Hoofdstuk 1


|pag. 1|

1 INLEIDING

1.1 de patriottenbeweging

In 1747 kwam er een einde aan het Tweede Stadhouderloze tijdperk.
Burgers die ontevreden waren over de zelfzuchtige praktijken van de regentenheerschappij en over de slechte krijgsresultaten tegen Frankrijk, begonnen een revolutionaire beweging die Willem IV op het kussen bracht. De nieuwe stadhouder kreeg meer macht dan één van zijn voorgangers ooit bezeten had. Zijn ambt werd erfelijk verklaard voor de gehele Republiek en in Utrecht, Gelderland en Overijssel werden de regeringsregelementen van Willem III hersteld. De burgers meenden in de nieuwe stadhouder een bondgenoot tegen de regentenoligarchie gevonden te hebben. Maar het bleek dat de regenten beter zonder Oranje konden dan Oranje zonder de regenten; tot woede en teleurstelling van de burgerij koos de prins de zijde van de oligarchie. Willem IV overleed in 1751. Zijn zoon was toen nog minderjarig, zodat de regenten een tijd lang vrij spel hadden. In 1766 veranderde dat toen Willem V erfstadhouder werd. Deze vriendelijke, weinig krachtige figuur kreeg te maken met een groeiende oppositie van regenten die van hun patroon af wilden en van burgers die streefden naar enige zeggenschap in het bestuur. De burgerlijke vleugel van deze zich patriotten noemende beweging wordt door sommigen beschouwd als grondlegger van de moderne politieke structuur van Nederland, zoals die onder andere vorm kreeg in de grondwet van 1848.1 [1. C.H.E. de Wit, De strijd tussen democratie en aristocratie in Nederland. Heerlen 1965])
     De patriottenbeweging leent zich goed voor plaatselijke bestudering omdat door het federatieve karakter van de Republiek plaatselijke eenheden, zoals steden, grote invloed op het geheel hadden. Zo brachten Zwolle, Deventer en Kampen de helft van de stemmen in de Overijsselsche Staten uit en was de Zwolse burgemeester Rouse afgevaardigde naar de Staten-Generaal.

1.2 de sociaal-economische situatie van Zwolle

De tweede helft van de achttiende eeuw was economisch geen gunstige periode in de Nederlanden. Een begin van kentering dateert eigenlijk al van een eeuw eerder. P.C. Jansen schreef daarover in deel 8 van de

|pag. 2|

Nieuwe Algemene Geschiedenis der Nederlanden: “De onnatuurlijke voorsprong op vrijwel ieder gebied is in de eeuw na 1650 voor een groot deel verloren gegaan. Wat er omstreeks 1750 van over was gebleven, was meer in overeenstemming met de geringe grootte van het grondgebied, de omvang van de bevolking en de geringe natuurlijke hulpbronnen.”2 [2. De algemene gegevens over de Nederlandse economie komen uit P.C. Jansen, Nijverheid in de Noordelijke Nederlanden. N.A.G.N. deel 8 Haarlem 1979. De gegevens van Overijssel zijn afkomstig van B.H. Slicher van Bath, Een samenleving onder spanning. Assen 1957. De specifiek Zwolse gegevens zijn ontleend aan Th. de Vries, Geschiedenis van Zwolle II. Zwolle 1961 en S. van Ittersum, De armenzorg in Zwolle in de eerste helft van de achttiende eeuw. scriptie, Meppel 1978.])
De oorzaak hiervan was dat Engeland en Frankrijk in het economische vlak de plaats gingen opeisen die overeenkwam met hun oppervlakte, bevolkingsomvang en natuurlijke hulpbronnen. Daar kon de Republiek zich niet meer mee meten. In de tweede helft van de achttiende eeuw wist de handel zich kwantitatief nog redelijk te handhaven. Door de stijgende graanprijzen bloeide de landbouw zelfs op. In de nijverheid echter begon een proces van verval dat pas werkelijk gekeerd werd door de industrialisatie aan het einde van de negentiende eeuw. De achteruitgang bracht ernstige sociale moeilijkheden met zich mee. Er trad een forse koopkrachtvermindering op doordat de prijzen wel stegen, maar de lonen niet.
     Het hier geschetste beeld is vooral tot stand gekomen op grond van gegevens uit de westelijke provincies. Slicher van Bath heeft in “Een samenleving onder spanning” laten zien dat Overijssel zich niet fundamenteel onderscheidde voor wat betreft de ontwikkelingen in de economie. Binnen Overijssel liet ook Zwolle geen afwijkend verloop zien.
In de eerste helft van de achttiende eeuw was de economische situatie vrij rooskleurig. De stad was markt- en verzorgingscentrum voor de wijde omtrek en kon zich verheugen in een toenemende industriële activiteit. Speciaal de vervaardiging van textiel werd belangrijk. In 1726 waren er 226 weversknechten. Naast de textielindustrie telde Zwolle onder andere een lijmfabriek, een zeepziederij, een azijnfabriek en drie pelsmolens. Ook als verkeersknooppunt was Zwolle van belang, zowel voor de vrachtvaart als voor het vervoer per wagen. De factoors op de Dijk verzorgden een omvangrijke doorvoerhandel van en naar Duitsland.
     Volgens Slicher van Bath is de bevolkingsontwikkeling een redelijk betrouwbare graadmeter voor de economie. Uit de Zwolse bevolkingsontwikkeling moeten dan sombere conclusies getrokken worden. Tussen 1675 en 1748 verdubbelde het inwonertal tot ongeveer twaalfduizend. Daarna stagneerde de groei, zodat er aan het einde van de eeuw nog steed ongeveer twaalfduizend Zwollenaren waren. Ook uit andere verschijnselen

|pag. 3|

valt de achteruitgang van de Zwolse economie af te leiden. Tegenover de 226 weversknechten van 1726 stonden in 1795 nog maar 105 wevers en spinners; net als in Twente was de textielindustrie in Zwolle in moeilijkheden geraakt. Vermoedelijk als gevolg van die Twentse achteruitgang nam, de havenfunctie van Zwolle in Overijssel tussen 1750 en 1800 af van 17,7% tot 11,4%. De vaart op Duitsland verminderde vanwege de afnemende vraag naar Bentheimersteen. In deze treurige omstandigheden kwam de Vierde Engelse oorlog als een extra zware slag voor de Zwolse volkshuishouding. De Britse blokkade van de kust legde vrijwel alle productie voor buiten de locale markt stil. Het was in deze jaren dat de patriottenbeweging vorm begon aan te nemen.
     Tot slot van deze sociaal-economische paragraaf nog iets over de sociale stratificatie in het Zwolle van de achttiende eeuw. De gegevens zijn afkomstig van de volkstelling van 1795 en Slicher van Bath heeft ze bewerkt. Hij hanteert een indeling van de bevolking in vier rangstanden: I, IIA, IIB en III. In rangstand I zitten bij voorbeeld hogere ambtenaren, academisch gevormden en fabrikanten. De hogere middenstand, waartoe onder andere architecten, grote boeren en onderwijzers gerekend worden, vormt rangstand IIA. De lagere middenstand, met groepen als ambachtslieden en winkeliers, is rangstand IIB. Tot rangstand III behoren de arbeiders, zowel in de nijverheid als in de agrarische sector. Voor Zwolle was de verdeling in 1795 als volgt:
(Het getal geeft het aantal beroepsbeoefenaren aan.)

I IIA IIB III
65 131 1280 920

 
Het valt meteen op dat de basis van de Zwolse piramide niet het breedste gedeelte is. Rangstand IIB wint ruimschoots, wat vooral te danken is aan het aantal gildeleden. Dat zal nog van betekenis blijken te zijn.
Overigens is deze ruime bezetting van de lagere middenstand niet specifiek Zwols; in de steden van de ancien regime was dat meer regel dan uitzondering. Eerder is het relatief nog vrij grote aantal arbeiders opvallend. In Overijssel werd dit procentueel alleen overtroffen door Twente.
     Er is helaas nog geen scriptie over de armenzorg in Zwolle in de tweede helft van de achttiende eeuw, waarin men zou kunnen vinden hoeveel Zwollenaren onder het bestaansminimum leefden. Op grond van een vrij vage extrapolatie kan er hier toch iets van gezegd worden.

|pag. 4|

Volgens Slicher van Bath mag als vuistregel gehanteerd worden dat een kwart van het aantal onvermogenden bedeeld werd. Met onvermogenden bedoelt hij degenen die geen hoofdgeldkohieren betaalden. Het lijkt verantwoord te veronderstellen dat die groep ongeveer samenvalt met rangstand III. De leden daarvan maakten in 1795 38,5% van de beroepsbevolking uit. Als een vierde daarvan bedeeld werd, is dat ongeveer 9,5%, wat zou neerkomen op een totaal aantal bedeelden van omstreeks 1150.

1.3 doelstelling

Deze scriptie is geschreven omdat er tot nu toe weinig literatuur over de Zwolse patriottenbeweging bestond. Het gedeelte dat Th. de Vries er aan wijdt in zijn Geschiedenis van Zwolle 3 [3. De Vries, Geschiedenis van Zwolle II]) kan hoogstens dienen als een eerste overzicht. Belangrijker is de aandacht die M. de Jong in zijn biografie van J.D. van der Capellen aan Zwolle besteedt.4 [4. M. de Jong, Joan Derk van der Capellen. Staatkundig levensbeeld uit de vormingstijd van de moderne democratie. Groningen/Den Haag 1922.]) In deze scriptie is daar dankbaar gebruik van gemaakt. De Jong beschrijft echter vooral die zaken waar Van der Capellen direct mee te maken had en hij houdt op bij zijn dood in 1784. De derde belangrijke auteur die aandacht aan de Zwolse patriotten besteedde is W.P. Te Brake. Hij promoveerde in 1977 in Plichigan (V.S.) op een proefschrift over de patriotse crisis in Overijssel.5 [5. W.P. Te Brake, Revolutionary conflict in the Dutch Republic. The patriot crisis in Overijssel. Michigan 1977.]) Ongeveer de helft van het boek is aan Deventer besteed en slechts een klein, zij het interessant gedeelte aan Zwolle.
     Doel van deze scriptie is het beschrijven van de patriottenbeweging in Zwolle en het beantwoorden van de volgende vragen.
(a) Hoe waren plaats en ontwikkeling van magistraat, meente, gilden, Burgercommissie en Genootschap van Wapenhandel in de patriottenbeweging?
(b) In hoeverre gaan de opvattingen van C.H.E. de Wit, zoals die neergelegd zijn in zijn publicaties 6 [6. zie literatuurlijst]), op voor Zwolle?
(c) Komen de beweringen van W.P. Te Brake ten aanzien van Zwolle in “Revolutionary conflict in the Dutch Republic”7 [7. W.P. Te Brake, Revolutionary conflict in the Dutch Republic. The patriot crisis in Overijssel. Michigan 1977.]) overeen met de resultaten van het onderhavige onderzoek?

|pag. 5|

Noten hoofdstuk 1

Noten op pag. 5 zijn in de tekst opgenomen als zijnoten.

– Lettinga, P.J. (1981). De Zwolse Patriottenbeweging. (Scriptie M.O.). Geschiedenis, Noordelijke Leergangen, Zwolle.

Category(s): Zwolle
Tags: , ,

Comments are closed.