van Hollant, dair meester Euert den dach bestempt.
Item wij onse gebreken geopent na vermogen der instructien van den paelgelde etc.
Dair op die van Amsterdam geswegen.
Dan Jan Bannynck, met meester Peter dair toe wten houe geschiet, heefft dair op seer strickelicken repliceert, seggende dat de gaten van de zee, dair de tonnen gelecht worden, liggen onder Hollant ende Vrieslandt ende dat K. M. van Spangien dair van nyemants enige rechticheit toestonde, ende de stede van Amsterdam de paelgelden boerde weer hem gegunt van den heren een tijt lanck voir etlike verlachte pennynghen, ende dat de stadt van Campen de tonnen gelacht hadden als huerlingen om eenen sekeren penninck ende anders nyet.
Dair op weder gerepliceert van de missiven an Campen gesonden, dair inne de stede van Amsterdamme expresselick deden scryuen, allent paelgelt, dat sij van den schepen

[pag. 27]

hadden ontfangen, ouergesonden te hebben, etc. dairmede wij onse besit genoch beweesen.
Dair op by Jan Bannynck weder strickelicken gesacht, dat men met missiuen geen demonstratie konde doen, den rechte genoch sijnde, want missiuen brachten nyet mede dan woirdden ter eere gesproken, dair men nyemant mede konde verbynden. Ten anderen dat men oick geene regalia, als dit syndt, solde mogen praescriberen. Ten derden dat doch de K. M. van S. offt de greue van Hollant den van Amsterdam alsulck scrijuen, twelc hem mochte hijnderlicke sijn, nyet toe en stonde.
Hier op lange altercatie gehadt ende mede narreert tghene ons t’ Zwoll van den bourgoensz raden in de acceptatie ons nyen heren wordde toegesacht, ons in onssen priuilegien, rechticheden ende olden gewoenten te willen holden etc.
Doch tvorss. altosamen affgeslagen ende opgestalt hent des anderen dages om dan behoirlicke maniere van compositie na older gewoenten weder voir to nemen.
Item des woensdages middages de stede van Amsterdam onses gen. heren rade van Utrecht ende ons deputaten van Campen seer costell to gaste gehadt ende den wijn geschonken.
Item des donredages morgens weder vergadert tot Wytten moeders huys.
Dair ten yrsten voirgenomen van eene nye ouerdrachte te maken, hebben de geschictte van Amsterdam onsen eyssche ende gebreken yrsten willen horen.
Dair op geopent de groote oncosten van de zeetonnen to leggen ende tonderholden. Item van de groote wijdte ende diepte van de zeegaten. Item dair om de ketenen veell langer ende swairder syn moeten ende de tonnen vaken verdrijuen, ende dat de stadt Campen eenen grooten merckelicken penninck jairlicx moeten toegeuen, dair om begeert, ons te willen geuen soe veell dat wij sonder schaden bleuen van den paelgelden, ende dan noch een behoirlicheyt voir onsen arbeyt etc.
Dair op bij hem geallegeert den grooten cost van den

[pag. 28]

kapen ende baken tonderholden, doch hebben gesacht, mochten wij lijden, dat sij van allen schepen ende gueden paelgelt boerden ende wij onse handt dair van toegen, wolden sy ons alsdan geene schaden dan eenen merckelicken penninck meer bieden.
Dair op gerepliceert ende gesacht hoe waell wij reden hadden alle de paelgelden te boeren na olden gewoenten, want wij jnt besit waren van de tonnen to leggen, dat wij nyeltomyn ditmaell noch to vreden weren een compositie met hem to maken van drie offt vier jaren dat sij de paelgelden solden boeren, beholtelick nyet van den borgeren van Campen, van Deuenter, Swoll, Hasselt ende van allen schepen aen den Oirt lossende ende van den gueden in der Zuderzee gelosset ende lot Campen gebrocht. Ende tguet onsen burgeren met hoir masschop toebehorende oick aldair vry to sijn ende den schippers nyet ten ede to dringen, ende voir de andere paelgelden ons eenen behoirlicken penninck to geuen.
Dair op bij hoir weder gesacht sij en wolden nyemants dan alleen den borgeren van Campen en horen gueden ende den schepen ende gueden, die an den Oirt gelosset wordden ende die in de Zuidzee gelosset ende tot Campen gebrocht wordden en anders geene ouergeuen, want de borgeren van Deuenter, Zwoll, Hasselt, die an den Oirt nyet en lossen tot Amsterdam plegen to betalen; ende van den gueden, den borgeren met hoir masschoppen toebehorende, sachten sij, dattet solde eene groote verwapeninge maken ende mochte alsoe alle de gueden tot sich trecken. Dair op lange tijt gerepliceert doch int sluyten sij en wolden anders nyet ouergeuen, dan sachten als van de masschoppen als sulcx om een cleyn to doen wer wolden sij sulcx nyet ansien, ende indien wij de oompositie noch vier jaren toecomende dair op wolden belieuen, wolden sij ons van elcke tonne to leggen eenen golden golden meer geuen danse dus lange gegeuen hadden.

[pag. 29]

Doch wij en hebbens nyet willen annemen, dan dorch tussenspreken onses gen. heren raden hebben wij angenomen tselue to reporteren ende tot Amsterdam een antwordt to laten weten.

__________

3 Nov. 1518. 

                Lübeck aan Kampen.
Vnssen fruntliken groth to vorn. Erssame wyse heeren besunderen guden frunde, Iuwer Ersamheide schryuent van wegen der rechticheit zeetonnen jn allen gaten der Suderzee to leggen, als juwe Ersamheide bet her jn lenckliker possession gehat hebben der sick nu de van Amstelredamme vnderstan scholen etc. an vns gedan, hebben wij alles inholdes wol ingenamen vnde fugen dar vp J. Er. fruntlick weten dath wy vth dessem dage an de van Amstelredamme jnt beste vnde vorderlikeste van den dyngen schryuen willen vmme juwe Ersamheide Gade almechtich beualen in oeren rechticheit to laten blyuenn. Schreuen vnder vnssem der stadt Lubeck secreten des wy anderen hyr to ssamptlich gebruken. Mydtwekens des dorden dages Nouembris anno etc. decimo octauo.

Borgermestere vnde Radtmanen der stadt Lü­beck vnde Radessendebaden der stede Hamborch, Rostock, Strallesundt, Wysmar vnde Luneborch itzundes daresulues to dage vorgaddert.

Op den rug staat:  » Lubeck dat antwordt van de zeton
» nen te leggen. De sladt hadde an hoer ges. dat sy ons
» een hoefft wolden wesen, want de van Amsterdam ons de
» rechticheyt van den zetonnen wolde affhandich maecken
» ende dit blau antwordt screuen sy weder.’’

__________

 [pag. 30]

 15 Mei 1523.

 Burgermeesteren, schepenen en raden van Amsterdam hebben van de Noordvaarders en meer anderen vernomen, dat er bij het leggen der zeetonnen groote gebreken zijn, en verzoeken dringend spoedig herstel. » Den xven dach May anno xxii°.

__________

 12 Dec. 1523.

 Dezelfden herhalen de klagt over het niet leggen der tonnen in sommige plaatsen en het kwalijk leggen op andere, zoodat vele schippers niet betaald hebben. Daar de tijdsgelegenheid niet toelaat gedeputeerden te zenden, ver­zoeken zy om eenigen der Camper burgers, die dagelijks te Amsterdam kwamen, by hen te zenden om in communi­catie te treden. »Den xijen dach jn Decembri anno dni xvc drie ende twyntich.’’

 __________

 25 Oct. 1526.

Na eene conferentie van hun raadslid Geert Borgertss. met die van Amsterdam, ten gevolge waarvan hun een voor­stel tot het overnemen der tonnen toegezonden is, schrijven burgemeesteren, schepenen en raden van Kampen, dat zij het voorstel onderzocht hobben, en verzoeken, dat eenige gedeputeerden van den raad herwaarts mogen komen, om alle dingen te klaren en vast te maken.

 __________

 4 Maart 1527.

 Wy Schout, Burgermeesteren, Scepenen en Raede der

[pag. 31]

stede van Aemstelredamme doen the weten een yegelycken en bekennen mits desen, dat al ist soe die goede stadt van Campen zekere lange jaeren mit hoeren eygenen zeetonnen en gereetscap daer thoe dienende tgebruyck heeft gehadt van den zeetonnen the leggen int Vlie, Marsdiep en andere diepten en zeegaten, dat wy nochtans mitten burgermeesteren, raide en regenten der seluer stadt van Campen ende jn dien name tzamen sorchdragende voir tweluaren van den zeuarende coopman, oick omme meerder liefde en vruntscap tusschen beyden zyden te voeden, ouereen gecomen en geaccordeert zyn by consent en weten van den zes en dertich raiden deser stede van Aemstelredam en die geswoeren gemeente der stadt Campen, dat wy jnden name en tot behouff der voirscreuen stede van Aemstelredam die voirscr. zeetonnen mit hoeren gereetscap als ons eygen van nv voortan ten ewigen dagen geduerende hebben, allene be­houden, gebruycken en leggen zullen ofte doen leggen byden genen, diet ons ofte onsen naecomelingen gelieuen zall zonder eenich toe ofte wederseggen van der stadt van Cam­pen, ouermits dat wy der seluer stadt van Campen van den voers. hoeren zeetonnen en gereetscap van dien mitgaders oick alle t’ recht, toeseggen en actie zy tot die selue zeetonnen te leggen, pretenderen te hebben, all voldaen, wel en duechtelicken betaelt en vernoecht hebben die leste penninck mitten iersten. Wel uerstaende en mit condicien dat alle die schepen en gueden tot Campen thuys behoerende, tzy die comen tol Amstelredam, tot Campen ofte elders jnder Zuyderzee oft binnen die zeegaten dragende in der Zuyderzee, vry zullen wesen van tpaelgelt te geuen, daer van wy en onse naecomelingen die selue schepen en goeden van Campen ouer all zoe veors. staet vry honden en doen houden zullen zonder enich gebreck daer inne te laeten gescieden jn eeniger wyse gedurende zoe lange die stede van Aemstelredam ’t recht van den zeetonnen te leggen ge­bruycken zall, all waert oick die tonnen in eenighe tyden

[pag. 32]

by emande anders dan by ons geleyt worden by onsen wille, mit voerwaerden dat men oick den burgheren, den schepen, noch den gueden van Campen geenerley exactien noch beswaernisse opleggen zall bouen ouder gewoenten aengaende t paelgelt; mar alle die andere goeden tot Campen niet thuys behoerende, tzy die comen tot Campen, tot Aemstelredam oft elders, paelgelt zullen geuen tot behouff vanden seluen stede van Aemstelredam nae goeder ouder gewoenten, en dat men van den seluen vreemden goeden nyet meer dan van outs gewoentlicken is tot paelgelde offnemen noch offmanen en zall. En zall die stede van Aemstelredam by hoeren paelmeester alle die gueden van Campen op gescrifte doen nemen en die sulue scrifte alle jaers op Martini an die stadt Campen ouerseynden. In gelyeke zall die stadt Campen by hoeren tollenaers alle die paelgelden van den vreemden gueden tot Campen aencomende doen invorderen en die selue paelgelden mitten register daeruan by namen en toenamen gescreuen oick alle jaers op Martini an deser stede van Amstelredamme ouerschicken, daer inne die paelmeesters ende tollenaers ten beyden zyden elcx by synen eede oprechtich zal wanderen, van alle twelck die Burger­meesteren en raide der stadt Campen ons in den name als bouen goede vaste zekerheyt mit hoeren bezegelden brieue gedaen hebben. Ende want dan dese stede van Aemstelre­dam van willen Philips hartoge van Bourgongnen etc. zekere priuilegie vercregen heeft roerende t leggen van den zeetonnen en vierteykenen genoemt kapen, breeder blyckende by enen auctentyck vidimus, dat wy daer af den burgermeesteren der stadt Campen ouergeleuert hebben etc, soe beloeven wy vuyt crachten van dien en oick jnden name en van wegen der stede van Aemstelredam dat die voirs. stadt van Campen ten ewigen dagen zal moegen genieten en gebruycken die vryheyt van geen paelgelt te genen van hoeren gueden en schepen gelyck dat voeren verhaelt staet. En dit onder tverbant van alle die gueden van der stede

[pag. 33]

van Aemstelredam en der poirteren van dien tegenwoirdich en toecomende, indien die burgheren van Campen in eenighen van den voers. articulen te cort gesciede alsdan tzelue mit allen cost hinder en schaden daeran te mogen verhalen, behoudelicken en mit verder condicien offt geviele tleggen van den zeetonnen en topboeren van den paelgelde by den heere van den lande ofte emandt anders den stede van Aem­stelredam offgenomen offte ontvreemt wordde, dat alsdan die stede van Aemstelredam gehouden zall zyn der stadt Campen hoere brieue en alle gerechticheyt van der zeluer saecken zy ons ouergelevert hadden, gans en al weder ouerteleueren, en der stadt Campen zoe veel ons eenichsyns moegelicken is hoer gerechticheyt daervan te helpen bescermen. All zonder arch en list. Jn kennisse der waerheyt hebben wy Schout, Burgermeesteren, Schepen en Raide der stede van Aemstelredam derzeluer stede zegelle ten zaecken beneden an desen gedaen hangen. Gegeuen opten vierden dach van den Meert jnt jaer ons heren duysent vyfhondert zeuen en twyntich.

Op perkament met aanhangend zegel van Amsterdam.
Verg. Handvesten van Amsterdam, bl. 28.

Op huyden den iiijen dach Martij a° xvc zeuen ende twyntich zyn de Eersame ende wyse Gherit Burchgeertss ende Jasper Jansz. burgermeesteren der stede van Campen ter eender, Hillebrant Jansz. Luyt Jacobss. en Allert Boelenz. burgermeesteren der stede van Aemstelredamme ter andere zyden, wegen ende jnde name der seluer steden ouer een gecomen ende geaccordeert by tusschen spreken ende arbitraghe van den wysen ende voirsichtigen Ruysch Jansz., Claes Geeff, Willem Claesz. ende Frans Janss. Cuyper, Jonghe Dirc Claes ende Cornelis Banninck als superarbiters by beyde partien daer toe gecoren, van de prys ende waerde van de zeetonnen, haeren kettenen ende anderen haeren toebehooren voortyds by de stadt van Campen gedaen maecken ende

[pag. 34]

nv by de van Aemstelredamme van dezeluer stadt Campen gecoft ende dat in manieren nairvolgende.
Ende eerst zal de stede van Aemstelredamme gheuen ende betalen de stadt van Campen voor twyntich tonnen (daer onder zyn twee cleyne tonnen voor een geheele gerekent) de pryse ofte waerde van vierthien tonnen. Item noch een nuwe tonne fac. xv tonnen.
Item een yegelycke geheele tonne is gewerdeert tot twaliff gouden gulden, te weten thout tot zeuen gouden gulden ende dat beslach ofte yserwerck daeromme geslagen tot vyff gouden gulden.
Item noch zyn daer zess niewe tonnen onbeslagen tstuck gewaardeert tot zeuen gouden gulden.
Item een yeghelyck hondert ijzers van de ketenen is gewaerdeert tot vyfftich stuuers; de kettenen wegen te samen achtdusent twee hondert een ende tzeuentich ponden.
Item ende noch zyn daer negenthien stucken steens ma­kende tsamen hondert ende acht voeten gewaerdeert tsamen mit dat deur houden van de selue steenen tot acht gou­den gulden.
Sa totale Ixxxviij L. vij st. vij d.

____________
– (1865) Het leggen van tonnen in de zeegaten der Noordzee door de Stad Kampen. Verslagen en Mededeelingen, 3e stuk, 1-34.

Category(s): Kampen
Tags: , , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *