Kloosters in Twente

KLOOSTERS IN TWENTE

in het verre en recente verleden


Het verhaal van de vrouwen en mannen
die zich in de loop der eeuwen
op zoveel verschillende manieren
geheel vrij maakten voor God
en hun leven in dienst stelden
van hun medemensen.

« om de naamloze duizenden niet te vergeten »

[ ]

Woord vooraf

Het begon allemaal in 1997 met een aanbod door ‘De Zwanenhof’ van een driedaagse tocht langs enkele kloosters in Twente, waarbij we de eerste dag een bezoek zouden brengen aan het Stift te Weerselo, de tweede dag aan het moederhuis van de zusters Franciscanessen te Denekamp en de leefgemeenschap ‘De Wonne’ te Enschede en op de laatste dag aan de kloosters van de Karmelieten en Karmelietessen in Zenderen. Het vervoer deels met de auto, deels op de fiets en te voet. Een programma bedoeld om mensen in contact te brengen met religieus leven in Twente, vroeger en nu. Een aanbod dat Gijs van Wijk, redemptorist, en ik helemaal zagen zitten.

Des te groter dan ook de teleurstelling dat zich – vanwege de te hoge kosten voor de doelgroep – tot tweemaal toe te weinig personen aanmeldden en de hele tocht niet doorging. Jammer, al die uren voorbereiding en al die afspraken voor niets! Waarop deken Henk Antonissen me voorstelde er een serie artikelen aan te wijden in het dekenale blad ‘Emmaüsgangers’. Artikelen waarop van meerdere kanten zo enthousiast gereageerd werd, dat men mij na de laatste aflevering vroeg deze in boekvorm uit te geven.

* * *

In uw handen dan het boekje ‘Kloosters in Twente’ met een inleidend artikel over Augustinus van Hippo, waarvoor ik dankbaar gebruik maakte van het magistrale werk ‘Augustinus, de zielzorger’ van Frits van der Meer en van het standaardwerk ‘Vijf bronnen van christelijke geest’ (de regels van Basilius, Augustinus, Benedictus, Franciscus en Ignatius) van Hans-Urs von Balthasar.
Vervolgens het hoofdgedeelte van het boekje: een tocht langs niet minder dan 21 kloosters vóór en ná de reformatie. Een bundeling van de artikelen zoals die – vanwege het toegestane aantal woorden – veelal staccato in telegramstijl zijn verschenen in ‘Emmaüsgangers’. Met tot besluit enkele woorden over de nadagen van het religieuze leven, waarbij allerlei oorzaken een rol spelen en er ook sprake is van een zekere wetmatigheid, waar religieuzen — blijkens een serie artikelen in ‘De Bazuin’ – heel verschillend op reageren.

* * *

Dit boekje ‘Kloosters in Twente’ dat ik in het jaar waarin ik als Brabander via de Maristen 40 jaar in Twente werkzaam ben, graag opdraag aan de vele religieuzen die ik tussen Dinkel en Regge mocht en nog steeds mag meemaken.

Losser, voorjaar 2005
Cor van de Wiel

Ten geleide

Geloven heeft alles met herinnering te maken. We brengen ons verhalen en gebeurtenissen van toen en ooit daar te binnen omdat die verhalen en gebeurtenissen iets zeggen over wie we zelf zijn, hier en nu. Op die manier krijgt ons leven van nu een betekenis erbij, bij de voor de hand liggende. Want geloven zelf heeft weer met alles te maken: met onze geboorte toen en toen, met onze dood ooit, en met alles daar tussenin, met al wat ons overkomen is, overkomt en nog zal overkomen. “Er is een tijd van en voor alles”, zei de Prediker (Pred. 3, 1-15), “een tijd van oorlog en van vrede, van oprapen en weggooien, van vreugde en van verdriet, van geboren worden en van sterven”. Hoe moeten we tegen dit alles aankijken? Wat is er de betekenis van? Gaat alles voorbij, zoals de wind, lucht en leegte? Of is er meer aan de hand?

We zoeken in onze herinnering wat daar ooit allemaal over is gedacht, gezegd, geleefd en beleefd, door mensen. Mensen hebben met dat alles geworsteld, hebben gezocht, geprobeerd, gevonden soms. Ze hebben dat alles met elkaar gedeeld. Ze hebben erover gesproken, met elkaar, met hun tijdgenoten, met hun voorgangers in de tijd, en zo ook met wie na hen zouden komen. Een dialoog die horizontaal en verticaal door de tijd heen wordt gevoerd. Een dialoog waar wij, hier en nu, of we ons daar nu van bewust zijn of niet, aan mee doen. Wij, mensen, zijn die dialoog, want (zegt Augustinus) wíj zijn de tijden.
Een dialoog om te weten te komen: ‘daar en daar gaat het uiteindelijk om in een mensenleven, verder kun je niet komen, het is zoiets als een woord van God zelf’, op die manier is de bijbel ontstaan, door mensen opgeschreven die wisten dat zij met elkaar een dialoog met God voerden. En door alle tijden heen wordt dit gesprek gevoerd.

[ ]

Er zijn, in ons mooie Twente, een aantal kloostergemeenschappen. Er zijn er in het verleden veel en veel meer geweest, lang geleden, korter geleden, gemeenschappen van mensen die het woord van God probeerden en proberen te horen in de herinnering van hun hart ten einde er zelf uit te kunnen leven. Al die mensen zijn deel van onze geschiedenis en dwalen daarom door onze herinneringen, we zijn met hen in een ondergrondelijke dialoog verbonden. Ze maken deel uit, daarom, van ons geloof. Hoe zij gezocht hebben en wat ze gevonden hebben van wat voor hen het woord van God inhield, het is een element van ons leven. Daarom is het zo belangrijk dat zij en wat ze deden niet vergeten wordt. Vergeten is zonde, is ongeloof.

Cor van de Wiel heeft een mooi boekje geschreven om de herinnering aan al die kloosters en dus aan al die mensen levend en dus de dialoog gaande te houden: met hen en met wat ze gevonden en geleefd hebben als woord van God. Als wij hun geschiedenis en hun leven zó lezen, herinneren we ons des te beter wie we zelf zijn. Graag beveel ik zijn boekje van harte bij u aan.

André Zegveld,
deken van Twente

[ ]

INHOUD AUGUSTINUS VAN HIPPO
De monnik en zijn regel 2
Bisschop in een grauwe wollen mantel 4
KLOOSTERS IN TWENTE
     1. Het Kapittel te Oldenzaal 4
     2. Het Stift te Weerselo 6
     3. Het Antoniusklooster te Albergen 8
     4. Het klooster te Frenswegen 10
     5. Het klooster te Sibculo 12
     6. De Commanderie te Ootmarsum 14
     7. Het Agnesklooster te Oldenzaal 16
     8. Het klooster ‘Maria Vlucht’ op de Glaan 19
     9. Het instituut der klopjes 20
     10. De Karmelieten van Zenderen 22
     11. De Karmelietessen van Zenderen 25
     12. De zusters Franciscanessen van Denekamp 28
     13. De zusters Benedictinessen van Oldenzaal 31
     14. De zusters van de Goede Herder te Almelo 33
     15. De zusters van Heythuysen te Oldenzaal 35
     16. De zusters van het Larinksticht te Enschede 37
     17. De zusters van het Kostbaar Bloed te Hengelo 39
     18. De paters Maristen van het Sint Olavklooster 41
     19. De paters Redemptoristen van De Zwanenhof 44
     20. De paters kapucijnen van Dolphia 46
     21. De fraters Maristen en de fraters van Utrecht 49
NADAGEN VAN HET RELIGIEUZE LEVEN
Enkele beschouwingen 53
BIJLAGEN
Kaarten en een plattegrond 55


|pag. 1|

AUGUSTINUS VAN HIPPO

Augustinus van Hippo die in 354 te Tagaste in Romeins Afrika werd geboren uit ouders van wie de moeder Monnica christin was en de vader heiden. Augustinus die – hoewel voortgekomen uit de kleine burgerij – door zijn ouders en een mecenas in staat gesteld werd om onderwijs te volgen zoals alleen weggelegd voor de elite: een opleiding tot leraar welsprekendheid. Een man met een briljante loopbaan die hem van Carthago naar Rome bracht en vervolgens naar Milaan, waar hij de stedelijke leerstoel voor retorica bekleedde tot hij er in 386 op 32-jarige leeftijd christen werd. Gedoopt door zijn leermeester bisschop Ambrosius in wiens kerk hij psalmen en hymnen hoorde zingen, door Ambrosius uit het oosten ingevoerd.

De monnik Augustinus

Augustinus na zijn voorafgaande bewogen leven – beschreven in zijn beroemde ‘Confessiones of Belijdenissen’ – zo gegrepen door de levensbeschrijving van Antonius de kluizenaar (gest. ± 340 in Egypte), dat hij monnik werd en in 388 meteen in het door hem geërfde ouderlijk huis te Tagaste met vrienden een landklooster begon, waarvoor hij een regel schreef, kort nadien in 391 aangevuld, toen hij door de oude bisschop Aurelius van Hippo priester was gewijd en een tweede klooster stichtte in een tuin dichtbij de kerk.

Een kloosterleven waaraan Augustinus ook vasthield, toen hij in 395 bisschop was geworden en in de bisschopswoning zijn derde kloostergemeenschap stichtte, nu niet meer bestaande uit leken, maar uit een 20-tal geestelijken. Ook stichtte hij een klooster voor vrouwen. En omdat meerdere monniken uit zijn mannenklooster bisschop werden die op hun beurt weer kloosters stichtten, telde Romeins Afrika bij de dood van Augustinus in 430 ongeveer 20 kloosters waarvan hij de hogere overste was.

De regel van Augustinus

Augustinus die zijn meesterschap van de taal in dienst stelde van het streven naar de volmaaktheid door de Regel te schrijven die zich over een grote bijval mocht verheugen en later niet alleen de regel werd van de kapittels der kanunniken en de geestelijke ridderorden, van de Norbertijnen, de Dominicanen en Augustijnen, maar ook van de Norbertinessen, Dominicanessen en Augustinessen, de zusters Ursulinen en Visitandinen en vele andere congregaties die zich deze oudste kloosterregel van het westen tot gids kozen.

|pag. 2|

Een regel die zo velen aansprak, omdat Augustinus bij het schrijven ervan de gemeenschap in goederen voor ogen stond van de eerste christengemeente te Jeruzalem met het ‘één van hart en één van ziel’ (Handelingen 4,32) als telkens terugkerende motief, waardoor de enkeling bevrijd wordt van het eigen ik en het egocentrisch begeren, want ‘waar twee of drie in zijn Naam bijeen zijn, is Hij in hun midden’. Dit monastiek gemeenschapsideaal voor Augustinus ook van betekenis voor de hele kerk, daar hij het klooster zag als een kerk-in-het-klein, als de afglans van het hemels Jeruzalem en de voorproef van de gemeenschap der heiligen in de hemel.

[ afbeelding: Augustinus en kaart van Noord-Afrika ]

Eerste voorwaarde van dat gemeenschapsideaal de volledige, persoonlijke armoede: ‘Er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde.
Integendeel, zij bezaten alles gemeenschappelijk en er werd uitgedeeld naar ieders behoefte’. Tweede fundamentele eis de belangeloze zorg en arbeid voor de gemeenschap, even belangrijk als het gebed en de geestelijke lezing. En de derde grote eis de gehoorzaamheid in een geestelijke vader-zoon-verhouding, waarbij de overste niet de heerser en gebieder is, maar – naar Christus’ woord – de dienaar van de anderen.

Armoede, inzet voor de gemeenschap en gehoorzaamheid aldus de fundamenten waarop Augustinus’ kloosterlijk gemeenschapsideaal rustte met inkeer en gebed, ascese en kuisheid als onontbeerlijke pijlers. Ascese, hulpmiddel ‘om de oude mens uit te trekken en zich in God te vernieuwen’ en kuisheid of onthouding het middel om de monnik in staat te stellen tot de totale en onverdeelde overgave aan God. Met voor Augustinus telkens weer de liefde als de kern van de regel, ‘de liefde die niet vergaat’.

|pag. 3|

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.