Kloosters in Twente

KLOOSTERS IN TWENTE

in het verre en recente verleden


Het verhaal van de vrouwen en mannen
die zich in de loop der eeuwen
op zoveel verschillende manieren
geheel vrij maakten voor God
en hun leven in dienst stelden
van hun medemensen.

« om de naamloze duizenden niet te vergeten »

[ ]

Woord vooraf

Het begon allemaal in 1997 met een aanbod door ‘De Zwanenhof’ van een driedaagse tocht langs enkele kloosters in Twente, waarbij we de eerste dag een bezoek zouden brengen aan het Stift te Weerselo, de tweede dag aan het moederhuis van de zusters Franciscanessen te Denekamp en de leefgemeenschap ‘De Wonne’ te Enschede en op de laatste dag aan de kloosters van de Karmelieten en Karmelietessen in Zenderen. Het vervoer deels met de auto, deels op de fiets en te voet. Een programma bedoeld om mensen in contact te brengen met religieus leven in Twente, vroeger en nu. Een aanbod dat Gijs van Wijk, redemptorist, en ik helemaal zagen zitten.

Des te groter dan ook de teleurstelling dat zich – vanwege de te hoge kosten voor de doelgroep – tot tweemaal toe te weinig personen aanmeldden en de hele tocht niet doorging. Jammer, al die uren voorbereiding en al die afspraken voor niets! Waarop deken Henk Antonissen me voorstelde er een serie artikelen aan te wijden in het dekenale blad ‘Emmaüsgangers’. Artikelen waarop van meerdere kanten zo enthousiast gereageerd werd, dat men mij na de laatste aflevering vroeg deze in boekvorm uit te geven.

* * *

In uw handen dan het boekje ‘Kloosters in Twente’ met een inleidend artikel over Augustinus van Hippo, waarvoor ik dankbaar gebruik maakte van het magistrale werk ‘Augustinus, de zielzorger’ van Frits van der Meer en van het standaardwerk ‘Vijf bronnen van christelijke geest’ (de regels van Basilius, Augustinus, Benedictus, Franciscus en Ignatius) van Hans-Urs von Balthasar.
Vervolgens het hoofdgedeelte van het boekje: een tocht langs niet minder dan 21 kloosters vóór en ná de reformatie. Een bundeling van de artikelen zoals die – vanwege het toegestane aantal woorden – veelal staccato in telegramstijl zijn verschenen in ‘Emmaüsgangers’. Met tot besluit enkele woorden over de nadagen van het religieuze leven, waarbij allerlei oorzaken een rol spelen en er ook sprake is van een zekere wetmatigheid, waar religieuzen — blijkens een serie artikelen in ‘De Bazuin’ – heel verschillend op reageren.

* * *

Dit boekje ‘Kloosters in Twente’ dat ik in het jaar waarin ik als Brabander via de Maristen 40 jaar in Twente werkzaam ben, graag opdraag aan de vele religieuzen die ik tussen Dinkel en Regge mocht en nog steeds mag meemaken.

Losser, voorjaar 2005
Cor van de Wiel

Ten geleide

Geloven heeft alles met herinnering te maken. We brengen ons verhalen en gebeurtenissen van toen en ooit daar te binnen omdat die verhalen en gebeurtenissen iets zeggen over wie we zelf zijn, hier en nu. Op die manier krijgt ons leven van nu een betekenis erbij, bij de voor de hand liggende. Want geloven zelf heeft weer met alles te maken: met onze geboorte toen en toen, met onze dood ooit, en met alles daar tussenin, met al wat ons overkomen is, overkomt en nog zal overkomen. “Er is een tijd van en voor alles”, zei de Prediker (Pred. 3, 1-15), “een tijd van oorlog en van vrede, van oprapen en weggooien, van vreugde en van verdriet, van geboren worden en van sterven”. Hoe moeten we tegen dit alles aankijken? Wat is er de betekenis van? Gaat alles voorbij, zoals de wind, lucht en leegte? Of is er meer aan de hand?

We zoeken in onze herinnering wat daar ooit allemaal over is gedacht, gezegd, geleefd en beleefd, door mensen. Mensen hebben met dat alles geworsteld, hebben gezocht, geprobeerd, gevonden soms. Ze hebben dat alles met elkaar gedeeld. Ze hebben erover gesproken, met elkaar, met hun tijdgenoten, met hun voorgangers in de tijd, en zo ook met wie na hen zouden komen. Een dialoog die horizontaal en verticaal door de tijd heen wordt gevoerd. Een dialoog waar wij, hier en nu, of we ons daar nu van bewust zijn of niet, aan mee doen. Wij, mensen, zijn die dialoog, want (zegt Augustinus) wíj zijn de tijden.
Een dialoog om te weten te komen: ‘daar en daar gaat het uiteindelijk om in een mensenleven, verder kun je niet komen, het is zoiets als een woord van God zelf’, op die manier is de bijbel ontstaan, door mensen opgeschreven die wisten dat zij met elkaar een dialoog met God voerden. En door alle tijden heen wordt dit gesprek gevoerd.

[ ]

Er zijn, in ons mooie Twente, een aantal kloostergemeenschappen. Er zijn er in het verleden veel en veel meer geweest, lang geleden, korter geleden, gemeenschappen van mensen die het woord van God probeerden en proberen te horen in de herinnering van hun hart ten einde er zelf uit te kunnen leven. Al die mensen zijn deel van onze geschiedenis en dwalen daarom door onze herinneringen, we zijn met hen in een ondergrondelijke dialoog verbonden. Ze maken deel uit, daarom, van ons geloof. Hoe zij gezocht hebben en wat ze gevonden hebben van wat voor hen het woord van God inhield, het is een element van ons leven. Daarom is het zo belangrijk dat zij en wat ze deden niet vergeten wordt. Vergeten is zonde, is ongeloof.

Cor van de Wiel heeft een mooi boekje geschreven om de herinnering aan al die kloosters en dus aan al die mensen levend en dus de dialoog gaande te houden: met hen en met wat ze gevonden en geleefd hebben als woord van God. Als wij hun geschiedenis en hun leven zó lezen, herinneren we ons des te beter wie we zelf zijn. Graag beveel ik zijn boekje van harte bij u aan.

André Zegveld,
deken van Twente

[ ]

INHOUD
AUGUSTINUS VAN HIPPO
De monnik en zijn regel 2
Bisschop in een grauwe wollen mantel 4
KLOOSTERS IN TWENTE
     1. Het Kapittel te Oldenzaal 4
     2. Het Stift te Weerselo 6
     3. Het Antoniusklooster te Albergen 8
     4. Het klooster te Frenswegen 10
     5. Het klooster te Sibculo 12
     6. De Commanderie te Ootmarsum 14
     7. Het Agnesklooster te Oldenzaal 16
     8. Het klooster ‘Maria Vlucht’ op de Glaan 19
     9. Het instituut der klopjes 20
     10. De Karmelieten van Zenderen 22
     11. De Karmelietessen van Zenderen 25
     12. De zusters Franciscanessen van Denekamp 28
     13. De zusters Benedictinessen van Oldenzaal 31
     14. De zusters van de Goede Herder te Almelo 33
     15. De zusters van Heythuysen te Oldenzaal 35
     16. De zusters van het Larinksticht te Enschede 37
     17. De zusters van het Kostbaar Bloed te Hengelo 39
     18. De paters Maristen van het Sint Olavklooster 41
     19. De paters Redemptoristen van De Zwanenhof 44
     20. De paters kapucijnen van Dolphia 46
     21. De fraters Maristen en de fraters van Utrecht 49
NADAGEN VAN HET RELIGIEUZE LEVEN
Enkele beschouwingen 53
BIJLAGEN
Kaarten en een plattegrond 55


|pag. 1|

AUGUSTINUS VAN HIPPO

Augustinus van Hippo die in 354 te Tagaste in Romeins Afrika werd geboren uit ouders van wie de moeder Monnica christin was en de vader heiden. Augustinus die – hoewel voortgekomen uit de kleine burgerij – door zijn ouders en een mecenas in staat gesteld werd om onderwijs te volgen zoals alleen weggelegd voor de elite: een opleiding tot leraar welsprekendheid. Een man met een briljante loopbaan die hem van Carthago naar Rome bracht en vervolgens naar Milaan, waar hij de stedelijke leerstoel voor retorica bekleedde tot hij er in 386 op 32-jarige leeftijd christen werd. Gedoopt door zijn leermeester bisschop Ambrosius in wiens kerk hij psalmen en hymnen hoorde zingen, door Ambrosius uit het oosten ingevoerd.

De monnik Augustinus

Augustinus na zijn voorafgaande bewogen leven – beschreven in zijn beroemde ‘Confessiones of Belijdenissen’ – zo gegrepen door de levensbeschrijving van Antonius de kluizenaar (gest. ± 340 in Egypte), dat hij monnik werd en in 388 meteen in het door hem geërfde ouderlijk huis te Tagaste met vrienden een landklooster begon, waarvoor hij een regel schreef, kort nadien in 391 aangevuld, toen hij door de oude bisschop Aurelius van Hippo priester was gewijd en een tweede klooster stichtte in een tuin dichtbij de kerk.

Een kloosterleven waaraan Augustinus ook vasthield, toen hij in 395 bisschop was geworden en in de bisschopswoning zijn derde kloostergemeenschap stichtte, nu niet meer bestaande uit leken, maar uit een 20-tal geestelijken. Ook stichtte hij een klooster voor vrouwen. En omdat meerdere monniken uit zijn mannenklooster bisschop werden die op hun beurt weer kloosters stichtten, telde Romeins Afrika bij de dood van Augustinus in 430 ongeveer 20 kloosters waarvan hij de hogere overste was.

De regel van Augustinus

Augustinus die zijn meesterschap van de taal in dienst stelde van het streven naar de volmaaktheid door de Regel te schrijven die zich over een grote bijval mocht verheugen en later niet alleen de regel werd van de kapittels der kanunniken en de geestelijke ridderorden, van de Norbertijnen, de Dominicanen en Augustijnen, maar ook van de Norbertinessen, Dominicanessen en Augustinessen, de zusters Ursulinen en Visitandinen en vele andere congregaties die zich deze oudste kloosterregel van het westen tot gids kozen.

|pag. 2|

Een regel die zo velen aansprak, omdat Augustinus bij het schrijven ervan de gemeenschap in goederen voor ogen stond van de eerste christengemeente te Jeruzalem met het ‘één van hart en één van ziel’ (Handelingen 4,32) als telkens terugkerende motief, waardoor de enkeling bevrijd wordt van het eigen ik en het egocentrisch begeren, want ‘waar twee of drie in zijn Naam bijeen zijn, is Hij in hun midden’. Dit monastiek gemeenschapsideaal voor Augustinus ook van betekenis voor de hele kerk, daar hij het klooster zag als een kerk-in-het-klein, als de afglans van het hemels Jeruzalem en de voorproef van de gemeenschap der heiligen in de hemel.

[ afbeelding: Augustinus en kaart van Noord-Afrika ]

Eerste voorwaarde van dat gemeenschapsideaal de volledige, persoonlijke armoede: ‘Er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde.
Integendeel, zij bezaten alles gemeenschappelijk en er werd uitgedeeld naar ieders behoefte’. Tweede fundamentele eis de belangeloze zorg en arbeid voor de gemeenschap, even belangrijk als het gebed en de geestelijke lezing. En de derde grote eis de gehoorzaamheid in een geestelijke vader-zoon-verhouding, waarbij de overste niet de heerser en gebieder is, maar – naar Christus’ woord – de dienaar van de anderen.

Armoede, inzet voor de gemeenschap en gehoorzaamheid aldus de fundamenten waarop Augustinus’ kloosterlijk gemeenschapsideaal rustte met inkeer en gebed, ascese en kuisheid als onontbeerlijke pijlers. Ascese, hulpmiddel ‘om de oude mens uit te trekken en zich in God te vernieuwen’ en kuisheid of onthouding het middel om de monnik in staat te stellen tot de totale en onverdeelde overgave aan God. Met voor Augustinus telkens weer de liefde als de kern van de regel, ‘de liefde die niet vergaat’.

|pag. 3|

De bisschop in een grauwe wollen mantel…

Treffend wat Frits van der Meer over hem schreef: « Hoe de beste jaren van Augustinus begonnen in het derde-rangse kleine bisdom Hippo, hoe hij daar vanachter zijn schrijftafel en vanaf zijn eenvoudige, hem nog dierbaarder bisschopsstoel op en top zielzorger was en hoe hij – gekleed in een grauwe wollen mantel – kon omgaan met het gewone volk én met de elite. Augustinus die het neoplatonisme vaarwel zei voor de in Jezus onweerstaanbaar waarheid geworden nederigheid Gods, te begrijpen door timmerlui en vissers. De man die de gave bezat om zich steeds weer opnieuw te verwonderen over Gods werking in de kosmos, in zijn eigen ziel en die van anderen. Augustinus, van wie zijn biograaf tot zijn verlegenheid geen wonderen kon vermelden, maar wel diens levensbeschrijving kon beëindigen met ‘die én gedaan heeft én geleraard, die zal groot zijn in het Rijk der hemelen ».

Augustinus, die zijn clerus samenbracht in een gemeenschap, een voorbeeld dat rond dezelfde tijd en daarna navolging vond bij bisschoppen als Martinus van Tours, St. Victricius van Rouen, Caesarius van Arles, Honoratus van Lérins, Cassianus van Marseille, Paulinus van Nola in Campanië en vooral bij Chrodegang van Metz, over wie meer bij het kapittel van Oldenzaal.

KLOOSTERS IN TWENTE

     1. Het Kapittel te Oldenzaal

Toen Chrodegang van Metz (715-766) naar het voorbeeld van Augustinus en anderen het gemeenschappelijk leven invoerde voor de geestelijken aan zijn bisschopskerk en een regel (canon) schreef voor deze manier van leven – spoedig het vita canonica genoemd -, ontstond als vanzelf de naam canonicus of kanunnik. Een regel die door Karel de Grote op de synode van Aken (816) verplicht werd gesteld voor alle grotere kerken in zijn rijk, zoals al eerder door zijn vader Pepijn III voor het hele rijk de Romeinse manier van liturgie vieren en zingen was voorgeschreven.

Zo kreeg in 954 Oldenzaal van bisschop Balderik van Utrecht behalve een nieuwe kerk met de relieken van Plechelmus ook een kapittel van 15 kanunniken. Eén van de kapittels in het toen immens grote bisdom Utrecht, belangrijk als steunpunt van de bisschoppelijke macht, maar ook als moederkerk van de wijde omgeving. Kanunniken die in één gebouw samenwoonden, in de kerk de dagelijkse eucharistie en het koorgebed verzorgden en iedere ochtend in de kapittelzaal samenkwamen ter bespreking

|pag. 4|

van de lopende zaken met aan het begin een korte lezing uit een hoofdstuk of kapittel van de H. Schrift of de Regel, vandaar de naam kapittel voor het college van de kanunniken.

De proost (van prae-positus = vooraan geplaatst) van het kapittel was een van de belangrijkste priesters van het bisdom, die in feite de pastoors aanstelde in Twente. Met naast hem nog 3 belangrijke personen: de deken verantwoordelijk voor de liturgie en het koorgebed, de scholaster voor het onderwijs aan de kapittelschool en de thesaurier voor de financiën en de gebouwen.

[ afbeelding Oldenzaal ]

Oldenzaal vooral door dit kapittel tot in de 17-de eeuw het godsdienstig centrum van Twente, nu nog af te lezen van de Plechelmuskerk waarvan de bouw rond 1500 voltooid werd met de nog steeds imponerende romano-gotische toren waardoor bisschop David van Bourgondië – de bouwer van de domtoren in Utrecht – ook in het meest oostelijke deel van zijn bisdom met vlakbij de graaf van Bentheim wilde laten zien wie er de baas was.

De kanunniken of ‘heren van de kerk’ die na de Reformatie verdwenen, doch niet na zich zo lang mogelijk te hebben ingezet voor het behoud van het geloof door de verspreiding van de catechismus van Rovenius en hun bijdrage aan de opleiding van priesters in de geest van het Concilie van Trente. Mannen die Twente mede weerbaar maakten voor de volgende eeuwen en die je in het jubileumjaar 2005 – in je fantasie – kon zien meelopen in de processie met het zilveren borstbeeld van Plechelmus door de binnenstad van Oldenzaal en weer kon horen zingen in het weergaloos mooi uitgevoerde en op een CD vastgelegde middeleeuwse officie van Plechelmus door de Schola Hartkeriana uit Amsterdam.

|pag. 5|

Van meer dan gewone betekenis was het klooster dat Benedictus van Nursia rond het jaar 530 stichtte op de Monte Cassino in Italië, waarvoor hij een regel schreef die de rijpe vrucht was van jarenlange oefening, observatie en ervaring en vooral van een bijzondere feeling voor de mogelijkheden van de menselijke natuur. De regel tot de verbreiding waarvan paus Gregorius (590-604) veel heeft bijgedragen, nadat hij deze had leren kennen bij de monniken die – na de verwoesting van Monte Cassino in 589 door de Longobarden – hun toevlucht hadden genomen in de stad Rome. De regel die snel tot de 13-de eeuw de enige kloosterregel zou worden naast de kanunnikenregel van Augustinus.

     2. Het Stift te Weerselo

Omstreeks 1140 woonden er in het dunbevolkte Twente hooguit 10.000 mensen.
Graaf Hugo van Goor is er – als een van de 7 leenmannen van de bisschop van Utrecht – belast met het bestuur en de rechtspraak. In een tijd waarin de strijd tussen de keizer en de paus om de geestelijke macht duidelijk in het voordeel van de kerk beslist is en de benoeming van bisschoppen en geestelijken niet langer in de handen van leken ligt.

Het is óók de periode waarin velen het kloosterideaal weer streng wilden beleven: Norbertus uitgaande van de regel van Augustinus, Bernardus van die der Benedictijnen. Zo trad Bernardus in 1112 met maar liefst 30 ridders in te Citeaux bij Dijon, waar zich zoveel kandidaten aanmeldden dat hij van daar uit 68 kloosters stichtte. ‘Een bewonderenswaardig schouwspel van christelijk idealisme en heldhaftige deugd’, aldus de Jong in zijn kerkgeschiedenis.

Begrijpelijk dus dat ook ridder Hugo van Buren zich in 1140 met zijn familie en personeel terugtrok uit de wereld, om in de buurt van de kapel te Weerselo een leefgemeenschap te vormen om voor God te leven en zelf in het levensonderhoud te voorzien. Dit alles mogelijk dank zij de genoemde Hugo van Goor – zijn neef – die hem met verlof van de bisschop die kapel met bijbehorende grond ter beschikking had gesteld.

Een gemeenschap die in 1150 – vanwege de behoefte aan structuur – een filiaal werd van de Paulusabdij te Utrecht. Een benedictijns dubbelklooster van mannen en vrouwen, streng gescheiden onder leiding van een abt. De vrouwen zó in woelige tijden meer verzekerd van bescherming. Geen overbodige zaak, want met name de heren van Saasveld zagen de groei van het rijker wordende klooster met lede ogen aan. Heren die het de paters zó lastig maakten, dat deze in 1207 besloten terug te keren naar de abdij in Utrecht.

|pag. 6|

Weerselo vanaf die tijd een vrouwenklooster voor die meisjes uit de Twentse adel, die niet uitgehuwelijkt werden om het familiebezit niet te versnipperen, waardoor het klooster steeds meer een adellijk stift werd, waarin men geen gelofte aflegde voor het leven en men leefde van wat men zelf inbracht en van de inkomsten van het stift zelf. Vrouwen die er – als kinderen en ‘slachtoffer’ van hun tijd – leefden binnen de grachten van het Stift, en er – religieus ‘naar stand’ – de getijden baden, de eucharistie vierden en veel handwerkten.

Rond 1500 werd een nieuwe kerk gebouwd, die echter in 1523 op het feest van Sint Maarten met alle andere gebouwen door brand werd verwoest. Door onvoorzichtigheid van een der zusters met vuur op haar cel. Het Stift dat toen bier, brood en andere benodigdheden ontving van het Antoniusklooster te Albergen. Waarna er een nieuw complex verrees in de stijl van de thans nog aanwezige, in 1974 herbouwde stiftshuizen.

[afbeelding Stift Weerselo met onderschrift: Het Stift, thans een door eeuwenoude bomen omgeven oase van stilte in het Twentse land, terecht uitgeroepen tot beschermd dorpsgezicht. In de Stiftsschuur geeft men u graag de sleutel van de kerk om er tussen en op de grote grafstenen terug te denken aan al die vrouwen die daar eens vanuit hoog of minder hoog gestemde idealen leefden, baden en zongen.]

In 1626 werd de Stiftskerk ingericht voor de gereformeerde eredienst en ging het beheer van het Stift over in handen van de Ridderschap van Overijssel, waarbij de joffers niet gedwongen werden protestant te worden, doch wie na 1647 intrad, diende dat wel te zijn. Toen in 1795 door de Fransen aan de adel alle bezit werd ontnomen en het Stift onder de hoede kwam van het gewest, bleven de toen nog aanwezige joffers in het genot van hun deel der inkomsten, doch nieuwe joffers mochten niet meer intreden.

|pag. 7|

In 1812 – mede ter financiering van Napoleons veldtocht naar Rusland – verkoop van de grond, waarbij de gebouwen binnen de gracht buiten de verkoop bleven. Hetzelfde jaar waarin Lodewijk Napoleon besliste dat de stiftskerk – omdat ze te klein was voor de 980 katholieken, doch groot genoeg voor de 140 hervormden – hervormd bleef, terwijl de katholieken subsidie kregen voor de reparatie van hun kerkhuis en de bouw van een toren, zodat het geheel meer op een kerk leek.

     3.Het Antoniusklooster te Albergen

Klooster waarvan de geschiedenis begint in 1406, wanneer de gebroeders Schulte via de pastoor van Almelo hun erf Hobergen verkopen aan de Broeders van het Gemene Leven te Zwolle en de eerste broeders meteen hun intrek nemen in het ‘los hoes’ van de boerderij. Om vervolgens in het klooster dat in 1413 gereed komt, een eenvoudig bestaan te leiden als boer en wever en er zich in de geest van Geert Grote (1340-1383) toe te leggen op zelfheiliging.
Een klooster dat ze onder de bescherming stellen van Antonius van Egypte, die zich in 271 als 20-jarige in de woestijn terugtrok, daar vele volgelingen kreeg en door zijn regel een belangrijke bijdrage leverde aan de ontwikkeling van het kloosterleven.

Het jaar 1413: de tijd van het Westers Schisma met elkaar tegenstrevende pausen en in veel bisdommen dito bisschoppen, de tijd ook met steeds meer greep van het wereldlijke op het geestelijke. Een verwarrende tijd waarin Geert Grote zijn omgeving een meer mystiek kerkbegrip voorhoudt, waarin de eenheid met Christus belangrijker is dan de verbondenheid met de paus van Rome of van Avignon. De diaken Geert Grote die in zijn preken door het hele bisdom Utrecht de gelovigen oproept tot een intenser vroomheid, de priesters tot een zuiverder leven en de kloosters tot een soberder levensstijl.

Met succes, want steeds meer priesters en leken – mannen en vrouwen – sluiten zich aaneen om het gemeenschapsideaal (het Gemene Leven) van de eerste christenen in praktijk te brengen, om modern en devoot te leven. Aanvankelijk zonder officiële regel en geloften, maar vanaf 1387 steeds meer zoals in Windesheim met de regel van Augustinus.

Wanneer in 1448 ook Albergen zich aansluit bij de Congregatie van Windesheim, bezit het klooster al 14 boerderijen, tienden en stukken land en groeit het – onder de leiding van bekwame priors – in korte tijd uit tot het belangrijkste geestelijke en culturele centrum van Twente. Een klooster waarin de koorbroeders hun dagtaak vinden in het vieren van de eucharistie, het koorgebed, de studie en geestelijke leiding aan de vele gasten, terwijl de leken-broeders de beroepen uitoefenen van timmerman, olieslager, molenaar, smid, schoenmaker, boekbinder enz. Die broeders echte specialisten op het gebied van land- en tuinbouw, veeteelt, waterbeheersing, het bereiden van voedsel en het verzorgen van zieken.

|pag. 8|

[ 2 afbeeldingen – hele bladzijde 9 ]

|pag. 9|

Ten tijde van de kroniek van Johannes van Lochem (1520-1525) wonen er in het klooster 28 koor- en 45 lekenbroeders. De grootste bloei is dan echter al voorbij door de vele oorlogshandelingen tussen 1517-1538, nu eens van de zijde van de bisschop van Utrecht, dan weer van de hertog van Gelre met alle ellende van inkwartiering en plundering. Een tijd waarin het land geregeld onbewerkt blijft en Twente een desolate indruk maakt. Doch helemaal catastrofaal de toestand na 1550, wanneer Twente in de frontlinie ligt van de strijd tussen de Staatse en Spaanse troepen en het aantal kloosterlingen is terug gelopen tot 8 in 1569 en nog maar 3 in 1582.

Het jaar 1582 waarin het klooster – inclusief 30 boerderijen – in beslag wordt genomen door de Ridderschap en Steden van Overijssel en de grond aan de meest biedenden verkocht. Het klooster en de kerk worden dan vanwege de overwegend katholiek gebleven streek niet afgebroken, maar raken zó in verval dat Ridderschap en Steden daartoe alsnog in 1721 besluiten.

Klooster en kerk die dan totaal in de nevels der geschiedenis verdwijnen, zonder ook maar één afbeelding. Het enige wat men vond: de resten van funderingen waar de meeste automobilisten op de N349 ter hoogte van de parochiekerk van Albergen nietsvermoedend overheen rijden.

     4.Het klooster Mariënwolde te Frenswegen

Het begint allemaal rond 1390, wanneer Everhard van Eze – arts te Almelo – na de dood van zijn vrouw lid wordt van de Broeders van het Gemene Leven te Deventer en na zijn priesterwijding terugkeert naar Almelo. Hij sticht er een huis voor de Zusters van het Gemene Leven, waaromheen zich dan een groep vormt van priesters en leken die naar hetzelfde ideaal willen leven.

Wanneer zijn oud-kapelaan Heinrich Krull – dan pastoor te Schüttorf – er aan denkt zich als kluizenaar terug te trekken in het Bentheimer Wald, wil de graaf Bernhard I daar niets van weten. Die voelt meer voor het plan van Everhard van Eze van een klooster toegewijd aan Maria in de buurt van Nordhorn.

De graaf vindt dan aan de weg naar Frensdorf (vandaar de naam Frenswegen) een geschikte plek, koopt de grond en bouwt er met verlof van de bisschop van Munster in 1394 een klooster, dat zich in 1400 aansluit bij de Congregatie van Windesheim. Een klooster met een lange geschiedenis waarin men 5 periodes kan onderscheiden:

  1. De eerste bloeitijd (1400-1544), waarin Frenswegen het belangrijkste dochterklooster wordt van Windesheim door de strenge observantie (het onderhouden van de regel) en de beoefening van de wetenschap.
    De periode waarin meer dan 100 leden intreden, 16 koorheren elders prior worden en men van het Concilie van Bazel (1435) de opdracht krijgt de andere kloosters van de orde in Duitsland te hervormen.

  2. |pag. 10|

  3. Het tijdperk van de Reformatie (1544-1626), waarin onder de calvinistisch geworden graaf Erwin III het klooster geen novicen meer mag aannemen, alle pogingen van de graven om het klooster te doen uitsterven, schipbreuk lijden door het voortdurende beroep van de prioren op de keizer.
  4. De tweede bloeitijd tot aan de opheffing (1626-1809), waarin dank zij de beschermbrieven van de keizer en niet minder de houding van bisschop Bernhard van Galen het klooster in stand blijft en in 1663 weer novicen mag aannemen. Tot het klooster met bijbehorende grond in 1803 door Napoleon – ter schadeloosstelling voor het verlies van zijn graafschap Bentheim aan ’s keizers zwager Murat – aan de graaf wordt geschonken, die met de opheffing van het klooster niet zo’n haast maakt.
  5. [ 2 afbeeldingen van klooster Frenswegen ]

  6. Na de opheffing (1809-1973) Wanneer de laatste koorheer in 1809 het klooster verlaat, staat het jaren leeg. De boeken van de kloosterbibliotheek door de graaf in 1875 ten geschenke gegeven aan de universiteit van Straatsburg. Branden die het gebouw teisteren, waarvan de grootste in 1881 die de prachtige kloosterkerk in de as legt. Frenswegen waarvan echter zoveel intact blijft, dat het in de daarop volgende bijna 100 jaren onderdak kan bieden aan douanebeambten en Russische krijgsgevangenen, aan de Hitlerjugend en Engelse bezettingstroepen, aan vluchtelingen en verdrevenen.
  7. De nieuwe bestemming (vanaf 1973), een oecumenisch vormingscentrum, dank zij de samenwerking van het bestuur van het graafschap Bentheim en de 6 kerkgenootschappen binnen haar grenzen.

Frenswegen, het klooster waarvan – op de oostelijke zuidvleugel en de laatgotische hallenkerk na – zoveel gebouwen met hun typische 2 verdiepingen hoge kruisgang bewaard zijn gebleven. Met – o wonder, omgeven door oude eiken – tegen de binnenmuur van de oude kerk de schepping van Hans Busso von Busse, symfonie van glas en beton. Een ruimte die je als vanzelf doet denken aan psalm 104: ‘Mijn Heer en mijn God, wat groot zijt Gij, bekleed met majesteit en met een mantel van licht omhangen’. Frenswegen, ooit ten tijde van prior Heinrich Loder (1415-1436) paradisum Westfaliae genoemd!

|pag. 11|

     Het klooster te Sibculo

Merkwaardige stichting van de Broeders van het Gemene Leven ‘op een plaats afschuwelijk woest en van het begin der wereld onbewoond, zodat men moeilijk van de ene naar de andere kant kan komen’. Woorden van de eerste kroniekschrijver die je nieuwsgierig maken naar wat zich op die plek in het later zo belangrijke klooster zou afspelen.

Het begint allemaal in 1403, wanneer de priester Johan Cemme uit Hessen zich met de voormalige koster van de Bergkerk in Deventer en enige devote mannen – één verlaat daarvoor zelfs zijn vrouw – door bemiddeling van de prior van de Regulieren te Windesheim en de Benedictijner pastoor van Hardenberg zich terugtrekt in de eenzaamheid in een klein huisje van de krijgsman Diderik van Voorst. Een huisje dat ze met de hulp van dagloners uit Hardenberg op kosten van de genoemde pastoor afbreken om het nog dichter bij de beoogde eenzame plek weer op te bouwen. Een voorlopig onderkomen dat ze Mariënberg noemen. Om ten slotte – na de beste weg door het moeras gevonden te hebben – grotendeels op kosten van kanunnik Zweder uit Oldenzaal een klooster te bouwen dat in 1406 gereed komt.

Het is de tijd waarin mensen zich – zoals we zagen te Weerselo en Albergen – idealistisch en heldhaftig uit de wereld terugtrokken om zich geheel aan God toe te wijden. Zelfheiliging door schriftlezing, vasten en gebed, maar ook door noeste arbeid van de vooral zeer talrijke lekenbroeders. En weldoeners die – óók bezorgd om hun zielenheil – deze mannen mild bedachten. Zoals gravin Beatrix van Almelo die hun de zandrug van Sibculo schonk met de omliggende venen.

[ afbeelding: schets klooster Sibculo met bijschrift ]

Intussen was de gemeenschap die leefde naar de regel van Augustinus, in 1412 toegetreden tot de strengere Orde der Cisterciënsers met de regel van Benedictus in haar zuivere vorm. Een orde die toen in ons land een uitzonderlijke bloei doormaakte met 14 mannen- en 19 vrouwenkloosters. Een bloei vooral te danken aan de stichter Bernardus van Clairvaux die in 1112 aan het hoofd van 25 jonge mannen intrad in Citeaux met naar zijn eigen woorden als voornaam-

|pag. 12|

ste drijfveer ‘zich onvoorwaardelijk los te maken van deze aarde van ongelijkheid waarin de door het kwaad verminkte mens niet meer gelijkt op zijn Schepper om langs de kortste weg het hemelrijk van gelijkenis te vinden, waar hij zijn verloren waardigheid terug krijgt en zich verenigen kan met zijn Heer’. Met daarnaast de innige, door Bernardus voorgeleefde verbondenheid met Maria zoals die blijkt uit de namen van vele kloosters. Sibculo dat de mooie naam kreeg van ‘Onze Lieve Vrouwe in Galilea’.

Sibculo dat zich ontwikkelde tot de z.g. Congregatie van Sibculo, waartoe 8 mannen- en 2 vrouwenkloosters toetraden, die – uit nederigheid – de waardigheid van abt en abdis afschaften, maar ook om verschoond te blijven van door de adel opgedrongen abten en abdissen. Sibculo, een klooster met vanaf 1429 een eigen studiehuis en een grote bibliotheek.

[ afbeelding klooster Sibculo ]

Sibculo dat geen echt klooster zou zijn, als ook daar niet in de loop der jaren door de toenemende rijkdom de tucht zou verslappen. Met rond 1570 bovendien de plaag van de strijd tussen de Staats- en Spaansgezinden en het vervelende optreden van de abt van Aduard (Groningen), visitator namens de generaal der orde te Citeaux. De man die Sibculo, dat vast wenste te houden aan het voorrecht zelf de prior te mogen kiezen, opzadelde met een door hem benoemde prior. Deze abt in 1575 echter door de generaal met de hulp van Philips II ontslagen als visitator en de door hem benoemde prior verdreven.

Lang hebben de monniken van deze overwinning niet genoten. Slechts tot 1579, toen de Reformatie haar intrede deed, het klooster met alle bezit in handen kwam van de Ridderschap en Steden van Overijssel, de prior voor de rest van zijn leven een jaargeld ontving en de gebouwen in verval raakten. Tot de kerk en ‘al het onnodige getimmer’ in 1604 werden afgebroken, de bibliotheek of wat er nog van over was in 1610 verhuisde naar het klooster Frenswegen en tenslotte in 1611 de erven en landerijen verkocht werden aan de meest-

|pag. 13|

biedenden. Waarna de heren van Almelo nog tot 1768 tevergeefs probeerden de vele door hun voorouders geschonken gronden terug te krijgen.

Sibculo waarvan helaas geen afbeelding bewaard is gebleven. Slechts een reconstructie door pastoor Rientjes, aan de hand van het gangbare patroon der Cisterciënserskloosters en de opgravingen te Sibculo van 1928-29. Enig zichtbaar overblijfsel de waterput waarvoor men in Frankrijk een oude, fraai gebeeldhouwde putrand wist te bemachtigen met daarboven een dakje als te Brixen in Zuid-Tirol. Die put met de daaromheen liggende tuin, ideale plek om je gedachten de vrije loop te geven.

     6. De Commanderie te Ootmarsum

Kenmerkend voor de periode van de kruistochten – waarvan alleen de eerste van 1096-1099 met een leger van 200 à 300.000 man succesvol was (herovering van Jeruzalem), maar de zes andere tussen 1147-1270 niet zouden leiden tot blijvend resultaat – zijn de z.g. militaire orden. De Orde van de Tempeliers ter bescherming van de pelgrims naar de heilige plaatsen, al spoedig het elitekorps van de legers der kruisvaarders en de Orde van de Johannieters. Orden met een combinatie van 2 roepingen – de monastieke en de militaire – die de tijdgenoten enorm aansprak.

Tijdens de derde kruistocht (1189-1192) – ondernomen door keizer Frederik Barbarossa, Richard Leeuwenhart van Engeland en de Franse koning – het ontstaan van zo’n derde militaire orde. Kooplui uit Bremen en Lübeck die bij Acca een veldhospitaal stichtten, dat ze na de inneming van de stad vervingen door een hospitaal van steen met kapel en woonhuis en de lange naam gaven van: Hospitale Sanctae Mariae Theutonicorum in Jerusalem, in de hoop daar de hoofdzetel van de orde te kunnen vestigen. Het begin van de Duitse Orde met een dubbel doel: zowel het verzorgen van de zieken als het bestrijden van de vijanden van het geloof.

Een orde die – toen de herovering van het H. Land onmogelijk bleek – haar werkterrein verplaatste naar het gebied van de nog grotendeels heidense bewoners van Pruisen en de Baltische Landen. Een orde met 4 soorten leden van Duitse bloede: ridders die een zekere adeldom moesten bezitten, priesters, servanten en halfbroeders. Een orde die beschikte over goed met politiek, economie en diplomatie vertrouwd personeel en een dapper leger en aan het begin van de 15-de eeuw soeverein heerste over een gebied dat zich uitstrekte van de Oder tot de Finse Golf met versterkte steden en burchten. Een situatie die voortduurde tot 1460, toen men na 20 jaar strijd de koning van Polen moest erkennen als leenheer en grote gebieden aan hem afstaan.

Maar wat deze koning niet lukte – het doen verdwijnen van de orde als staat-, dat gebeurde in 1525, toen de grootmeester (algemene overste) Albrecht van Brandenburg lutheraan werd en Pruisen het groothertogdom Brandenburg. Iets wat ook plaats vond in Estland en Litouwen.

|pag. 14|

Op het moment van haar grootste verspreiding telde de orde over heel Europa 16 balijen of landcommanderijen, onderverdeeld in commanderijen. Een van die commanderijen – onderdeel van de balije Utrecht – was Ootmarsum, gesticht in 1262, toen enkele edelen uit Twente hun leengoederen terug gaven aan de bisschop van Utrecht om die aan de Duitse orde te geven. Waarbij de commandeur van Utrecht zijn keuze liet vallen op het waterrijke, vruchtbare gebied ten zuiden van het stadje Ootmarsum.

Een commanderie waarvan men zich een goed beeld kan vormen aan de hand van de grote maquette in het Openluchtmuseum van Ootmarsum: een meerdere verdiepingen tellend hoog bouwwerk met torentje, een 25 meter lange kapel en lagere dienstwoningen. Huisvesting voor een convent van 12 ridder- en priesterbroeders o.l.v. van een commandeur, die allen de 3 geloften hadden afgelegd.
Een gemeenschap gericht op werken van barmhartigheid (de verpleging van zieken en gewonden), later uitgebreid met militaire en religieuze activiteiten. Een commanderie met – naarmate het bezit groeide tot zo’n 80 boerenerven – steeds meer horigen en personeel.

[ afbeelding: commanderie in Ootmarsum met onderschrift als volgt: De commanderie omstreeks 1725. Van links naar rechts de tot opslagruimte gedegradeerde kapel, het koetshuis en het hoofdgebouw met dakruiter. De schaduw op de voorgrond is afkomstig van de torenvormige toegangspoort tot het voorplein met daarop geen ridderbroeders meer, doch de drost met 2 joffers. ]

Ootmarsum, de rijke, meest oostelijke commanderie van de balije Utrecht, waar door de aangrenzende balije van Westfalen begerig naar werd gekeken. Aanvankelijk tevergeefs, maar uiteindelijk met succes, zodat de commanderie Ootmarsum van 1542 tot aan de opheffing in 1635 deel uitmaakte van de balije van Westfalen met haar hoofdhuis in Munster.

|pag. 15|

De commanderie die vanwege haar uitgebreide grondbezit veel te lijden had van oorlogshandelingen zowel tijdens de Gelderse oorlogen (1510-1540) als de 80-jarige oorlog. Met opvallend feit, hoe Maurits – toen de Staten van Overijssel hem in 1597 de commanderie met toebehoren aanboden – hij dat afwees. Ongetwijfeld vanwege de band van de commanderie met de balije van Westfalen in het machtige bisdom Munster. De balije van Munster die tegen betaling van een hoge contributie aan de Staten van Overijssel hoopte op betere tijden, waarbij zij zelfs zover ging ridderbroeder Johann Dietrich von Heyden ondanks zijn calvinistische ideeën te benoemen tot commandeur, in de hoop dat men Ootmarsum zou ontzien.

Tevergeefs. In 1633 werd de commanderie door Staatse troepen bezet, trad Johann Dietrich uit de orde en werd de commanderie van Ootmarsum – in overleg met de balije van Munster – in ruil voor zijn kasteel in het Sauerland eigendom van Johann Dietrich. De Staten van Overijssel woedend over deze transactie, waarmee men tegen een jaarlijkse pacht van 2100 gulden akkoord ging, totdat de commanderie in 1662 voor 34.000 gulden definitief bezit werd van de Von Heydens, vanaf die tijd ook de drosten van Twente, d.w.z. de vertegenwoordigers van de Staten van Overijssel in dat gewest. De drost, een persoon met grote volmachten in zake rechtspraak, hand- en spandiensten door de horige boeren en het opleggen van geldboetes aan de katholieken die in het geheim samenkwamen. De drost bovendien een ‘pater omnipotens’ bij de aanstelling van predikanten.

Toen de laatste drost in 1790 overleed en zijn nazaten er niet in slaagden zijn omvangrijke bezit in zijn geheel van de hand te doen, besloten deze alles stuksgewijs te verkopen. De commanderie zelf werd in 1811 gesloopt, op een van de twee molenaarshuisjes na, dat thans toegang geeft tot het Openluchtmuseum met daarin de eerder vermelde maquette van de commanderie.

     7. Het Agnesklooster te Oldenzaal

De meeste bezoekers van het winkelcentrum De Driehoek’ zullen er zich daar niet van bewust zijn op de plaats te lopen waar eens Begijnen leefden, later Franciscaner nonnen en vanaf 1612 zusters Clarissen.

Begijnen, ongetrouwde vrouwen of weduwen die een soort religieus leven leidden, samen of in afzonderlijke huisjes rond een hof. Vrouwen die handenarbeid verrichtten, zieken verpleegden en onderwijs gaven aan meisjes. Dames die geen eigenlijke kloostergeloften aflegden, maar – voor de tijd dat ze zo leefden – gehoorzaamheid aan een overste en zuiverheid beloofden. Begijnen rond 1170 in het Belgische Wallonië ontstaan uit het aloude instituut der reclusen: nonnen die zich als kluizenaressen bij een kerk, hospitaal of melaatsenhuis vestigden, geäffilieerd met mannelijke kloosterorden zoals de Norbertijnen en de Cisterciënsers.

Toen deze orden de reclusen zowel om economische redenen als vanwege de te

|pag. 16|

uitgebreid wordende zielzorg en het zedelijk gevaar van zich afstieten, ontstonden de gemeenschappen van begijnen. Vrouwen bij wie behalve de behoefte aan een innig geloofsleven, óók – vanwege de steeds rijker wordende steden en kerken – het ideaal van de terugkeer naar de apostolische eenvoud en armoede een rol speelde. Ten teken waarvan zij kleding droegen van grauwe, ongeverfde wol: in het romaans ‘bege’, later ‘beige’. Vandaar de naam ‘begijnen’, van wie er – met name door het grote overschot aan vrouwen ten gevolge van de oorlogen en de kruistochten – zeer vele waren.

Toen bepaalde begijnen in Zuid-Frankrijk en Noord-Italië echter in ketters vaarwater terecht kwamen en de naam begijn verdacht werd, sloten veel begijnen zich aan bij de pauselijk goedgekeurde Derde Orde van Franciscus.

[ afbeelding: Agnesklooster te Oldenzaal ]

Hoezeer het armoede-ideaal van Franciscus – ‘leven volgens de leer van het evangelie’, met niet langer een terugtocht uit, maar een aanval op de wereld – de mensen aansprak, bleek uit de geweldige groei van de orde die in de loop van 10 jaar door het bijzondere charisma van Franciscus al duizenden leden telde. ‘Als men naar hem keek, moest men – of men wilde of niet – meteen aan Christus denken’ (Guardini). ‘Franciscus, de man die met één enkel handgebaar 1200 jaar kerkgeschiedenis opzij schoof en weer helemaal opnieuw begon’ (Walter Nigg).

Franciscaner nonnen. De Oldenzaalse begijnen die rond 1380 door toedoen van de voormannen der Moderne Devotie en de minderbroeders te Deventer kozen voor de Derde Orde van Franciscus als een betere organisatievorm, waarbij ook het in 1399 aan de minderbroeders verleende pauselijk privilege van een eigen kapel voor de vrouwenkloosters die naar de Derde Orde overstapten, een rol speelde.

|pag. 17|

Zusters die blijkens de opgravingen van 1996 weinig luxueus voedsel tot zich namen – voornamelijk de gebruikelijke rogge en gewoon vlees, vis en gevogelte -, maar getuige het aardewerk ook niet in armoede leefden. Zusters die van de wollen stoffen van het klooster Albergen allerlei kleding maakten voor de broeders. Het Agnesklooster dat zo’n groei kende, dat het vanaf 1438 van de stedelijke overheid geen goederen meer mocht verwerven en slechts onderdak bieden aan 50 zusters met maximaal 12 weefstoelen. Een klooster met in 1465 een grotere kapel.

Zusters die zich van 1505-1510 korte tijd op het landgoed Singraven vestigden, doch vanwege de plundertochten door Karel van Gelre weer terugkeerden naar de stad. Daar echter nog niet van hem verlost door de bepaling dat zij — op straffe van een dubbele heffing door Karel -niets mochten afdragen aan de bisschop van Utrecht. Waaraan in 1528 een einde kwam, toen de wereldlijke macht van de bisschop overging naar keizer Karel V, wat echter door de opkomst van de Reformatie geen rust zou brengen.

Over de 16-de eeuw, waarin hongersnood en pest Oldenzaal teisterden, weten we maar weinig van de zusters behalve dat er – na de verovering van de stad in 1597 door Maurits – de katholieke eredienst verboden werd, doch de kanunniken hun prebenden en de zusters hun inkomsten mochten behouden.

Zusters Clarissen. Van 1605-1626 de Spanjaarden weer de baas, de periode waarin apostolisch-vicaris Sasbout Vosmeer in het Agnesklooster – waar toen de gehoorzaamheid aan de overste te wensen overliet en veel zusters te vaak en te lang buiten het convent verbleven – de tucht herstelde door hen in 1612 op straffe van wegzending de regel van de Clarissen voor te schrijven. Een en ander onder protest van het stadsbestuur, want ‘dit klooster niet gesticht voor adellijke dames, maar voor kinderen van burgers en huislieden die door handenarbeid in hun onderhoud moeten voorzien’.

In 1626 de stad weer in Staatse handen, de verdedigingswerken gesloopt, de pater die het klooster weer moet verlaten, maar de zusters die mogen blijven met vanaf 1633 inwoning van een door de Ridderschap en Steden benoemde rentmeester om in het klooster met 27 Clarissen er o.a. op toe te zien dat er geen novicen worden aangenomen. Tot in 1650 te Delden tussen beide partijen een akkoord werd getekend, waarbij de zusters voor 25.000 Carolusgulden werden uitgekocht met de afspraak dat ze op St. Maarten 1651 naar een huis in Vreden zouden worden gebracht, dat echter te klein bleek voor 23 personen, zodat een aantal zusters naar Haselünne trok om daar een nieuw klooster te stichten.

Lotgevallen van het klooster. Vanaf 1650 bezit van de Ridderschap, die er de tweede predikant, de schoolmeester en de rentmeester in huisvestten. In de 19-de eeuw was er nog een katoenweverijtje in gevestigd tot in 1870 alles werd gesloopt om ruimte te scheppen voor de Plechelmus-scholen, die op hun beurt weer plaats moesten maken voor het nieuwe winkelcentrum ‘De Driehoek’.

|pag. 18|

     8. Het klooster ‘Maria Vlucht op de Glaan’

Ooit – net over de grens bij Glane – lag daar een klooster met een bewogen geschiedenis. Thans een prachtig landgoed waar alleen de gracht met bomen nog herinnert aan het convent van de Zusters Franciscanessen van het Catharinaklooster uit Almelo, die er tussen 1665-1811 gewoond hebben.

Het begon allemaal met het Begijnhof te Almelo, waarvan de begijnen in 1407 van de bisschop van Utrecht verlof kregen om voortaan te leven volgens de regel van de Derde Orde van Franciscus. De zusters zeer gezien, hetgeen zowel bleek uit de schenkingen aan grond tussen 1407-1557 als uit de houding van de adellijke familie van Heeckeren. Want toen deze familie van de ‘Heren van Almelo’ in 1620 overging naar de reformatie, bleef deze de zusters een warm hart toedragen vanwege het vele goeds dat zij deden. Tot de zusters in 1665 op last van de Ridderschap en de drost van Twente Almelo moesten verlaten. Het jaar waarin bisschop Bernard van Galen met 20.000 man voetvolk en 10.000 ruiters de republiek der Zeven Verenigde Provinciën was binnen gevallen om de heerlijkheid Borculo te heroveren, waarbij hij ‘en passant’ Enschede plunderde en Losser in brand stak.

Voor de zusters werd het al met al een keurige ‘uitdrijving’, waarbij ze alle meubilair mochten meenemen, een vergoeding kregen van 20.000 gulden voor wat ze moesten achterlaten en de drost dienden te laten weten hoeveel wagens ze nodig hadden voor de verhuizing. Ook de rector van de zusters, de franciscaan Herman ter Hoente, ging toen mee.

[ afbeelding overblijfsel ‘Vlucht op de Glaan’]

Intussen had Otto ter Hoente, broer van de rector, voor de helft van die 20.000 gulden een stuk grond gekocht op de Glaan, naast de plek waar de katholieken van Twente in 1633 in het bisdom Munster al een missiepost hadden. De andere helft was bestemd voor de bouw van een klooster plus kapel, onvoldoende natuurlijk. De rest kwam van Neercassel, de apostolische vicaris van de Hollandse Missie, zeg maar missiebisschop in het door de protestanten beheerste gebied van de Zeven Provinciën.

|pag. 19|

Hoe we ons het totaal verdwenen klooster moeten voorstellen en hoe de zusters er leefden, weten wij uit het zeer uitvoerige dagboek van een franstalige bezoeker en verslagen van de kerkelijke visitaties vanuit het bisdom Munster.

Aanleiding daartoe waren de geruchten over de al te strenge – uit Frankrijk overgewaaide – Jansenistische opvattingen van rector ter Hoente en enige aan zijn zorgen toevertrouwde zusters. De belangrijkste daarvan, dat je alleen na een biecht met een volmaakt berouw ter communie mocht. Hetwelk door enkele zusters zo streng werd geïnterpreteerd dat ze 2-3 jaar lang niet ter communie gingen. Een gestrengheid die ook de Twentse katholieken bedreigde, omdat ter Hoente behalve rector van de zusters ook – tot zijn afzetting in 1704 – de aartspriester was van Twente.

In de 18-de eeuw daalde het aantal zusters van 30 naar 12, terwijl er in de laatste 10 jaar van het klooster – dat in 1811 onder Napoleon werd opgeheven als ‘nutteloze instelling’ – zelfs twee soorten zusters woonden: de Franciscanessen van Almelo én de zusters Annunciaten uit Coesfeld, wier klooster al in 1801 door Napoleon was gesloten.

Al een paar keer mocht ik de helaas niet opengestelde plek bezoeken waar eens het klooster ‘Maria Vlucht’ – volledig ‘Maria op de vlucht naar Egypte’ – heeft gestaan en de plek zien waar die zusters woonden en werkten, waar de kapel lag en het huis van de rector. En ik dacht: Die zusters, wat een zegen toen voor Twente, dat leven van gebed, dat harde bestaan van vlas verwerken tot linnen en die gastvrijheid betoond aan de vele bezoekers uit het door de drost geplaagde Twente. Maar ook, wat jammer dat enkele van die zusters zich bij dat alles het voorrecht meenden te moeten ontzeggen om ter communie te gaan.

     9. Het instituut der klopjes of ‘geestelijke maagden’

De klopjes die in dit boekje niet mogen ontbreken, zeker niet nadat ik 5 jaar geleden het boek ‘Over klopjes en kwezels’ in handen kreeg, standaardwerk uit 1935 door Eugenie Theissing, de eerste vrouwelijke student geschiedenis aan de KU te Nijmegen. Lerares geschiedenis en secretaris van ‘Sleutelbos’, een kleine club van hoog opgeleide, ongehuwde vrouwen die binnen de RK Kerk erkenning wilden van een eigen status, niet te vereenzelvigen met die van de vrouwelijke religieuzen.

Klopjes, wat ze waren. Geen leken, maar ook geen kloosterlingen met de 3 geloften, want vrouwen die zich meestal beperkten tot de particuliere belofte van zuiverheid. Klopjes, waarbij het ook nog een verschil maakt of we spreken over de klopjes in Twente die over het algemeen alleen of afgezonderd in het ouderlijk huis woonden of over de klopjes in Holland, die vaak met meerderen bij elkaar woonden.

|pag. 20|

Oorzaak van ontstaan. Niet alleen de opheffing van de kloosters door de reformatie, maar ook het internationaal verschijnsel van vrouwen die als ongehuwden een godsdienstig leven wilden leiden met werkzaamheden naar buiten, hetgeen vanuit de toenmalige kloosters niet mogelijk was. Een kerkrechtelijke belemmering waaraan pas in 1668 door Vincentius à Paulo een einde kwam, toen de door hem en Louise de Marillac gestichte ‘Filles de Charité’ officieel als religieuzen erkend werden en ook armen en zieken buiten het klooster mochten verzorgen. Zusters in de zwierige klederdracht van de Bretonse vrouwen uit die tijd.

Herkomst van de naam. Niet – naar men veelal vertelt – van het met een klop op de deur oproepen van de katholieken om in het geheim de mis bij te wonen, omdat de naam al vóór de Reformatie bekend was. Waarschijnlijker de verklaring die Rovenius er in zijn werk ‘Respublica christiana’ aan gaf: zij waren de ‘Coeli pulsatores’, degenen die – door ongehuwd te blijven omwille van het Rijk der hemelen – ‘aankloppen aan de hemel’.

[ 2 afbeeldingen klopjeshuizen met onderschriften, resp. Klöpkeshoes en Klopjeswoning te Borne ]

Grote aantallen. Klopjes waarvan tijdgenoten zelfs in kleine plaatsen het grote aantal opviel. In Haarlem tussen 1600-1650 zo ’n 200, in Groningen-stad 100 en in Leiden tussen 1650-1700 een 40-tal. Vele klopjes ook in Twente, wonend in een eigen kamer op de boerderij of in kleine huisjes. Geerdink, die voor de tijd na 1870 – toen de religieuzen weer ten tonele verschenen — nog getallen noemt als 40 voor De Lutte, 30 voor Denekamp en vermeldt hoe in Weerselo de klopjes meerdere banken vulden in de kerk, hoe ze in Losser bij de processie een gesloten rij vormden, in Enschede uit naaien en verstellen gingen en hoe ze daar na de stadsbrand van 1862 de vele daklozen bijstonden. Het laatste klopje te Vasse stierf in 1895, te Denekamp omstreeks 1900, te Lonneker in 1903, in De Lutte in 1912 en als allerlaatste in 1932 te Hengelo Mina Hassink.

|pag. 21|

Kleding en levenswijze. De klopjes beslist geen oude vrijsters, maar vrouwen die voor het merendeel al tussen de 16-22 jaar de belofte van zuiverheid aflegden, duidelijk herkenbaar aan hun zwarte kleding ‘om rouw te dragen over de wereld en te verzaken aan alle lichtvaardigheid’. Om de hals een witte kraag, over de haren een soort muts en in de kerk een sluier, teken van ‘een leven met Christus verborgen in God’ en aan de vinger vaak een ring ‘van trouw aan Bruidegom Christus’. Een dagorde van vroeg opstaan, meditatie, de dagelijkse mis, het bidden van de rozenkrans en de kleine getijden van Maria met daarnaast allerlei devoties, afhankelijk van factoren als waar ze woonden en welke leiding er uitging van de pastoor of — wanneer ze tot een groep behoorden – van de priester-overste en in mindere mate van de moeder-overste.

Werkzaamheden. Kenmerkend voor alle klopjes – ook voor die van gegoede huize – de zorg voor het eigen levensonderhoud: eerlijk de kost verdienen, inclusief sparen voor de oude dag en de begrafenis. En wat je zelf niet nodig had, besteden aan goede werken. Zo waren de klopjes dienstbode bij priesters en burgers, gingen ze uit naaien, terwijl anderen thuis bleven om te spinnen, te breien of dat aan anderen te leren. Ze verpleegden zieken, waakten bij overledenen, gaven catechismusles, waren getuige bij doop en huwelijk, kosterden met alles wat daarbij hoort: de zorg voor het linnen en de gewaden, de bloemen en verlichting. In Holland leidden ze zelfs de kerkzang, die ze begeleidden met orgel en soms zelfs viool. Kort samengevat: medehelpsters in de zielzorg die meer dan wie ook het geloof bij de mensen levendig hielden.

Vervolging. Leefde bij de regenten de verwachting dat het katholieke geloof vanzelf zou uitsterven, de predikanten dachten daar anders over. Dus bleven de synodes klagen over de steeds grotere aantallen klopjes. Vandaar tussen 1640-1650 meermalen het verbod door de diverse Staten om nog catechismus te geven, met meerderen samen te wonen, zich als klopje te kleden of bij testament de kerk te gedenken. Verboden waarvan in de praktijk maar weinig terecht kwam, omdat het ‘maar vrouwen en leken’ waren en ambtenaren gevoelig bleken voor steekpenningen. Katholieken die zo – soms met geld van de klopjes zelf – betaalden voor hun vrijheid.

Hun betekenis. Vrouwen van onschatbare betekenis, ‘die de ruggengraat hadden om katholiek te blijven, voor hun overtuiging op de bres stonden en in hun dagen door hun onbaatzuchtige liefde de kracht toonden van het verachte katholicisme, zichzelf vergetend voor tijdgenoot en nageslacht’. (Theissing).

     10. De Karmelieten van Zenderen

Het belangrijkste klooster in Twente na de Reformatie. Van een orde met een merkwaardig verleden, een orde zonder eigenlijke stichter.

|pag. 22|

Het begon allemaal met een groep kruisvaarders die zich rond 1209 terugtrokken op de berg Karmel de plek waar de profeet Elia in de 9-de eeuw voor Christus fel weerstand bood aan de door koningin Izebel gepropageerde Baälcultus en krachtig ijverde voor de God van Israël Mannen die er leefden volgens een door de patriarch van Jeruzalem opgestelde regel.

Toen deze kluizenaars in 1238 vanwege de oprukkende Islam het H. Land moesten verlaten en zich in Europa vestigden, werd de regel in 1247 zo aangepast dat ze zich als bedelorde ook in de steden mochten vestigen en een actieve orde werden zonder hun contemplatieve ideaal helemaal op te geven.
Een kenmerk van de orde tot op de dag van vandaag. Een orde die in 1281 al 10 provincies telde met 150 kloosters.

[ afbeelding klooster Karmelieten Zenderen ]

Streng beperkende maatregelen ten gevolge van de Reformatie leidden ertoe dat in Noord-Nederland alle kloosters van de Karmel verdwenen. Maar ook elders ging het slecht met de orde, zó slecht dat er na de Franse Revolutie in West-Europa nog maar twee kloosters over waren: een in Boxmeer – een heerlijkheid waarover de Staten-Generaal geen zeggenschap hadden – en een in het Beierse Straubing, die echter beide geen nieuwe leden mochten aannemen. Tot in 1840 Boxmeer (met nog 3 oude Karmelieten) van koning Willem II dat weer wel mocht, binnen enkele maanden 4 diocesane priesters en 3 broeders intraden en tien jaar later de communiteit al 24 leden telde.

Bij de gedachte aan opnieuw een huis in Noord-Nederland – mogelijk geworden door het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 – ging de voorkeur uit naar Zenderen, waar men in 1855 ‘Het Hulscher’ aankocht met ruimte voor 10 personen en de eerste 2 Karmelieten hun intrek namen met een aanbevelingsbrief van mgr. Zwijsen voor de pastoor van Hertme, waar de bijkerk van Zenderen destijds toe behoorde.

|pag. 23|

Paters die er – naar het voorbeeld van de Latijnse School te Boxmeer – meteen al plannen hadden voor middelbaar onderwijs, doch daarmee nog even moesten wachten. Allereerst waren ze – na het tijdperk der schuilkerken – nodig om door assistenties van allerlei aard de parochies in de omgeving weer zelfbewust en strijdbaar te maken. Ze preekten er 10-daagse missies gericht op bekering, hielden er lijdensmeditaties en driedaagse 40-urengebeden met een sterk accent op het H. Sacrament. Niet alleen in Twente, maar tot in de bisdommen Den Bosch en Haarlem.

Activiteiten waardoor mede de grondslag gelegd werd voor een groot aantal roepingen, waarvoor in 1890 het gymnasium St. Albertus in gebruik werd genomen, een seminarie ook open voor studenten die zich wilden bekwamen in de handelswetenschappen. Een gymnasium van grote betekenis voor de ontwikkeling van het katholiek middelbaar onderwijs in Twente.

Daarna in 1923 de eerste katholieke middelbare school: het Twents Karmellyceum te Oldenzaal. De Karmelieten, die dat als enige van de door een Commissie aangeschreven orden aandurfden! Pas in 1947 gevolgd door de Grundel in Hengelo, wat te maken had met de crisis van de dertiger jaren, maar nog meer met het feit dat toen nog veel kinderen door arbeid hun bijdrage leverden aan het budget der veelal grote gezinnen. Met de grote doorbraak na de vijftiger jaren: 1953 het Jacobus-college te Enschede, 1954 het Pius X-college te Almelo, 1962 Twickel als dependance van De Grundel en 1973 het Thij-college te Oldenzaal.

Intussen deden zich echter in de 60-er jaren in de samenleving zulke grote veranderingen voor, dat ook de kerk in een crisis terecht kwam, de roepingen ophielden en het kleinseminarie te Zenderen in 1965 gesloten werd. Telde de orde in 1969 in Nederland nog 390 leden – van wie 49 werkzaam in het onderwijs -, in 1993 waren dat er 174 (met slechts 1 in het onderwijs), in 1998 nog 133 (van wie 47 boven de 65) en in 2005 113, van wie 19 geen priester.

Anno 2005 zijn de Karmelieten – wat Twente betreft – nog parochieel werkzaam in Borne (Theresia), Zenderen (O.L. Vrouw), Enter (Antonius Abt) en te Almelo in de Elisaparochie (samenvoeging van de Willibrord, Egbertus en Christoffel) en tellen hun conventen te Hengelo (De Grundel), Almelo en Zenderen resp. 3, 8 en 26 leden. Daarnaast 40 (in 1998 nog 70) leden van de orde werkzaam in het buitenland: in Duitsland (19), Brazilië (10), Indonesië (3) en de Filippijnen(8), waar met name in de laatste landen de orde sterk in opkomst is. (Zie ook binnenzijde omslag achterin)

De Karmelieten, een orde met grote verdiensten voor Twente, pioniers in het onderwijs, mensen die in het verleden veel assisteerden in de parochies, missies preekten en 40-uren gebeden, ziekentridua leidden, optraden voor de ABTB, kiesverenigingen en andere RK organisaties. Initiatiefnemers van de ‘Open deur’ te Almelo en Hengelo. Mensen die vanuit de plaatsen waar zij werken,

|pag. 24|

vanuit het Titus Brandsma Instituut in Nijmegen nog op diverse plaatsen in Twente hun spiritualiteit uitdragen en ijveraars blijven voor de goede zaak zoals eens Elia.

     11. De Karmelietessen van Zenderen

Een kijkje in dat door muren omgeven en grotendeels aan het oog onttrokken klooster uit 1889, waarvan de verre voorgeschiedenis begon in 1452, toen de generaal-overste van de Eerste Orde der Karmelieten van de paus verlof kreeg om reeds bestaande gemeenschappen van vrouwen op te nemen in de Tweede Orde der Karmelietessen.

Onder de eersten die toetraden de Begijnen van Geldern (1452), gevolgd door allerlei groepen van godgewijde vrouwen in Haarlem (1466), Namen (1468), Vilvoorde (14690, Rotterdam (1482) en Brugge (1487). Kloostergemeenschappen waarvan de meeste ten gevolge van oorlogen, de Reformatie en de Franse Revolutie werden opgeheven, maar later soms op dezelfde plaats of elders opnieuw tot leven kwamen. Kloosters van vrouwen waarvan de wetgeving -inclusief de verschillende hervormingsbewegingen – parallel liep met die van de mannen. Zo b.v. de hervorming van Touraine van 1608 met terugkeer naar de aloude kenmerken van het ideaal van de Karmel: ‘Een leven in stilte, soberheid, gebed en beschouwing naar het voorbeeld van Elia en Maria. Een leven in gemeenschap met God en elkaar, waardoor je ook zoveel voor elkaar kunt betekenen’. De hervorming van Touraine gevolgd door de Karmel van Vilvoorde, van waar uit in 1672 het klooster Elzendael te Boxmeer werd gesticht naast de Karmel van de paters uit 1652. Elzendael waar na 1853 zoveel zusters intraden, dat men als vanzelf dacht aan een nieuwe vestiging in Zenderen, schuin tegenover het uit 1855 daterende klooster der paters.

[ 2 afbeeldingen: Karmelietessenklooster Zenderen en idem zusters bij het getijde in de koorbank]

Dus vertrokken 23 mei 1889 elf Karmelietessen van Boxmeer naar Zenderen. De eerste jaren grote armoede met – getuige de kronieken – vanaf het begin een goede band met de plaatselijke bevolking: ‘Een paar maanden na onze aankomst een mooie koe gekregen, welke met buitengewone vreugde werd ontvangen omdat ze goed melk gaf en in 1891 in de tuin gratis een bleek aangelegd door de mensen uit Zenderen’.

|pag. 25|

Slotzusters die niet naar buiten traden, maar van wie men in de verre omtrek wist dat ze daar achter de muren een leven leidden van gebed en beschouwing.
Zusters aan wie mensen hun zorgen van alledag toevertrouwden. Een Karmel die in 1939 – toen de gemeenschap 21 zusters telde – haar gouden feest vierde en in 1949 – om verder te kunnen bestaan – startte met een hostiebakkerij.

Kenmerkend voor de 50-er jaren een steeds grotere openheid voor de manier waarop Karmelietessen en andere monialen vorm gaven aan hun leven. Met studiedagen voor priorinnen, subpriorinnen en novicenmeesteressen. Er kwam een Contactblad en midden 60-er jaren spraken – buiten de tralies, in het gastenhuis – leken en zusters met elkaar over wat het Tweede Vaticaans Concilie voor hen zou kunnen betekenen.

Méér dan bijzonder de overgang bij het koorgebed van Latijn naar Nederlands.
Opvallend het grote aantal actieve religieuzen dat voor bezinning toegang kreeg tot het slot en opmerkelijk de vele kennismakingsgroepen, benieuwd naar de kijk van de zusters op allerlei onderwerpen. Zusters die daardoor meer dan ooit het gevoel hadden dicht bij de mensen te staan. Er evenwel over wakend zowel tijdgevoelig te zijn als bedacht op de beslotenheid van het contemplatieve leven.

Tot 25 jaar geleden die groepen in aantal afnamen en de belangrijkste vernieuwings- en aanpassingsgolf ook voor de bezoekers tot het verleden begon te horen en de steeds meer slinkende, uit overwegend oudere zusters bestaande kloostergemeenschap in rustiger wateren terecht kwam.

Ooit in 1967 heb ik zelf – in de inmiddels opgeheven Karmel in het Zeeuws-Vlaamse Hulst – aan 14 zusters tussen de 30-65 jaar een retraite mogen geven en hun toen in jeugdige overmoed gevraagd deze drie vragen te beantwoorden:
Hoe ontstond je roeping? Wat betekent de Karmel voor jou? En hoe zou die zich moeten vernieuwen?

Na zoveel jaren ben ik nóg verbaasd met welk geestelijk gemak zij die vragen beantwoordden en hoe uitvoerig die zusters stuk voor stuk inkijk gaven in ‘de geschiedenis van hun ziel’. Hun roeping als het appèl van God waaraan zij niet konden weerstaan en de ontdekking dat er iets is – gebed en boete – waardoor je nóg meer voor mensen kon betekenen dan als de verpleegkundige, de lerares of kleuterleidster van vroeger. De Karmel als de plek van intieme omgang met God, van zo wijd en zo betrokken bezig te zijn met de kerk en om van alles om je heen de diepere waarde te mogen ontdekken. Een vernieuwing van het statische naar het dynamische. Niet alleen bidden vóór, maar ook – méér op de hoogte van wat er in de wereld gebeurt – bidden mét de mensen, hen vanuit onze rijke spiritualiteit helpen in hun relatie met God.

In Zenderen pratend met de in Twente geboren zuster Elia – 63 jaar in de Karmel en even lang organiste – en met de 39-jarige voor haar kleine professie staande Paula uit Brabant, vroeg ik hen hoe zij vanuit hun roeping aankeken

|pag. 26|

tegen de toekomst. ‘Als iets je roeping is – aldus Paula – is dat de weg die je moet gaan. En mensen kunnen zich daarbij best iets voorstellen- Te vergelijken met verliefd worden en trouw blijven. Gedragen door God die verborgen in je werkt en je wakker houdt, maar evenzeer gedragen door de gemeenschap waarin je elkaar gegeven bent Ja, met vooral dat bewustzijn dat het leven met alles wat daarbij hoort, jou gegeven is’.

Vragend naar de toekomst zei zuster Elia: ‘Als je kijkt naar de tekenen van de tijd en de werking van de Geest – want die moet het doen – zijn wij vol vertrouwen. Neem alleen maar hoeveel mensen – met name ‘leken’ – aangesproken worden door de idealen van de Karmel en in staat gesteld worden die roeping binnen de Karmel volwaardig te beleven’. Woorden van een stralende, met de tijd meegegroeide 84-jarige Karmelietes.

We hadden het ook nog over dat lied uit Taizé op de originele Spaanse tekst van Teresa van Avila (1515-1582): Nada te turbe, nada te esperante. Quien a Dios tiene nada le falta. Nada te turbe, nada te esperante: sólo Dios basta! Laat niets je verontrusten, niets je beangstigen: wie God heeft, hem ontbreekt niets. God alleen is genoeg! Een lied waarvan de melodie mij – van Zenderen terugrijdend naar Losser – nog lang door het hoofd speelde.

[ afbeelding groep zusters Karmelietessen ]

Actieve zustercongregaties in Twente

Wanneer de Nederlandse katholieken na 1848 weer de vrijheid krijgen om zich te verenigen en in het zuiden de zuster- en broedercongregaties als paddestoelen uit de grond schieten, zien we ook hoe veel pastoors in Twente een beroep doen op die idealistische vrouwen zoals in Oldenzaal op de zusters van Heythuysen.(1848), in Enschede op die van Amersfoort (1869) en in Hengelo op de zusters van het Kostbaar Bloed (1897).

Verder zien we rond en na 1900 de zusters van Schijndel verschijnen in Rijssen, Borne en Losser * de zusters van Sint Jozef van Amersfoort in Haaksbergen, Delden en De Lutte * de zusters van Amersfoort en de zusters Franciscanessen van de H. Familie uit Nijmegen te Ootmarsum * de zusters van Boxmeer in Hengelo en Losser * in Hengelo ook nog de Franciscanessen van Veghel * in Overdinkel de Dochters van Onze Lieve Vrouw uit Tilburg * in
|pag. 27|

Nijverdal de zusters Oblaten van de Assumptie * de Dominicanessen van Neerbosch in Goor * de Dominicanessen van de H. Catharina te Enschede * de zusters van St. Jozef uit Heerlen op de Zwanenhof * de zusters van de Arksteestraat in Nijmegen te Vasse * en als laatste zusters: begin 70-er jaren de Dienaressen van het H.Sacrament in Enschede en in 1998 nog de zusters van de Franse paters.

Asielzoeksters zo rond 1875 waren er ook uit het door de ‘Kulturkampf’ bedreigde Duitsland: de Jozefzusters van Chambéry in Glanerbrug * de Benedictinessen van de Aanbidding in Oldenzaal * de zusters van de Goede Herder in Almelo * en de zusters van Thuine in Denekamp.

     12. De Zusters Franciscanessen van Denekamp

Na de opsomming van al die congregaties – als sterren aan het firmament -de zusters van Denekamp, voor wie in 1982 midden in het dorp Denekamp bij de Nicolaaskerk een monument werd opgericht met het opschrift: ‘Zij kwamen om te dienen’, nadrukkelijk óók bedoeld voor alle religieuzen ooit werkzaam in Twente.

Het begon allemaal in 1875 onder Bismarck die – bezig van Duitsland één rijk te maken – in de katholieke kerk met haar bestuurscentrum in Rome en het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid (1870) een gevaar zag voor die eenwording en alle religieuzen verbande, de Jezuïeten voorop.

Bevreesd daarvan ook het slachtoffer te worden, kocht Anselma Bopp – overste van de in 1870 gestichte Franciscanessen van Thuine – in 1875 uit voorzorg ‘Huize Noord-Deurningen’ en stuurde er alvast 3 zusters heen.

Anselma Bopp, in 1835 geboren in de buurt van Stuttgart, als 19-jarige ingetreden bij de zusters van Straatsburg, daar belast met de zorg voor verwaarloosde kinderen en in 1857 als 22-jarige uitgezonden naar het verre Thuine, waar ze zich ook weer het lot aantrok van zulke kinderen, haar acte van onderwijzeres haalde en een schooltje begon, terwijl twee medezusters in een primitief ziekenhuisje of thuis de zieken verzorgden.

Anselma Bopp, die – toen ze vanwege de grote afstand én de Frans-Duitse oorlog niet op versterking uit Straatsburg kon rekenen en het anderzijds niet verantwoord vond kandidaten vanuit Thuine daar heen te sturen -, tegen haar zin stichteres werd van de Franciscanessen van Thuine en veel te vroeg – nog maar 52 jaar oud – in 1887 aan tbc overleed.

Hoewel de sociaal opererende zusters uiteindelijk Thuine niet hoefden te verlaten, bleven de ‘Duitse Zusters’ toch in Denekamp, waar ze in 1876 een tehuis begonnen voor verwaarloosde kinderen. Waarnaast ze — om in hun levensonderhoud te voorzien – van 1880-1920 een pensionaat runden voor Duitse meisjes uit de betere kringen. In 1889 vestigden zij zich in Enschede (ziekenhuis) en in 1912 in Denekamp-dorp (ziekenzorg).

|pag. 28|

Tussen de twee wereldoorlogen beleefden zij hun eerste grote bloeiperiode tijdens welke hun aantal steeg van 60 naar 401 in 1904. De periode waarin 19 nieuwe huizen werden geopend, waarvan 10 in Twente: Almelo (ziekenhuis in 1922 en school 1930), Weerselo (1925), Enter (1927), Bornerbroek (1927), Glanerbrug (1929), Haaksbergen (1929), Tubbergen (1932), Wierden (1932) en Denekamp – rusthuis zusters (1939).

Na de tweede wereldoorlog een tweede bloeiperiode waarin het aantal zusters steeg van 451 naar 606 en men 13 nieuwe stichtingen begon o.a. in Delden (1955), Enschede-Ariënshuis (1959), Oldenzaal ziekenhuis (1960) en Geesteren (1967).

De missies. In 1932 vertrokken 4 zusters naar Sumatra om daar hetzelfde werk op zich te nemen als in Nederland: kinderopvang, onderwijs en ziekenzorg. Van de 9 zusters die er in 1942 werkten, stierven er 3 in een Jappenkamp. Indonesië sinds 1972 een zelfstandige provincie met in 1999 210 zusters, onder wie nog slechts 2 Nederlandse. In 1960 vertrokken – gehoor gevend aan de oproep van paus Pius XII – 3 zusters naar Tanzania, waar in 1999 11 zusters werkten, behorend tot de Nederlandse provincie. Meisjes die er religieus wilden worden, verwees men naar inlandse zusters.

[ afbeelding klooster Franciscanessen Denekamp ]

De situatie in 1999. Door de grote veranderingen in de 60-er en 70-er jaren kwamen er geen nieuwe zusters meer bij en kende ook Denekamp vele uittredingen. Rond 1980 was het aantal zusters gedaald tot 400 en gingen veel werkzaamheden die vroeger door de zusters werden gedaan, over in handen van leken. Ziekenhuizen, de wijk, verzorgingshuizen en scholen deden het voortaan zonder de zusters. Van een tijd waarin de parochies ‘om de zusters smeekten’, kwam Denekamp in een tijd waarin zij in Twente buiten de Nicolaasstichting nog maar 2 kloosters hadden: Glanerbrug en Tubbergen. Daarnaast woonden er in 1999 in Twente 24 zusters in pastorieën of burgerwoningen, veelal actief in het pastoraat. En buiten Twente nog 52 zusters.

|pag. 29|

Iets meer van de helft van de nog 230 leden tellende provincie woonde op het terrein van de Nicolaasstichting: 4 zusters in het convent Karibu, 7 in Antonio, 21 in Sancta Maria, 26 in Clara en 62 in het verpleeghuis St. Jozef. Met elkaar optrekkend, bijgestaan door verzorgend, huishoudelijk en technisch personeel van buiten.

De situatie anno 2005. De Nicolaasstichting – ondanks het weer geslonken aantal leden – een terrein waar het gonst van de activiteiten, waar de paviljoens van het vroegere kindertehuis nu bewoond worden door verstandelijk gehandicapten van de LosserHof en tijdelijk asiel zoekende gezinnen, waar op de vroegere school van dat tehuis onderricht wordt gegeven aan asiel-zoekende kinderen. Verder Huize Elisabeth – het voormalige internaat van de toenmalige huishoudschool – thans bezinnings- en ontmoetingscentrum met 45 kamers voor groepen tot 60 personen. En in de voormalige huishoudschool zelf het ‘Centraal Bureau Huize Noord-Deurningen’, het administratieve hart van de congregatie en de huizen waar de zusters vroeger werkten.

Het terrein van de Nicolaasstichting, een dorp op zich, waar de meeste zusters — met uitzicht op het best onderhouden kerkhof van Twente – gelukkig en tevreden hun laatste jaren doorbrengen, na een leven lang letterlijk handen, voeten en hart gegeven te hebben aan de medemens. Zusters die kwamen om te dienen en daarom bij het monument in het dorp Denekamp niet op een voetstuk staan, maar dicht bij je op de grond. Zusters met een godsvertrouwen als

[ afbeelding: schets van beeldengroep ‘zij kwamen om te dienen’]

Anselma Bopp, een sobere levensstijl en blijheid als Franciscus en de nuchterheid en eenvoud van de Twentse vrouw.

|pag. 30|

     13. De Benedictinessen van Oldenzaal

‘Dag en nacht is er een zuster die aan de zuil eerherstel brengt aan Jezus, telkens een andere, van de priorin tot de jongst ingeklede, waarbij we elkaar om het uur afwisselen. Jezus nooit zonder een zuster in de kapel’, aldus een jonge zuster in 1950 in een brief naar thuis.

Eeuwigdurende aanbidding van het H. Sacrament, voor het eerst in 1537 georganiseerd in Milaan door de kapucijn Jozef van Fermo, om de stad tijdens de oorlog tussen Karel V en de koning van Frankrijk te behoeden voor oorlogsgeweld. Deze pater ook de propagandist van het veertiguren-gebed, naar de 40 uren die Jezus doorbracht in het graf en tijdens welke men oorspronkelijk in de middeleeuwen in de Goede Week volledig vastte en waakte bij het H. Sacrament in een ‘heilig graf’ gelegd, tot dit gebruik zich in de 16-eeuw losmaakte van de Goede Week en een zelfstandige devotie werd.

Eeuwigdurende aanbidding: het bijzondere doel van de Benedictinessen van het H. Sacrament, gesticht door Catherine de Bar (1614-1698), dochter van een advocaat in Lotharingen, die in 1631 op 17-jarige leeftijd intrad bij de Annunciaten van Bruyères en na de verwoesting van het klooster in 1638 bij de Benedictinessen van Rambervillers. Om ten slotte na de verwoesting van ook dat klooster vanuit Lotharingen onderdak te vinden bij de Benedictinessen van Parijs.

[ 2 afbeeldingen – de eeuwigdurende aanbidding met onderschriften als volgt: a) De Eerwaarde Moeder Mechtildis en Anna van Oostenrijk bij het begin der Altijddurende Aanbidding van het Instituut b) De Reparatrice aan de zuil ]

Catherine, een ontwikkelde vrouw die Latijn studeerde en bedreven was in handwerken, schilderen en muziek. Een vrouw bij wie vanwege de in de 30-jarige oorlog (1618-1648) veelvuldige voorkomende onteringen van tabernakels en hosties door de protestantse legers, de gedachte groeide van eerherstel door eeuwigdurende aanbidding.

|pag. 31|

In 1653 provisorisch in Parijs begonnen, kon de communiteit onder haar leiding al spoedig onder haar leiding in dezelfde stad een groter klooster betrekken met clausuur, de regel van Benedictus en eeuwigdurende aanbidding.
Dank zij de steun van adellijke dames en vooral koningin Anna van Oostenrijk, de moeder van Lodewijk XIV. Bij de dood van Catherine in 1698 telde de orde al 10 kloosters.

Osnabrück. Twee Lutherse gezusters die bij een door de Jesuïeten in de Domkerk gepreekte volksmissie katholiek werden, in Frankrijk intraden in de orde en in 1854 een klooster stichtten te Osnabrück, dat de zusters in 1875 tijdens de Kulturkampf moesten verlaten. Vijftig zusters voor wie de vicaris-generaal van Osnabrück 2 huizen kocht in Oldenzaal en tijdelijk onderdak regelde bij de zusters van Heythuysen, 14 dagen later nog gevolgd door 16 zusters uit Eisleben.

Oldenzaal waar de zusters in 1876 hun nieuwe klooster betrokken, door de vele roepingen uit Duitsland binnen de kortste keren overvol. In 1888 het vertrek van een 20-tal zusters naar Munster en in 1896 23 zusters terug naar Osnabrück waar de bisschop een nieuw klooster voor hen had laten bouwen. In 1915 te Oldenzaal de bouw van een nieuwe kapel ontworpen door de Benedictijnen van Maria Laach, in 1935 beschilderd in de z.g. Beuroner stijl. Klooster in 1941 – op de kapel na – gevorderd door de Duitsers, waarna de zusters gastvrij onderdak vonden in het KJV-gebouw te Rossum. Het Duitse klooster vanaf 1945 een Nederlands klooster met de nieuwe naam van ‘Klooster Betlehem’, waar decennia lang hosties werden gebakken en dat in 1975 werd opgeheven en gesloopt, om plaats te maken voor het woon- en zorgcentrum ‘De Molenkamp’.

Benedictinessen van de Aanbidding. Groot waren de veranderingen na het Tweede Vaticaans Concilie zoals het verdwijnen van het traliewerk tussen het altaar en het koor der zusters en in de spreekkamer, het koorgebed in het

[ afbeelding met notenbalk en citaat uit Psalm 24 ]

Nederlands in plaats van het Latijn en het opheffen van het verschil tussen koor- en werkzusters. Bijna een eeuw waren ze in Oldenzaal en deden er hun aanbiddingswerk in die kapel met schilderingen van het manna in de woestijn, het water uit de rots, de bruiloft te Kana, de wonderbare broodvermenigvuldiging en het laatste avondmaal. Schilderingen die door hun eenvoud, schoonheid van lijn en harmonie van kleuren zo aanspraken. Weg dat alles. Weg de zusters aan de zuil. ‘Jezus nooit zonder een zuster in de kapel’, een gedachte om koud en warm van te worden tegelijk!

|pag. 32|

     14. De Zusters van de Goede Herder te Almelo

Zusters die hun oorsprong vonden in de ’Congregatie van de Zusters van Onze Lieve Vrouw van Liefde *, gesticht door Jean Eudes (1601-1680), lid van de Oratorianen. Paters die in het Frankrijk van de 17-de eeuw — toen door de godsdienstoorlogen het geloof verslapt was – volksmissies gingen preken van 4 à 8 weken en grootseminaries oprichtten. Jean Eudes die in Normandië 110 van die missies preekte en ook zelf een congregatie stichtte voor de vorming van priesters. Daarnaast zette hij zich nog in voor de bescherming van verlaten en gevallen meisjes die zich tijdens de missies bekeerden. Het werk van de z.g. refuges of toevluchtsoorden, waarvoor hij in 1641 te Caen de voornoemde ‘Zusters van Onze lieve Vrouw van Liefde’ stichtte met een vierde gelofte: om altijd te werken aan de bekering en het welzijn van vrouwen en meisjes die bij hen zouden komen en beter wilden leven.

In 1796, een eeuw na de dood van Eudes, werd op het eiland Noirmoutier – in een doktersgezin waar men onderdak bood aan een priester die weigerde de eed af te leggen op de ‘Constitution civile du clergé’- Rose-Virginie Pelletier geboren. Een meisje dat 10 jaar oud haar vader verloor, op haar 14-de met haar moeder naar het vasteland verhuisde en in Tours de kostschool bezocht van de Zusters Ursulinen, vlakbij de refuge van de Zusters van Liefde, bij wie ze op 18-jarige leeftijd intrad als zuster Maria Euphrasia.

[ afbeelding met onderschrift als volgt: Tekening met op de voorgrond de gecombineerde meisjes- en zusterkapel van “De Goede Herder” uit 1956 met daarachter het zusterklooster daterend van 1877. Links: Rose-Virginie Pelletier voor haar intrede in 1814 bij de zusters te Tours.]

Rose-Virginie die zich tijdens haar postulaat en 2 jaar noviciaat verdiept in de Bijbel, de geschriften van Jean Eudes, Teresa van Avila en Ignatius van Loyola. Een vrouw die als jonge zuster in de refuge al gauw de leiding krijgt over een groep pupillen, meisjes door stads- en armbesturen of de directeuren van gevangenissen daarheen gebracht. Zusters in de door Jean Eudes bedachte kleding: wit habijt (zuiverheid) met zwarte sluier en op de borst een zilveren hanger in de vorm van een hart met daarop de Madonna met Kind. Bovendien

|pag. 33|

alle geprofeste zusters – toen en later in Almelo – aangesproken met mère of moeder. Mère Pelletier op haar 29-ste al overste met haar gedurfde initiatief van het Instituut der Magdalena’s: voormalige pupillen die religieus werden met het habijt en de verzachte regel van de Karmel.

In 1829 van Tours naar Angers, waar zij een leegstaande fabriek herschept in een klooster annex refuge – met spoedig tientallen novicen en een communiteit van Magdalena’s – en de stichteres wordt van de Zusters van de Goede Herder, zo genoemd naar het tijdens de Franse revolutie in Angers opgeheven ‘klooster van de Goede Herder’. De vrouw die – ondanks jarenlange tegenwerking van de bisschop – tactvol met steun van Rome de interdiocesane organisatie van haar kloosters weet door te voeren. Terecht ‘la femme la plus capable de France’ genoemd. Stichteres van een instituut dat bij haar dood in 1868 al 110 kloosters telde in 5 werelddelen met 3000 zusters, 962 Magdalena’s, 6272 pupillen en 8438 gedetineerden en meisjes van andere categorieën.

De Duitse zusters van de Goede Herder die in 1875 ten tijde van de Kulturkampf vanuit Munster naar Almelo komen en er de villa Alexandra met 22 ha. grond kopen: verbeteringsinstituut voor meisjes die al jong kennis hebben gemaakt met de schaduwkant van het leven. Een villa in de loop der jaren uitgroeiend tot een enorm complex voor 40 zusters en 160 meisjes uit het hele land met allerlei vormen van onderwijs, opvoeding en vrijetijd-besteding. Met vanaf 1951 in de stad ook een tehuis voor werkende meisjes, ter overgang naar de ‘volle maatschappij’. Zusters vanaf 1969 in dienst van het ministerie van Justitie met naast de ouder wordende zusters steeds meer lekenpersoneel. In 1972 de naamsverandering van ‘De Goede herder’ in ‘Huize Alexandra’. In 1980 het vertrek van de zusters, ‘Huize Alexandra’ gesloopt en het 22 ha. grote terrein door een brede gracht in tweeën gedeeld met links het door hoog en sterk gaas omgeven justitieel Orthopedagogisch Centrum Alexandra en rechts het vriendelijker ogende Asiel Zoekers Centrum.

In het kloosterbejaardenoord te Bloemendaal op bezoek bij de laatste zusters uit Almelo, was ik geroerd door wat ik daar hoorde: ‘Je – zelf komend uit de rijkdom van een harmonisch gezin – te hebben mogen inzetten voor meisjes die zoveel moesten missen. Dat kinderen door hun ouders aan hun lot overgelaten, ook recht hadden op een goed en gelukkig leven. En de kaarten die we rond Kerst naar onze oud-leerlingen stuurden, waarop we vaak antwoord kregen, vooral als het goed met hen ging. En ook nu op onze oude dag kunnen we hen nog helpen door ons gebed’. Als ik ergens voelde hoe religieuzen leefden / nog leven uit de spiritualiteit van hun stichteres, dan wel deze zusters van de ‘Goede Herder’, deze ‘moeders’, deze dochters van de sympathieke in 1940 heilig verklaarde Rose-Virginie Pelletier.

|pag. 34|

     15. De Zusters van Heythuysen te Oldenzaal

De zusters van Heythuysen, een congregatie ontstaan in 1835, toen alleen krachtens de nog geldende Napoleontische wet van 1812 instituten die zich aan de ziekenverpleging wijdden, per decreet werden goedgekeurd. Een congregatie die na de grondwet van 1848 haar vleugels kon uitslaan.

Catharina Daemen, 1787 geboren, een jonge vrouw die in het Belgische Maaseik met andere Derde Ordelingen van Franciscus zieken verzorgde, catechismus gaf aan de kinderen en hen leerde breien en naaien. Catharina die op verzoek van de pastoor van Heythuysen daar hetzelfde ging doen en er de stichteres werd van een congregatie.

Toen in het revolutiejaar 1848 vlakbij in Duitsland de burgerij opstond tegen de macht van de landjonkers en militairen en er rellen uitbraken waarbij ook de kerk het moest ontgelden, dacht de latere algemene overste Bernardine Mensinck aan een veiliger plek voor de zusters, aan Oldenzaal, uit welke plaats haar als jong meisje in Kevelaer de pelgrims waren bij gebleven: ‘Menschen met eene grote ruwheid en onbeschaafdheid, maar tevens eene oprechte verknochtheid en innige aanhankelijkheid aan het katholiek geloof. Die voortreffelijke menschen zouden zijn geweest, zoo zij beter onderwezen en hunne karakters meer gevormd waren. Dit alles trad de eerwaarde Moeder voor den geest en er ontstond in haar de gedachte, eens te onderzoeken of het mogelijk zoude zijn om in Oldenzaal of deszelfs omstreken een huis voor onze zusters te vinden.’

[ afbeelding met onderschrift: Een klas van de huishoudschool van de zusters Franciskanessen van Heythuysen in het schooljaar 1929-1930. ]

Het zou te ver voeren een volledig overzicht te geven van 150 jaar Heythuysen in Oldenzaal, met het onderwijs-complex bij het Antoniusklooster en het ziekenhuis ‘Maria, heil der kranken’. In grote lijnen het verhaal van zovele congregaties die ingingen op de roep om onderwijs, vorming en verpleging. In

|pag. 35|

het begin met geringe middelen en de steun van welgestelde lieden, later met subsidie van de staat en de sympathie van de hele geloofsgemeenschap. Daarom slechts enkele plaatjes als in een dia-serie.

Onderwijs. De gezusters Kistemaker die al onderwijs geven aan arme kinderen en hun welgestelde vader in 1848 overhalen de zusters een stuk grond te schenken voor de bouw van een klooster (1851) met lagere school en pensionaat. Magere jaren waarin de zusters vanwege het geringe aantal pensionaires – dus weinig inkomsten – er meermalen aan denken Oldenzaal weer te verlaten. Echter soelaas wanneer tijdens de Kulturkampf (1872-1879) Duitse meisjes het pensionaat bevolken en Duitse dames en priesters er retraite houden. Nog meer armslag na 1874, wanneer de textielfabrikanten Gelderman en Molkenboer de zusters geld geven voor een naai- en breischool. In 1890 30% rijkssubsidie voor de bijzondere scholen en in 1920 volledige gelijkstelling, die leidt tot de oprichting van een huishoudschool in 1920, een MULO in 1922 en een BLO in 1936. In 1945 nog een Mater Amabilis school en een NA-leraressen-opleiding. Met al-de-jaren-door verbouwingen en nieuwbouw en steeds meer niet-religieuzen voor de klas.

Gezondheidszorg. Met een ziekenhuis (1895), wijkverpleging (1907), met zusters die in de noordelijke provincies cholerapatiënten verzorgen (1908) en pokkenlijders in Losser (1913). In 1918 een nieuw ziekenhuis met röntgenapparatuur, lift en sanatorium geschonken door Gelderman. In 1958 de stichting van het verzorgingshuis ‘Mariahof’. In 1960 vertrek van de zusters uit het ziekenhuis, hun werk voortgezet door de zusters van Denekamp.

Hulpvaardige zusters. In 1872 enkele jaren onderdak voor de uit Duitsland verdreven Benedictinessen en in 1922 voor de Karmelieten voor wie ze jaren later nog de sokken stoppen. Tijdens de wintermaanden van de crisisjaren warme maaltijden voor 130 kinderen uit de stad èn in 1939 voor Joodse vluchtelingen uit Slowakije, onderweg naar de haven van Amsterdam. In 1959 een fancy-fair voor de eerste 4 zusters die naar Afrika vertrekken.

De 70-er jaren waarin nog zo’n 70 hoofdzakelijk oudere zusters in Oldenzaal wonen, van wie velen zich verdienstelijk maken in de parochies. In 1981 op de plaats van het oude klooster nieuwbouw. De ongeveer 50 zusters er verzorgd door 20 personen lekenpersoneel, tot men begin 90-er jaren het modem ingerichte rusthuis kan verkopen aan de Woningbouwvereniging Oldenzaal, waarop de meeste zusters in 1996 de stad verlaten. Doch niet na een eucharistieviering uit dankbaarheid in de Plechelmus, een afscheidsreceptie in de hal van het stadhuis en een expositie in het Palthe Huis met de veelzeggende titel ‘Komen en gaan’.

|pag. 36|

[ afbeelding met onderschrift: De zusters van het Antoniusklooster bij het eeuwfeest van 1949 aan wie Oldenzaal als collectief juist door hun geloften zoveel te danken heeft: 100% God en de mensen toegewijd (celibaat) weinig nodig voor zichzelf (armoede) en samen telkens weer gelovig gevoelig voor de tekenen van de tijd (gehoorzaamheid. ]

     16. De Zusters van het Larinksticht te Enschede

Stichting van de ’Zusters van Onze Lieve Vrouw van Amersfoort’ met zo’n ingewikkelde ontstaansgeschiedenis dat men in 1993 professor Abbink, hoogleraar kerkgeschiedenis te hulp riep, om daar meer zicht op te krijgen. Zijn conclusie: een congregatie in 1823 ontstaan uit een samenwerkingsverband met 4 componenten: de RK Maatschappij van Le Sage ten Broek ter stimulering van katholiek onderwijs(1), pater Wolff SJ die vanuit de vrijplaats Culemborg de eerste zusterkandidaten in contact bracht met de Zusters van Namen, gesticht door Julie Billiart (2), zuster Ignace, stichteres van het schoolinstituut onder haar familienaam ‘Fa. Van Werkhoven en Co’ (3) en zuster Matthia, algemene overste tussen 1832-1840 (4).

De zusters van Amersfoort die vanaf 1823 – om de protestanten geen aanstoot te geven – onder de naam ‘Pédagogie Chrétienne’ begonnen met onderwijs aan arme kinderen, in de loop der jaren gevolgd door allerlei andere soorten onderwijs. Een congregatie die rond 1930 1200 leden telde, rond 1970 ongeveer 1000 en in 2002 in Nederland een 300, allen boven de 65.

Het Larinksticht 1869. Zo genoemd naar Gerardus Larink, welgestelde koperslager in Enschede, die bij testament zijn hele bezit vermaakte aan het kerkbestuur van de Jacobusparochie ‘voor een of ander liefdadig gesticht’, met de 71-jarige pastoor van Coeverden als executeur. Een man die wist van

|pag. 37|

aanpakken, meteen grond aankocht voor de bouw van een klooster met school en op advies van de bisschop een beroep deed op de zusters van Amersfoort, die in Enschede school na school zouden stichten. In 1869 hun eerste school met 4 zusters. In 1919 twee lagere scholen met een communiteit van 29 zusters, van wie 21 onderwijzeres. In 1916 een ULO aan de Lipperkerkstraat, in 1922 een school op Patmos. In 1928 de naaischool omgezet in een modevakschool voor de diploma’s lingerie, costumière en coupeuse. In 1931 de handelsavondschool voor de diploma’s typen, steno en middenstand. In 1948 de opleiding voor kleuterleidsters. Verder kleuterscholen op het Hogeland en in de Jozef- en Paulusparochie. In 1959 de huishoudschool Nazareth en als laatste loot aan de onderwijsstam de Spaanse school aan de Van Benthemstraat. Dit alles onder leiding van 40 zusters.

[ afbeelding: Larinksticht te Enschede ]

De 93-jarige zuster Josepho die me vertelde hoe ze op de kweekschool van de zusters in Amersfoort de keuze maakte voor het religieuze leven n.a.v. de woorden van Julie Billiart (1751-1816): ‘Kies steeds voor de meest armen en minst bedeelden naar ziel en lichaam als uw lievelingen’. Josepho die in 1935 haar acte Frans haalde om als 29-jarige hoofd te worden van een school in Hilversum. Toen in 1941 het hoofd te Enschede aan tbc overleed, daarheen om te voorkomen dat een Duitsgezind iemand hoofd zou worden. Josepho die dan zelf les geeft in type C van de school, dat van de minderbedeelde arbeiderskinderen, ‘grof in de mond’, maar die ze met liefde voor zich wist te winnen. Josepho die zich ook verzette tegen de opvatting dat zulke kinderen niet hoorden te studeren, maar te werken in de fabriek. ‘Het talent dat God kinderen geeft, mag je toch niet in de grond stoppen?’ Josepho die zich 57 jaar oud nog op een studie Spaans wierp voor de Spaanse school onder haar leiding.
Ook in de weekends druk met de Spaanse kinderen en hun ouders en kosteres bij de Spaanse vieringen.

|pag. 38|

Maart 1976. De maand waarin de zusters het klooster verlieten en – heel bijzonder – de 7 jongste zusters vertrokken naar Malawi, het vroegere Nyassaland. Enkelen die nog in Enschede bleven wonen, onder wie zuster Josepho. Tot ook zij in 1995 haar intrek nam in het kloosterbejaardenoord te Ootmarsum, waar ze mij aan het eind van ons gesprek toevertrouwde: ‘Als ik ergens tegen op zag, dan wel het vertrek naar die groep oude zusters. Maar ik mocht er vrienden ontmoeten, mensen van mijn eigen ontwikkeling als klankbord. Als ik terugkijk op mijn lange leven, dan kan ik er alleen maar Gods leiding in zien, waarvoor ik Hem dankbaar ben’.

     17. De Zusters van het Kostbaar Bloed te Hengelo

Allereerst iets over de stichting van de ‘Liefdezusters van het Kostbaar Bloed’ te Sittard en nadien over hun komst naar Hengelo.

[ afbeelding met onderschrift: Het Sint Antoniusgesticht met rechts daarnaast de synagoge. Beide gebouwen begin 70-er jaren afgebroken.]

Een start in etappes. De eerste in 1838, wanneer mgr. Zwijsen – stichter van de Zusters van Liefde te Tilburg – op verzoek van de deken van Maastricht een van zijn zusters, Elisabeth Gruyters, daarheen stuurt om 3 aspiranten op te leiden in het religieuze leven. Het begin van de Liefdezusters van Maastricht, beter bekend als ‘de Zusters onder de bogen’. De tweede in 1857, wanneer Elisabeth – op verzoek van de deken van Sittard – zuster Serafine en 5 medezusters naar die stad stuurt voor de verpleging, de opvang van wees-

|pag. 39|

kinderen en armenzorg in het voormalige, in een jammerlijke toestand verkerende Dominicanessen-klooster. De derde in 1862, wanneer de bisschop van Roermond in goed overleg met ‘de zusters onder de bogen’ gedaan krijgt dat de zusters te Sittard het begin worden van een nieuwe congregatie met de naam ‘Liefdezusters, dochters van het Kostbaar Bloed’, waarvan de regel in 1890 pauselijk werd goedgekeurd.

Pastoorsdroom. Van een priester, pastoor Beernink, die – onder de indruk van wat zijn parochianen over hadden voor de bouw van de huidige Lambertus – droomt van een klooster met school voor meisjes, op de plek van het ouderlijk huis van klopje Naatje en enkele percelen ernaast en dan – na elders goed rond gekeken te hebben – alvast begint met de bouw van een klooster met kapel en onderwijslokalen, nog vóór men weet welke zusters er zich zullen vestigen…
Dat het de zusters uit Sittard werden, was te danken aan kapelaan Heerschop, die de zusters had leren kennen te Vinkeveen. Een man die – toen de zusters op zijn verzoek om naar Hengelo te komen, afwijzend reageerden – zelf naar het zuiden reisde. Met hetzelfde negatieve resultaat! Heerschop die toen de generale overste Ludgera met haar raad uitnodigde het kantklare klooster zelf te komen bezichtigen. Wat Ludgera deed en uiteindelijk – na nog eens in de kerk gebeden te hebben – in het gangetje tussen kerk en pastorie de verlossende woorden sprak: Wir wären verrückt, wenn wir es nicht annehmnen.

De jaren 1897-1930. En zo kwamen in april 1897 eerst 3 zusters als kwartiermaaksters naar Hengelo en in mei nog eens 7 zusters met op 12 mei de inzegening van het huis door de pastoor en de eerste mis in de kapel door de kapelaan in aanwezigheid van klopje Naatje, gevolgd door de opening van de bewaar- en handwerkschool. Een paar jaar later – wanneer de veelal Duitse zusters hun Nederlands onderwijsakte hebben behaald – de opening van de lagere school. Klooster en onderwijs een onderneming met groei met ULO, modevak- en muziekschool. Het Antoniusgesticht in 1918 noodhospitaal voor zieke krijgsgevangenen op doorreis naar Engeland, Frankrijk en Italië. Zusters die akten halen voor steno en boekhouden. In 1925 start van het patronaat voor meisjes, ’s zondags na het lof, met handwerken, muziek en toneel.

De jaren 1930-1945. In 1931 een lagere school in de Mariaparochie, terwijl dan 350 kinderen de Fröbelschool van de Antoniusstichting bezoeken en de ULO floreert. Tijdens de oorlog klooster en scholen eerst gedeeltelijk en in 1941 geheel gevorderd. Zusters die dan les geven in noodlokalen en zelf met 24 personen in een grote, leegstaande Bata-winkel gaan wonen en wanneer die oktober 1944 door een bombardement wordt getroffen, gastvrij onderdak vinden in Deurningen, eerst in 8 boerderijen, daarna tot aan de bevrijding in het parochiehuis.

Na de bevrijding. Klooster en scholen eerst nog bezet door Engelsen en Canadezen, doch de zusters in juni terug naar het klooster en in september naar

|pag. 40|

de scholen. Bij het 50-jarig bestaan in 1947 3 dagen feest voor de 50 zusters, het onderwijzend personeel, de kinderen, de familie van de zusters, de buren en de heren geestelijken met als hoogtepunt een gelukstelegram van paus Pius XII.
Niemand die toen een flauw vermoeden had van de veranderingen die zouden komen. Hoe door het teruglopen van de roepingen steeds meer leken de plaats van de zusters zouden innemen en hoe door Vaticanum II de bakens verzet zouden worden. De zusters die in 1964 nog begonnen met bejaardenzorg in Backenhage en in 1968 verhuisden naar het nieuwe klooster aan de Sloetsweg, wat de gemeente Hengelo de kans gaf het Antoniusgesticht te kopen en in 1973 af te breken ter vergroting van het stadhuis en de herinrichting van de Thiemsbrug

Tenslotte in 2002 het vertrek van de zusters na een viering in de Mariakerk met het thema: ‘Omzien in dankbaarheid’ waar alleen het Gregoriaans, een mis van Perosi en een Te Deum klonken, maar niet de stemmen van kinderen of jongeren voor wie de zusters 150 jaar daarvoor naar Hengelo waren gekomen.
Kinderen en jongeren die nog meer gemist werden, toen de algemene overste in haar dankwoord vertelde hoe ze vroeger als jonge zuster de kinderen had leren zingen en hoe je ‘door zingen sterker wordt en zekerder van jezelf’.

     18. Het Sint Olavklooster te Glanerbrug

[ afbeelding: Olavklooster in Glanerbrug ]

Het klinkt ongelooflijk, maar wanneer het aartsbisdom rond 1920 een minder afwerende houding had aangenomen, dan hadden de paters Maristen zich even goed in Oldenzaal, Fleringen of Rossum kunnen vestigen. Dat de Maristen aan Twente dachten, had alles te maken met het feit dat ze vanuit hun jonge kleinseminaries in het Zeeuws-Vlaamse Hulst en Meppen in het Emsland op zoek waren naar een gezamenlijk noviciaatshuis. Het zat hen daarbij bepaald niet mee.

Oldenzaal kon niet doorgaan vanwege de te hoge kosten. Fleringen niet vanwege het verbod van het bisdom, niettegenstaande het dringend verzoek van 4 pastoors en een tweede verzoek door een invloedrijke leek. Tegen Rossum

|pag. 41|

had het bisdom geen bezwaar. De eerste spade was bij wijze van spreken al in de grond gezet, toen de Duitse Redemptoristen aan de grens te Glanerbrug de Maristen in september 1920 attent maakten op het in de Beekhoek gelegen Olavklooster van de Duitse St. Jozefzusters, waarvan het Franse hoofdbestuur toen juist besloten had dit na amper 10 jaar weer af te stoten. Zusters die voor hun werk in Noorwegen liever een klooster in Duitsland hadden gesticht en – toen dat door de Pruisische regering verboden werd – waren uitgeweken naar Nederland en toen in de Beekhoek het erve Schildkamp kochten met 16 ha. bouw- en weiland, waar al gauw in 1911 – dank zij bedelacties in Duitsland – het Sint Olavklooster verrees, zo genoemd naar de eerste koning-martelaar van Noorwegen: een postulaats- of ‘toeleveringshuis’ voor de noviciaten van de zusters in Oslo en Kopenhagen. Helaas door de eerste wereldoorlog zonder normale contacten tussen Frankrijk, Duitsland en Noorwegen een onmogelijke onderneming.

Herfst 1920 ‘zonder meer voorzienigheid’ (kroniek der Maristen) de ontmoeting tussen de Franse generale overste Mère Marie du Sacré Coeur van de Jozefzusters van Chambéry en de Franse pater Bériard, overste van de Maristen te Hulst. Een nagenoeg nieuw klooster met kostbare installaties als verwarming en wasserij, geschat op f 100.000. Bériard bood er f 80.000 voor, Mère Marie die er nog eens f 15.000 af deed!

Zo betrokken Duitse en Nederlandse Maristen het klooster als noviciaat. Het begin van vele jaren internationale samenwerking, want na dat noviciaat in Nederland voor de jonge Maristen 2 jaar filosofie in het Beierse Fürstenzell bij Passau, gevolgd door 4 jaar theologie in het Wallonische Differt bij Arlon.
Het Olavklooster na 1940 nog uitsluitend Nederlands, het klooster waar ik zelf mijn noviciaat maakte en vertrouwd raakte met het religieuze leven, met studie, gebed en handenarbeid, een soort ‘wittebroodsweken met de Heer’.

Een klooster met gemiddeld 20-30 bewoners, voor de eerste levensbehoeften aangewezen op de eigen boerderij, op brood van de graancollecte door broeder Gabriel in Zeeuws-Vlaanderen, aardappelen van de ‘töffelcollecte’ door broeder Willem in De Lutte, op de jaarlijkse collecte met open schaal in de parochiekerk te Losser en wat de paters zelf inbrachten door misintenties en assistenties in de omgeving. Breed hadden we het niet, maar wél goed dank zij het noeste werk van de broeders op de boerderij en wat mensen ons in natura toestopten of waarmee ze ons hielpen. Waarbij met gouden letters vermeld dient te worden de jarenlange gratis medische bijstand door dokter Schutter uit Glanerbrug. ‘Latijn betaalt niet aan Latijn’, een gevleugeld woord dat voor hem ook gold voor de zusters Franciscanessen in Glanerbrug, de Redemptoristen aan de grens en de Kapucijnen van Dolphia!
Van 1965-1970 mocht ik er zelf de broeders en novicen begeleiden, de laatste 2 jaar weer samen met de Duitsers en hun novicenmeester. Tot het klooster door

|pag. 42|

gebrek aan roepingen in 1970 gesloten moest worden. Waarna we – na enkele maanden gastvrij verblijf bij de Kapucijnen van Dolphia – tot 1976 met vijf personen onze intrek namen in een dubbele flatwoning bij het Diekmanstadion in Enschede, waaruit een kleiner geworden groep verhuisde naar de pastorie van de Michaëlparochie en een weer kleinere tot 1993 naar de pastorie van de St. Jan.

[ afbeelding: Maria met de 12 apostelen + logo van de Bovenzaal ]

Het betekende niet het einde van de Maristen in Enschede. Geïnspireerd door ‘herbronning’ (het bestuderen van de leefwijze der eerste Maristen in het godverlaten Frankrijk van na de Franse revolutie) startten 3 enthousiaste Maristen het project ‘de Bovenzaal’: zoals Maria, de moeder van de Heer, tussen Hemelvaart en Pinksteren in de bovenzaal te Jeruzalem een steun was voor de beginnende kerk, zo zou zij dat ook weer zijn aan het eind der tijden. Voor de stichter pater Colin en zijn medebroeders een uitdaging om van de manier waarop Maria toen onder de apostelen aanwezig was te leren hoe in de eigen situatie aanwezig te zijn in de kerk. Op een bescheiden, maar des te werkzamer wijze, om in de eigen dagen weer iets zichtbaar te maken van het begin: ‘die gemeenschap van gelovigen, één van hart en één van ziel’. Maristen die – daardoor geïnspireerd – hun huis in Enschede openstellen voor ieder die hun leven een tijd wil delen om ‘zicht te krijgen op de eigen roeping’.

|pag. 43|

     19. De Redemptoristen van de Zwanenhof

‘De Redemptoristen, een verkwikkelijke dissonant in de sfeer van geestelijke matheid die de kerk van de achttiende eeuw kenmerkte, doch waarvan de invloed in het begin beperkt bleef tot Italië’ (L.J.Rogier).

Een verkwikkelijke dissonant door Alfonsus Maria de Liguori (1696-1787), Napolitaans edelman, briljant advocaat, vanaf 1726 priester en later ook bisschop.
De man die zich het lot aantrok van de in het koninkrijk Napels geestelijk verwaarloosde land- en bergbevolking. Schrijver van een bevrijdend boek over de moraaltheologie (1748). Auteur van handleidingen voor predikanten en biechtvaders. De pastor die vond dat je als kerk eisen mag stellen, maar daarbij de lat niet onbereikbaar hoog. De dichter en componist van populaire geestelijke liederen, de schilder van religieuze voorstellingen die het volk aanspraken. Kort gezegd, iemand voor wie God niet allereerst de strenge Rechter was, maar de barmhartige Verlosser of Redemptor (Redemptoristen).
De pastor die – tegen de heersende Jansenistische praktijken in – het veelvuldig ontvangen der sacramenten bevorderde, het bezoek aan het H. Sacrament algemeen in gebruik bracht en nieuw elan gaf aan de Maria-verering.

Naam makend als predikant, bracht hij in 1732 een viertal priesters bij elkaar in een communiteit met een door hem opgestelde regel. Een congregatie die echter bij zijn dood nog maar 8 kloosters telde: 4 in het koninkrijk Napels en 4 in de kerkelijke Staat. Vooral te wijten aan de agressief antiklerikale en almachtige minister Tanucci van Napels die in de nieuwkomers de opvolgers zag van de tussen 1773-1814 opgeheven Jezuïeten. De fanaticus Tanucci die de 4 kloosters in het Napelse zelfs dwong alle banden met de 4 in de Kerkelijke Staat én met Alfonsus te verbreken!

Over de Alpen naar Europa, werk van Clemens Maria Hofbauer (1751-1820), die er als Oostenrijker de voorkeur aan gaf zijn studies niet aan het Josephistische staatsseminarie te Wenen, maar in Rome af te maken. Om er totaal onvoorzien als eerste niet-Italiaan Redemptorist te worden. Hofbauer die in de Napoleontische tijd waarin honderden kloosters werden opgeheven, terecht kwam in de Sint Benno te Warschau, waar hij met een Poolse medebroeder – afwisselend in het Pools en Duits – doorlopend missies preekte, omdat rondtrekken als predikant verboden was. Na de val van Napoleon reisde hij rusteloos door Europa, om er in Zuid-Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Portugal en België kloosters te stichten.

1831 van België naar Nederland. Wanneer België zich in 1830 van het Verenigd Koninkrijk heeft afgescheiden en – op de Conferentie van Londen 1831 – Nederlands Limburg aan België wordt toegewezen en door Belgische troepen bezet, mogen de Redemptoristen zich bij besluit van het voorlopig Belgisch Bestuur in Wittem vestigen, waar ze van Willem I na 1838 – het jaar

|pag. 44|

waarin hij zich met behoud van ‘ons’ Limburg neerlegt bij de afscheiding – mogen blijven. Het grootseminarie Wittem, van waar uit 130 jaar lang paters werden uitgezonden naar de 5 retraitehuizen, de verschillende rectoraatskerken en naar de missies in Brazilië en Suriname.

[ 2 afbeeldingen: eetzaal van De Zwanenhof en H. Alfonsus de Liguori. ]

Naar Twente in 1918. Amersfoort het dichtst bij gelegen retraitehuis van de Redemptoristen. Reden voor de dekens van Twente en een aantal arbeider- en boerenorganisaties hun te vragen naar Twente te komen. In 1927 de inzegening van het retraitehuis St. Jozef, waarvoor drie paters tussen 1922-1925 meer dan de helft van de bouwkosten (f 193,000.-) bij elkaar preekten. Werkwijze der paters: besloten retraites van meestal 4 dagen met veel toespraken, gebed, biecht en stilte. Doel: vernieuwde keuze voor God en de door Hem gewilde levensstaat. Retraitanten in groten getale: soldaten, leden van vrouwenverenigingen, katholieke vakbonden en standsorganisaties en moeders van priesterstudenten. Jaarlijks – naast de missies in de parochies – zo’n 80 retraites met in totaal meer dan 5000 deelnemers/sters. Geestelijk verzorgd door de paters, lichamelijk door de zusters van de H. Jozef uit Heerlen.

Na de zestiger jaren. Retraites die in aantal afnemen. De naamsverandering in ‘Bezinningscentrum de Zwanenhof’ met een programma-aanbod niet meer bestaand uit conferenties, meditatie en stilte, maar uit bezinning, gesprek en ontspanning. Naast de paters ook leken-theologen’, bekend met de methodieken van het vormingswerk. Een scala van activiteiten van Maria-dagen, rouwverwerking, gesprekken met nabestaanden van zelfdoding, vrouw en geloof en vredeswerk tot bijbelstudie, spiritualiteit, zomervakantieweken, Zwanenhof-zondagen en Zwanenhof-lezingen.

|pag. 45|

De Zwanenhof vanaf 1979 de aangewezen plaats voor het Pastorale Centrum voor heel Twente en de Pastorale School, waarvoor de Redemptoristen ‘pro Deo’ niet alleen een deel van hun gebouwen ter beschikking stelden, maar jarenlang ook nog een hele formatieplaats! De Zwanenhof vanaf 1985 ook de plaats waar ze samen met de Karmelieten actief waren voor de arme kant van Nederland in ’Zwanenhof 3’, kortweg Z 3.

     20. De Kapucijnen van Dolphia

‘Paters die er temidden van het moderne leven een aantal buitenwereldse gebruiken op na houden. Mannen op blote voeten en met baarden, maar die de taal spreken van de gewone man. Achter hun goedlachse gezichten iets van grote warmte en openheid die afstanden overbrugt’ aldus jaren geleden pater Concordius over de Kapucijnen.

Kapucijnen, een van de 3 takken van de orde der minderbroeders. Een driedeling niet bedoeld door de man uit Assisi die de orde in 1223 stichtte, doch waartoe de navolging van de arme Christus – zoals Franciscus die voorleefde en in een regel vastlegde – wel aanleiding gaf. Een orde zo geteisterd door de interpretatie van die regel, dat de paus deze in 1517 splitste in de hervormingsgezinde Conventuelen en de aan de oorspronkelijke regel vasthoudende Observanten. Hetgeen vele van de laatsten nog niet ver genoeg ging: zij wilden net als Franciscus een leven leiden van gebed en afzondering, van eenvoudige handenarbeid, liefdewerk en volkse prediking.

Zo ontstonden mede door de hertogin van Camerino – een nicht van de paus en gecharmeerd door de onbaatzuchtige hulp van die minderbroeders aan de pestlijders – in 1528 de Kapucijnen, zo genoemd naar de hen kenmerkende cappucino of spitse kap. Eind 18-de eeuw – hoogtepunt van het ledental der minderbroeders – telden zij 34.000, de Conventuelen 18.000 en de Observanten 77.000 leden.

De Kapucijnen naar Dolphia. Toen de parochie Glanerbrug rond 1930 dacht aan een bijkerkje voor Dolphia, kwamen door toedoen van bouwpastoor van Rossum van de Ludgerus in Hengelo plots de Kapucijnen in beeld met wie hij in 1902 als kapelaan te Houten in contact was gekomen als de ‘thuiszorg’-biechtvaders van de 90-jarige pastoor en zijn even oude huishoudster. Een contact dat leidde tot een zwak voor de Kapucijnen, zozeer dat hun kerk in Den Bosch model stond voor zijn Ludgerus en hij de Kapucijnen voor genoemd bijkerkje aanbeval bij de deken van Hengelo (waartoe Enschede toen hoorde).
Eenmaal in beeld kregen de Kapucijnen in 1935 toestemming voor de bouw van een klooster voor 40 personen ter ontlasting van het overvolle kleinseminarie in het Brabantse Langeweg.

|pag. 46|

In 1937 betrokken door 12 paters en 24 studenten, liet de oorlog het klooster niet ongemoeid: in 1943 in beslag genomen door de Duitsers en na de bevrijding enige tijd onderkomen voor de Canadezen. Na terugkeer van de Kapucijnen in 1946 was het 20 jaar lang noviciaatshuis, totdat zich vanwege de crisis

[ afbeelding met onderschrift: Het zilveren priesterfeest van pater Genesius met achteraan en tussendoor de novicen (1963) ]

in de kerk en het kloosterleven nauwelijks nog nieuwe kandidaten aanmeldden.
De voornaamste reden om het klooster in 1971 op te heffen, waarop een kleine groep Kapucijnen zich tot 1979 vestigde in een gewoon huis te Enschede.

Indrukwekkend wat de Kapucijnen in de loop der jaren vanuit Dolphia ondernamen:

  • De Bernadettekerk in gebruik gebleven tot het vertrek in 1992 van de laatste rector pater Ananias, vele jaren de toeverlaat van behoudsgezinde katholieken in Twente met op de buitendeur van de sacristie waar hij woonde de spreuk ‘De kleine rest’
  • Het woonwagenwerk vanaf 1936 met een pater als aalmoezenier voor de ongeveer 80 families
  • Vanaf 1948 Via Pacis dat drie doelen nastreefde: geloofsverdieping met een theologische leergang voor geïnteresseerde leken (1), catechese aan jaarlijks 200 mensen die katholiek werden, vooral vanwege de katholieke huwelijkspartner (2) en het bevorderen van de oecumene in een stad waar katholiek en protestant tot in de 60-er jaren in twee gescheiden werelden leefden (3). Via Pacis dat ook het initiatief nam tot de plaatselijke Raad van Kerken.


|pag. 47|

  • En niet te vergeten de assistenties door heel Twente, de 40-urengebeden die zij preekten en de geestelijke zorg voor vele religieuzen.

[ afbeelding: Kapucijnenklooster in Glanerbrug-Dolphia ]

  • Het studentenpastoraat vanaf 1948 aan de HTS, MTS, AKI (Academie voor Kunst en Industrie) en later aan de Technische Hogeschool Twente, thans Universiteit Twente
  • Het Don Bosco-werk vanaf 1951 voor de volksjeugd van Enschede uit maatschappelijk niet aangepast gezinnen

[ afbeelding met onderschrift: Pater Arnulf Sibbing (links) en Dick Smeijers (rechts): ‘We werpen een dammetje op tegen de grote ongelijkheid en de overdaad in de wereld.’ ]

  • En De Wonne, het in 1979 door pater Arnulf Sibbing gekraakte leegstaande Larinksticht, woongemeenschap voor mensen die om wat voor reden geen dak boven hun hoofd hadden. Een gemeenschap gedragen door mensen met het Franciscaanse ideaal van 3x S: van Soberheid, Solidariteit en Spiritualiteit. Eenvoudig in praktijk gebracht door het hergebruik van de goederen van ‘Moeder Aarde’, door broeder- en zusterschap en aandacht voor het innerlijk.


|pag. 48|

     21. Twee congregaties van Fraters

Als het ergens in onze kerk stil geworden is, dan wel rond de frater- en broeder-congregaties van wier werk men zich altijd al moeilijker een voorstelling kon maken dan van de activiteiten ontplooid door zusters en paters. Alsof ze verder van ons afstonden. En toch stuk voor stuk mannen met een hooggestemd ideaal, op menig terrein meer onderlegd dan de priesters onder wier verantwoordelijkheid zij werkten. Pioniers in tal van takken van zorg en onderwijs. In Twente 2 van die congregaties: de Fraters Maristen en de Fraters van Utrecht.

De Fraters Maristen van de Scholen, in 1817 in Frankrijk gesticht door de in 1999 heilig verklaarde Marcellinus Champagnat. Een van die vele Fransen die zich rond 1815 op een bijzondere manier voor de door de Franse Revolutie verzwakte kerk wilden inzetten. Champagnat die zich daartoe op het grootseminarie van Lyon aansloot bij een groep van 12 geestverwanten, die elkaar daags na de priesterwijding beloofden te zullen ijveren voor de stichting van een Sociëteit van Maria, de latere Paters Maristen. Waar voor Champagnat – toen hij, nog maar net kapelaan, op een dag bij een 17-jarige jongen werd

[ 2 afbeeldingen: Wapen van de congregatie en portret van Champagnat ]

geroepen die niets van het geloof afwist – met instemming van de groep van 12 nog bij kwam: de stichting van een congregatie van fraters. Niet zonder problemen, omdat de vicaris-generaal van Lyon de fraters van Champagnat liever in zijn eigen stichting zag intreden. De Fraters Maristen die in 1871 twee leden telden, in 1825 30, in 1835 140 en bij de dood van Champagnat in 1840 bijna 300 leden, werkzaam in 40 scholen. Een congregatie die haar vleugels ook buiten Frankrijk uitsloeg, thans met 5000 leden actief in meer dan 70 landen.

|pag. 49|

Naar Nederland. Toen in 1937 de fraters in Duitsland hun 9 huizen moesten sluiten, weken enige uit naar Nederland waar ze via kennissen een voorlopig onderdak vonden in Almelo, daar – om in hun onderhoud te voorzien – privélessen gaven, een deel van het meegebrachte meubilair verkochten en korte tijd een stokerijtje dreven voor hun befaamde ‘Maristine’. Tot ze rond het uitbreken van de oorlog een stuk grond kochten in Azelo, waar ze in 1945 in noodlokalen met een eerste klas ULO begonnen en in 1954 de nieuwe school met internaat betrokken (met de naam ook lastige leerlingen goed aan te kunnen). Azelo dat ze in 1992 – door de neergang van alle internaten – moesten sluiten en toen een AZC werd. Zeven fraters die dan onderdak vinden in de omgeving: een viertal in Neede waar ze samen met de zusters van Julie Postel een nieuwe vorm van opvang beginnen voor ex-gedetineerde jongeren, tussendoor administratief dienstbaar aan het dekenaat Berkelland en de andere drie in Hengelo, de een actief in huis, buurt en parochie, de ander met taalles in het AZC te Azelo en frater Paul receptionist op de Zwanenhof.

Vermeldenswaard de 4 Duitse fraters – van wie 2 met de Nederlandse onderwijsakte – die vanuit Azelo in Rusland sneuvelden en wereldwijd de in totaal 204 fraters die vanaf de stichting een gewelddadige dood stierven omwille van het geloof: 5 in Oceanië, 10 in China, 13 in Afrika en 175 (!) tijdens de Spaanse burgeroorlog.

De Fraters van Utrecht, volledig de ‘Fraters van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart’, in 1873 gesticht door de aartsbisschop van Utrecht, mgr. Schaepman, om gestalte te geven aan het destijds volledig ongesubsidieerde katholiek lager onderwijs en om de randvoorwaarden te scheppen voor de katholieke opvoeding van in eerste instantie jongens en later ook meisjes. Een congregatie die begon met 3 bij de Fraters van Tilburg gevormde en opgeleide religieuzen. Fraters die in de loop der jaren in en buiten de stad Utrecht lagere scholen, MULO’s, scholen voor BLO en LTS plus kweekscholen stichtten. In totaal meer dan 40 scholen, bestuurd vanuit het Gregoriushuis te Utrecht, het hart van de congregatie. De fraters in hun zwarte kloosterkleding op hun onafscheidelijke damesfietsen vele jaren vertrouwde figuren in het Domstedelijk stadsbeeld.

Naar Hengelo. Fraters die in 1954 op verzoek van een Twents driemanschap naar Hengelo komen om er een RK kweekschool op te starten. Na veel geharrewar, want zou die school wel levensvatbaar zijn naast de andere opleidingen in den lande? Een start bovendien met een ‘sluiproute’: als dependance van de meisjeskweek te Steenwijkerwold (Zusters van Amersfoort), omdat de wet tot 1956 de oprichting van nieuwe kweekscholen verbiedt. Een
|pag. 50|

begin waarbij Steenwijkerwold 3 zusters levert, de Ludgeruskweekschool te Hilversum 3 fraters en het aartsbisdom een moderator ‘om te waken over zaken van geloof en zeden’.

Voor de leerkrachten een revolutionaire overgang van een kweekschool annex internaat voor alleen jongens of meisjes naar een externe gemengde kweekschool, niet meer genoemd naar een heilige, doch naar een eigentijdse voor het onderwijs verdienstelijke persoon: mgr. Hoogveld (1878-1942),

[ 2 afbeeldingen: houtsnede boom met alfabet en congregatie-wapen van de Fraters van Utrecht ]

priester-hoogleraar te Nijmegen en grondlegger van de katholieke pedagogiek in Nederland. Een naam waarvan de frater-directeur het betreurde dat deze bij de fusie met de RK opleiding tot kleuterleidster (KLOS) te Enschede, vervangen werd door die van Edith Stein.

Een kweekschool met onder de leraren 8 fraters, met in de beginjaren een groot gevoel van lotgenootschap tussen docenten en studenten met excursies naar Duitsland en Vlaanderen, vakantie-trektochten, schoolconcerten, bezinningsdagen en kerstvieringen, een school die in 1971 bij het vertrek van de laatste frater 5 eerste klassen telde. De Hogeschool Edith Stein thans een PABO met 3 stromingen: katholiek (met diploma catechese), protestant (met diploma bijbels onderwijs) en openbaar/algemeen (met diploma humanistisch vormingsonderwijs of interkerkelijk overleg schoolzaken).

De Katholieke Encyclopedie voor Opvoeding en Onderwijs (1954)

‘Wie het niet gedeeltelijk heeft meegemaakt, beseft niet hoeveel armoede en ontbering de religieuzen bij hun werk bijna 100 jaar tot 1920 hebben moeten verduren. Mannen en vrouwen die zoals anderen wetenschap, kunst en beschaving bevorderden, maar die vóór alles de vorming tot christen voor ogen stond. Religieuzen daartoe geschikt bevonden in het noviciaat, degelijk

|pag. 51|

opgeleid in de eigen scholen, ziekenhuizen en instituten. Congregaties die na de armoede van de 19-de eeuw – die aan pauperisme grensde – met de subsidies van na 1920 hun huizen geleidelijk wat menswaardiger konden inrichten, hun schulden aflossen en allerlei nieuwe vormen van onderwijs ontwikkelen. Congregaties met pioniers en vernieuwers op allerlei gebied zoals de fraters Jozef Reijnders en frater Rombouts van de fraters van Tilburg.

Frater Reijnders met boekjes als ‘Ik lees al’ en ‘Nieuw taalboek’ en ‘Rekenen op de lagere school’ (1925), waarmee hij zijn tijd een kwarteeuw vooruit was.
Een frater de laatste jaren van zijn leven nog actief voor de braille-bibliotheek van het blindeninstituut te Grave. Frater Rombouts, vanaf 1919 hoofdredacteur van het paedagogisch tijdschrift ‘Ons eigen blad’ en vanaf 1921 van de ‘Opvoedkundige Brochure Reeks’ en schrijver van leesboeken voor de kweek-

[ afbeelding met onderschrift: Frater Rombouts met koninklijke onderscheiding ]

school, de ULO en de lagere school. Frater Rombouts, die – van mening dat het godsdienstonderwijs te intellectualistisch en leerstellig was – ijverde voor een warmer en persoonlijker benadering met sprekende illustraties en meer verwijzing naar de Bijbel en de Liturgie.

Voor de statistiek (1999) De Fraters Maristen die in Nederland in totaal 13 leden tellen en de Fraters van Utrecht 105 leden, waarvan enkele op het katholieke Flores en in Kenya. Opvallende overeenkomst van beide congregaties: hun toegewijd zijn aan Maria, getuige de afgedrukte wapens.
Maria, bij wie vele fraters zich in hun dienende taak van opvoeden en begrip-hebben-voor-de-jeugd zoiets als thuis hebben gevoeld en inspiratie uit geput.
Fraters over wie ik onlangs van oud-vicaris Vermeulen – die wekelijks voorgaat in de viering bij de fraters van Utrecht – ook nog hoorde hoe je van fraters die geen fanclub om zich heen hebben zoals priesters, bescheidenheid kunt leren’.
Fraters of broeders die ik zelf van 1960-1970 tien jaar lang als aalmoezenier mocht meemaken – bijna als bijzondere vogels mocht observeren – tijdens zomervakanties in Tirol van leerlingen van de Ambachtsschool voor Individueel Onderwijs te Breda onder leiding van de broeders van Huijbergen, levend naar de regel van Derde Orde van Franciscus.

|pag. 52|

NADAGEN VAN HET RELIGIEUZE LEVEN

‘Heb je dat al gehoord van het Albertinum in Nijmegen? De laatste doet het licht uit!’, gezegde uit de 70-er jaren toen daar zoals elders paters, zusters en broeders met tientallen uittraden.

De oorzaken allerlei: de euforie na Vaticanum II en het uitblijven van het facultatief stellen van het celibaat voor priesters, de studentenbewegingen van de 60-er jaren, de emancipatie der katholieken voltooid, leken die de taken van de religieuzen in het onderwijs en de gezondheidszorg hadden overgenomen, derde-wereld-vrijwilligers in plaats van missionarissen, de toenemende secularisering, de ontzuiling, de grotere welvaart met kleinere gezinnen waarin gehuwden ‘kinderen nemen en niet meer van God krijgen’, de toenemende kerkverlating, het failliet van de internaten en seminaries, religieuzen die ervoor terugschrikken zich definitief voor het leven te binden, de invloed van de TV met visies van allerlei mensen op kerk en samenleving, het carrière maken bij jonge mensen, het oprukken van een vrijetijds- en vermaakcultuur als nooit tevoren enz. enz.

WANT HIERTOE ZIJN WE TEZAMEN GEKOMEN (Uit de Regel van Augustinus)

Mensen als Emile Gemmeke, karmeliet en bisschoppelijk gedelegeerde voor de religieuzen in het aartsbisdom, die – kijkend naar de teruggang van het religieuze leven – sprak over een cyclus van 5 perioden: van de stichting waarin doel en opzet vorm krijgen (1), van de uitbreiding waarin de levenswijze in regels wordt vastgelegd (2), van de stabilisatie waarin alles naar wens verloopt met regelmatig nieuwe leden (3), van de achteruitgang waarin intredingen niet meer vanzelfsprekend zijn en meerderen uittreden (4) en van de overgang met ingrijpende veranderingen als kloosters die opgeheven worden, sudderend voortbestaan of bondgenoten zoeken bij geestverwanten buiten de muren (5).

|pag. 53|

Het tijdschrift De Bazuin dat in 1997 een serie van artikelen wijdde aan ‘De nadagen van het klooster’, waarin vele leden van congregaties berusten in de situatie in de overtuiging dat ze goed werk hebben gedaan en gerust kunnen heengaan, maar anderen zoals de oud-Norbertijner abt Baeten vurig pleiten voor het bestaansrecht van met name de orden ‘zo belangrijk voor het voortbestaan van de kerk zelf door de twee wezenskenmerken: gemeenschap en zending. Daarnaast de Kapucijnen die er zonder paniek ‘een gelovige en blije tocht naar het graf van maken, elkaar de feitelijke levenswijze gunnend tot welzijn van iedere medebroeder. Maar ook zijn er religieuzen die stilstaan bij het eigen verhaal waarom ze eens die keuze maakten met dat ánders-zijn en nááste-zijn, de vele bezoekers in hun kloosters confronterend met waarden die ook in deze tijd hun geldigheid niet hebben verloren. Getuige de Stilte Atlas met meer dan 100 plaatsen om tot rust te komen. Met een ‘Ten geleide’ van Ineke Bakker, algemeen secretaris van de Raad van Kerken in Nederland, die in het Jubeljaar 2000 het initiatief nam tot publicatie van de atlas.

Het verschijnsel ‘geassocieerde leken’. Tot slot zijn daar – bij het door vergrijzing onverminderd teruglopende aantal religieuzen – de orden en congregaties die op zoek gaan naar een ‘pact’ met aan hen ‘geassocieerden’ zoals we o.a. zien bij de Franciscanen, Augustijnen, Dominicanen, Redemptoristen en Maristen. Geassocieerden (‘leken’) die met deze religieuzen samenwerken, samenleven of projecten behartigen.

Even zovele pogingen om het geestelijk erfgoed van die orden en congregaties door te geven, waarbij zij het al dan niet voortbestaan graag overlaten aan de werking van de Geest, de Adem Gods van wie zij hopen dat Die zich in dat bonte wereldje van ‘het religieuze leven nieuwe stijl’ goed thuis mag voelen en zoals steeds weer vaardig mag worden over mensen.

[ afbeelding: gestileerde duif ]

|pag. 54|

[ Afbeelding: kaartje van Twente met ondertitel – Kloosters vóór en tijdens de Reformatie – ]

|pag. 55|

[ Afbeelding: kaartje van Twente met opschrift: Kloosters in Twente periode 1848-1920 en inzet foto groep monniken + tekst]

|pag. 56|

[ Afbeelding: kaartje van Twente met opschrift: Kloosters in Twente na 1920 en inzet foto groep nonnen + tekst ]

|pag. 57|

[ Afbeelding: plattegrond Klooster ‘Maria Vlucht op de Glaan’- situatie 1757 ]

|pag. 58|

[ Afbeelding Christus’ verheerlijking op de berg, met Mozes, Elia, Petrus, Jacobus en Johannes ]

Uit de postsynodale apostolische Exhortatie «Vita consecrata» van Johannes Paulus II, d.d. 25 maart 1996

Ook al schijnt het godgewijde leven in een aantal landen een moeilijke tijd door te maken, in andere streken bloeit het en vertoont het een verbazingwekkende vitaliteit (2). Een leven dat geen losstaand randverschijnsel is, niet slechts in het verleden een hulp en steun voor de kerk, maar in haar vele vormen nog steeds een wezenlijk bestanddeel van het leven van de kerk als impuls tot steeds groter trouw aan het evangelie (3).

Dat leven ook ‘sequela Christi’ genoemd – de speciale roeping om alles achter te laten en van nabij de levenswijze van Jezus te volgen – waarbij een oude geestelijke traditie verwijst naar de ikoon van de Transfiguratie of Gedaanteverandering, met enerzijds ‘het beklimmen van de berg’ om er biddend met Jezus getuige te zijn van zijn heerlijkheid – genietend van de intimiteit met Hem — , maar met anderzijds ‘het afdalen van de berg’ naar de daagse werkelijkheid, om er door allerlei activiteiten Gods plan met de mensen te verwezenlijken, moedig de weg van het kruis te gaan en getuigenis af te leggen van het feit dat je de wereld niet kunt veranderen zonder de geest van de zaligsprekingen (33).

Het godgewijde leven dat in de loop van de geschiedenis van de kerk bij uitstek de ruimte was van liefde voor God en de naaste, een getuigenis van Gods plan om – in creatieve trouw aan het charisma van de stichters – in de beschaving van de liefde de hele mensheid te maken tot de grote familie van Gods kinderen (35-37). Want zoals de evangelisatie van alle tijden, zo zal ook de nieuwe evangelisatie alleen effect hebben als ze van de daken weet te verkondigen, wat eerst in het intieme verkeer met de Heer doorleefd is (81). Het derde millennium verwacht dat talrijke jonge godgewijde mensen door hun geloof en creativiteit zullen bijdragen tot een vreedzamer wereld die God – en in Hem al zijn zonen en dochters – beter zal weten te verwelkomen (106).

|pag. 59|

Uit de naamlijst van 2005 van de Nederlandse provincie van de Orde van Onze Lieve vrouw van de Berg Karmel

Een Orde met thans vier soorten leden:

  1. De door het kerkelijk recht erkende leden met 3 geloften, levend in conventen.
    Aantal: 113 personen, van wie 19 geen priester.
  2. De geassocieerde leden die – met een ‘ad experimentum’ van de generale overste der Orde – een gelofte afleggen op de regel, waaraan ze gehuwd/ongehuwd in hun eigen leefomstandigheden vorm geven. Leden die zich aansluiten bij een der conventen waar men een aantal keren per jaar samenkomt en persoonlijk zo vaak men wil.
    Aantal: 19 personen.
  3. De vanwege hun verdiensten met de Karmel geaffilieerde leden.
    Aantal: 2 personen.
  4. De leden van de Karmelbeweging – een zelfstandige afdeling met een eigen bestuur – van mannen en vrouwen die als een soort Derde Ordelingen naar het ideaal van de Karmel willen leven.
    Aantal: 53 personen

[ Afbeelding: wapen van de orde van de Karmelieten ]

|pag. 60|

[Blanco]

|pag. 61|

[achterzijde boekje][afbeelding getijdengebed door monniken ]

______________________

– Wiel 1 [1. Cor van de Wiel (Breda, 16 april 1933 – Enschede, 24 november 2018), emeritus-pastoraal werker.], C. van de (2005). Kloosters in Twente in het verre en recente verleden. Losser: Eigenbeheer.

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.