“Schelmen, dievegges en moordenaars in Overijssel”


“Schelmen, dievegges en moordenaars in Overijssel”

Criminaliteit, strafrechtspleging, rechtspraak en bestraffing

in Kampen en Zwolle, 1650-1800

***

 
 
Bjørn Gallée
 
 
Bachelorscriptie
Universiteit Leiden
Bachelor Geschiedenis
Afstudeerrichting Sociale Geschiedenis
Begeleid door Mw. dr. Ariadne Schmidt
Najaar 2014
 

|pag. 1|

Inhoudsopgave
Inleiding 3
Hoofdstuk 1 Strafrechtspleging 9
§1.1 Arrestatie 10
§1.2 Verhoor 13
§1.3 Doorzoeking 15
§1.4 Autopsie en lijkschouwing 16
§1.5 Samenwerking tussen jurisdicties 17
Hoofdstuk 2 Geregistreerde criminaliteit 21
§2.1 Vermogensdelicten 22
§2.2 Zedendelicten 24
§2.3 Geweldsdelicten 26
§2.4 Openbare orde-delicten 28
§2.5 Criminaliteit en sekse 30
Hoofdstuk 3 Rechtspraak en bestraffing 33
§3.1 Schepengeslachten 34
§3.2 Bestraffing en strafuitvoer 36
§3.3 Een systeem van willekeur? 43
Conclusie 47
Geraadpleegde bronnen 51
Lijst van archivalia 51
Literatuur 52

 

|pag. 2|

Inleiding

Criminaliteit kent geen plaats of tijd. Het onderzoek naar de historische ontwikkeling van criminaliteit en berechting; historische criminologie, is echter niet zo wijdverbreid als het onderzoeksobject. Het feit dat de gedragswetenschap ‘criminologie’ een vrij jonge discipline is welke pas in de late 19e eeuw langzaam vorm heeft gekregen speelt hierbij een rol. Daarbij is de criminologie sterk gericht op de westerse maatschappij. Oftewel de historisch criminologische kennis is vrij beperkt. Over veel gebieden en tijdsperiodes is weinig bekend.
     Naar criminaliteit en rechtspraak tussen 1600 en 1800 in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, werd er tot de jaren 70 van de twintigste eeuw weinig onderzoek gedaan. De publicaties die voor 1970 verschenen, zoals het werk van Drenth, waren vooral van rechtshistorische aard.1 [1. Jan Hendrik Drenth, Bijdrage tot de kennis der historische ontwikkeling van het accusatoire tot het inquisitoire strafproces (Amsterdam 1939).] De oprichting van de interdisciplinaire werkgroep voor strafrechthistorici in 1973 was een keerpunt. Het kennisvacuüm met betrekking tot strafrecht en criminaliteit in de Republiek – en met name in de provincie Holland – werd geslecht.2 [2. Fernand Vanhemelryck, ‘Misdaad en straf: recent onderzoek naar de geschiedenis der criminaliteit’, Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 93 (1978) 177-206, aldaar 177-178.] In de jaren 70 en 80 verschenen steeds meer studies van historisch criminologische aard, waaronder het belangrijke proefschrift van Faber over strafrechtspleging en criminaliteit in Amsterdam tussen 1680 en 1811. Faber deed uitgebreid onderzoek naar de geregistreerde criminaliteit. Zo bleek dat de grootste delictscategorie van de geregistreerde criminaliteit vermogensdelicten waren: “de delicten die direct in verband stonden met geld of goed”.3 [3. Sjoerd Faber, Strafrechtspleging en criminaliteit te Amsterdam, 1680-1811: de nieuwe menslievendheid (Arnhem 1983) 60.]
Daarna – in aflopende volgorde van percentueel aandeel – noteert Faber zeden-, openbare orde- en geweldsdelicten als delictscategorieën.4 [4. Faber, Strafrechtspleging, 52-62.] Dat verdachten in Amsterdam niet hoofdzakelijk van het mannelijke geslacht waren is door Faber in zijn proefschrift vastgesteld.
Echter dat een hoog percentage vrouwelijke criminelen een tendens was die ook in andere Hollandse steden zichtbaar werd, wordt aangetoond in studies van onder andere Els Kloek en Manon van der Heijden.5 [5. Ibid., 253-255; Manon van der Heijden, Misdadige vrouwen: criminaliteit en rechtspraak in Holland 1600-1800 (Amsterdam 2014) 16-22; Els M. Kloek, Wie hij zij, man of wijf: vrouwengeschiedenis en de vroegmoderne tijd. Drie Leidse studies (Hilversum 1990) 135-136.] Het historisch criminologisch onderzoek bleef niet alleen beperkt tot geregistreerde criminaliteit. Ook naar de strafrechtspleging is onderzoek gedaan. Zo stelt

|pag. 3|

Diederiks vast dat er na arrestatie sprake was van ‘voorlopige hechtenis’ lopende het onderzoek.6 [6. Herman Diederiks, In een land van justitie: criminaliteit van vrouwen, soldaten en ambtenaren in de achttiende-eeuwse Republiek (Amsterdam 1992) 14.] Faber en Spierenburg wijzen op het belang van een bekentenis als bewijsmiddel; veelal door tortuur verkregen.7 [7. Faber, Strafrechtspleging, 111-115; Pieter Spierenburg, Judical violence in the Dutch Republic: corporal punishment, executions and torture in Amsterdam 1650-1750 (Amsterdam 1978) 147-148.] Dat er sprake was van professionalisering van het strafrechtelijk onderzoek blijkt uit de bevindingen van Florike Egmond die aantoont dat autopsie en lijkschouwing bij een onnatuurlijk dood werden ingezet.8 [8. Florike Egmond, ‘Fragmentatie, rechtsverscheidenheid en rechtsongelijkheid in de Noordelijke Nederlanden tijdens de zeventiende en achttiende eeuw’ in: Sjoerd Faber (ed.), Nieuw licht op oude justitie: misdaad en straf ten tijde van de Republiek (Muiderberg 1989) 9-23, aldaar 13.] Daarnaast was het justitieel onderzoek niet gebonden aan de jurisdictie van de schout (officier van justitie). Uit het onderzoek van Van Weel blijkt dat er verregaande samenwerking was op het gebied van informatie-uitwisseling en arrestatie.9 [9. Weel, Toon van, ‘De interjurisdictionele betrekkingen in criminele zaken van het Amsterdamse gerecht’ (1700-1810) in: Sjoerd Faber (ed.), Nieuw licht op oude justitie: misdaad en straf ten tijde van de Republiek (Muiderberg 1989) 23-48, aldaar 26-33.] Ook op het gebied van straffen is het nodige onderzoek verricht. Zo kunnen op basis van de gegevens van Spierenburg inzake Amsterdam verschillende trends, zoals de afname van het aantal lijfstraffen vanaf het einde van de 17e eeuw tot het einde 18e eeuw worden waargenomen.10 [10. Faber, Strafrechtspleging, 153.] Op het gebied van rechtspraak toonden Egmond en Faber in hun onderzoek aan dat de classificatie in het vroegmoderne rechtssysteem in Amsterdam een systeem van willekeur zou zijn, onterecht is.11 [11. Ibid., 213-224; Egmond, ‘Fragmentatie, rechtsverscheidenheid en rechtsongelijkheid’, 11-15.]
     De provincie Holland had binnen de Republiek een bijzondere positie met karakteristieke sociale, economische en bestuurlijke kenmerken.12 [12. Van der Heijden, Misdadige vrouwen, 219.] Aangezien criminaliteit en rechtspraak sterk wordt beïnvloed door dergelijke kenmerken kan men spreken van een ‘Hollands’ patroon van criminaliteit en rechtspraak. In hoeverre criminaliteit en rechtspraak daadwerkelijk Hollands was, is gezien het beperkte historisch criminologisch onderzoek naar andere delen van de Republiek – zoals het oosten – moeilijk te duiden. Dat is een gemis. Men kan namelijk veronderstellen dat criminaliteit en rechtspraak door de sociale, economisch en bestuurlijk verschillen tussen het westen en oosten van de Republiek zich in Overijssel wezenlijk anders manifesteerden dan in Holland.13 [13. Jean C. Streng, ‘Stemme in staat’: de elite in de stadsrepubliek Zwolle 1579-1795 (Hilversum 1997) 84-85.] Door het onderzoek naar criminaliteit en rechtspraak in Overijssel – en in het bijzonder naar de belangrijke steden Kampen en Zwolle – te vergelijken met de bevindingen over Holland, kan vastgesteld worden of de ‘Hollandse’

|pag. 4|

criminaliteit en rechtspraak daadwerkelijk significante verschillen vertoont met Overijssel of dat we sterke overeenkomsten zien.
     In dit onderzoek staat de vraag centraal hoe de geregistreerde criminaliteit, strafrechtspleging, rechtspraak en bestraffing in Kampen en Zwolle gedurende de periode 1650-1800 zich manifesteerden en in welke opzichten deze anders was dan in de provincie Holland. Het onderzoek wordt ondersteund door zowel kwantitatieve als kwalitatieve gegevens uit de gerechtelijke archieven van Kampen en Zwolle, waarbij de bevindingen worden vergeleken met de bevindingen uit de provincie Holland.
     Deze studie heeft betrekking op de periode 1650-1800. Voor deze begrenzing is gekozen omdat dit een goede vergelijking biedt met andere historisch criminologische studies die tevens betrekking hebben op deze periode. Ten tweede is de invoering van de Code pénal (1810) en de Code d’instruction criminelle (1808) aan het begin van de 19e eeuw juridisch gezien een keerpunt. Dit verklaart de keuze voor het jaar 1800 als eindpunt. In een enkel geval is, wanneer dit zinvol wordt geacht, de periode van 150 jaar overschreden. Het onderzoek naar criminaliteit en vervolging in Kampen en Zwolle beperkt zich geografisch gezien niet tot de stadsgrenzen van deze steden. De jurisdictie van de Kamper en Zwolse rechtbank reikte immers verder dan alleen over de inwoners van de stad.14 [14. Streng, ‘Stemme in staat’, 90; Henri Lenferink e.a. (eds.), Geschiedenis van Kampen. Deel 1: “Maer het is hier te Campen” (Kampen 1993) 25.]
     Het eerste hoofdstuk van deze studie handelt over de strafrechtspleging te weten het gehele proces van onderzoek en aanhouding tot het uiteindelijke vonnis. Hierin wordt uiteengezet welke vervolgingsmethodes en -handelingen in vroegmodern Kampen en Zwolle werden gebruikt in het onderzoek naar een verdachte. Hoe verliep een arrestatie en het daarop volgende verhoor, hoe kwam men tot bewijsmiddelen, zijn er verschillen of juist overeenkomsten tussen de strafrechtspleging in Overijssel en Holland en hoever reikte de bevoegdheden van de rechtsdienaren? In het tweede hoofdstuk staat de geregistreerde criminaliteit centraal. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen vermogens-, gewelds-, zeden- en openbare orde-criminaliteit. Deze categorieën worden afzonderlijk beschreven, geanalyseerd en vergeleken met bevindingen van historici en criminologen vooral gericht op de provincie Holland. Daarnaast zal er specifieke aandacht zijn voor het actuele crime and gender-debat. In het derde hoofdstuk staan de organisatie van de rechtspraak, de oplegging van straffen en strafuitvoer centraal. Was er sprake van monopolisering van de Kamper en Zwolse rechtspraak zoals in Amsterdam het geval was, welke straffen werden er opgelegd en welke patronen zijn er te ontdekken en hoe verhouden deze zich tot die van de provincie

|pag. 5|

Holland? Tevens zal aan de hand van door de historica Florike Egmond geformuleerde factoren getoetst worden of er sprake was van willekeur in de Overijsselse rechtspraktijk. Ten slotte zullen de bevindingen in de conclusie op een rij worden gezet.
     Dit onderzoek is hoofdzakelijk gebaseerd, naast een uitgebreid literatuur onderzoek, op twee primaire bronnen; de vonnisboeken van Kampen (1690-1800) en Zwolle (1650-1800). Naast de vonnisboeken is er gebruik gemaakt van diverse gerechtelijke stukken zoals processtukken, getuigenverklaringen, reglementen, ordonnanties en instructies om een beeld van de geregistreerde criminaliteit, strafrechtspleging, rechtspraak en strafuitvoer in Kampen en Zwolle te schetsen.
     Voor Kampen is grotendeels gebruikgemaakt van het Liber Causarium; met betrekking tot de periode 1690-1807.15 [15. Gemeentearchief Kampen (GAK), Rechterlijk Archief Kampen (RAK), Liber Causarum. Register van aanhangige zaken: 1690-1807, inv. nr. 4 en 5.] Hierbij is gebruik gemaakt van een op het archief aanwezige transcriptie.16 [16. Gerrit Eijlander, Rechtspraak in Kampen 1690-1807. Kamper genealogische en historische bronnen deel 36 (Kampen 2013).] Het Liber Causarium bevat zaken van de Hoge Bank welke bestond uit de voltallige schepenbank (rechtbank) en deed uitspraken in zogenaamde ‘criminele zaken’; de overtredingen en misdrijven. In de periode 1690-1800 deed de Kamper Hoge Bank uitspraak in 166 zaken waarin in totaal 200 verdachten terechtstonden.17 [17. GAK, RAK, inv. nr. 4 en 5.] De studie naar Zwolle steunt op de criminalia; registers van vonnissen in strafrechtelijke of criminele zaken over de periode 1639-1803. In de onderzochte periode deed de schepenbank uitspraak in 430 zaken met 488 verdachten.18 [18. Historisch Centrum Overijssel (HCO), Stadsarchief van Zwolle (SAZ), ‘Criminalia’, registers van vonnissen in strafrechtelijke of criminele zaken, inv. nr. 3795 en 3796.] De vonnisboeken van Kampen en Zwolle zijn beiden gelijk van opzet en bevatten de persoonsgegevens van de verdachte, een korte beschrijving van het gepleegde delict, de omstandigheden, het vonnis, relevante data, eventueel de namen van de betrokken baljuw of schout (officier van justitie), schepenen (rechters), stokmeesters (gerechtsassistenten) en de scherprichter (beul). Deze vonnissenverslagen zijn handgeschreven door de dienstdoende griffier of gerechtsdienaar.
     Problematisch in het onderzoek naar criminaliteit in de vroegmoderne periode is, dat we ons alleen kunnen richten op de geregistreerde criminaliteit. Het gevolg is dat het zogenaamde dark number (de niet-geregistreerde criminaliteit) buiten beeld blijft. Hierdoor is het onmogelijk om een compleet beeld te krijgen van de totale criminaliteit. Om misverstanden te voorkomen spreken we dus van ‘geregistreerde criminaliteit’; de verdachten

|pag. 6|

van criminele overtredingen of misdrijven die voor de rechtbank van Kampen en Zwolle terechtstonden.
     De twee belangrijke Overijsselse steden die centraal staan in deze studie kennen een turbulente geschiedenis. De aan de IJssel grenzende stad Kampen groeide door de handel op de Zuiderzee en de IJssel in de 12e en 13e eeuw uit tot de belangrijkste handelsstad in de IJsselstreek. Naast de belangrijke ommelandvaart voeren Kamper schepen in de 14e en 15e eeuw op Engeland, Frankrijk, Spanje en Portugal. In 1411 trad Kampen officieel toe tot de beroemde Hanze waar het veel invloed verwierf. Met de verzanding van de IJssel en de enorme groei van handelsconcurrent Amsterdam werd de macht van Kampen als handelsstad echter gebroken. Toch hield Kampen zich in de 16e eeuw staande door de enorme nijverheid.
Na het Franse terreurbewind in 1672 en 1673 was Kampen berooid, lamgeslagen en werd het geteisterd door een enorme bevolkingsteruggang. Vanaf 1750 wist Kampen zich uit deze malaise te ontworstelen en was er weer sprake van economische en sociale vooruitgang.19 [19. Lenferink, Geschiedenis van Kampen, 16-17, 43-44; Jeroen Kummer (ed.) Geschiedenis van Kampen. Deel II: “Zij zijn Kampers…” (Kampen 2001) 9, 16-18, 21-31]
     Zwolle, grenzend aan het Zwarte Water en de Vecht, wist zich van agrarische nederzetting in de 11e eeuw te ontwikkelen tot een belangrijke speler in de internationale handel over de Zuiderzee en naar het Duitse achterland. Door het gebrek aan een directe vaarverbinding met de IJssel wist Zwolle de groei van Kampen niet te evenaren. Vanwege de dreigende komst van de Spaanse troepen aan het einde van de 16e eeuw, werd Zwolle door de Staten Generaal aangewezen als de vesting- en garnizoensstad van de IJsselstreek. Het oorlogsgeweld schaadde de Zwolse handel aanzienlijk. De handelslijnen met het Duitse achterland lagen tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) stil. Vanaf de tweede helft van de 17e eeuw kwamen deze handelsstromen en daarmee de Zwolse economie, langzaam weer op gang. Deze opbloei werd drastisch verstoord door de vernietigende bezetting van Zwolle door Munsterse en Keulse troepen (1672-1674). Na de bezetting wist Zwolle, ondanks de enorme handel tussen de Republiek en het Duitse achterland, het economische (neergaande) tij niet te keren. Gedurende de gehele 18e eeuw kende Zwolle een verslechterd economisch klimaat door een afname in de stedelijke werkgelegenheid, natuurrampen, lage agrarische prijzen en dalende handelsinkomsten een verslechterd economisch klimaat.20 [20. Jan ten Hove, Geschiedenis van Zwolle (Zwolle 2005) 51, 88-94, 259-263, 270-280, 309-317, 352-364.]

|pag. 7|

[Blanco]

|pag. 8|

Hoofdstuk 1                    Strafrechtspleging

Het proces van onderzoek naar, de arrestatie van een verdachte tot aan de berechting en uiteindelijke uitvoering van de opgelegde straf is hoofdzakelijk beschreven in het Wetboek van Strafvordering. Dergelijke codificatie is essentieel voor een eerlijk proces en wordt gezien als basisvoorwaarde voor een modern rechtssysteem. Dat codificatie ook in vroegmodern Europa als belangrijk werd beschouwd blijkt uit de verschillende pogingen tot codificering die zijn ondernomen. Zo legde Karel V in de vroege 16e eeuw de basis met de Constitutio Criminalis Carolina; de eerste Duitse codificering van materieel straf- en procesrecht. Onder bewind van zijn zoon Philips II werd een eerste poging gedaan tot de codificatie van het strafprocesrecht in de Nederlanden in de vorm van de Criminele Ordonnantiën van 1570. Na deze juridische mijlpaal werd er in de daaropvolgende twee eeuwen geen grootschalige pogingen tot codificering op ‘nationaal’ niveau meer ondernomen.
Pas in 1811 – tijdens het Franse bewind – volgde de invoering van het beroemde Code d’Instruction Criminelle, wat de basis vormde voor het in 1838 ingevoerde Wetboek van Strafvordering.21 [21. Anna A.L. Minkenhof en Jan Marten Reijntjes, A. Minkenhof’s Nederlandse strafvordering (10e druk; Deventer 2006) 7-9.]
     De in 1570 ingevoerde Criminele Ordonnantiën bleven in grote delen van de Noordelijke Nederlanden tot 1 februari 1809 rechtskrachtig.22 [22. Marijke van de Vrugt, De Criminele ordonnantiën van 1570: enkele beschouwingen over de eerste strafrechtcodificatie in de Nederlanden (Zupthen 1978) 11-15, 155, 172-173.] De provincies Overijssel en Gelderland waren hierop echter een uitzondering. Klachten van verschillende provinciën over de invoering blijkt uit de brief van december 1570, die de prominente staatsman en rechtsgeleerde Viglius van Aytta schreef. Hij stelde hierin dat er vele bezwaren waren uit verschillende provinciën. Toen de magistraten in Kampen vernamen dat de kanselier Boldewijn van Roon zijn vooronderzoek gestart was ter voorbereiding op de invoering van de Criminele Ordinantiën in Overijssel meende men “(…) hier niet stil te moeten zitten, maar zich slagvaardig te moeten maken tegen de dingen die komen zouden. Immers men waardeerde zijne eigene wetgeving en rechtspraak te zeer, dan dat men die zoo klakkeloos zoude prijs geven (…)”.23 [23. Geciteerd in: Jurjan N. Uitterdijk, ‘De invoering van de criminele ordonnantiën van koning Philips II in Overijssel’, Bijdragen tot de Geschiedenis van Overijssel 8 (1886) 315-361, aldaar 315.] Het stadsbestuur van Kampen stelde dat zij de autonomie had om hun eigen rechtssysteem in te richten. Zij verwezen hierbij naar het privilege dat de bisschop Guido van Utrecht op 3 augustus 1309 aan de schout en schepenen van de stad Kampen had

|pag. 9|

toegekend om, zoals Nanniga noteerde, “(…) ieder misdadig mensch te richten, die binnen hun stad, volgens hun oordeel, een misdrijf heeft begaan”.24 [24. Uitterdijk, ‘Criminele ordonnantiën’, 317.] De Overijsselse hoofdsteden richtten haar bezwaren dus met name tegen het verlies van autonomie; het recht om het eigen strafrecht in te richten. Men stelde dat de koning de oude gewoonte en privileges diende te respecteren, en “sustineren ende seggen die Staten [van Overijssel] dat die drie steden van etlicken hondert jaeren in craft oerer hebbender justitie ende hergebrachte vryheit, oick macht ende gerechticheit hebben gehadt (…)”.25 [25. Ibid., 345.] Ondanks de tegenstand dwong de hertog van Alva Kampen en Zwolle op de knieën – zij het van korte duur – en gingen beide steden over tot de invoering van de ordonnantiën. In de hierop volgende jaren werden Kampen en Zwolle meerdere malen belegerd en bevrijd totdat beide steden aan het begin van de jaren 90 van de 16e eeuw wisten te ontkomen aan de Spaanse bezetting. Mede door deze woelige tijd kwam er van de daadwerkelijke implementatie van de Criminele Ordonnantiën in Overijsel – in tegenstelling tot bijvoorbeeld in Holland – niets terecht.26 [26. Ibid., 317, 330-332, 361; Van de Vrugt, Criminele ordonnantiën, 14, 157-159, 172.]
     Doordat de Criminele Ordonnantiën in het Overijssel ontbraken wisten we in beginsel niet veel van de vervolgingsmethodiek in deze provincie. Deze studie brengt daar verandering in. Door bestudering van het geldende stadsrecht, aantekeningen, verhoren, uitgevaardigde artikelen en vonnissen kan er alsnog opheldering worden verschaft over de vervolging in Kampen en Zwolle in de periode 1650-1800. Voor de duidelijkheid zijn de thema’s binnen het vervolgingsproces – arrestatie, verhoor, doorzoeking, autopsie en nationale samenwerking – onderverdeeld in verschillende paragrafen.

§1.1 Arrestatie

De procedure van vervolging ving in de meeste gevallen aan met de arrestatie of zoals men in de vonnissen stelt; de ‘apprehensie’ van de verdachte. Deze arrestatie werd meestal uitgevoerd door ‘gerigtsdienaaren’; de assistenten van de schout (de officier van justitie).27 [27. GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 161r.]
Naast de gerechtsdienaren zijn er ook andere overheidsfunctionarissen, zoals de klapwakers (nachtwachten) en zelfs burgers die arrestaties verrichtten.28 [28. HCO, SAZ, inv. nr. 4167.] Specifieke delicten zoals ontduiking van accijnzen en smokkelarij werden vaak vastgesteld door de belastinginner

|pag. 10|

waarna arrestatie volgde.29 [29. Diederiks, Land van justitie, 29.] Zo kocht Geertien Lubbers in 1691 een half anker (circa 17 liter) jenever en gaf deze niet aan, waarmee zij ‘de brandewijnaccijns’ van Kampen ontdook. De belastingpachter betrapte haar op de belastingontduiking waarna hij overging tot arrestatie.30 [30. GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 3r-r4.]
Ook de schout had een actieve rol in het opsporen van criminelen. Uit in de jaren 70 van de 18e eeuw opgemaakte lijsten blijkt dat de Zwolse schout en suppoosten (assistenten) notoire joden- en smokkelkroegen binnenvielen op jacht naar voortvluchtigen.31 [31. HCO, RAK, inv. nr. 4192, f. 1r-2r.]
     Bij vermogensdelicten zoals diefstal zien we veelvuldig dat de slachtoffers degenen zijn die de verdachte arresteerden nadat zij deze op heterdaad hadden betrapt. Zo werden de bewoners van het huis van de weduwe Van Duinen in de Zwolse binnenstad in de nacht van 10 oktober 1720 wakker van gestommel in huis. Frederik Scharffenberg was kort daarvoor via een bij de ‘Roden-toren’ gestolen en ter plekke op maat gezaagde ladder door het vensterraam geklommen. Medeverdachte Jannes Vincemius stond buiten op wacht. De betrapping leidde tot een ‘gerugt’ in de woning waarna Frederik was genoodzaakt het huis via de ladder te verlaten. Hierop werden beide heren in de loop van de ochtend door de “wagt en anderen in apprehensie genome”.32 [32. Ibid., inv. nr. 3796, f. 12r-14v, 15r-17r.] Dat het op heterdaad betrappen van een dader niet geheel zonder risico was blijkt ook uit de beroving van de Proponent (een Protestantse aankomend predikant) Wijnholts. Wijnholts werd door Scharffenberg en ene Jan van der Linde berooft in zijn woning waarbij hij “op ’t lijf gevallen was” nadat Van der Linde zijn hondje had gedood.33 [33. Ibid., inv. nr. 3796, f. 15r-17r.]
     Een arrestatie uitgevoerd door een wetsdienaar was ook niet minder risicovol. Marten Jans en Berent Jansz trachtten hun arrestatie in september 1694 te voorkomen door “met zijne pistolen die met kogels geladen waren te schieten” op de Zwolse schout en zijn assistenten.34 [34. HCO, SAZ, inv. nr. 3795, f. 163v-165r, 165v-166v.]
Desondanks werden Marten en Berent gearresteerd en veroordeeld waarmee er een einde kwam aan de bedreigingen, diefstallen en afpersingen door het duo. Dergelijk daadkrachtig optreden van lokale wetsdienaars is veelvuldig in de archieven te vinden. Zo stal David Levy op 25 juli 1779 in een huis in de Oudestraat in Kampen een zilveren sleutelring met sleutels en een zilveren kledingborstel. Kort nadat de diefstal was opgemerkt, gingen de wetsdienaren op pad en wisten zij Levy te arresteren bij de Veenepoort nog voordat hij de stad kon

|pag. 11|

ontvluchten.35 [35. GAK, RAK, inv. nr. 5, f. 3r-5v.] Niet alle zoektochten naar een dader eindigden in een arrestatie. Soms wisten de verdachten de stad tijdig te ontvluchten of werden zij geholpen door familie of vrienden.
Zo worden Jacobje Alberts en Deint van Katten beiden veroordeeld voor de medeplichtigheid aan de vlucht van Geesien Gerrits, welke van een onecht kind was bevallen en het op het Brigitten Kerkhof had achtergelaten. Zij zouden Geesien “voorsien [hebben] van eeten, drank en verdere verquikking en daar en boven te besorgen de persoon van Willem Lieden, om haar van hier op een clandestine wijse te verbergen (…) en boven dit alles in sijnge afgegeven depositien soodanig sig met onwaarheden te behelpen dat daar door seerkerlijk meede is veroorsaakt, dat gemelte delinquante de handen der justitie is ontkomen”.36 [36. Ibid., inv. nr. 5, f. 142v-143v.] Een geslaagde vlucht; Geesien Gerrits werd nooit gearresteerd. Gezien de geografische ligging van Kampen en Zwolle ontvluchten verdachten met regelmaat de Overijsselse jurisdictie naar de jurisdictie van de ‘heren staten des Furstendoms Gelre en Graafschap Zutphen’ en andersom in de hoop aan vervolging te ontkomen. Een overeenkomst tussen de beide jurisdicties maakt het mogelijk om een verdachte op te sporen, te arresteren en vast te zetten buiten het eigen rechtsgebied dit uiteraard met ondersteuning van de lokale autoriteiten.37 [37. Ibid., inv. nr. 4, f. 170r-172r.]
     In het geval van een succesvolle arrestatie werd de verdachte in de meeste gevallen in voorlopige hechtenis genomen lopende het onderzoek. In Kampen gebeurde de bewaring onder andere in de gevangenis in de Hagenpoort en onder het stadshuis.38 [38. Jan ten Hove, Meer dan stenen muren: 250 jaar opsluiting in Zwolle, 1739-1989 (Kampen 1989) 10.] Voorlopige hechtenis vond met name plaats bij: levensdelicten, zoals moord en doodslag, geweldsdelicten en vermogensdelicten, zoals smokkelarij, valsmunterij en diefstal.39 [39. Diederiks, Land van justitie, 14.] Voor kleinere vergrijpen zien we minder vaak voorlopige hechtenis voorkomen. Er lijkt geen verband tussen sekse en voorlopige hechtenis te bestaan. Zo werden Petronella Vercuil, verdacht van de diefstal van een vrouwenmuts, en Wilhelmina Dekens, verdacht van het aanzetten tot diefstal, eveneens in voorlopige hechtenis genomen.40 [40. GAK, RAK inv. nr. 4, f. 64r, 113r-113v.] In bepaalde gevallen werd de voorlopige hechtenis beëindigd en de verdachte in vrijheid gesteld. Dit kwam met name voor wanneer de verdachte de schout beterschap beloofde.41 [41. Diederiks, Land van justitie, 13-14, 17-16.] Zo werd Frerik Jansen alias de Dikke Jonge, die in 1741 gearresteerd werd na “verscheidene follies en insolentien”, “(…) op hoop en belofte van beterschap na een harde gevankenisse van enige dagen weder los gelaten onder bedreiginge

|pag. 12|

nogtans dat ingevalle in het toekomende zig in het een of ander weder mogt komen te buiten gaan men hem dan alsdan zoude doen confireren”; oftewel een voorwaardelijke invrijheidstelling.42 [42. GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 76v-77v.] Deze waarschuwing mocht niet baten. Op 4 februari pleegde Frerik Jansen een gewelddadige roof waarbij hij Derkje Hermz al haar geld afnam en haar wollen damesrok met geweld van het lijf rukte. Frerik werd veroordeeld tot dertig jaar Tuchthuis.

§1.2 Verhoor

Na de arrestatie van de verdachte werd deze in vrijwel alle gevallen verhoord over het hem of haar ten laste gelegde delict. Het verhoor was het belangrijkste bewijsmiddel in de 17e en 18e eeuw om tot veroordeling van een verdachte te komen. Een bekentenis van een verdachte leidde in vrijwel alle gevallen tot een veroordeling.43 [43. HCO, SAZ, inv. nr. 3792, f. 92r-95v; ibid., inv. nr. 3795, f. 58v-59r.] Na arrestatie werd een verdachte door een gerechtsdienaar in het bijzijn van twee schepenen verhoord, de zogenaamde ‘examinatien’, waarbij men trachtte de verdachte het delict te laten bekennen. In sommige gevallen volhardde een verdachte in het standpunt onschuldig te zijn waarna de gerechtsdienaar na toestemming van de schepenen tortuur, oftewel marteling, toepaste om tot een bekentenis te komen. Bekende de verdachte aan de gerechtsdienaar dan diende hij de bekentenis nogmaals aan de rechtbank ‘vrijwillig buiten pijn en banden’ te herhalen.44 [44. Ibid., inv. nr. 3795, f. 39v-40r; Pieter van Heijnsbergen, De pijnbank in de Nederlanden (Groningen 1925) 61-62.]
     De tortuur vond plaats in twee gradaties; een mildere en een zwaardere methode. De lichtste methode was geseling; het toedienen van zweepslagen met een geselroede. Het aantal toegediende zweepslagen verschilde per verhoor, doch werd geseling beëindigd wanneer de schepenen de geseling voldoende achtte.45 [45. Faber, Strafrechtspleging, 112.] De zwaardere tortuur betrof het gebruik van diverse martelingsinstrumenten en -werktuigen. Dat tortuur kon leiden tot de dood blijkt uit de zaak van de 48-jarige Isaac Jacobs die verdacht werd van een gewelddadige diefstal. Om Isaac tot een bekentenis te dwingen werd hij op 5 en 19 december 1722, zonder succes, aan tortuur onderworpen waarna hij in vrijheid werd gesteld. Om de schepenbank moverende redenen werd Isaac begin april opnieuw gearresteerd en werd op hem op 8 april voor de derde maal tortuur toegepast. Uit het verslag blijkt dat de gevolgen van deze tortuursessie niet mals waren, want nadat Isaac de tortuur met “hardneckigheid hebbende doorgestaan” trof men hem

|pag. 13|

de daaropvolgende ochtend dood in zijn cel aan.46 [46. HCO, SAZ, inv. nr. 3796, f. 30r.] Ondanks dat hij nimmer heeft bekend was de schepenbank overtuigd van zijn schuld; Isaacs lichaam werd op een horde door de stad gesleept en oneervol onder de galg begraven.
     Het toepassen van tortuur zal in veel gevallen niet nodig zijn geweest om tot een bekentenis te komen. Het dreigen met de geseling en scheenschroeven zal vaak voldoende zijn geweest. Spierenburg stelt bovendien dat het feit dat de verdachte continue werd omringd door martelwerktuigen een voortdurende intimidatie teweegbracht.47 [47. Spierenburg, Judicial violence, 157. Zie ook: John H. Langbein, Torture and the law of proof: Europe and England in the Ancien Régime (Chicago en Londen 1977) 15.] Uiteindelijk werd de tortuur op 1 mei 1798 afgeschaft in de gehele Republiek. Dit was niet zozeer het gevolg van een afnemend aantal folteringen of een toenemende afkeer van schepenen en schouten tot het inzetten van tortuur. De afschaffing was een breuk als gevolg van een veranderd politiek klimaat, niet van een veranderd rechterlijk klimaat.48 [48. Faber, Strafrechtspleging, 124, 141, 147. Faber gaat hiermee in tegen de vaststelling van Van Heijnsbergen die stelt dat er wel degelijk een afname is in het gebruik van tortuur zie: Van Heijnsbergen, Pijnbank, 87.]
     Dat het intensief verhoren van verdachten door middel van bijvoorbeeld tortuur niet alleen kon leiden tot een bekentenis, maar ook tot informatie over andere verdachten blijkt uit de lijsten met signalementen van verdachten personen welke van de jaren 1694 en 1717 in de Zwolse archieven bewaard zijn gebleven. Zo bevat de ‘lijste van vagabanden en landlopers ende die zoogenaamde zwartmakers ende gewelddieven op orde van de Heeren van de Magistraat der stadt Zwolle geformeerd uit de confessie van Marten Jansz’ veertien namen van dieven, landlopers en geweldsplegers op basis van het verhoor van Marten Jansz die op 27 september 1694 samen met zijn broer Berend ter dood werd veroordeeld in Zwolle voor een groot aantal diefstallen en afpersing met geweld.49 [49. HCO, SAZ, inv. nr. 1960, f. 1r-4v; ibid., inv. nr. 3795, f. 163v-166v. Zie ook Van Heijnsbergen, Pijnbank, 79.] De signalementen van de verdachten zijn in de meeste gevallen buitengewoon gedetailleerd. Ondanks het oog voor detail lijkt het er niet op dat de bekentenis van Martens Jansz leidde tot een groot aantal arrestaties. Er is geen enkele veroordeling bekend van de op de lijst staande verdachten. Dat een uitgebreide bekentenis wel degelijk kon leiden tot een groot aantal arrestaties en zelfs een heuse vervolgingsgolf blijkt uit de zaak van Zacharias Wilsma die in 1730 een groot aantal namen

|pag. 14|

van verdachten opbiechtte aan de schout van Utrecht. Dat leidde tot een groot aantal arrestaties van sodomieten in de Republiek.50 [50. Ivo Schöffer, [ref]‘Dien godlosen hoop van menschen’: vervolging van homoseksuelen in de Republiek in de jaren dertig van de achttiende eeuw] (Amsterdam 1997) 9. Sodomie is de vroegmoderne term voor ‘tegennatuurlijke’ ontucht; in dit geval homoseksualiteit.[/ref]
     Dat verdachten niet alleen informatie aan de schout bekenden, maar ook bijzonder bedreven waren in het bedriegen van de gerechtsdienaren om strafvervolging te ontlopen blijkt uit de zaak van Maria Leninks. Zo zou Maria, die op 21 juni 1729 werd veroordeeld voor het verkopen van gestolen “silvere bekerties” en “’t silver van een roomsch boekien” aan een Jood, tijdens haar verhoor zich kunstig hebben getracht te verweren tegen de beschuldiging. De griffier noteerde: “dog heeft sodane verkopinge van ’t gestolen goed niet willen confesseeren nog belijden maer ter contrarie sig met allerhande leugenen en uitvlugten in hare verhoringen soeken te behelpen”.51 [51. GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 19r-20v.] Op basis van “genoegsame overguigen preuves” (overtuigende getuigenverklaringen) werd Maria Leninks alsnog veroordeeld tot levenslange verbanning uit de provincie Overijssel. Dergelijke voorbeelden doen vermoeden dat men bijzonder wantrouwig was tegenover ontkennende verklaringen van verdachten. Bovendien lijken verklaringen van derden die de verdachte als de dader aanwezen ten alle tijden doorslaggevend te zijn geweest voor de Kamper- en Zwolse rechtbank.

§1.3 Doorzoeking

Naast een bekentenis was steunbewijs, in de vorm van het moordwapen of de gestolen goederen, in de vroegmoderne tijd belangrijk om tot een veroordeling te komen. Eén van de heden ten dage meest ingrijpende middelen van politie en justitie om tot steunbewijs te komen is de doorzoeking; het tijdens het onderzoek naar een strafbaar feit binnentreden van plaatsen met als doel het verzamelen van bewijs. Ondanks dat het lijkt of doorzoeking een vrij moderne methode is om tot het verzamelen van bewijs te komen, zien we dit middel ook al in de vroegmoderne tijd opduiken. Een gerechtsdocument uit 1731 noemt de mogelijkheid tot doorzoeking: “Ende indien een sodaanen fugitiven retireerde in een huis, zal hetzelve mogen bezet en beswaard worden en met kennisse van den hogen of lagen officier ter plaetse huis soekinge gedaan (…) worden”.52 [52. Ibid., inv. nr. 4, f. 170v.] Ondanks het beperkt aantal voorbeelden van de daadwerkelijke codificatie van dit opsporingsmiddel zijn er in de gerechtelijke archieven

|pag. 15|

interessante voorbeelden te vinden die een inkijk geven in de praktische toepassing die een doorzoeking bood. Zo werd de woning van Bartholomaens Strem bij zijn arrestatie op verdenking van meervoudige diefstal met braak doorzocht en trof men een groot gedeelte van de gestolen goederen aan.53 [53. Ibid., inv. nr. 4, f. 64v-66r.] Ook Christiaan Hupscher, verdacht van heling, kon niets anders dan bekennen nadat verschillende goederen “die in zijn huis gevonden zijn” van diefstal afkomstig waren.54 [54. GAK, RAK, inv. nr. 5, f. 20v-21r.] Dat de daders op de hoogte waren van de grondige doorzoekingen van de gerechtsdienaren blijkt uit de zaak van Marregje Swats, die in 1782 verdacht werd van onzedelijk gedrag en diefstal van ijzer en lood. Nadat zij samen met soldaat Abraham de Smit ijzer en lood had gestolen van verschillende huizen was zij huiswaarts gekeerd. Mogelijk uit angst voor een aanstaande arrestatie en de nauwkeurige doorzoeking trachtte Marregje en Abraham een deel van de onverkochte buit te verbranden. Helaas voor Marregje troffen de gerechtsdienaren “ten tijde van haar apprehensie, nog een gedeelte daarvan [in] haar vuur brandende” aan.55 [55. Ibid., inv. nr. 5, f. 8v-10v.] Naar aanleiding van het gevonden bewijs en haar bekentenis werd op 25 april 1782 Marregje Swats, 25 jaar oud, veroordeeld tot geseling op de kaak, drie jaar Tuchthuis en levenslange verbanning uit Overijssel.

§1.4 Autopsie en lijkschouwing

Dat autopsie en lijkschouwing een belangrijk onderdeel waren van het strafrechtelijke onderzoek, zoals Florike Egmond op basis van Amsterdamse archieven vaststelde, blijkt ook uit meerdere Overijsselse voorbeelden.56 [56. Egmond, ‘Fragmentatie, rechtsverscheidenheid en rechtsongelijkheid’, 13. Autopsie is inwendig onderzoek van het stoffelijk overschot. Lijkschouw daarentegen is het uitwendige onderzoek.] Op 11 september 1742 werd Herman Slegt, soldaat in het regiment van kolonel Mulert dat garnizoen hield in Kampen, buiten de Veenpoort meerdere malen gestoken met een mes. Slegt overleed een dag later aan zijn verwondingen.
De behandeld arts meldde op diezelfde dag in een gedetailleerd verslag van de lijkschouw het type verwondingen aan de gerechtsdienaar H. van Marle. Om zeker te kunnen zijn dat de verwondingen hebben geleid tot de dood van Herman Slegt werd op 13 september het stoffelijk overschot “geopend ende gevisiteerd”. Na bestudering van de verwondingen concludeerden de chirurgijns dat “deselve wonde per se lethaal is geweest”.57 [57. GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 84r-84v.] Doordat de

|pag. 16|

chirurgijns een direct verband wisten te leggen tussen de toegebrachte verwondingen en de dood van Herman Slegt kon de verdachte Jan Alexander op 15 november 1742 worden vervolgd voor deze “grouwelijke moord” en werd hij veroordeeld tot levenslange verbanning uit Overijssel.58 [58. Ibid., inv. nr. 4, f. 81v-82r, 84r-86r.] Ook in de zaak van Geurt Hannesen, verdacht van de moord op zijn twee minderjarige zoons in zijn kelder op 16 november 1757, stelde de stadsmedicus vast dat de slachtoffers “seer kort” na het toebrengen van de verwondingen waren overleden.59 [59. HCO, SAZ, inv. nr. 3796, f. 112v.] Geurt werd eveneens schuldig bevonden aan moord.
     We kunnen op basis van bovengenoemde zaken vaststellen dat de gerechtelijke instanties medische experts inschakelden om drie aspecten te onderzoeken; ten eerste of er sprake was van een onnatuurlijke dood; ten tweede de aard van de verwondingen en tot slot de eventuele causaliteit tussen de verwondingen en de dood van het slachtoffer. De bevindingen werden vastgelegd in een oorkonde welke werd ondertekend door de schouwartsen.60 [60. GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 125v.] Naast de professionaliteit is ook de korte tijdspanne tussen het aantreffen van het lichaam en de autopsie en lijkschouw opvallend. In vrijwel alle zaken waarbij er sprake is van lijkschouwing vond deze plaats op dezelfde dag dat het stoffelijk overschot werd aangetroffen. Gezien de expertise en de snelheid waarmee men handelde kunnen we concluderen dat er sprake was van een verregaande professionalisering van autopsie en lijkschouwing in het geval van moord en doodslag. Dat lijkschouwing een essentieel onderdeel van de bewijsgaring was, blijkt uit de vonnissen. In veel gevallen kon moord ten laste worden gelegd, gesteund door de tijdens de autopsie gedane vaststellingen zoals bijvoorbeeld in de zaak van de omgebrachte Herman Slegt.

§1.5 Samenwerking tussen jurisdicties

Een misdrijf beperkte zich meestal niet tot de grenzen van de eigen jurisdictie. Dieven, oplichters en moordenaars hielden zich immers niet aan de grenzen van de het gezagsgebied van de rechtsmacht. Op basis van dit gegeven vond er tussen de verschillende rechtbanken een uitwisseling plaats van essentiële gegevens met betrekking tot verdachten, daders en gepleegde delicten. De historicus Van Weel heeft voor de periode 1700-1810 uitgebreid onderzoek gedaan in de zogenaamde Missiveboeken van de Officie; de

|pag. 17|

correspondentieboeken van de Amsterdamse schout naar deze informatiestromen.61 [61. Van Weel, ‘De interjurisdictionele betrekkingen’, 26.] Hij stelde vast dat de uitwisseling van informatie normaliter op vrijwillige basis en rechtstreeks van gerecht tot gerecht plaatsvond. De enige uitzondering was een verzoek tot doorzoeking bij poorters van de stad. In dit geval dienden de schepenen toestemming te verlenen. De uitwisseling van informatie betrof in Amsterdam met name uittreksels uit de confessie- en justitieboeken, verslagen van verhoren van zowel verdachten als getuigen en inlichtingen van het politiekorps.62 [62. Ibid., 28.] De informatiën die de rechtbanken van Kampen en Zwolle uitwisselden met andere rechtbanken behelzen grofweg dezelfde categorieën als in Amsterdam. Zo verzocht de rechtbank in Utrecht de rechtbank te Kampen tijdens de sodomieprocessen om inlichtingen over soldaat Hendrik Corver.63 [63. Schöffer, ‘Dien godlosen hoop van menschen’ 41.] Gedurende deze processen zien we een enorme hoeveelheid briefverkeer tussen de verschillende rechtbanken die elkaar verzochten om informatie omtrent de verdachten hun netwerken en de gepleegde sodomiedelicten.64 [64. Ibid., 63-64, 135.] Niet alleen vond er uitwisseling van informatie plaats tussen de binnenlandse rechtbanken. Net zoals in Amsterdam is er in Kampen en Zwolle sprake van informatie-uitwisseling met buitenlandse gerechten.65 [65. Van Weel, ‘De interjurisdictionele betrekkingen’, 30.]
     Gezien de geografische ligging van Kampen en Zwolle ontvluchten verdachten met regelmaat de Overijsselse jurisdictie naar de jurisdictie van de ‘heren staten des Furstendoms Gelre en Graafschap Zutphen’, en andersom. Om te voorkomen dat de voortvluchtige ongestraft bleven, hebben de gerechtelijke instanties in Gelderland en Overrijssel een overeenkomst gesloten zodat “de vervolgingen, apprehensien en overleveringen van alle fugitive straatschenders, vagebonden, sogenoemde heidenen en gaauwdieven op wedersijds territoiren, zonder praejudicie [=schade] van de eene of andere lands hoogheid zullen gedae en in t werkgesteld worden”.66 [66. GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 170r-172r.] De overeenkomst bevat een achttal artikelen die bevoegdheden toekennen aan Gelderse en Overijsselse gerechtsdienaren waardoor men kon opereren in de andere jurisdictie met assistentie van de lokale wetsdienaren.
     Dat deze bevoegdheden ook daadwerkelijk in de praktijk werden toegepast blijkt uit de zaak van Gerrit Banders. Banders die verdacht was van sodomie sloeg op de vlucht, maar werd al snel gearresteerd door de Zwolse substituut-schout De Moor. Deze Zwolse gerechtsdienaar wist op basis van een verklaring van de vrouw van Banders dat hij zich

|pag. 18|

bevond in Harderwijk. De Moor reisde af naar Harderwijk waar hij Banders aantrof in een herberg. Daar wist hij Banders zijn interesse te wekken en liep met hem door de stad, terwijl de herbergier de hulp van de Harderwijkse gerechtsdienaren inriep. Toen Banders de stad wilde verlaten, was De Moor genoodzaakt zijn arrestatiebevel te tonen en Banders vast te grijpen. Banders probeerde omstanders ervan te overtuigen dat hij werd lastiggevallen. Gelukkig voor De Moor arriveerden de lokale wetsdienaren waarna Banders werd gearresteerd en dezelfde dag nog op transport werd gezet naar Zwolle.67 [67. Schöffer, ‘Dien godlosen hoop van menschen’, 137; HCO, SAZ, inv. nr. 3796, f. 61v-62r. De juridische handeling ‘uitlevering’ betekent heden ten dagen ‘uitlevering tussen natiestaten’. Aangezien de term ‘natiestaat’ niet van toepassing is in de vroegmoderne periode wordt hier om verwarring te voorkomen de term ‘uitlevering’ gebruikt voor de uitlevering tussen provincies binnen de Republiek.]
     Zoals al blijkt uit bovenstaande, was er naast de samenwerking tussen jurisdicties in de vorm van uitwisseling van informatiën ook sprake van ‘overlevering’ of ‘oversending’; de uitlevering van een verdachte.68 [68. Van Weel, ‘De interjurisdictionele betrekkingen’, 33.] De eerdergenoemde overeenkomst tussen Gelderland en Overijssel maakte het mogelijk verdachte te arresteren met assistentie van de lokale gerechtsdienaars, waarna na betaling van de bewaringskosten, de vervolging en berechting van de verdachte plaatsvond in de jurisdictie waar het misdrijf plaatsvond.69 [69. GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 231r-233v. Het is nog steeds gebruikelijk dat de berechting plaatsvindt in het rechtsgebied waar het feit is begaan. Zie: Wetboek van Stafvordering, art. 2 lid 1.] Zo werd de Zwolse knopenmaker en tapper Andries Bieleveld – die op 8 mei 1730 naar Amsterdam vluchtte nadat hij in Zwolle werd gezocht voor sodomie – aangehouden voor opdringerigheid in Amsterdam en op 28 juni uitgeleverd aan de rechtbank in Zwolle.70 [70. Schöffer, ‘Dien godlosen hoop van menschen’, 137; HCO, SAZ, inv. nr. 3796, f. 61v-62r.]

|pag. 19|

[Blanco]

|pag. 20|

Hoofdstuk 2                    Geregistreerde criminaliteit

In Holland nam het aantal strafzaken in de 17e en 18e eeuw enorm toe. Dit is zowel het gevolg van de snelle bevolkingsgroei als van professionalisering van de strafrechtspleging.71 [71. Van der Heijden, Misdadige vrouwen, 15.]
We zien deze sterke toename in het aantal strafzaken niet in Kampen en Zwolle. Integendeel, Kampen vertoont slechts een licht stijgende trend, terwijl Zwolle een neutrale trend vertoont (zie grafiek 1). Dit is opvallend aangezien het bevolkingsaantal in Kampen sterk fluctueerde en zelfs een negatieve trend kent, terwijl het in Zwolle sterk toenam; van 7.700 inwoners in 1650 tot 12.200 in 1795.72 [72. Paul Holthuis, ‘Deventer en de X-factor, 1550-1750’ in: Geurt A. Collenteur en Pim Kooij (eds.), Stad en Regio: opstellen aangeboden aan prof. dr. Pim Kooij bij zijn afscheid als hoogleraar economische en sociale geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen (Groningen 2014) 31-41, aldaar 33.] De enorme teruggang in het aantal veroordeelden in Zwolle (van 51 in de periode 1660-1670 naar 21 in ’70-’80 en 12 in ’80-’90) is te verklaren door de situatie waarin de stad zich bevond. Het beruchte Rampjaar trof immers ook Zwolle. Onder druk van oprukkende Munsterse en Keulse troepen gaf Zwolle zich over aan de katholieke overheersers in juni 1672. Na vredesonderhandelingen verlieten de vijandelijke troepen de stad in 1674 en werd er daaropvolgend een Staatsgarnizoen in Zwolle gelegerd. Dit Staatse leger stelde zich eerder op als bezetter en Zwolle werd gedwongen ‘de sleutels van de stadspoorten’ af te staan. In de jaren hierna ontstond er een bittere strijd tussen de militairen en het Zwolse stadsbestuur over de macht over de stad. Pas met het overlijden van Willem III in 1702 kwam de stad los van de stadhouderlijke greep. Het lijkt er sterk op dat deze bestuurlijke perikelen de aandacht van de magistraat en schepenen dusdanig opeisten dat de strafrechtspleging van minder groot belang was, met als gevolg de enorme daling in het aantal veroordeelden. Het enorme verschil in Kampen tussen de periode 1720-’30 met 8 zaken en ’30-’40 met 35 zaken is te verklaren aan de hand van twee factoren; een toename in het aantal zedenzaken gedurende de jaren 30 en de veroordeling van een criminele bende. Wat betreft de toename van de zedendelicten werden zeven mannen vervolgd gedurende de beruchte sodomieprocessen en is er een aanzienlijke toename in het aantal vrouwen dat werd vervolgd voor onder andere ‘hoererij’ en ‘ergerlijk leven’. Daarnaast werd een ‘bende’ bestaande uit de dief Hermanus Elmendurp en zijn vier vrouwelijke mededaders – die het gestolen waar verkochten – veroordeeld. Dit tezamen deed het aantal veroordeelden sterk toenemen.73 [73. GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 52r-63r.] Deze stijging zette zich in de jaren 40 door tot 37 verdachten. Dit werd mede veroorzaakt door het

|pag. 21|

groot aantal mannen dat werd verdacht van een delict binnen de categorie ‘openbare orde’.


Grafiek 1: Aantal veroordeelden door de Hoge Bank in Kampen (1690-1800) en rechtbank te Zwolle (1650-1800).74 [74. Ibid., inv. nr. 4 en 5; HCO, SAZ, inv. nr. 3795 en 3796.]

§2.1 Vermogensdelicten

Het grootst aantal vervolgde verdachten in Kampen en Zwolle viel, net zoals in Amsterdam, onder de noemer ‘vermogensdelicten’. In Kampen werd 44 procent van alle verdachten vervolgd voor een vermogensmisdrijf en in Zwolle 46 procent (zie grafiek 2).75 [75. Faber, Strafrechtspleging, 60.] Deze delicten behelzen hoofdzakelijk enkelvoudige- of meervoudige diefstal en heling.76 [76. Enkelvoudige diefstal betreft een veroordeling voor één diefstal. Meervoudige diefstal voor twee of meer diefstallen.] Een voorbeeld van een zaak waarbij er sprake was van enkelvoudige diefstal is die van ‘de draaideurcrimineel’ Isaac Levy die op 22 december 1776 in de Oude Stadsherberg buiten de Vispoort te Kampen een “swart lakensche rok en swarte trijpen broek” wist te stelen van een andere herberggast.
Ondanks zijn vluchtpoging uit de stad wist men Isaac te arresteren en werd hij veroordeeld tot geseling, brandmerking en eeuwige verbanning uit de stad.77 [77. GAK, RAK, inv. nr. 5, 1r-2r.] Zoals ook in de zaak van Isaac, pleegden daders van enkelvoudige diefstallen in veel gevallen dit delict, omdat de gelegenheid zich voordeed. Bij meervoudige diefstallen gaan daders echter veelal op pad met

|pag. 22|

het voornemen een diefstal te plegen, waardoor er een hoger aantal strafverzwarende omstandigheden aanwezig zijn, zoals braak of diefstal bij nacht. Zo wist de 18-jarige Pool Salomon Levi in juni 1744 ’s nachts in te breken in een huis te Wijhe en in mei van datzelfde jaar in een huis te Mastenbroek. De buit van de beide inbraken van Levi loog er niet om. Zo stal hij kleding, rijveters, zilveren knopen en beddenlakens welke hij ten gelde wist te maken in Kampen.78 [78. Ibid., inv. nr. 4, f. 92v-93v.] Dat enkelvoudige diefstal in veel gevallen een gelegenheidsdelict is betekent overigens niet dat meervoudige diefstal veel minder vaak voorkwam. In zowel Kampen als Zwolle betrof circa 40 procent van alle diefstalzaken een meervoudige diefstal.


Grafiek 2: Percentage delictscategorie per stad, Kampen (1690-1800) en Zwolle (1650-1800).79 [79. Ibid., inv. nr. 4 en 5; HCO, SAZ, inv. nr. 3795 en 3796.]

Dat zowel vrouwen als mannen werden vervolgd voor vermogensmisdrijven zoals diefstal, toont de historica Els Kloek aan in haar studie naar Leiden in de periode 1678-1794.80 [80. Kloek, Wie hij zij, man of wijf, 135-136.] Ook in Kampen en Zwolle maakten vrouwen zich veelvuldig schuldig aan vermogensmisdrijven. In beide steden was 47 procent van de vermogensdaders een vrouw (zie grafiek 5 en 6). Zelfs onder de verdachten van meervoudige diefstal in Kampen en Zwolle was respectievelijk 41 en 26 procent van de daders vrouwelijk. Een voorbeeld is de in Borculo geboren Janna Voorst die zich in 1732 in Kampen aan een groot aantal dieverijen schuldig maakte waarbij ze onder andere “linnen, wollen, tin, spiegeltjes, stoelen als ander huisraed” buitmaakte.81 [81. GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 39v-40r.] De zaken van Salomon Levi en Janna Voorst maken duidelijk dat de gestolen buit sterk uiteen kon

|pag. 23|

lopen; van een stuk hout tot een zak met 1336 guldens en 13 stuivers.82 [82. Ibid., inv. nr. 4, f. 5r; HCO, SAZ, inv. nr. 3796, f. 165r-168v.] De waarde van een buit hing af van het gestolen goed en de marktwaarde. Ondanks dat het vrijwel onmogelijk is exact te bepalen wat de waarde van een gestolen goed is, is het wel mogelijk een inschatting te maken of er sprake was van diefstal voor eigen gebruik of de markt. Een zilveren zakhorloge zal eerder voor de verkoop zijn terwijl een brood eerder voor eigen gebruik is.83 [83. GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 160r-161r; HCO, SAZ, inv. nr. 3795, f. 95v.]
Wat betreft het verband tussen sekse en het oogmerk van de diefstal stelde Carol Wiener op basis van de laat 16e eeuwse gerechtelijke archieven van Hertfordshire vast dat mannen voornamelijk diefstallen pleegden met het oog op verkoop van de buit, terwijl vrouwen voornamelijk voor eigen behoefte stalen. In Kampen en Zwolle zijn deze verschillen vrijwel onzichtbaar. Zo stal in Kampen circa 50 procent van zowel de mannen als de vrouwen voor ‘de eigen behoefte’ en in Zwolle 60 procent.84 [84. Diefstal van kleine hoeveelheden voedsel, enkele kledingstukken van beperkte waarde en geldstukken worden in deze studie beschouwd als ‘voor eigen behoefte’.] Deze bevinding is in lijn met de vaststelling van Garthine Walker die op basis van haar onderzoek in de gerechtelijke archieven in Cheshire voor de jaren 20 van de 17e eeuw aantoonde dat verschillen tussen mannen en vrouwen met betrekking tot het oogmerk van het delict vrijwel ontbraken.85 [85. Carol Z. Wiener, ‘Sex roles and crime in late Elizabethan Hertfordshire’, Journal of social history 8 (1975) 38-60, aldaar 42.; Carol Z. Wiener, ‘Women, theft and the world of stolen goods’ in: Jenny Kermode en Garthine Walker (eds.), Women, crime and the courts in early modern England (Londen 1994) 81-105, aldaar 86.]

§2.2 Zedendelicten

Een klassiek zedendelict onder vrouwelijke daders was prostitutie. De categorie zedendelicten was met 37 procent van het totaal aantal verdachte vrouwen in Kampen en 25 procent in Zwolle wel aanzienlijk (zie grafiek 3 en 4), maar daarbij dient opgemerkt worden dat het hier niet uitsluitend prostituees betrof. Integendeel, in Zwolle was er bij 43 procent van de vrouwen verdacht van een zedendelict sprake van ontuchtig leven en in 27 procent van het in onechte kramen. Slechts in 5 procent van de gevallen was er sprake van hoererij of prostitutie.
De reden dat er zo weinig vrouwen werden veroordeeld voor prostitutie ligt niet besloten in de afwezigheid van prostitutie. Immers, de prostitutie tierde welig in garnizoenssteden zoals Zwolle. De reden ligt besloten in het vervolgingsbeleid. Zo werd tot juli 1744 hoererij afgedaan met een geldboete conform het stadsrecht “De slegte Hoererije zal telken reise met

|pag. 24|

tien goudguldens geboet worden (…) en voor de tweede reis dubbelt, en voor de derde reis arbitraalijk worden gecorrigeerd”.86 [86. Stadrecht van Zwolle en reglement voor het edel schoutengerichte (Zwolle 1744) 417-418.] Oftewel pas bij de derde arrestatie voor hoererij werd iemand voor het gerecht gebracht. Bij de eerste en tweede keer was dit delict afkoopbaar. Dit veranderde in juli 1744 met de ‘publicatie tegen hoererij’ waarin men stelde dat de armenkamer dusdanig bezwaard werd dat “ontucht van ongetrouwde leden zo veel doenlijk worde ingebonden ende beteugeld” en hoererij strafbaar gesteld werd op straffe van 4 jaar Tuchthuis en eeuwige verbanning uit de stad.87 [87. HCO, SAZ, inv. nr. 4169, f. 1r.] Van het strafelement ‘derde keer overtreden leidt tot een arbitraal oordeel’ was dus geen sprake meer. In Kampen lagen de verhoudingen enigszins anders. In 26 procent van de voor een zedendelict veroordeelde vrouwen was er sprake van ontuchtig leven, in 20 procent van onechte kramen en in 31 procent van hoererij.
Mogelijk had Kampen dus een actiever vervolgingsbeleid jegens prostituees dan Zwolle.
     Zedenmisdrijven waren in Kampen en Zwolle geen vrouwenzaak. In Kampen werd 23 procent van de zedendelicten door een man gepleegd en in Zwolle 45 procent (zie grafiek 5 en 6). In Zwolle werden mannen tot 1730 met name vervolgd voor overspel. In Kampen werd voor 1730 geen enkele man voor een zedenmisdrijf vervolgd, wat ook het lagere percentage mannelijke zedendelinquenten verklaard. Na 1730 – met de aanvang van de sodomieprocessen – werden zij op een enkele uitzonderingen na in beide steden hoofdzakelijk voor sodomie vervolgd.


Grafiek 3: Delicten mannen en vrouwen verdeeld naar type delict in Kampen 1690-1800.88 [88. GAK, RAK, inv. nr. 4 en 5]

|pag. 25|


Grafiek 4: Delicten mannen en vrouwen verdeeld naar type delict in Zwolle 1650-1800.89 [89. HCO, SAZ, inv. nr. 3795 en 3796.]

§2.3 Geweldsdelicten

Geweldsmisdrijven – te verdelen in fysiek en verbaal geweld – werden niet uitsluitend gepleegd door mannelijke daders. Integendeel, ook vrouwen maakten zich schuldig aan geweld in de vroegmoderne tijd. Van der Heijden stelt dat, in tegenstelling tot wat criminologen en historici zoals Spierenburg tot dusverre veronderstelden, vrouwen wel degelijk gewelddadig waren. Wel moet opgemerkt worden dat mannen in Holland altijd gewelddadiger waren dan vrouwen.90 [90. Van der Heijden, Misdadige vrouwen, 20, 110-116.] Dit was ook in Kampen en Zwolle het geval, waar respectievelijk 89 en 84 procent van de geweldsdaders een man betrof. Deze cijfers komen overeen met bevindingen in Amsterdam, Rotterdam en Leiden, waar het percentage vrouwelijke geweldsdelinquenten zich tussen de 6 en 16 procent bevond.91 [91. Ibid., 117-118.] In Kampen zijn er slechts twee vrouwelijke geweldsdaders: Catharina Grave, veroordeeld voor belediging, en Hendrikje de Bonde, veroordeeld voor de moord op haar dertienjarige dochtertje. Zwolle kende dertien vrouwelijke verdachten: negen voor fysiek geweld en vier voor verbaal geweld.
Het bestaan van een patroon dat van vrouwen als vechtersbazinnen die hun seksuele eer verdedigen, welke Van der Heijden aan de hand van de zogenaamde vechtboeken aantoont, kan op basis van de in Kampen en Zwolle beschikbare gegevens niet worden bevestigd.92 [92. Ibid., 112, 119-120.] Het beruchte fenomeen ‘kindermoord’ waarbij een moeder haar pasgeboren kind om het leven brengt vormt één derde van de aanklachten bij vrouwelijke geweldsdaders in Zwolle. Een

|pag. 26|

duidelijk verschil met Holland is dat in Zwolle twee van de drie vrouwen verdacht van kindermoord ter dood werden veroordeeld, terwijl de doodstraf in Holland zelden werd opgelegd voor een dergelijk delict. Naast kindermoord werden in Zwolle drie vrouwen veroordeeld voor moord en drie voor mishandeling. Het lage percentage vrouwelijke moordenaars in Holland – in tegenstelling met het percentage in Zwolle – en het bijzonder lage aantal vechtersbazinnen in deze stad versterkt de aanname dat het ontbreken van gerechtelijk informatie in Kampen en Zwolle – zoals de Vechtboeken in Rotterdam – de reden is dat een zogenaamd Overijssels patroon van de vrouwelijke vechtersbazinnen niet kan worden aangetoond.93 [93. Van der Heijden, Misdadige vrouwen, 120-122.]
     De mannelijke daders werden, net zoals de vrouwelijke, in grote meerderheid veroordeeld voor fysieke geweldsdelicten. De overgrote meerderheid van de mannelijke fysieke geweldsdaders werd veroordeeld voor mishandeling; in Kampen 81 procent en in Zwolle 68 procent. Hierbij gebruikten de daders in veel gevallen een wapen zoals een mes, degen of pistool.94 [94. GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 6v; HCO, SAZ, inv. nr. 3795, f. 264v-265v; ibid., inv. nr. 3796, f.59v-60r.] Verbale geweldsdelicten zoals belediging en bedreiging kwamen in Kampen in slechts 10 procent en in Zwolle in 19 procent van de geweldsdelicten voor. Zo werd de 31-jarige Marten Vredevelt in 1792 veroordeeld, voor het beledigen van twee ruiters in de “aller verfoeijelijkste taal”, tot twee jaar Tuchthuis en levenslange verbanning.95 [95. Ibid., inv. nr. 3796, f.181v.]


Grafiek 5: Percentage man/vrouw per delictscategorie, Kampen 1690-1800.96 [96. GAK, RAK, inv. nr. 4 en 5.]

|pag. 27|


Grafiek 6: Percentage man/vrouw per delictscategorie, Zwolle 1650-1800.97 [97. HCO, SAZ, inv. nr. 3795 en 3796.]

§2.4 Openbare orde-delicten

De 23-jarige Aeltie van Dijk werd op 5 december 1768 verbannen wegens het overtreden van een eerder opgelegde verbanning op 30 maart van datzelfde jaar.98 [98. GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 147v-148r.] Dit type delict – de zogenaamde banbreuk – valt, samen met overlast, bedelarij, verzet tegen de overheid en landloperij onder de noemer ‘openbare orde’. Verbreking van verbanning was het meest gepleegde misdrijf (zie grafiek 7), net zoals in Amsterdam, in Kampen (36 procent) en Zwolle (43 procent).99 [99. Faber, Strafrechtspleging, 56.] De reden hiervoor moet gezocht worden in het feit dat veroordeelden na een verbanningstraf vaak terugkeerden naar hun plaats van herkomst aangezien het buitengewoon lastig was elders werk te vinden en een nieuw sociaal leven op te bouwen.100 [100. Van der Heijden, Misdadige vrouwen, 186.] Dit gold voor zowel vrouwen als mannen. Verbreking van verbanning werd in Kampen door 44 procent en in Zwolle door 60 procent van de mannen gepleegd.
     De delicten overlast en verzet tegen de overheid werden in deze beide steden vrijwel uitsluitend gepleegd door mannen. Onder overlast wordt bijvoorbeeld verstaan de veroordeling voor dronkenschap van Frerick Janssen Schocker in Kampen in 1690 en de “[ver]storinge van de gemeente ruste” door het illegaal overvaren van de Zwolse stadsgracht “na beslotene wagt” door Evert Evertsz in 1702.101 [101. GAK, RAK, inv. nr. 4, f.1r-3r; HCO, SAZ, inv. nr. 3795, f. 209v.] Verzet tegen de overheid komt in verschillende vormen voor, zoals het bedreigen van een schout of het opruien van een

|pag. 28|

menigte.102 [102. Ibid., inv. nr. 3795, f. 290r; ibid., inv. nr. 3796, f. 42v-50r.] Zo werden vijf mannen vervolgd voor hun rol in het brandewijnoproer in Zwolle (mei 1726). Gedurende deze opstand werden “in verscheiden huizen de glazen ingesmeten (…) [en getracht] de kelder of pakhuis van de monopolie te forceren”.103 [103. Ibid., inv. nr. 3796, f. 42v-43r.] Enkele oproerkraaiers lieten er geen gras over groeien. Zo probeerde Herman Westenberg “onder de Regenten haar huijsen een tonnetje met buskruijt behoorde te setten, en laten se in de lucht vliegen”.104 [104. Ibid.] Opvallend is dat er geen enkele vrouw werd veroordeeld voor een delict dat kan worden aangemerkt als verzet tegen de overheid. Het lijkt er dus sterk op dat vrouwen niet de prominente rol vervulden in de Zwolse oproeren zoals zij deden tijdens het broodoproer Gouda in (1630) of de rellen in verschillende Hollandse steden met betrekking tot de prijs van boekweitmeel (1698).105 [105. Van der Heijden, Misdadige vrouwen, 181.]


Grafiek 7: Percentage delicten binnen de categorie openbare orde voor Kampen (1690-1800) en Zwolle (1650-1800) ten opzichte van het totaal aantal openbare delicten per stad.106 [106. GAK, RAK, inv. nr. 4 en 5; HCO, SAZ, inv. nr. 3795 en 3796.]

De delicten bedelarij en landloperij zijn vrijwel onlosmakelijk verbonden met het armoede.
Bedelaars en landlopers zorgden voor veel overlast in de steden.107 [107. Ibid., inv. nr. 4166, f. 1r-5r.] Zo beschreef de Zwolse rechtbank in het vonnis van de “zoogenaamde heidens en vagebonden” de landlopers Barthold Jansz en Hans Jurrien als “menschen [die] in dese provincie te komen, maar ook hun aldaar ten platten Lande tot groten overlast en beswaar van de goede ingestetenen te

|pag. 29|

onthouden”.108 [108. Ibid., inv. nr. 3795, f. 179r-179v.] In Zwolle betroffen de delicten bedelarij en landloperij respectievelijk 15 en 11 procent van alle openbare orde-delicten. Deze delicten werden overigens niet alleen gepleegd door mannen, want ook in Zwolle komt de vrouwelijk bedelaar en landloper voor.
Van de veroordeelde bedelaars en landlopers waren respectievelijk 41 en 31 procent vrouwen.
Opvallend is dat in Kampen bedelarij zich slechts eenmalig voordoet en landloperij zelfs helemaal niet. Aannemelijk is dat het ontbreken van veroordelingen voor bedelarij en landloperij te herleiden is tot het vervolgingsbeleid van Kampen en niet zozeer in de afwezigheid van armen. Armoede was een wijdverspreid probleem in Kampen.109 [109. Lenferink, Geschiedenis van Kampen, 43-45, 48-49.]
     De categorie overige betreft uiteenlopende zaken, zoals het ‘dwingen van een geformeerd geboren jongen zich te bekeren tot de Paapse religie’, het ‘misleiden van de kerkenraad’ of de zaak waarin Christiaan Meijnders, Maria Jansen en Margrietje Koers die in september 1699 aan een dief onderdak boden.110 [110. GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 148r-148v; HCO, SAZ, inv. nr. 3795, f.199v-201v, 286r.] Een vrij bijzondere zaak is de veroordeling van de ‘heks’ Maria Janssen. Zij werd verdacht in het buurschap Haerst, vallende binnen de Zwolse jurisdictie, in het jaar 1657 in de woning van de weduwe van ene ‘Armen’ geesten te hebben verdreven “waerdoor de tedere swacke gemoederen ligtelijck tot superstitie ende alsoo van Godt afdwaelende tot de Satan verleidet worden”.111 [111. Ibid., inv. nr. 3795, f. 42r-42v.] Op 11 mei 1657 werd de ‘heks van Haerst’ veroordeeld tot aan de kaakstelling, geseling en eeuwige verbanning uit stad en provincie. Dit ene uitzonderlijke geval van heksenvervolging in Zwolle past binnen de vaststelling dat grootschalige heksenvervolging, zoals met name in Centraal-Europa, aan de Republiek voorbij is gegaan.112 [112. Wolfgang Behringer, ‘Weather, hunger and fear: origins of the European witch-hunts in climate, society and mentality’, German History 13:1 (1995) 1-27, aldaar 27.]

§2.5 Criminaliteit en sekse

Dat criminaliteit geen mannenzaak is blijkt wel uit de bovengenoemde voorbeelden. Van het totaal aantal veroordeelden was gemiddeld genomen een opvallend hoog percentage van het vrouwelijke geslacht. In Kampen (1690-1800) 49 procent en Zwolle (1650-1800) 41 procent (zie grafiek 8). Van der Heijden stelt in haar onderzoek al vast dat voor Holland het aandeel

|pag. 30|

vrouwelijke veroordeelden bijzonder hoog was in de periode 1600-1800.113 [113. Van der Heijden, Misdadige vrouwen, 16.] Zij schrijft het hoge criminaliteitscijfer in Holland onder vrouwen toe aan twee factoren. Ten eerste de hoge urbanisatiegraad in de Republiek en Holland in het bijzonder. Aan het eind van de 18e eeuw woonde namelijk 70 procent van de bevolking in Holland in een stad. Ten tweede zou het vrouwenoverschot in de Hollandse steden een belangrijke reden zijn voor het hoge percentage vrouwelijke criminelen. Veel Hollandse steden waren bevolkt met veel jonge, ongehuwde vrouwen, weduwen en vrouwen waarvan de echtgenoot in dienst was van de zeevaart en daardoor lang van huis.114 [114. Ibid., 219-220.]


Grafiek 8: Percentage vrouwen ten opzichte van het totaal aantal verdachten in Kampen (1690-1800) en Zwolle (1650-1800).115 [115. GAK, RAK, inv. nr. 4 en 5; HCO, SAZ, inv. nr. 3795 en 3796.]

In Amsterdam lag het gemiddeld percentage vrouwelijke verdachten in de periode 1680-1811 op 35 procent en in Leiden in de periode 1675-1811 schommelde het tussen de 32 en 65 procent.116 [116. Ibid., 17.] Een dergelijke schommeling is ook te zien in Kampen en Zwolle (zie grafiek 8). In de Kampen loopt het percentage in de periode 1690-1800 uiteen van 25 tot 75 procent en in Zwolle in de periode 1650-1800 tussen de 8 procent en 72 procent. Het hoge percentage vrouwelijke misdadigers zou op basis van de door Van der Heijden genoemde factoren verklaard kunnen worden. Ten eerste waren Kampen en Zwolle beide, zeker in de regionale context, steden van belang. Zwolle was zelfs de meest bevolkingsrijke en verstedelijkte regio

|pag. 31|

van Overijssel. Ten tweede kende Zwolle, net zoals Amsterdam een vrouwenoverschot.117 [117. De eerste volkstelling in de Zwolse geschiedenis (1748) meldde dat er 2.428 mannen en 3.124 vrouwen woonachtig waren op het stedelijk grondgebied. Holthuis stelt echter dat er in 1748 in totaal 11931 inwoners binnen de grenzen van Zwolle woonden. De volkstelling betrof waarschijnlijk alleen de inwoners woonachtig binnen de stadsmuren van de stad Zwolle en niet het totaal aantal inwoners binnen de gehele jurisdictie van de stad. Zie: Ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 364-366; Holthuis, ‘Deventer en de X-factor, 1550-1750’, 33.]
Van de stad Kampen is helaas geen informatie over de man-vrouwverhouding in de 17e of 18e eeuw bekend.

|pag. 32|

Hoofdstuk 3                    Rechtspraak en bestraffing

In de vroegmoderne tijd waren de stadsbesturen de instituten die de jurisdictie uitoefenden in de stedelijke rechtspraak. Zoals eerder gesteld, oefende het stadsbestuur van Zwolle als voornaamste stad in de provincie Overijssel, jurisdictie uit over zowel de stad als het schoutambt genaamd Zwollerkerspel. Ondanks diverse politieke conflicten over de jurisdictie van het Zwolse stadsbestuur met betrekking tot Zwollekerspel bleef het stadsbestuur in de periode 1650-1800 in het schoutambt gerechtigd. Ook Kampen had een jurisdictie die de stadsgrenzen overschreed. Onder de ‘vrijheid van Kampen’ viel ook het vissersdorp Brunnepe.118 [118. Lenferink, Geschiedenis van Kampen, 25; Streng, Stemme, 90.]
     De organisatie van het bestuur van Kampen en Zwolle, welke geschoeid was op het Duitse systeem, bestond uit de meente en de magistraat. Beide steden telden vier meentes of wijken met ieder twaalf meenteleden, welke gezien kunnen worden als de voorloper van gemeenteraadsleden. De meente vergaderde samen met de magistraat over ‘requesten’ en aangelegenheden met betrekking tot de prosperiteit van de stad zoals het onderhoud van wegen, maar ook het instellen van nieuwe gilden of het verklaren van oorlog aan een vreemde mogendheid. Het daadwerkelijk uitvoerende bestuur bestond uit enkel de magistraat; een duidelijk verschil met het bestuurlijke systeem in het westen van de Republiek waarbij er naast de magistraat sprake was van een vroedschap. De magistraat, het daadwerkelijke uitvoerende bestuur, bestond in Zwolle uit zestien leden die benoemd werden voor een periode van één jaar. In Zwolle diende de helft van de magistraat als schepen en de andere helft vormde de raad. De acht schepenen werden per tweetal verbonden aan een meente en één duo fungeerde voor de periode van vier weken als ‘burgemeesteren’. In Kampen bestond de margistraat uit achttien leden, waarvan twaalf schepenen. Twee schepenen vormden gedurende acht weken de functie van burgemeesteren uit. Zowel in Kampen als Zwolle zaten de burgemeesteren de raad voor en waren zij verantwoordelijk voor het stedelijk bestuur.
Naast hun functie als burgemeester was de schepen tevens de margistraat van de rechterlijke macht; oftewel de rechter.119 [119. Ibid., 95-99, 100-112; Lenferink, Geschiedenis van Kampen, 93-108; Louis Th. Maes, Vijf eeuwen stedelijk strafrecht: bijdrage tot de rechts- en cultuurgeschiedenis der Nederlanden (Antwerpen en ’S-Gravenhage 1947) 55.]
     Voor de 14e. eeuw waren de schout en de schepenen belast met de rechtspraak over zowel burgers als niet-burgers in Kampen en Zwolle. Gedurende de 14e eeuw verloor de schout zijn bevoegdheden om recht te spreken over de burgers van de stad. Deze

|pag. 33|

aangelegenheid werd een exclusieve bevoegdheid van de schepenen. Uiteindelijk besloot het stadsbestuur van Kampen dat na de dood van Roelof van Twickelo in 1613 er geen nieuwe schout meer aangesteld werd. Vanaf dit moment werd een schepen aangewezen als plaatsvervangend schout. Ook Zwolle besloot na het overlijden van de schout in 1601 geen nieuwe schout meer te benoemen. De opsporingstaken van de schout kwamen vanaf dat moment toe aan de burgemeesteren van de stad Zwolle.120 [120. Streng, Stemme, 134; Lenferink, Geschiedenis van Kampen, 94.] De burgemeesteren zaten sinds de 14e eeuw de Lage Bank voor, waar kleine overtredingen van de stadskeuren en klachten van vreemdelingen over burgers van de stad werden behandeld. De Hoge Bank werd voorgezeten door het voltallige schepenencollege en behandelde strafrechtelijke zaken. De vonnissen van de Hoge Bank waren onherroepelijk en dus niet aan hoger beroep onderhevig.121 [121. Ibid]

§3.1 Schepengeslachten

Zoals bovengenoemd was de positie van schepen in Kampen en Zwolle, zoals elders in de Republiek onderhevig aan roulatie. In enkele Hollandse steden zijn er verschillende aanwijzingen dat prominente families trachtten de positie van schepen binnen de betreffende familie te houden. De historica Egmond merkt daarbij op dat in de kleinere plattelandsjurisdicties van Holland van een dergelijke monopolisering geen sprake lijkt te zijn geweest.122 [122. Egmond, ‘Fragmentatie, rechtsverscheidenheid en rechtsongelijkheid’, 16.] Hierbij rijst de vraag of er in Kampen en Zwolle sprake was van een mogelijke monopolisering van de rechtspraak. Gezien de organisatie van het stadsbestuur in Kampen en Zwolle anders was georganiseerd, en dat deze steden bovendien minder verstedelijkt waren dan Amsterdam, zou een andere uitkomst mogelijk kunnen zijn.
     De vonnisboeken van Kampen en Zwolle bieden inzicht in de betrokken schepenen en hun werkwijze. De gerechtsgriffier noteerde in vrijwel de meeste zaken de namen van de schepenen die de schepenbank voorzaten en de namen van eventueel toegevoegde loco(plaatsvervangende) schepenen. In de Zwolse archieven zijn 94 families betrokken in de functie van schepen bij rechtsspraak in de periode 1650-1800. In de stad Kampen gaat het om 48 families tussen 1690 en 1800. Het merendeel van deze families zijn slechts enkele keren betrokken bij strafzaken in de functie van schepen. Zwolle telt 46 families die slechts één keer een schepen leverden en Kampen achttien. Er zijn een beperkt aantal families te identificeren

|pag. 34|

die in de periode 1650-1800 grootleverancier voor schepenen waren.123 [123. GAK, RAK, inv. nr. 4 en 5; HCO, SAZ, inv. nr. 3795 en 3796.] Voor Zwolle zijn de voornaamste ‘schepengeslachten’ de families Greven, Queisen en Vriesen. Deze families waren in totaal 271 keer betrokken bij een veroordeling over de gehele onderzochte periode in de functie van schepen. Daarnaast zijn de families Scriverius en Sonsbeek in de jaren 20 en 30 van de 18e eeuw in de vonnisboeken beschreven waarna zij tot het einde van de 18e eeuw als schepengeslacht actief zijn gebleven en in totaal 86 maal als schepen actief waren.124 [124. Ibid.] In Kampen behoren de families Vestrinck, Van Marle en Greven tot de meest prominente schepengeslachten. Opvallend is dat een aantal families, waaronder Greven en Van Marle zowel in Kampen als Zwolle actief zijn in de rechtspraak. Van zowel stedelijke als regionale monopolisering van de rechtspraak was dus wel degelijk sprake.
     Naast het feit dat de bovengenoemde schepenfamilies belangrijke geslachten zijn binnen de Zwolse en Kamper bestuurlijke elite, impliceert het fenomeen ‘schepengeslachten’ dat er sprake is van een gerechtelijke traditie binnen families. Veel historici wijzen op de beperkte codificatie van het berechtingsproces in de vroeg moderne periode. Deze familieleden zouden echter kunnen duiden op een ongeschreven straf(proces)recht, als aanvulling op het beperkte gecodificeerde recht, waarbij de mores van de rechtspraak binnen de familie wordt doorgeven. Dat er in enkele gevallen zelfs sprake was van een vader en zijn zoon die in dezelfde periode actief waren als schepen bij verschillende strafzaken blijkt uit de Zwolse vonnisboeken. Zo was schepen Wicherlink senior op 30 november 1690 betrokken bij de veroordeling van Klaus Kok en zijn zoon Wicherlink junior op 1 december 1690 bij die van Catharina Albertsz.125 [125. HCO, SAZ, inv. nr. 3795, f. 156r-156v, 157r-157v.] Ook traden vader en zoon Holt in 1691 beiden op als schepen.126 [126. Ibid., inv. nr. 3795, f. 159r, 159v.]
Bij dergelijke sterke familiare banden lijkt de aanname van onderlinge kennisoverdracht met betrekking tot de rechtspraktijk gerechtvaardigd. Deze aanname wordt ondersteunt door het gegeven dat de functie waarin de bestuurlijke carrière werd begonnen en het verdere verloop daarvan grotendeels werd bepaald door de positie van de vader. Kortom, prominente schepenen brachten schepenen voort.127 [127. Streng, Stemme, 160, 169]

|pag. 35|

§3.2 Bestraffing en strafuitvoer

Schepenen beschikten over een keur aan straffen die opgelegd konden worden aan veroordeelden. De straffen in Kampen en Zwolle zijn te verdelen in grofweg twee categorieën: de vrijheidsstraffen, zoals een veroordeling tot verbanning of het Tuchthuis en de tot de verbeelding sprekende lijfstraffen. De straffen lopen uiteen van een waarschuwing tot het wurgen of onthoofden van de veroordeelde. De diversiteit van de straffen werd daarnaast vergroot door de enorme aantallen combinaties van mogelijkheden. Zo werd Jacob Jans van Akkeren in 1745 te Kampen veroordeeld tot de ‘kaak’ (vergelijkbaar met het schavot) om aldaar, met het moordwapen boven zijn hoofd hangende, te worden gegeseld en gebrandmerkt. Na zijn publieke straf diende hij 25 jaar in het Tuchthuis te werken en vervolgens, na zijn vrijlating, voor 25 jaar te worden verbannen uit de stad.128 [128. GAK, RAK 14, inv. nr. 4, f. 96v-98r.] Opvallend hierbij is dat de schepenen in Kampen en Zwolle net zoals in Amsterdam “gewoonlijk gaen bij trappen”129 [129. Hans Bontemantel, De regeeringe van Amsterdam: soo in ’t civiel als crimineel en militaire, 1653-1672. Deel I. G.W. Kernkamp ed. (Utrecht 1897) 274.]; oftewel gebruikmaken van een getrapt systeem. Een misdadiger veroordeeld voor enkelvoudige diefstal zonder strafverzwarende omstandigheden (zoals braak) werd in de meeste gevallen aan de kaak gesteld, gegeseld en verbannen, terwijl een veroordeling voor meervoudige diefstal in Zwolle kon leidden tot de doodstraf.130 [130. HCO, SAZ, inv. nr. 3795, f.20r-22v, 188r-189r.]


Grafiek 9: Opgelegde straffen per categorie in Zwolle, 1650-1800.131 [131. Ibid., inv. nr. 3795 en 3796.]

|pag. 36|

In de grafieken 9 en 10 is de enorme diversiteit van straffen teruggebracht tot vier categorieën. Ten eerste verbanningsstraffen, van enkele dagen tot levenslange verbanning uit de stad of provincie. Ten tweede lijfstraffen, bestaande uit aan de kaakstelling, geseling, brandmerking, verminking en de doodstraf. De derde categorie is de tuchthuisstraf die zijn werkelijke intrede in Overijssel deed vanaf de jaren 30 van de 18e eeuw. Overige straffen zoals bijvoorbeeld geldboetes of een aantal dagen opsluiting op water en brood vormen de vierde categorie.132 [132. Ibid., 3796, f. 77r.]


Grafiek 10: Opgelegde straffen per categorie in Kampen, 1690-1800.133 [133. GAK, RAK, inv. nr. 4 en 5. Het betreft hier het percentage ten opzichte van het totaal aantal opgelegde straffen per decennium.]

Uit de grafieken 9 en 10 blijkt dat tot de jaren 60 van de 18e eeuw verbannen worden “uit dese stad, desselfs vrijheid en schoutampt mitsgaders uit de hele Provincie” verreweg de meest opgelegde straf was.134 [134. HCO, SAZ, inv. nr. 3796, f. 77r.] Een ingrijpende maatregel waarbij de veroordeelde huis en haard diende te verlaten, wat grote sociale en financiële gevolgen voor de persoon in kwestie had. In Kampen was er van het totaal aantal verbanningen in 81 procent en in Zwolle in 79 procent van de gevallen sprake van levenslange verbanning. Tijdelijke verbanningsstraffen (van één dag tot vijftig jaar) vormden dus in beide steden een minderheid. De effectiviteit van de verbanningsstraf valt te betwijfelen. In de periode 1650-1800 worden er in Kampen en Zwolle tientallen personen veroordeeld voor het overtreden van hun verbanningsstraf waarvan

|pag. 37|

Claasje Claassen zelfs driemaal.135 [135. HCO, SAZ, inv. nr. 3796, f. 180v; Zie ook: Faber, Strafrechtspleging, 200.] Vanaf halverwege de 18e eeuw daalt het aandeel verbanningstraffen aanzienlijk door de opkomst van een nieuwe straf te weten het Tuchthuis.
     De eerste veroordeling in Zwolle tot “een of ander Provinciaal Tuchthuis”, waarmee men doelt op het Overijsselse Tuchthuis, werd opgelegd aan Jan de Leeuw in 1738.136 [136. HCO, SAZ, inv. nr. 3796, f. 74v-75r .]
Hiervoor is slechts één keer eerder in Zwolle opsluiting in het in 1596 opgerichte Amsterdamse Tuchthuis opgelegd aan Teunisje Jansz. Zij werd voor meervoudige diefstal en heling in 1697 veroordeeld tot één jaar tuchthuisarbeid. Op het moment van veroordeling van Jan de Leeuw is het Zwolse Tuchthuis nog in aanbouw. Waar De Leeuw tijdelijk werd ondergebracht is onduidelijk. De eerste plannen tot bouw van een Overijssels Tuchthuis werden al rond 1660 gemaakt. Toch werd pas op 17 april 1738 – na decennialange strijd tussen de steden Deventer, Kampen en Zwolle – door middel van loting bepaald dat het Tuchthuis in Zwolle zou worden gebouwd. Bij de oplevering in augustus 1740 was Zwolle één van de circa twintig steden met een Tuchthuis in de Republiek.137 [137. Ibid., inv. nr. 3795, f. 175r-175v; ibid., inv. nr. 5127, f. 1r-15r; Ten Hove, Meer dan stenen muren, 10-12; Pieter Spierenburg, The prison experience: disciplinary institutions and their inmates in early modern Europe (New Brunswick 1991) 136.]
     De personen veroordeeld tot het Tuchthuis waren veroordeeld voor uiteenlopende delicten. Van diefstal of hoererij tot kindermoord. De plaatsing in het Tuchthuis was gericht op ‘heropvoeding van de misdadiger’. Veroordeelden moesten “aldaar met zijne handen werk de kost te gewinnen” voor een periode van één tot vijftig jaar afhankelijk van het gepleegde delict.138 [138. HCO, SAZ, inv. nr. 3796, f. 92v-93r.] Dat de rechterlijke macht dit nieuwe ‘strafmiddel’ omarmde, blijkt wel uit het dalende aandeel van lijf- en verbanningsstraffen. Dit ging ten koste van de tuchthuisstraffen (zie grafiek 9 en 10). Heropvoeding prevaleerde boven vergelding. Gedurende de periode 1742-1795 bevonden 391 gedetineerden in het Zwolse Tuchthuis waarvan bijna de helft vrouw was. Men kon naast ‘bij veroordeling’ ook in het Tuchthuis worden geplaatst – bijvoorbeeld door slecht gedrag – op verzoek van de familie. Zij werden echter apart van de wetsovertreders opgesloten en hun verblijf werd door de familie bekostigd.139 [139. Ibid., inv. nr. 3796, f. 128v-129r, 140r; GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 142r; Zie Spierenburg, Prison experience, 8, 26-31; Ten Hove, Meer dan stenen muren, 20-21.]
     Naast de vrijheidsstraffen is er nog een tweede, zeer tot de verbeelding sprekende strafsoort, de lijfstraffen. Zo was er sprake van ‘aan de kaak stelling’, tepronkstelling op het schavot, geseling, verminking, brandmerking en de doodstraf. In Zwolle en Kampen werd het overgrote deel van de veroordeelden die werden gegeseld, gebrandmerkt of geëxecuteerd

|pag. 38|

allereerst ‘aan de kaak gesteld’, oftewel publiekelijk ten schande gemaakt op de ‘kaak’ waarna de veroordeelde voor het oog van de toeschouwers zijn straf onderging. Een beperkt aantal bestraffingen vond plaats “binnenskamers”, “op de binnenplaetse aan de boom” of “in ‘t heimelijk”, buiten het blikveld onttrokken aan het oog van het publiek.140 [140. HCO, SAZ, inv. nr. 3795, f. 66r-68r, 155r-155v; GAK, RAK, inv. nr. 5, f. 3r-5v.] Alleen aan de kaak stellen (dus zonder geseling of brandmerking) werd in Zwolle in 16 procent van de gevallen als er een lijfstraf werd opgelegd toegepast en Kampen in 33 procent van de gevallen (zie grafiek 11).


Grafiek 11: Lijfstraffen in Kampen (1690-1800) en Zwolle (1650-1800).141 [141. Ibid., inv. nr. 4 en 5; HCO, SAZ, inv. nr. 3795 en 3796.]

De meest voorkomende schavotstraf in Kampen (37 procent) en Zwolle (58 procent) was, net zoals in Amsterdam geseling.142 [142. Spierenburg, Judicial violence, 75-76.] Hierbij werd de veroordeelde op het schavot bestraft door de scherprechter die stok-, roede- of zweepslagen toediende. Let wel, vrijwel iedere gegeselde werd alvorens aan de kaak gesteld. Brandmerking, een van de meest pijnlijke verminkingsstraffen kwam minder vaak voor: in Kampen en Zwolle respectievelijk in 12 en 18 procent van de gevallen als er een lijfstraf was opgelegd. Brandmerking door middel van het toebrengen van een brandmerk in de vorm van het wapen van Overijssel had ten doel dat het strafblad voor altijd zichtbaar zou zijn. Vanaf de 18e eeuw wordt het brandmerk vrijwel uitsluitend nog op de schouder of de rug aangebracht in plaats van in het aangezicht dat eventuele maatschappelijke stigmatisering van de veroordeelde beperkte. Aan het einde van de 18e eeuw besloot men niet meer het provinciewapen als brandmerk te gebruiken, maar enkel de letter ‘O’, dit omdat de stads- en provinciewapens vaak een leeuw bevatten wat tot

|pag. 39|

verwarring leidde.143 [143. HCO, SAZ, inv. nr. 1960, f. 14r; C.L. ten Cate, Tot glorie der gerechtigheid: de geschiedenis van het brandmerken als lijfstraf in Nederland (Amsterdam 1975) 118.] Aan brandmerken ging in Kampen en Zwolle, evenals in de Amsterdamse strafpraktijk, ten kaak stelling en geseling vooraf en dit werd gezien als straf bij uitstek voor delicten die men te zwaar achtte voor enkel geseling, doch te licht voor de doodstraf.144 [144. Faber, Strafrechtspleging, 157.]
     Een bijzondere lijfstraf is de zogenaamde verminking die met name vóór 1650 populair was. Deze ‘spiegelstraf’ was gebaseerd op het ‘oog om oog-beginsel’ waarbij de veroordeelde hetzelfde lot onderging als het slachtoffer. In de Zwolse archieven komen slechts twee rechtszaken voor waarin er sprake is van verminking zonder dat deze gecombineerd werd met de doodstraf. Hendrik Gerritsz – alias ‘Henneman’ – in 1717 en Roelof Kroop in 1721 mishandelden beiden hun slachtoffer door met een mes in het gezicht te steken zonder dat zij “daer toe enige reden te hebben bijgebragt”.145 [145. HCO, SAZ, inv. nr. 3796, f. 17v-18, 18v-19r.] Zowel Hendrik als Roelof werden veroordeeld, naast aan de kaakstelling, geseling en levenslange verbanning, tot een snee in de rechterwang toegebracht door de scherprechter. Het bijzonder lage aantal verminkingen in Zwolle loopt parallel met de bevindingen van Spierenburg. In de periode 1651-1750 kwamen in Amsterdam slechts 21 zaken voor waarbij verminking (het afhakken van een duim) werd toegepast.146 [146. Spierenburg, Judicial violence, 77.] Opvallend is de geleidelijke afname van populariteit met betrekking tot de lijfstraf vanaf het einde van de 17e eeuw (zie grafiek 10). Een trend die Faber ook in Amsterdam – op basis van de gegevens van Spierenburg – waarneemt.147 [147. Faber, Strafrechtspleging, 153.] Deze trend wordt aan het einde van de 18e eeuw doorbroken doordat het aandeel in lijf- en verbanningstraffen toeneemt ten koste van de tuchthuisstraffen.
     Opmerkelijk is dat in Zwolle bij 78 procent van de veroordelingen waarin een lijfstraf werd opgelegd ook verbanning werd toegevoegd aan de straf. Dit is echter in lijn met de leer van de speciale preventietheorie, waarbij de focus ligt op het voorkomen van recidive. Zoals eerder gesteld werd het overgrote deel van de lijfstraffen in het openbaar voltrokken dat een tweeledig doel heeft. Ten eerste ‘weerwraak’, geheel in lijn met de vergeldingstheorie. De daad moet worden vergolden. Ten tweede ‘het afschrikwekkende karakter’. De veroordeelde werd als slecht voorbeeld getoond aan het volk, in lijn met de generale preventietheorie. Een interessant samenkomst van een absolute vergeldingstheorie en relatieve strafrechtstheorie

|pag. 40|

(speciale- en generale preventie) in het vroegmoderne strafrechtsysteem van Kampen en Zwolle.148 [148. Zie: Paul B. Cliteur en Afshin Ellian, Inleiding Recht (4e druk; Deventer 2013) 125-127; Nico Jörg, Constantijn Kelk en Andries H. Klip, Strafrecht met mate (12e druk; Deventer 2012) 326.]

     De zwaarst en meest tot de verbeelding sprekende lijfstraf is de doodstraf. In Zwolle werd in de onderzochte periode 1650-1800 de doodstraf 23 keer opgelegd, waarvan vijf maal aan een vrouw.
In Kampen in de periode 1690-1800 slechts vier keer en daar alleen aan mannen. Doodstraffen werden in de meeste gevallen voltrokken door verwurging middels een koord; voor Zwolle in


Grafiek 12: Doodstraffen in Zwolle, 1650-1800.149 [149. HCO, SAZ, inv. nr. 3795 en 3796.]

80 procent van de gevallen. Onthoofding ‘met het zwaard’ werd beschouwd als een minder oneervolle doodstraf.150 [150. Faber, Strafrechtspleging, 155.] Uit grafiek 12 blijkt dat wurging voor zowel gewelds-, vermogens- als overige delicten (zeden- en openbare orde-delicten) plaatsvond, terwijl onthoofding bijna uitsluitend plaatsvond bij geweldsdelicten. Vrijwel eenieder die zich schuldig maakte aan een geweldsmisdrijf en veroordeeld waren tot onthoofding, waren verdacht van (poging tot) moord of meervoudige moord en waren van het mannelijke geslacht. Van de veroordeelden veroordeeld in Zwolle voor een geweldsmisdrijf, die met het koord ter dood zijn gebracht, betroffen het in vier gevallen een vrouw, waarvan drie veroordeeld voor kindermoord en één voor vergiftiging. Met betrekking tot de mannen betrof het drie personen, waarvan twee veroordeeld voor doodslag en één voor medeplichtigheid aan kindermoord. Hieruit is de conclusie te trekken dat een man verdacht van moord in het algemeen werd onthoofd, en een man verdacht van doodslag of een vrouw verdacht van kindermoord door middel van het koord werd gewurgd. Bij de ter dood veroordeelden voor vermogensdelicten betrof het uitsluitend misdadigers die schuldig waren bevonden aan meervoudige diefstal. Zo werden ook de eerder genoemde Berent en Marten Jansz beiden in 1694 ter dood veroordeeld voor diverse inbraken, diefstallen en afpersingen in

|pag. 41|

Brabant, Gelderland en Overijssel. Hiermee werden hun criminele carrières beëindigd.151 [151. HCO, SAZ, inv. nr. 3795, f. 163v-165r, 165v-166v.]
     Naast de genoemde gewelds- en vermogensdelicten vallen de ‘bijzondere delicten’ onder de categorie ‘overige’ (zie grafiek 12). Hierbij gaat het om de ter dood veroordeling in Zwolle van twee en in Kampen van drie sodomieten gedurende de sodomieprocessen. Een bijzonder geval binnen de categorie overige blijft de executie van de 45-jarige Zwollenaar Jan Schuiring die een sleutelrol speelde in de Brandewijnoproer (mei 1726).152 [152. Ibid., inv. nr. 3796, f. 43v-45v.] Met zijn executie maakte de gerechtelijke elite kennelijk duidelijk dat verregaande ordeverstoring niet werd getolereerd. In de veroordeling van Jan Schuiring en de eerder genoemde buitengewoon ernstige delicten gepleegd door de terdoodveroordeelden in Zwolle schuilt de conclusie van Florike Egmond op basis van de Amsterdamse archieven, dat doodvonnissen alleen bij zeer zware delicten of buitengewone omstandigheden werden opgelegd.153 [153. Egmond, ‘Fragmentatie, rechtsverscheidenheid en rechtsongelijkheid’, 12.]
     In een enkel geval werd onthoofding beschouwd als een ‘te lage straf’. In die gevallen voltrok zich een uiterst lugubere en buitengewoon pijnlijke publieke marteling, alvorens de veroordeelde werd onthoofd. Zo werd de 28-jarige Philip Abrahams, afkomstig uit Lotharingen en veroordeeld voor meerdere gewelddadige diefstallen, publiekelijk op de Grote Markt te Zwolle op een kruis vastgebonden, waarna zijn benen met een stomp voorwerp werden gebroken. Tenslotte werd “desselfs hooft met een bijl afgehouwen” waarna zijn hoofd op een spies en zijn lichaam op een rad werden tentoongesteld om als een “afschuwelijk exempel” te dienen.154 [154. HCO, SAZ, inv. nr. 3796, f. 30v-32r.] De 26-jarige Jacomina Jannes onderging ook een gruwelijke straf. Nadat zij haar twee kinderen en haar man in hun slaap de keel had doorgesneden, werd zij gearresteerd en ter dood veroordeeld voor moord. Alvorens zij werd onthoofd, werd haar rechterhand waarmee zij het moordwapen had gehanteerd, afgehakt. Daarna werd zij nog levend op een rad gebonden, waarna al haar lichaamsdelen werden gebroken (geradbraakt).
Vervolgens – driemaal, voor ieder slachtoffer één keer – in de hals gestoken met het mes waarmee Jacomina de moorden had gepleegd. Ten slotte werd het hoofd van het lichaam gehakt en de lichaamsdelen “nevens het moord mes en drie knuppelen” tentoongesteld op het galgenveld “tot dat haar lichaam door de vogelen des Hemels, en door de lucht sal wesen verteerd”.155 [155. Ibid., inv. nr. 3796, f. 56v-58r.]
     De vierde en laatste categorie betreft de ‘overige straffen’: straffen die niet vallen onder lijf-, verbanning- of tuchthuisstraffen. Tot de opgelegde overige straffen behoorden

|pag. 42|

onder andere het opleggen van geldboetes, teruggeven van oneerlijk verkregen linnen aan de Armenkamer, vervallen van het burgerrecht en het oneervol begraven van het lijk onder de galg van een gedetineerde die zichzelf van het leven had beroofd.156 [156. Ibid., inv. nr. 3795, f. 35r-35v, 157r-157v; ibid., inv. nr. 3796, f. 63r, 130r-131r.] Het gevang, welke ook binnen de categorie overige straffen viel was door de hoge kosten en beperkte capaciteit een relatief weinig opgelegde straf. Hierbij werd men voor de duur van één tot negentien dagen veroordeeld tot water en brood. De gevangenen dienden in de meeste gevallen zelf de opsluiting te bekostigen. Gedetineerden veroordeeld tot het gevang werden in Zwolle in de Sassenpoort en in Kampen in de Hagenpoort opgesloten.157 [157. Ten Hove, Meer dan stenen muren, 9-10. Zie voor de Sassenpoort: HCO, SAZ, inv. nr. 3795, f. 35r-35v en voor de Hagenpoort: GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 4r.]

§3.3 Een systeem van willekeur?

In 1817 schreef de rechtswetenschapper Van Hamelsveld dat het een grove dwaling was dat de rechter vóór 1811 naar willekeur kon handelen.158 [158. Willem Y. van Hamelsveld, Bijdrage tot het lijfstraffelijk regt (Amsterdam 1817) 134.] Deze ‘willekeur’ is een gebezigde omschrijving onder rechtshistorici van het vroegmoderne strafrechtsysteem, waarbij men wijst op de enorme fragmentatie van de rechtsmacht, de beperkte codificatie van het straf(proces)recht en de enorme diversiteit aan opgelegde straffen.159 [159. Egmond, ‘Fragmentatie, rechtsverscheidenheid en rechtsongelijkheid’, 9-11.] Uit verschillende studies over rechtsongelijkheid in de Republiek van onder andere Sjoerd Faber en Florike Egmond blijkt dat deze classificatie niet terecht is. Egmond, die zich baseert op de strafzaken in Holland, Zeeland en Brabant gedurende de periode 1650-1810, stelt dat er van willekeur geen sprake was. De grote verscheidenheid aan opgelegde straffen is volgens haar terug te voeren op vier factoren. Ten eerste combineerde men diverse straffen op basis van omstandigheden en combinaties van gepleegde delicten. Ten tweede werd er sterk rekening gehouden met de wetgeving omtrent het bewijsrecht. Een verdachte die, al dan niet onder tortuur bleef ontkennen kon een aanzienlijk lichtere straf krijgen dan bij een bekentenis. Ten derde stelt Egmond dat diverse praktische redenen een grote invloed hadden op de gekozen strafvormen.
Zo kon een tuchthuisstraf alleen maar worden opgelegd als er één in de buurt was. Ten slotte hielden de schepenen rekening met de persoonlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld leeftijd, recidive, geestelijke gesteldheid en geslacht van de dader. Op basis van deze factoren

|pag. 43|

concludeert Egmond dat er in de Republiek juist sprake was van structurele rechtsgelijkheid in plaats van ongelijkheid.160 [160. Ibid., 10-15.]
     De conclusie van Egmond is, zoals eerder gesteld, gebaseerd op strafzaken in Holland, Zeeland en Brabant. Om te bepalen of er in Overijssel, in Kampen en Zwolle in het bijzonder, ook sprake was van rechtsgelijkheid zullen de vier genoemde factoren getoetst worden aan de hand van de Kamper en Zwolse strafzaken in de periode 1650-1800. De eerste factor te weten de strafvorm werd gebaseerd op de omstandigheden en combinaties van de gepleegde delicten is overduidelijk te identificeren in Kampen en Zwolle. De Zwollenaar Hendrik Gerritsz werd in 1721 schuldig bevonden aan verregaande mishandeling van Hendrik Esmeijer van Raalte met een mes. Hij werd veroordeeld tot aan de kaakstelling, gegeseld met roeden, daarna door de scherprechter met een mes in zijn rechterwang werd gestoken en ten slotte levenslang werd verbannen uit de stad en provincie.161 [161. HCO, SAZ, inv. nr. 3795, f. 135r-136r.] Op basis van de opgelegde straf kan in veel gevallen herleid worden welk delict gepleegd is. De spiegelstraf (het toebrengen van hetzelfde leed dat het slachtoffer is aangedaan) verraadt dat Gerritsz een wapen gebruikte, welke leidde tot verwondingen bij het slachtoffer. In dit geval een snee in de rechterwang. Zoals eerder geconcludeerd is, betekende doodslag of moord in veel gevallen een ter dood veroordeling. In dit geval is het slachtoffer gestoken met een mes in de rechterwang en is dus niet aan zijn verwondingen overleden. Daarnaast is er sprake van een zeker patroon in straffen en delicten.
Geseling betrof meestal een eenvoudig vermogensdelict, terwijl brandmerking in de meeste gevallen verbonden is met zware vermogensdelicten, zoals meervoudige diefstal of diefstal van vee. Anders geredeneerd is het gezien het grote aantal variabelen lastiger, maar niet “vrijwel onmogelijk” zoals Egmond stelt, te voorspellen welke straf schepenen zouden opleggen bij een bepaald delict.162 [162. Egmond, ‘Fragmentatie, rechtsverscheidenheid en rechtsongelijkheid’, 15.] Er is namelijk in een groot aantal gevallen, met name bij eenvoudige delicten, wel een zekere bandbreedte te herkennen waarbinnen bepaalde straffen werden opgelegd. Een verdachte die voor de eerste maal werd aangeklaagd voor een eenvoudige diefstal zou nimmer tot brandmerking of ter dood worden veroordeeld, maar veel waarschijnlijker tot geseling en verbanning. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat een meervoudige diefstal kon worden afgedaan met een verbanning en in andere gevallen met verregaande lijfstraffen zoals brandmerking, radbraken en de doodstraf.163 [163. HCO, SAZ, inv. nr. 3796, f. 65r-65v.] De conclusie kan zijn: hoe ernstiger het misdrijf hoe groter de bandbreedte van bestraffing.

|pag. 44|

     De tweede factor te weten – de regels van het bewijsrecht – waren ook in Kampen en Zwolle bepalend. Een verdachte die vasthield aan ontkenning kon een lagere straf verwachten dan een verdachte die (vrijwillig) bekende. In enkele gevallen kon ontkenning van de verdachte, zelfs bij aanwezigheid van ander bewijs, leidden tot ontslag van rechtsvervolging of vrijspraak. Zo werd Arend van Dijk, verdacht van de diefstal en heling van planken in Kampen, ondanks verschillende getuigenverklaringen vrijgesproken. Het feit dat Arend bleef “volharden in ’t voorgegeven van niet geweeten te hebben” lag hieraan ten grondslag. Een ander voorbeeld waarbij de regels van bewijsrecht een bepalende factor was in het vonnis, is de zaak van de pachter van de wijnaccijns Egbert Goethuis die verdacht werd van het doodsteken van Benjamin Beckering op 1 november 1730 in de Dieserstraat te Zwolle. Egbert werd vlak na de steekpartij aangehouden met een stok in zijn hand (en dus kennelijk geen scherp voorwerp waarmee hij had kunnen steken) waarop de rechtbank concludeerde dat hij “geen part nog deel aan die manslach hebbe gehad”.164 [164. Ibid., inv. nr. 3796, f. 60v-61r, 187r-188v; ibid., inv. nr. 3795, f. 147r.]
     De derde factor te weten ‘de praktische overwegingen’ speelden ook in Kampen en Zwolle een rol. Door de aanwezigheid van diverse faciliteiten, zoals bijvoorbeeld ‘het gevang’, een gerechtsplaats (schavot) en de beschikbaarheid van een scherprechter was het aantal strafvormen omvangrijk. Deze diversiteit aan straffen werd verder uitgebreid met de komst van het Tuchthuis in Zwolle. Schepenen hadden immers de mogelijkheid gekregen de tuchthuisstraf op grote schaal op te leggen. Dat de combinaties van strafvormen aanzienlijk vergrootte. Uit grafiek 9 en 10 blijkt dat deze mogelijkheid in de praktijk, ten koste van lijf- en verbanningsstraffen, wel degelijk werd benut.
     De vierde en volgens Egmond meest doorslaggevende factor in de strafverscheidenheid te weten ‘de persoonlijke omstandigheden van de dader’ is ook in Kampen en Zwolle een factor van betekenis. Zo werd de 63-jarige Derk Nijhof in 1726 veroordeeld voor meervoudige diefstal en heling; wat in veel gevallen uiteindelijk geseling en verbanning betekende. Echter stelden de schepenen in het vonnis dat wegens “des gedetineerdes hogen ouderdom en lijfs swakheid” men geen lijfstraf oplegde.165 [165. Ibid., inv. nr. 3796, f. 40v-41r.] Ook de eerder genoemde Geurt Hannesen ontliep in 1757 zijn straf door persoonlijke omstandigheden. Hannesen doodde zijn oudste zoon en verwondde zijn jongste met een trekmes in zijn kelder, maar door “sijne geblekene onsinnigheid of kranksinnigheid wel van de straffe des doods behoorde te werden geabsolveerd dog egter in een secuir confinement op

|pag. 45|

de Sassenpoort”. Oftewel, Hannesen ontliep de doodstraf.166 [166. Ibid., inv. nr. 3796, f. 112v.] In een ander geval werd een persoonlijke factor echter een strafverzwarende omstandigheid. Johanna Weijerinks, gearresteerd wegens ergerlijk gedrag en levenswijze, werd veroordeeld tot één jaar Tuchthuis op 15 januari 1788. Ondanks deze straf bleef Johanna “in ontugt en onmatig gebruijk van drank uijt te spatten” en werd de tuchthuisstraf met drie jaar verlengd op grond van haar recidive.167 [167. Ibid., inv. nr. 3796, f. 163v.] Op basis van de vonnissen kan geconcludeerd worden dat de schepenen een vorm van ‘maatwerk’ leverden in de bepaling van de strafmaat, en tevens de oorzaak is van strafverscheidenheid. Van willekeur is in Kampen en Zwolle, zoals in de rest van de Noordelijke Nederlanden, dan ook geen sprake.

|pag. 46|

Conclusie

Het onderzoek naar criminaliteit, strafrechtspleging, rechtspraak en bestraffing in de Republiek tussen 1600 en 1800 heeft zich tot op heden met name gericht op de provincie Holland en Amsterdam in het bijzonder. Aangezien criminaliteit en rechtspraak in Holland sterk werd beïnvloed door de bijzondere sociale, economische en bestuurlijke kenmerken kan men spreken van een ‘Hollands’ patroon van criminaliteit en rechtspraak. Onderzoek naar criminaliteit en rechtspraak in het onderbelichte Overijssel zou tot nieuwe inzichten kunnen leiden. Men kan namelijk veronderstellen dat criminaliteit en rechtspraak door de sociale, economisch en bestuurlijk verschillen tussen het westen en oosten van de Republiek zich in Overijssel wezenlijk anders manifesteerden dan in Holland. In deze studie staat de vraag centraal hoe de geregistreerde criminaliteit, strafrechtspleging, rechtspraak en bestraffing zich in Kampen en Zwolle gedurende de periode 1650-1800 manifesteerden en in welke opzichte deze anders was dan in de provincie Holland.
     De procedure van vervolging ving aan met de arrestatie van de verdachte welke meestal werd uitgevoerd door de assistenten van de schout. Specifieke delicten zoals ontduiking van accijnzen en smokkel werden vaak door de belastinginner vastgesteld waarna hij overging tot arrestatie. Bij vermogensdelicten zoals diefstal zien we veelvuldig dat het slachtoffers zijn die de dader op heterdaad betrappen en deze weten aan te houden. Arrestaties waren niet zonder risico; veelal raakte zowel wetsdienaren als burgers gewond. Na een succesvolle arrestatie werd de verdachten meestal in voorlopige hechtenis genomen waarna uitgebreid verhoor plaatsvond. Een bekentenis was het belangrijkste bewijsmiddel om tot een veroordeling te komen. Om een bekentenis te verkrijgen werd bij een ontkennende verdachte – na toestemming van de schepenen – tortuur toegepast. Naast een bekentenis leverden verhoren veel informatie op over andere criminelen en misdrijven. Het verzamelen van steunbewijs werd bewerkstelligd door opsporingsmethodes zoals doorzoeking, autopsie en lijkschouw. In het geval een verdachte de jurisdictie ontvluchtte was op basis van samenwerkingsovereenkomsten met andere jurisdicties informatie-uitwisseling, onderzoek en zelfs uitlevering van de verdachte mogelijk. Hieruit blijkt dat de strafrechtspleging in Kampen en Zwolle grote overeenkomsten vertoont met Amsterdam en dat er ook in het oosten van de Republiek sprake is van verregaande professionalisering.
     Het grootste aantal verdachten werden in Kampen en Zwolle – net zoals in Amsterdam – vervolgd voor vermogensdelicten zoals diefstal en heling. Enkelvoudige diefstal – waarbij er meestal sprake was van gelegenheidsdiefstal – betrof circa 60 procent van de totale

|pag. 47|

diefstallen. In het geval van meervoudige diefstal zien we een verhoogde aanwezigheid strafverzwarende omstandigheden zoals braak of diefstal bij nacht. Daarbij is wat betreft het oogmerk van de diefstal (het doel is het verkopen van de buit of diefstal voor eigen gebruik) vrijwel geen verschil tussen mannen of vrouwen. Bij de categorie zedendelicten zien we dat in Zwolle slechts 5 procent van de vrouwelijke zedenverdachten voor prostitutie werd veroordeeld. Het gros maakte zich schuldig aan ontuchtig leven. Dit lage percentage prostituees kan verklaard worden door het vervolgingsbeleid. Tot 1744 werd hoererij afgedaan met een geldboete en waren prostitués dus onzichtbaar in de rechterlijke vonnissen.
In Kampen lag het percentage hoger, namelijk op 31 procent, wat mogelijk duidt op een actiever vervolgingsbeleid. Ook mannen werden vervolgd voor zedenmisdrijven, waarbij het hoofdzakelijk sodomiezaken betrof. Wat betreft geweldsdelicten waren mannen in Kampen en Zwolle gewelddadiger dan vrouwen; respectievelijk 89 en 84 procent van de geweldsdaders betrof een man. Dit patroon komt overeen met de bevindingen in Holland. De mannelijke daders werden net zoals de vrouwelijke daders in grote meerderheid veroordeeld voor een fysiek geweldsdelict. De overgrote meerderheid van de mannelijke fysieke geweldsdaders werd veroordeeld voor mishandeling; in Kampen 81 procent en in Zwolle 68 procent. Hierbij gebruikte de daders in veel gevallen een wapen zoals een mes, degen of pistool. Het opvallend lage percentage vechtersbazinnen in Kampen en Zwolle – in tegenstelling tot in Holland – doet vermoeden dat het ontbreken van gerechtelijke informatie – zoals de Vechtboeken – ten grondslag ligt aan de onmogelijkheid tot het aantonen van een dergelijk patroon. Het meest gepleegde delict in de categorie ‘openbare orde’ betrof, net zoals in Amsterdam, banbreuk. Zowel mannen als vrouwen werden voor dit delict vervolgd. In tegenstellig tot banbreuk werd voor ‘verzet tegen de overheid’ geen enkele vrouw veroordeeld. Dit duidt er op dat vrouwen niet de prominente rol vervulden in de Zwolse oproeren zoals zij deden tijdens de broodoproer in Gouda (1630) of de rellen in verschillende Hollandse steden om de prijs van boekweitmeel (1698). Bedelarij en landloperij kwam in Kampen – in tegenstelling tot Zwolle – vrijwel niet voor. Aangezien armoede een wijdverspreid probleem in Kampen was lijkt het aannemelijk dat de oorzaak voor het ontbreken van veroordelingen voor landloperij tot het vervolgingsbeleid te herleiden is. Tot slot kunnen we wat betreft geregistreerde criminaliteit concluderen dat criminaliteit – net zoals in Holland – geen mannenzaak was. In Kampen (1690-1800) was 49 procent en in Zwolle (1650-1800) 41 procent van de verdachten een vrouw. Het hoge percentage vrouwen kan – in lijn met de verklaringen van Manon van der Heijden op basis van de situatie in Holland – verklaard worden door de hoge urbanisatiegraad van de regio en het

|pag. 48|

vrouwenoverschot in Zwolle.
     De bestuurlijke organisatie verschilde van het ‘Hollandse systeem’. Zo was er geen sprake van een vroedschap, maar een meente en waren de verhoudingen binnen het bestuur verschillend. Ondanks deze verschillen was de inhoud van ambtelijke functies in grote lijnen overeenkomstig. Zo waren schepenen ook in Kampen en Zwolle belast met rechtspraak.
Opvallend is dat het door Egmond aangetoonde fenomeen dat prominente families in Holland de positie van schepen binnen de familie probeerden te houden ook voorkwam in Kampen en Zwolle. Het bestaan van deze ‘schepengeslachten’ impliceert de aanwezigheid van gerechtelijke tradities binnen families en ondermijnt de vaststelling van diverse historici dat rechtspraak in de vroegmoderne periode beperkt gecodificeerd was. De schepenen van Kampen en Zwolle beschikten over dezelfde keur aan straffen als de Hollandse schepenen en hanteerde hetzelfde trapsgewijze systeem. Tot de jaren 60 van de 18e eeuw was verbanning de meest opgelegde staf waarbij men in 80 procent van de gevallen levenslange verbanning oplegde. Met de oplevering in 1740 van het Tuchthuis in Zwolle daalde het aantal lijf- en verbanningstraffen aanzienlijk. Heropvoeding prevaleerde boven vergelding. Wat betreft de lijfstraffen was – net zoals in Amsterdam – geseling de meest voorkomende schavotstraf.
Daarnaast paste men brandmerking en verminking toe in het geval van zwaardere delicten. De doodstraf werd alleen toegepast bij zeer ernstige delicten of buitengewone omstandigheden.
Opvallend is de geleidelijke afname van de populariteit van de lijfstraf vanaf het einde van de 17e eeuw tot einde van de 18e eeuw. Een trend die ook in Amsterdam waarneembaar is.
     Het vroegmoderne rechtssysteem is door verschillende (rechts)historici geclassificeerd als een systeem van willekeur. Uit onderzoek is gebleken dat hiervan in Holland, Zeeland en Brabant gedurende de periode 1650-1811 geen sprake was. Aan de hand van de door Egmond geformuleerde factoren blijkt dat schepenen in Kampen en Zwolle diverse straffen combineerden op basis van omstandigheden. Ten tweede waren ook de regels van bewijsrecht bepalend: gebrek aan bewijs of discutabel bewijs kon leiden tot vrijspraak of strafvermindering. Ten derde speelden ook de praktische overwegingen een rol. De oplevering van het Tuchthuis leidde tot een toename van tuchthuisstraffen ten koste van lijf- en verbanningsstraffen. De vierde en meeste doorslaggevende factor te weten de persoonlijke omstandigheden van de dader had ook in Kampen en Zwolle een grote invloed op het vonnis.
Zo kon krankzinnigheid leidden tot vrijspraak en recidive tot strafverzwaring. Van willekeur was in Kampen en Zwolle, net zoals in de rest van de Noordelijke Nederlanden, dus geen sprake.

|pag. 49|

     Concluderend kunnen we stellen dat de (geregistreerde) criminaliteit, strafrechtspleging, rechtspraak en bestraffing in Kampen en Zwolle in de periode 1650-1800 grote overeenkomsten had met de situatie in Holland, en Amsterdam in het bijzonder. Dat ondanks de grote sociale, economische en bestuurlijke verschillen er toch grote overeenkomsten waren in de geregistreerde criminaliteit was het directe gevolg van het in Holland en Overijssel toegepaste vervolgingsbeleid. Dit vervolgingsbeleid was ondanks de verschillen in strafcodificatie in grote lijnen gelijk aan elkaar. Hierdoor zien we ook in rechtspraak en strafuitvoer grote overeenkomsten. De criminaliteitspatronen, strafrechtspleging en rechtspraak die door verschillende historici als ‘Hollands’ zijn bestempeld blijken dus niet zo ‘Hollands’ te zijn als men dacht. Onderzoek naar andere steden en provincies in de Republiek zou moeten uitwijzen of de vele overeenkomsten tussen Holland en Overijssel wijdverspreid in de Republiek waren.

|pag. 50|

Geraadpleegde bronnen

Lijst van archivalia

Gemeente Archief Kampen (GAK), Rechterlijk Archief Kampen (RAK)

Inv. nr. 4 Liber Causarum. Register van aanhangige zaken, 1690-1776.
Inv. nr. 5 Liber Causarum. Register van aanhangige zaken, 1777-1807.

Historisch Centrum Overijssel (HCO), Stadsarchief van Zwolle (SAZ)

Inv. nr. 1762 ‘Stadrecht van Zwolle en Reglement voor het edel schoutengerichte’, stadsrecht van Zwolle, uitgegeven bij S. Clement en zoon te Zwolle, 1794.
Inv. nr. 1960 Signalementen van verdachte, personen, 1694, 1717 en 1804-1810.
Inv. nr. 3792 ‘Confessie’, bekentenissen van verdachten in criminele zaken, 1534 en 1561-1723.
Inv. nr. 3795 ‘Criminalia’, registers van vonnissen in strafrechtelijke of criminele zaken, 8 november 1639 – 10 november 1720.
Inv. nr. 3796 ‘Criminalia’, registers van vonnissen in strafrechtelijke of criminele zaken, 26 november 1720 – 18 november 1803.
Inv. nr. 3800 Register van opgelegde boetes of breuken in criminele zaken, 1663-1666.
Inv. nr. 4166 ‘Orde op de bedelarye’, nota met betrekking tot de overlast van bedelaars met het gevaar dat zij ten laste komen van de armenkamer, 1656.
Inv. nr. 4167 Ordonnanties van schepenen en raden van Zwolle voor klapwakers, hun hulpen en hun commissaris, 1725 en 1746.
Inv. nr. 4168 Stukken betreffende het monopolie-oproer, 1726.


|pag. 51|

Inv. nr. 4169 Publicatie van burgemeesters, schepenen en raden tegen hoererij, 1744.
Inv. nr. 4192 Lijst van aangetroffen personen in door de schout geïnspecteerde Joden- en smokkelkroegen, 1776 en 1791.
Inv. nr. 5127 Stukken betreffende de publieke aanbesteding door de Gedeputeerde Staten van Overijssel van de verschillende werken aan het Provinciale Tuchthuis te Zwolle, 1738.

 
Literatuur

Behringer, Wolfgang, ‘Weather, hunger and fear: origins of the european witch-hunts in climate, society and mentality’, German History 13:1 (1995) 1-27.
Binsbergen, W.C. van, Inleiding strafrecht (4e druk; Zwolle 1979).
Bontemantel, Hans, De regeeringe van Amsterdam: soo in ’t civiel als crimineel en militaire, 1653-1672. Deel I. G.W. Kernkamp ed. (Utrecht 1897).
Boon, L.J., ‘Dien godlosen hoop van menschen’. Vervolging van homoseksuelen in de Republiek in de jaren dertig van de achttiende eeuw (Amsterdam 1997).
Cate, C.L. ten, Tot glorie der gerechtigheid: de geschiedenis van het brandmerken als lijfstraf in Nederland (Amsterdam 1975).
Cliteur, Paul B. en Afshin Ellian, Inleiding Recht (4e druk; Deventer 2013).
Diederiks, Herman, In een land van justitie: criminaliteit van vrouwen, soldaten en ambtenaren in de achttiende-eeuwse Republiek (Amsterdam 1992).
Diederiks, Herman, Sjoerd Faber en Arend H. Huussen jr., Strafrecht en criminaliteit (Zutphen 1988).

|pag. 52|

Drenth, Jan Hendrik, Bijdrage tot de kennis der historische ontwikkeling van het accusatoire tot het inquisitoire strafproces (Amsterdam 1939).
Egmond, Florike, ‘Fragmentatie, rechtsverscheidenheid en rechtsongelijkheid in de Noordelijke Nederlanden tijdens de zeventiende en achttiende eeuw’ in: Sjoerd Faber (ed.), Nieuw licht op oude justitie: misdaad en straf ten tijde van de Republiek (Muiderberg 1989) 9-23.
Eijlander, Gerrit, Rechtspraak in Kampen 1690-1807. Kamper genealogische en historische bronnen deel 36 (Kampen 2013).
Faber, Sjoerd (ed.), Nieuw licht op oude justitie: misdaad en straf ten tijde van de Republiek (Muiderberg 1989).
Faber, Sjoerd, Strafrechtspleging en criminaliteit te Amsterdam, 1680-1811: de nieuwe menslievendheid (Arnhem 1983).
Grevers, Arnoldus J. en Jan ten Hove, Raadhuis van Kampen (Zwolle 1988).
Hamelsveld, Willem Y. van, Bijdrage tot het lijfstraffelijk regt (Amsterdam 1817).
Heijden, Manon van der, Misdadige vrouwen: criminaliteit en rechtspraak in Holland 1600-1800 (Amsterdam 2014).
Heijnsbergen, Pieter van, De pijnbank in de Nederlanden (Groningen 1925).
Helbing, Franz, Die Tortur. Geschichte der Folter im Kriminalverfahren aller Völker und Zeiten. Band II: Von der Reformation bis zur Gegenwarf (Berlin 1902).
Holthuis, Paul, ‘Deventer en de X-factor, 1550-1750’ in: Geurt A. Collenteur en Pim Kooij (eds.), Stad en Regio: opstellen aangeboden aan prof. dr. Pim Kooij bij zijn afscheid als hoogleraar economische en sociale geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen (Groningen 2014) 31-41.

|pag. 53|

Hove, Jan ten, Geschiedenis van Zwolle (Zwolle 2005).
Hove, Jan ten, Meer dan stenen muren: 250 jaar opsluiting in Zwolle, 1739-1989 (Kampen 1989).
Jörg, Nico, Constantijn Kelk en Andries H. Klip, Strafrecht met mate (12e druk; Deventer 2012).
Kloek, Els M., Wie hij zij, man of wijf: vrouwengeschiedenis en de vroegmoderne tijd. Drie Leidse studies (Hilversum 1990).
Kok, J.H., De “Kamper-uien”… import: benevens een overzicht der geschiedenis van Kampen’s bloei en verval in vroegere eeuwen (Kampen 1936).
Kummer, Jeroen (ed.), Geschiedenis van Kampen. Deel II: “Zij zijn Kampers…” (Kampen 2001).
Langbein, John H., Torture and the law of proof: Europe and England in the Ancien Régime (Chicago en Londen 1977).
Lenferink, Henri e.a. (eds.), Geschiedenis van Kampen. Deel 1: “Maer het is hier te Campen” (Kampen 1993).
Maes, Louis Th., Vijf eeuwen stedelijk strafrecht: bijdrage tot de rechts- en cultuurgeschiedenis der Nederlanden (Antwerpen en ’S-Gravenhage 1947).
Meer, Theo van der, De wesentlijke sonde van sodomie en andere vuyligheeden. Sodomietenvervolgingen in Amsterdam 1730-1811 (Amsterdam 1984).
Mensema, Albertus J., Inventaris van het stadsarchief van Zwolle 1230-1813. Deel I, II en III (Zwolle 2007).
Minkenhof, Anna A.L. en Jan Marten Reijntjes, A. Minkenhof’s Nederlandse strafvordering (11e druk; Deventer 2009).

|pag. 54|

Noordam, Dirk J., Riskante relaties: vijf eeuwen homoseksualiteit in Nederland, 1233-1733 (Hilversum 1995).
Schöffer, Ivo, ‘Dien godlosen hoop van menschen’: vervolging van homoseksuelen in de Republiek in de jaren dertig van de achttiende eeuw (Amsterdam 1997).
Spierenburg, Pieter, A history of murder: personal violence in Europe from the middle ages to the present (Cambridge 2008).
Spierenburg, Pieter, The prison experience: disciplinary institutions and their inmates in early modern Europe (New Brunswick 1991).
Spierenburg, Pieter, Judicial violence in the Dutch Republic: corporal punishment, executions and torture in Amsterdam 1650-1750 (Amsterdam 1978).
Streng, Jean C., ‘Stemme in staat’: de bestuurlijke elite in de stadsrepubliek Zwolle 1579-1795 (Hilversum 1997).
Uitterdijk, Jurjan N., ‘De invoering van de criminele ordonnantiën van koning Philips II in Overijssel’, Bijdragen tot de Geschiedenis van Overijssel 8 (1886) 315-361.
Vanhemelryck, Fernand, Misdadigers tussen rechter en beul 1400-1800 (Antwerpen en Amsterdam 1984).
Vanhemelryck, Fernand, ‘Misdaad en straf: recent onderzoek naar de geschiedenis der criminaliteit’, Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 93 (1978) 177-206.
Versteeg, H.J., Van schout tot hoofdcommissaris: de politie voorheen en thans (Amsterdam 1925).
Vries, Thom J. de, Geschiedenis van Zwolle. Deel I: Het ontstaan en de ontwikkeling van de stad tot de invoering der Reformatie (Zwolle 1954).

|pag. 55|

Vries, Thom J. de, Geschiedenis van Zwolle. Deel II: Van de invoering der Reformatie tot het jaar 1940 (Zwolle 1961).
Vrugt, Marijke van de, De Criminele ordonnantiën van 1570: enkele beschouwingen over de eerste strafrechtcodificatie in de Nederlanden (Zupthen 1978).
Walker, Garthine, ‘Women, theft and the world of stolen goods’ in: Jenny Kermode en Garthine Walker (eds.), Women, crime and the courts in early modern England (Londen 1994) 81–105.
Weel, Toon van, ‘De interjurisdictionele betrekkingen in criminele zaken van het Amsterdamse gerecht (1700-1810)’ in: Sjoerd Faber (ed.), Nieuw licht op oude justitie: misdaad en straf ten tijde van de Republiek (Muiderberg 1989) 23-48.
Wetering, Jan van de, De Zwolse canon: de geschiedenis van Zwolle in 50 vensters (Zwolle 2008).
Wiener, Carol Z., ‘Sex roles and crime in late Elizabethan Hertfordshire’, Journal of social history 8 (1975) 38–60.

|pag. 56|
 
– Gallee, B. (2014). Schelmen, dievegges en moordenaars in Overijssel: Criminaliteit, strafrechtspleging, rechtspraak en bestraffing in Kampen en Zwolle, 1650-1800 (Bachelorscriptie). Sociale Geschiedenis, Universiteit Leiden, Leiden.

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.