Het Pesthuis te Kampen, Thans STADS-ZIEKENHUIS.

Het Pesthuis te Kampen,

Thans

STADS-ZIEKENHUIS.

_________

 

Wanneer wij de maatschappelijke toestanden om ons heen in oogenschouw nemen, dan rust onze blik, even als op zoo vele lichtpunten te midden van velerlei ongeluk en jammeren, op de talrijke inrigtingen van liefdadig­heid, die ten doel hebben de leniging of afwering van velerhande ellende, die enkele leden en zelfs geheele kringen der menschelijke maatschappij treffen of bedreigen. Ik be­doel daarmede meer in het bijzonder die inrigtingen, welke strekken om voortdurend, nu en in de toekomst, de armoede te lenigen, om zieken te verplegen, om ouden van dagen te ondersteunen en om behoeftige weezen op te voeden.
Indien we nu die inrigtingen wilden aanmerken als bij­zonder eigen aan onze eeuw, als het gewrocht van de allerlaatste tijden, dan zouden we een groot onregt plegen tegen onze voorouders.
Aan die volken der eigenlijke oudheid, waaraan Europa bij uitnemendheid hare beschaving heeft te danken, schijnen zoodanige inrigtingen onbekend te zijn gebleven. Wel komen

[pag. 26]

enkele, op zich zelf staande daden van liefdadigheid voor, vele zelfs in getal en getuigende van groote en edelaardige zelfverloochening en opoffering, Maar 1°. zijn het op zich zelf staande handelingen; en niet inrigtingen om de voort­durende en blijvende herhaling van dusdanige handelingen te verzekeren, waarin toch het eigenaardig kenmerk van dergelijke liefdadige instellingen is gelegen; en 2°. zal men bij nader inzien bevinden, dat ze dan nog steunen op en voortvloeijen uit zorg voor handels- of staats-belangen. Men denke slechts aan de oude instelling van caravanserai’s in het Oosten, aan de land- en graan-uitdeelingen bij de Romeinen.
Eerst toen de Christelijke godsdienst het haar eigen be­ginsel van algemeene liefde verkondigde; eerst toen dit beginsel, tot daartoe nimmer als het levensbeginsel van zedeleer in toepassing gebragt, in werkelijkheid als zoodanig werd erkend en op het tooneel der wereldgeschiedenis te voor­schijn trad, eerst van toen af outstonden de eigenlijke in­stellingen van liefdadigen aard. Aan haar werd welras een blijvend karakter verzekerd, toen de kerk, die ze al vroeg onder hare hoede nam en als een deel van zich zelve deed voorkomen, ook aan haar de voor zich zelve reeds verkregene regtspersoonlijkheid wist te doen toekennen. ([1])
Het was dan ook in de tijden van den hoogsten bloei van kerkelijke magt en aanzien, gedurende en kort na de middeneeuwen, dat eene tallooze menigte van dergelijke instellingen alom in Europa opvolgelijk verrees, gesticht door de opofferende liefde en welwillendheid van bijzondere

[pag. 27]

personen, daartoe opgewekt door de vermaningen en beloften der kerk en gesteund door hare bescherming en haar toezigt. Toen vervolgens het aanzien en de magt der kerk af­namen en de Staat daarentegen in magt en werkkring toenam, scheen ook op dezen allengs meer in het bijzonder de zorg te rusten voor die liefdadige oogmerken, waarin bijzondere personen tot daartoe hadden getracht te voorzien. Het oprigten van dergelijke inrigtingen door enkele bij­zondere personen had niet meer zoo menigvuldig plaats, al werden ook bestaande inrigtingen nog voortdurend ruim bedacht. Een kenmerkend verschijnsel is ook dat de in­stellingen van lateren tijd niet zoo zeer gelijk de vroegeren aan oogenblikkelijke besluiten van individuën, als aan vereeniging van veler krachten zijn te danken, en dat, terwijl bij de ouderen dikwerf alleen schijnt gehoor gegeven te zijn aan de ingevingen van het gevoel, de lateren meer de vrucht zijn geweest eener rijpe overweging van bestaande behoeften en van de beste middelen om daarin te voorzien. Algemeen wordt ons vaderland de lof toegekend van in zeer hooge mate steeds door eenen ijverigen geest van lief­dadigheid te hebben uitgemunt en tal van daartoe strekkende instellingen in het leven te hebben geroepen.
Indien die lof aan Nederland in het algemeen toekomt, dan mag ook Overijssel gerust op haar deel daarin aanspraak maken. Ten bewijze daarvan moge de korte opgave strekken van liefdadige instellingen vroeger en, voor verreweg het meerendeel, nog te Kampen aanwezig; eene opgave, die nog met meer konde worden aangevuld en waarbij niet zijn opgenomen de instellingen gedurende deze eeuw opgerigt. Vooreerst bestonden er te Kampen 3 gasthuizen: van den H. Geest, van St. Geertruid en van St. Catharine. Oorspronkelijk waren alle bestemd tot opneming en ver­pleging van behoeftige en vooral kranke vreemdelingen, dat

[pag. 28]

van St. Catharme, in 1403 gesticht, meer bepaald voor opneming van melaatsehen ([2]). Later tot verpleging van zieken in het algemeen en tot opneming van behoeftige oude lieden ingerigt, werden ze eindelijk tevens geschikt gemaakt door verkoop van zoogenoemde proeven tot een toevlugtsoord voor hen, die zich een’ onbezorgden en rustigen ouden dag wilden verschaffen. Thans zijn alle onder één beheer gebragt.
Drie weeshuizen voorzagen in de verpleging van behoeftige weezen. Een daarvan behoort tot de eerste helft der 16e eeuw ([3]); het tweede werd in de 17e eeuw gesticht, terwijl het derde of R. C. weeshuis eerst van het begin dezer eeuw dagteekent.
Voor de opneming van oude lieden dienden, behalve de reeds genoemde gasthuizen, een twaalftal hofjes, gewoonlijk vergaderingen genoemd.
Eene gelijke bestemming hadden ook veelal indertijd de beide Bagijnen Conventen, wier karakter toch tevens meer van kerkelijken of geestelijken aard was.
Ook voor een deel leenden zich het meerendeel van de 7 in of bij de stad gelegen kloosters tot het opnemen van oude lieden, zoo het schijnt tegen zekere vergoeding. De kloosters betoonden evenwel hunne liefdadige strekking meer in het ondersteunen en begiftigen der armen.
Voor deze behoeftigen diende inzonderheid de instelling voor Huiszittende Armen in 1506 gesticht ([4]), later be-

[pag. 29]

kend onder den naam van Armekamer, thans Burgerlijk Armbestuur.
Eene gelijke strekking, gepaard met de zorg voor de plegtige begrafenis harer leden, hadden de zoogenaamde Memorien of Broederschappen ([5]), die eene groote menigte aalmoezen een- of tweemalen ’s weeks onder de armen verdeelden.
Terwijl deze instellingen alle kunnen gezegd worden eene meer algemeene bestemming te hebben, namelijk verpleging van zieken, onderhoud van armen, enz., was, zooals boven is gezegd, het St. Catharijnen-gasthuis oorspronkelijk be­stemd geweest voor de verpleging van eene enkele soort van zieken, te weten van melaatschen, en eerst later, toen die ziekte niet meer voorkwam, werd dit gesticht en deszelfs bezittingen ten nutte van zieken en behoeftige oude lieden in het algemeen en zonder onderscheid, in vereeniging met het St. Geertruid-Gasthuis aangewend.
Evenzoo van meer bijzonderen aard bestond er nu ook te Kampen nog een gesticht oorspronkelijk voor pestlijders bestemd, het Pesthuis op den Belt, genaamd Calvarien, waarmede, toen de eigenlijke pest ophield Europa te teisteren, in het laatst der vorige eeuw eene kleine inrigting voor ziekenverpleging in het algemeen is vereenigd, waaruit het thans bestaand Stads-Ziekenhuis is voortgekomen.

[pag. 30]

In het werk van Lindeborn wordt van dit gesticht geene melding gemaakt, hoewel het in zijnen tijd reeds bestond; in de Kamper Kronijk (I. bl. 415) wordt alleen de stichting vermeld, en in den Tegenwoordigen staat van Overijssel (III. 333, 400) komen slechts weinige bijzonderheden daar­over voor. Daaruit heb ik gemeend aanleiding te mogen nemen om datgene, wat ik vroeger gelegenheid had over deze instelling bijeen te verzamelen, hier mede te deelen.
Het gebouw, waarin deze instelling is gevestigd, staat op den zoogenaamden Vloeddijk aan het zuidelijk of boven­einde der stad, daar waar de IJssel in de zoogenaamde Burgel stroomt. Die Burgel vormde zoo als bekend is de Oude Gracht der stad en het gebouw stond alzoo buiten de oude muren der stad; evenwel binnen de latere ommuring, in 1464 begonnen.
Van de vroegere gedaante of inrigting leert ons dit ge­bouw niets, ten gevolge van velerhande vertimmering. Alleen is in den gevel een steen voorhanden met een inschrift, dat ons zegt dat dit huis in 1538 is gesticht.
Een eigenlijke stichtingsbrief van dit huis is niet op te sporen. Het opschrift boven vermeld zegt, dat die stichting in 1538 plaats vond, en vrij wel strookt hiermede de schepenbrief van 20 Januarij 1538, in het gesticht voorhanden, waarbij Eilard Kromme een huis (waarschijnlijk het gebonw van het gesticht) koopt, dat voor de verpleging der pestzieken overeenkomstig de primitive fundatie door hem was bestemd. Hieruit zoude zijn op te maken, dat die eigenlijke fundatie is voorafgegaan, en dat zulks voor den Raad en met diens toestemming is geschied, kan daaruit en uit de bewoordingen (bij consent van den Rade) van een brief van 11 Augustus 1539 ([6]) worden afgeleid, bij welken

[pag. 31]

brief Cromme de bewoning van dit huis toestaat aan zekeren Gheert Jansz, ten einde de daarin op te nemen pestkranken te verplegen, alles onder zoodanige verpligtingen als in dien brief was vermeld.
De bestemming van dit gesticht was „om daer inne ,,luden, oldt ende jonck, die metter pestilencien begauet ,,wordden ende diet begheren, tontfangen ende hoer gerack ,,ende waringe te doen, soo als dat van nooden Is.’’, zoo als het laatste stuk zulks uitdrukt.
Naast de menigvuldige hevige en besmettelijke ziekten, die, zooals uit de geschiedenis bekend is, van tijd tot tijd Europa voor het geheel of voor
een groot gedeelte en ook andere werelddeelen teisterden, had zich. sinds de laatste helft der 14e eeuw in Europa eene pestziekte herhaalde malen vertoond, die door hevigheid, kortstondig verloop, verschrikkelijke verschijnselen en meestal doodelijken afloop boven alle anderen eene rampvolle verschrikking werd geacht. De ziekte, later meer in haren aard bekend geworden ([7]) en gewoonlijk de Levantsche pest (pestis inguinaria) ge-

[pag. 32]

noemd, ontstaat veelal in Beneden-Egypte en verspreidt zich van daar snel over Syrië en Klein Azië, waaruit ze door het levendig handelsverkeer met de Italiaansche steden, maar vooral door de veelvuldige aanraking ten tijde der kruistogten naar Europa herhaalde malen schijnt overgebragt te zijn.
Wat er ook van de bewering der latere tijden moge wezen, dat het meer dan twijfelachtig zoude zijn, dat deze ziekte door besmetting zoude worden overgebragt, in het Oosten wordt nog heden, en ook in de middeneeuwen werd vroeger daaraan een’ hoogst besmettelijken aard toegeschreven. De vrees voor die besmetting, gevoegd bij de verschrikkelijke ziekte-verschijnselen, heeft niet weinig er toe bijgedragen dat tot wering en leniging vroegtijdig reeds bijzondere inrigtingen, zoo als waarvan hier sprake is, in het leven zijn geroepen. ([8])

[pag. 33]

Ook Kampen bleef van deze ziekte niet verschoond. Onder de vele tijdstippen, waarop ze daar heerschte, worden ge­noemd de jaren 1458, 1459 ([9]), 1468, 1483, 1484 en 1492. ([10])
Ook in 1530 schijnt ze daar gewoed te hebben ([11]), en

[pag. 34]

ook later tot in de tweede helft der volgende eeuw ge­schiedt er telkens, vooral in testamenten, melding van.
Het is echter niet altijd uittemaken of zulks de eigenlijke pest zij geweest, dan wel eenige andere hevige epidemische ziekte aan haar verwant.
Zooals we boven gezegd hebben, schijnt Eilard Cromme in 1538 aan zijn voornemen tot stichting van een pesthuis gevolg te hebben gegeven door aankoop van een daartoe bestemd huis. Na zulks zoover noodig herbouwd en ingerigt te hebben, gaf hij het ter bewoning bij brief van 11 Aug. 1539 aan zekeren Gheert Jansz, onder verpligting van zulks uitsluitend tot herberging en verpleging van pestzieken te zullen gebruiken.
Nadere bepalingen omtrent de wijze van beheer, de ver­pleging en zorg voor de daarin op te nemen zieken zijn vervat in een stuk van 3 Febr. 1550, waarbij de zuster en nicht van Eilard Cromme opgeven, dat dit door hem als uiterste wil voor zijn’ dood was vastgesteld. ([12])
Het beheer over deze inrigting was, blijkens sommige uitdrukkingen van dit stuk, opgedragen aan de naaste bloed­verwanten van den stichter, evenwel onder zeker toezigt der Cellebroeders in Kampen gevestigd. Later echter, 30 April 1597, werd zulks opgedragen aan de Gecommit-

[pag. 35]

teerden voor de geestelijke goederen; eene comnnsste, die in het jaar 1592 bij de sequestratie van de bezittingen der geestelijke gestichten uit de Magistraat was ingesteld. ([13])
Wel ras schijnt echter een afzonderlijk bestuurder daar­voor te zijn aangesteld ([14]), en deze wijze van beheer is voortgezet tot op den tijd der vereeniging met het voor­malig ziekenhuis in 1796.
De zieken in dit gesticht op te nemen en te verplegen waren alleen die door de pest waren aangedaan; hetgeen uit de uitdrukkelijke bepalingen van den stichter duidelijk is op te maken en wat ook later steeds schijnt opgevolgd te zijn. ([15])
De zorg voor de zieken was opgedragen aan den zoogenaamden Beltvader, die met zijne vrouw in het gesticht woonde en waaraan gewoonlijk eene vrouwelijke dienstbode tot hulp was toegevoegd ([16]). Aan hem was toegelegd een jaarlijksch inkomen van 25 glds. met gebruik van huis en hof ([17]), hetgeen later 42 gld. bedroeg en nog later tot 60 gld. werd verhoogd ([18]).

[pag. 36]

De geneeskundige behandeling der zieken was opgedragen aan den stads-chirurgijn en pestmeester tegen eene jaarlijksche bezoldiging van 100 gld. uit de opkomsten van het ge­sticht ([19]), hetgeen in 1665 met 25 gulds. voor medicijnen en linnen werd verhoogd. ([20])
De zieken werden aldaar ingenomen op verzoek van vrienden of bloedverwanten, of van de Bedienaren der armen ([21]). In het eerste geval werd daarvoor wekelijks 48 stuivers betaald, en evenzoo in het laatste geval, welke som echter, voor zoover de Armekamer betrof bij laatstge­noemd besluit tot 24 stuivers ’s weeks werd verminderd. ([22])
De erfgenamen der in het Pesthuis verpleegde en over­leden kranken waren verpligt aan dit gesticht uit te keeren 2 goudguldens, of wel de kleederen van den overledene, indien zijne erfenis tot gezegde uitkeering bleek onvoldoende te zijn ([23]).
Zooveel is bekend omtrent den oorsprong, het doel en de inrigting van het Pesthuis tot op deszelfs vereeniging met het voormalig ziekenhuis.
De oorsprong van dit ziekenhuis is geheel onbekend. Het eerst vindt men daarvan gewag gemaakt in 1592 als eene reeds bestaande inrigting, waarvan het beheer aan een lid van den Raad en een van de Gezworen Gemeente

[pag. 37]

werd opgedragen onder toezigt van de Gecommitteerden voor de geestelijke goederen. ([24])
Wanneer men nu bedenkt dat dit voormalig ziekenhuis stond op een gedeelte der plaats, waar vroeger het Minderbroederklooster stond (waar later de zoogenaamde kleine concertzaal is gebouwd), en dat het zoo even genoemde besluit slechts weinige dagen na de sequestratie der geeste­lijke goederen is genomen, en eindelijk dat, toen later dit gesticht ondersteuning behoefde, aan hetzelve de opkomsten der kerk van dat zelfde klooster zijn geschonken, dan komt het hoogst waarschijnlijk voor, dat hetzelve oorspronkelijk behoorde tot en een deel uitmaakte van het vroegere Minderbroederklooster ([25]), en dat, bij de opheffing van dat klooster, die inrigting om haar nuttig en heilzaam doel is blijven bestaan en in stand gehouden.
Het beheer van dit ziekenhuis was, indien men, het zoo even aangevoerde mag aannemen, in den aanvang uit den aard der zaak bij de geestelijkheid van het klooster zelve. Vervolgens worden bij bovengenoemd besluit van 1592 twee personen tot dat beheer gecommitteerd, hetgeen echter al spoedig, immers reeds in 1640 ([26]), aan één enkelen was opgedragen, welke inrigting op dien voet schijnt gebleven te zijn tot aan de vereeniging met het Pesthuis toe ([27]).

[pag. 38]

De verpleging der zieken schijnt in den regel aan eene Moeder te zijn opgedragen; althans deze wordt genoemd in een besluit van 23 Mei 1618 ([28]) en in de zoo even ge­noemde Orde van ’t Sieckenhuijs, en slechts eenmaal in 1649 komt een Binnenvader van dit gesticht voor ([29]).
Deze schijnen geene andere belooning van het gesticht bekomen te hebben voor de waarneming dier betrekking dan vrije woning en eenige turf. Ze konden daarenboven van dengene, op wier last of verzoek de zieken waren op­genomen, voor voedsel, oppassing enz. vorderen eerst 7 st. daags ([30]). Later werd zulks volgens vorengenoemde Ordre van ’t Sieckenhuijs op 2 glds, ’s weeks bepaald.
De zieken worden blijkens diezelfde Ordre in het gesticht opgenomen op last van den Magistraat, op die van de Armekamer of op verzoek der bloedverwanten en vrienden, burgers en ingezetenen, terwijl in het laatste geval boven­dien de toestemming van de Magistaaat werd vereischt.
De kosten van begrafenis der in het gesticht overledene zieken werden gedragen door de stad of door de Armekamer, indien zij op last van de Magistraat of van de Arme­kamer waren opgenomen, die daarentegen tot hunne nalatenschap waren geregtigd.
Terwijl het Pesthuis en het Catharijnen-Gasthuis waren bestemd voor lijders aan bijzondere ziekten, en wel het eerste voor pestlijders en het tweede voor melaatschen, werden in dit ziekenhuis opgenomen alle zieken en gewonden, wier verpleging aldaar door de nabestaanden of de Arm­verzorgers werd verlangd en door de Magistraat werd toe­gestaan. Bij de gewone strekking van alle inrigtingen van

[pag. 39]

vroegere tijden, was zulks echter alleen op burgers en in­gezetenen der stad toepasselijk, en werd zulks slechts bij wijze van hoogst zeldzame uitzondering aan vreemden toe­gestaan, voor wier verplegingskosten alsdan vooraf zekerheid schijnt gevorderd te wezen. ([31])
Toen nu, door het meer en meer verdwijnen der pest, de op te nemen zieken in het Pesthuis steeds zeldzamer werden en eindelijk geheel ophielden, waardoor het nut en de werking dier instelling alhier verdween en haar vermogen daarentegen steeds aangroeide, en toen daarentegen het ziekenhuis, bijna van alle eigene bezittingen ontbloot, bij het toenemend getal van burgers en ingezetenen zich niet staande konde houden, werd in den jare 1793 de Magistraat bedacht om door vereeniging van het laatste gesticht met het Pesthuis en door ineensmelting van derzelver goederen eene betere en onbekrompenere inrigting voor zieken in het gebouw van het Pesthuis daar te stellen.
Het daartoe door haar aan de Gezworen Gemeente gedaan voorstel ([32]) werd den 21 Februarij 1793 door deze aange­nomen en goedgekeurd. Nadat het Pesthuis op ruimer schaal was herbouwd, had in 1796 de overbrenging van het ziekenhuis in dat gebouw plaats.
Het thans bestaande ziekenhuis op die wijze uit de beide instellingen zaamgesmolten, is vervolgens eerst door één administrateur bestuurd en sedert 1810 tot op dezen tijd onder het beheer eerst van twee en later van drie Regenten gesteld.
Van het oude gebouw, zooals het door Cromme tot Pest­huis was ingerigt, is, ten gevolge van herhaalde verande-

[pag. 40]

ringen en vertimmeringen niets meer overig. Alleen is nog aanwezig in de voorgevel een gehouwen steen, die, in overeenstemming met den naam ,,Calvarien’’, ook aan dit huis gegeven, Christus aan het kruis vertoont met de poorten en muren van Jeruzalem op den achtergrond. Daarboven staat het jaar der stichting 1538; beneden staat ,,ver­timmerd 1793’’.
Ook het inwendige van het gebouw bevat niets, dat om deszelfs oudheid merkwaardig mag heeten, met uitzondering van het portret van den stichter, dat waarschijnlijk kort na zijn’ dood is geschilderd en middelmatige kunstwaarde bezit. Cromme wordt daarop voorgesteld als een man van middelbaren leeftijd, gekleed in een rood onderkleed en zwart opperkleed en gedekt met een zwarte baret. In de regterhand houdt hij eene handschoen, in de linker een’ palmtak. Ter weerszijden staat een wapenschild, waarvan dat ter regterzijde van den toeschouwer (een zoogenaamd huismerk van zwart op gouden veld) ook op het zegel van Cromme onder een schepenbrief van 1537 wordt aan­getroffen.
Onder het beeld staat de vermelding, wanneer Cromme is gekozen in de Gezworen Gemeente (1519) en in den Raad (1524). Daarbij wordt als zijn sterfdag opgegeven 4 October 1545.
Hiermede stemt overeen de lijst der vroeger Groote, later Gezworen Gemeente, waarop Cromme in 1519 en 1520 voor­komt als lid der Groote Gemeente en in 1522 en 1523 als lid der Gezworen Gemeente. Evenzoo wijst de lijst van Schepenen en Raden aan dat Cromme was Raad in 1524, 1527, 1530, 1533, 1536, 1539, 1542 en 1545 en alstoen op 4 October stierf, en dat hij Schepen was in 1525, 1526, 1528, 1529, 1531, 1532, 1534, 1535, 1537, 1538, 1540, 1541, 1543 en 1544.

[pag. 41]

Opmerkelijker is het opschrift boven het portret, luidende:
,,A° 1520 den 28 dach Augusti in Jherusalem. A° 1545 ,,op Sint Franciscus dach starff Elard Cromme pilgherum ,,van Jherusalem.’’
Opmerkelijk is het voor ons ten deze, omdat het welligt de aanleiding te kennen geeft voor het besluit van Cromme om het Pesthuis te stichten.
Woedde toch de pest van tijd tot tijd in de meer noorde­lijke streken van Europa, ze was veel menigvuldiger en heviger in de zuidelijke gedeelten van Europa, en in Pa­lestina en Syrië.
Het is niet onwaarschijnlijk dat Cromme zelf ooggetuige is geweest van de verwoestingen daar door haar aangerigt, en althans, dat hij op het eigenlijke tooneel harer ver­woestingen en in de nabijheid van haar vaderland over hare verschrikkingen veel heeft gehoord, dat tot zijn later uit­gevoerd besluit den eersten stoot kan hebben gegeven.
Geeft de stichting, waarover wij thans handelen, een sprekend bewijs voor de gemoedelijkheid van Cromme, de hier medegedeelde bijzonderheid leert ons hem kennen als behoorende tot die personen, die naar het licht van hunnen tijd de wenschen en voorschriften hunner godsdienstige over­tuiging volgen en volbrengen, ook al zijn daarmede groote bezwaren en opofferingen verbonden.
Het is overbekend dat gedurende de geheele midden­eeuwen bedevaartstogten naar geheiligde plaatsen in menigte werden ondernomen, hetzij als uiting van godsdienstige stemming (devotie), hetzij als volbrenging eener gelofte, hetzij eindelijk als teeken van berouw en boete voor be­dreven overtredingen. ([33])

[pag. 42]

Naar een tal van zoodanige geheiligde plaatsen waren die bedevaarten gerigt. De voornaamste dezer togten waren evenwel die naar Jerusalem en de gewijde plaatsen van Palestina, die naar Rome (ad limina Sctorum Apostolorum) en eindelijk die naar San Jago de Compostella in Gallicië.
Dat nu door de ingezetenen van Kampen ruim daaraan werd deelgenomen, en dat Cromme dus door zijne pelgrimstogt geheel handelde in den geest zijner eeuw en zijner omgeving, wil ik met enkele voorbeelden aantoonen.
In de boeken van recognitiën vindt men op 30 Maart 1487:
,,Johan then Hoeue tijmmerman bekent schuldich Jacob ,,Busch V com. R. gld. en 1 oirt te betalen als Jacob ,,Busch weder van den hilligen graue komet.’’
Een voorbeeld alzoo van eene bedevaart naar Jerusalem. In de boeken van transport leest men onder 10 Mei 1469 :
,,Johan Lust was toe Roemen gereiset onder des verloes ,,hie zijn zegel wt een Muren-gat In sijnen huse ende was ,,van dusdanige fatsoene ende swoir voir ons mit opgerechten ,,vingeren gestaafde eedes ouer den hilligen dat hie voir ,,dessen dage Niemant eenige breue van schulde dair mede ,,besegelt en heeft anders dan enz.’’
Een voorbeeld alsoo van een’ pelgrimstogt naar Rome. In de boeken van recognitiën op 7 Maart 1475, leest men:
,,Gerbrant Willemss bekande schuldich Henrich Kuenretorff C pont groet Ist saeke dat hie niet weder en compt ,,van die Reijse die hie nu denckt toe doene tot Sante

[pag. 43]

,,Jacob tot Galisien. Ende ist sake dat Gerbrant voirss ,,mit lieue weder compt soe is desse bekantnisse van geenre ,,weerden.’’
Alzoo eene togt naar San Jago de Compostella.
Bij het eerste en misschien bij het laatste voorbeeld kan de vraag rijzen of hier sprake is van eene bedevaart door een’ plaatsvervanger, dan wel of hier sprake is van eene overeenkomst van levensverzekering bij gelegenheid dier bedevaart. Van dergelijke verzekering, vooral bij zeereizen, komen enkele voorbeelden reeds vroeg voor. ([34])
Het beste evenwel is ons bekend de bedevaart naar het Heilige Land door Geert Kuijnretorff, Priester, met twee Friezen ondernomen. Die togt begon 17 April 1520, en Kuijnretorff keerde 5 Januarij 1521 te Kampen terug. Deze reis nu is zeer uitvoerig beschreven in het navolgend boekje, getiteld:
,,Jerusalemsche Reijs, soe in verganghen Jaren geschiedt is, Dorch den Eerbaren Heeren, H. Geert Kuijnretorff, Priester ende Vicarius binnen Campen, met sampt Heren Peter van Aenholt, Prior in Wolzende ende Edo Romkes, Burghermeijster in Sneeck. Ende met des voorgenoemden Heeren Geerts eijgen Hant seer vlijtich beschreuen. Waerin verhaelt worden veele vreemde, ende wonderlicke Dinghen, Die seer lustich ende genoechlijk zijn om te leesen.
Geprent toe Campen in de broederstrate bij mij Peter Warnersen in den witten Valck.’’
Volgens Moulin, Kamper Kron. I, bl. 266 is dit boekje

[pag. 44]

gedrukt in 1522. Dit schijnt minder juist daar, volgens opmerking van den Heer Campbell, Peter Warners eerst sedert 1550 als drukker voorkomt.
Het is hier de plaats niet om den inhoud van dit boekje omstandig te verhalen. Ik wil alleen mededeelen dat daarin zeer kort wordt vermeld de reis naar Venetië. Het ver­blijf aldaar, dat, ten gevolge van ongunstige berigten om­trent de onveiligheid der te ondernemen zeereis, langer dan verwacht was duurde, wordt meer omstandig verhaald. Met groote uitvoerigheid vindt men nu de voorbereidselen voor die reis beschreven met opgave van alles, wat nuttig of noodig werd gerekend daarvoor mede te nemen, en met vermelding van alle voorwaarden der overeenkomst met den scheepsgezagvoerder aangegaan. Vele vooral kerkelijke bij­zonderheden omtrent Venetië worden dan vermeld.
De hoofdzaak blijft evenwel altijd het bezoek van Jerusalem en van de overige kerkelijk merkwaardige plaatsen van het Heilige Land. De aldaar bewaarde gewijde overblijfselen worden beschreven, de ter hunner eere verrigte godsdienst­oefeningen en daaraan verbondene kerkelijke voorregten worden vermeld.
Andere bijzonderheden zijn schaarsch en ook de be­schrijving der terugreis is weinig uitvoeriger dan die der heenreis.
Welligt zal men uit deze weinige aangevoerde voorbeelden niet durven besluiten tot een betrekkelijk groot aantal van dergelijke bedevaartgangers. Men houde evenwel in het oog:

1°. Hoe hoogst zeldzaam in de tijden, waarvan we spreken, zaken in schrift werden gebragt. In plaats van zich dus te verwonderen dat er slechts één reisverhaal be­staat van dergelijke pelgrimstogt door een Kamper inge­zeten ondernomen, moet men zich veeleer verwonderen dat daarvan zoodanig verhaal, en dat wel zoo naauwkeurig en

[pag. 45]

uitvoerig is te boek gesteld. Voor de meeste andere plaatsen zijn dergelijke zaken geheel onbekend.

2°. Bij ontstentenis van meerdere zoodanige private op­stellen of aanteekeningen, heb ik deze voorbeelden alleen kunnen putten uit de openbare akten en protocollen. Daarin nu konden die togten alleen vermeld worden, voor zoover ze aanleiding gaven tot burgerregtelijke handelingen, en der­gelijke gevallen moesten wel hoogst zeldzaam wezen. ([35])
Er is echter nog een meer bepaald bewijs voor de menig­vuldigheid dier Jerusalemsche bedevaarten. Uit de stedelijke rekeningen toch, voor
zoover die sedert het begin der 16e eeuw zijn bewaard gebleven, kan nu eens meer dan eens minder bepaald worden opgemaakt hoevele pelgrims van Jerusalem in verschillende jaren te Kampen aanwezig waren.
De Raad namelijk was gewoon om op Palmzondag de pelgrims van Jerusalem, die een werkdadig deel aan de processie ([36]) van dien dag hadden genomen, ter maaltijd

[pag. 46]

te noodigen ([37]). Van jaar tot jaar vindt men de daarvoor betaalde kosten in de rekeningen van 1526 – 68 vermeld, die van 1½ hn pont tot 17 pont in de verschillende jaren be­droegen. In 1542 was die som 4 pont 12 st. en wordt tevens vermeld dat hun aantal 18 bedroeg. Al wil men nu niet ten allerstrengste altijd dezelfde verhouding tusschen het getal pelgrims en de betaalde kosten aannemen, dan zal toch zeker hun aantal in die jaren, waarin de kosten van den maaltijd meer of minder dan de voor 1542 opgegeven

[pag. 47]

kosten bedroegen, ook zeker ongeveer in verhouding tot het voor dat jaar aangegeven getal pelgrims meer of minder groot mogen worden aangenomen.
Op dien Palmzondag in de optogt, welke de processie van dien dag vergezelde en waarbij door het volk de intogt des Heeren in Jerusalem zigtbaar werd voorgesteld, waren de pelgrims gewoon den houten ezel ([38]) voort te trekken, waarop het beeld van den Zaligmaker was geplaatst.
Van die optogten is ons weinig bekend; alleen de reke­ningen geven ook hier eenig licht. Wij zien daaruit dat tot dien optogt behoorden de XII Apostelen en een tal van Phariseën en Schriftgeleerden ([39]), die zoo het schijnt door handwerkslieden, veelal schilders, werden voorgesteld.
Het blijkt verder dat deze. Phariseën en Schriftgeleerden zekere toespraken hielden, want in 1571 wordt betaald 8 st. b. aan Lucas Glasemaker voor het eigenhandig ver­vaardigen van copie ,,vther Scriven ende Phariseën sprake ,,off Boeck, so het principaell van den Pastoer onderteikent ,,bij der stadt blijven solde’’.
Niet alleen de pelgrims uit Kampen namen aan dien optogt deel. Ook van elders verschenen er. Zoo komt er een in 1545 voor. Evenzoo in 1547 Johan van Jerusalem en zijn zoon, waarschijnlijk uit Zwolle. In 1551 en 1557 worden de pelgrims uit Zwolle uitgenoodigd. In 1557 verschijnen de pastoors van Vaassen en van Vollenhove als

[pag. 48]

pelgrims; de eerstgenoemde komt ook in vroegere jaren voor. In 1566 wordt ook eene vrouwelijke pelgrim genoemd, namelijk Griete van Jerusalem, die wel niet ter maaltijd verschijnt, maar aan wie een deel daarvan wordt toegezonden.
Als een bewijs van het aanzien der pelgrims meen ik behalve den aan hen gegeven maaltijd ook te mogen aanvoeren den naam van Jerusalem door een bekend geslacht te Zwolle gedragen en bovendien het voorkomen van palm­takken als deel van geslachtswapens of als helmteekenen gevoerd; bijv. bij de geslachten van Ense, Schepeler, Hoff.

29 Oct. 1872.                                                                                                                                J.C. Bijsterbos

[pag. 49]

 

B IJ L A G E N.

________

 

Van ’t nije Pestilentie huijs opten Beldt.

(Dig. Nov. 1450 – 1567. Fol. 135.) Alsoe de burgermeijster Elert Cromme bij consent van den rade het nije huijs op ten beldt, alleene doen tijmmeren ende becostiget heefft, om daer Inne luden, oldt ende jonck, die metter pestilentien begauet wordden, ende diet begheren, ’t ontfangen ende hoer gerack ende waringe te doen, soe als dat van noeden Is, Soe heefft de burgermeijster Elert vorsc nv Int jair XVcXXXIX op ten XI dach augusti t vorsc nije huijs op ten belt met sijnen toebehoren, verleent te bewoenen Gheert Janss ende Femme sijn huijsffrouwe, In vorwarden nabescreuen. Ten ijrste, dat sij altijt in den huijse vorscr drie personen sterck, als selfs dordt woenen ende sijn sullen, om den siecken the dienen ende hoer geraek te doen. Item dat se anders gheene siecken, offt krancken sullen ontfanghen, dan alleen die metter pestilencien begauet sijndt, Ende als sij bevijnden offt vernemen, dat se gheene pestilentie en hebben, sullen sij de krancken aldaer in den huijse nijet laten benachten. Item sij sullen de krancken van der pestilentien bij nacht ende bij daghe goet gerack doen, wachten ende waren hent dat se gestoruen offt dat se weder opgecomen sijn sullen. Item sij en sullen nijemants anders harbergen offt slapinge ghunnen noch verhueren bouen noch beneden. Ende en sullen nijemants

[pag. 50]

sitten te drincken offt gelage te holden Ende wes int vorsc huijs getijmmert offt gegeuen wordt, dat sall tot des huijses beste dair Inne blijuen.
Ende Gheert Janss ende Femme sijn huijsffrouwe vorsc hebben gelouet ’t vorsc huijs ende den krancken die dair Inne comen trouwelicken te wachten ende te waren ende alle vorsc vorwarden vastelicke tonderholden, Ende hebben verwillekuert Indien sij tot eniger tijd teghens de vorsc ordinantie ende articulen offt anders als behoerden dat als­dan Elert Kromme vors offte den hij dat beueelt, hem beiden met hoer huijsgesijn van stonden an tusschentijden wten vors. huijse sall setten moghen all sonder argelist.
Ende gheert ende sijn huijsffrouwe vors. sullen van elcken krancken onder dagh ende nacht hebben ende nemen als de olde vorwarden in der stadt boeck vermelden.

__________

 

Die Eerbare Weijme van der Straaten salige Jacob van der Straate nagelate weduwe ende den Eersame Eijlardus Krommen saliger gedachten Suster, ende Jnffrouw Geertruij van der Straate oer Dogter, als Testamentaersche en naaste Erfgename van Eijlart Kromme voersc met Hermen Wijcherts en Johan Wijchers gebroeders, in deser sake oeren gekoere Mombers, bekennen dat salige Eijlardus Kromme, oer broeder en oom, te voere eer hij starff in ’t jaer onses Heere XVcXLV op Sancte Franciscus dag, als een Fundator van den nijen belt genaemt Calvarien tot een Pestilencie Huijs in Campen, en het selve Huijs met provisie van noetdruff besorget hadde, Hem beijde sijn Suster en Nigte voorschr, na sijne uijterste wille onwederroepelijk be-

[pag. 51]

vole en gebeen heeft, dieselve fundatie te bewilligen, te sterken, te begifftigen, en te confirmeren in forme en maniere hierna volgende. In den eerste bekennende datt sij beijde in derselver qualiteijt als boven voor oer ende oere erffgenamen, gerigtelijke opdragt gedaan hebbe, tot behoef des voerschr Huijses van twijntigsten halve golden gulden s jaars erffelijke Rente, gaande jaarlijks uijt seker onderpanden gelegen in de kerspel ende gerigte van Blan­kenham, alles na vermogen des Rigtersbrief en transport daarvan wezende. Item offt in dese Huijse voorsc eenig gebrek viele hier namaals in eenige dingen, als van bedden, lakenen, deekenen, cussenen en ander reedschap, dat daartoe behoort, sal men metter tijd reparere en in wesen holden, hoewel nog in lange jaaren sulks niet nodig zal zijn, want het door salige Eijlard Kromme heure broeder en oom voorsc redelijker mate wel besorget en voorsien is. Men zal ook tselve Huijs holden in rake en dake, alsoo dat het in eere blijve en niet bouwvallig en vergae.
Ten tweede soo dit voorschr. huijs nu met dezen gelde en jaarlijkse Rente voorschr. erfflijk verbeetert is, soo sal men deze jaarlijkse erfrenten, wanneer geen swaare pestilencie regueert, en geen luijden mette selve begaafft daarin ontholden worden, opleggen ende bewaaren tot behoeff der armer en Elendiger menschen die aan die pestilencie kranck, en in sulke tijden daarin gebragt worden, om die daarmede te helpen en te vertroesten in ’t geene dat sij in sulker krankheijd van noden hebben in dranken, suijker of medicijn, en tot niemands anders behoeff, te weten die selve niet en hebben nog van hunne olders nog vrinden nog van verdienste. Ende deze uijterste wille sal onveranderlijk sonder eenige inbreeke ofte infractie duiren en onderholden worden.
Ten derde wanneer in dezen Belt van Calvarien of pes-

[pag. 52]

tilenciehuijs voorschr. in tijde van pestilencie eenige kranke daarmede begaaft gebragt worden en met Godts hulpe en goede bewaring weder opkoeme Soo sal men die alsdan na oer gesontheijd daaruijt late passeeren, opdat men die bedde, lakenen en dekene en bet onversleten zal mogen conserveeren tot behoeff dergeene die daarna inkomen als thier boven verhaalt is.
Ten vierde soo sal men die kamer boven holden voor Priesters, die met pestilencie bevangen sijn soowel van buijten als van binnen der stad komende, of andere eerlijke vreemde luijden die zal men daar leggen ende logeeren ter tijd dat sij genezen zijn, ende die zal men brengen ter zijden in dat voorste voor die trappen.
Ten vijfde zal men in ’t voorschr. huijs hebben een man met sijn egte vrouwe. Die beijde nog straff sijnen of niet van getone of gerugte, wel levende met malkandere die sig in tijden van pestilencie een starke maget, en die men zal geholden sijn in der tijd derzelver siekte int voorschr. huijs te weesen, en soowel bij nagte als bij dage oft nood is om den kranken te dienen en gerack te doen. Ende mede sal die man op die kranken voorsigtigheid hebben, off die brand der pestilencie die luijden int hooft quame, dat hij bij tijds een cellebroer bij hem krijge, om hem te wagten dat zij in razernije niet van den bedde loopen, hen selve hinder doende, als twel plagt te gebeuren. Item die vrouwe en ook die maagt sullen die sieken met Liefde met goedertierenheijd dienen uijt de Liefde Gods, denkende dat God Jesus Christus gesproken heeft, wat gij de aller­minste in mijnen name doed, dat hebt gij mij gedaan.
Ten sesde na die uijterste wille die salige Eijlard Kromme sijn suster Wijme en oer Dogter Juffer Geertruijdt voorsc. seer aandagtelijk bevoolen heeft, en mede na oer beijder gelieve en consent soo sullen die Cellebroers in Campen

[pag. 53]

alst in tijden van pestilencie is, een sleutel hebben van dit voorsc. Huijs om als dan bij nagt ende tandre tijden daarin te gane, wagt en respect te holden op de kranke luijden, en denselven die kleijnmoedig sijn te vertrooste met goddelijke woorden en deugdelijk vermaaninge tot in den dood toe, mede toeversigt hebbende op den man, vrouw en Maget, die int voorsc. huijs sijn dat sij niet versuijmig nog onagtsaam erschijnen, en ofte selver daarin gebrekkelijk bevonden worden, soo sullen die Cellebroers autoriteijt hebben hem te straffen een offte tweemaal waar­schouwende, ende beteren sij hen dan niet daarinne, soo sullen die Cellebroers dat aanbrengen dengeene die in der tijt van den naasten bloede des Fundateurs salige Eijlarts Croemme en andere die des verder bevolen mag worden, die sullen se dan onderwijsen en straffen, maar betere sij hen dan niet, soo sullen sij se afsetten; stellende andere nieuwe in haar stede, die bequaam sullen sijn tot de regimente boven verhaalt.
Ten sevende soo sal de Pater met sijne Conventuale van de Cellebroers in der tijd, en hare nakomelingen dese voorschr. Twintigsten halven golden gulden jaarlijkse rente erfflijken doen maanen, invorderen, opbeuren en ontvangen alle jaaren soo wel buijten als binnen tijden van pestilencie uijt snlke onderpanden in den Blankenham, als die Rigters brief met de transfix vermelden en opdat sij dit alles van den voorsc. huijs trouwelijken sullen bewaren soo sullen de voorsc. Cellebroers van de voorsc. twintigsten halveu golden gulden erffelijke rente hebben en beholden tot haren oerbaer en profijte twee golden gulden ’s jaars erffelijk; en van dieselve twintigsten halven golden gulden jaarlijkse Erffrente sal men ook geven den luijden die dat voors. huijs bewaren in der tijd van pestilencie vijff of ses golden gulden, of nadat er sieke menigfuldig inkomen tot discretie

[pag. 54]

en na goeddunken des opzienders en bewaarers des voorsc. huijse. En de arme daarin met pestilencie begaaft te verwaaren en te bedienen om Godes wille, gelijk de Rijken om geld.
Ten agtste, dat die Pater en conventuale van de Cellebroers voorsc. rekenschap zullen doen van die twintigsten halve golden gulden jaarlijkse erfrente, daaraff hebbende ontfangen twee golt gulden erffelijk als boven van de op­gebeurde rente in tijden als geen pestilencie regueert, en sij ter goeder trouwe bewaren en versamelen zullen in eene kiste, daar drie slooten en drie sleutelen toe wezen sullen en deze rekenschap zal geschien in tegenwoordigheijd des weerdigen Heere Pastors, en sijn olste Capellaans in der tijd, en in bijwesen van Lambert Louwes en Teunis van Niezen als Executors van dezer fundatie bij Weijme en haar Dogter gekoren, ook in bijwezen van twee dergeener die van den bloede zijn daartoe gestelt. En op de dag der rekenschap, dewelke tot goeddunken, ende vermaaninge des Pastors der Executoren en vrienden voorsch., alst nodig is, geschieden zal, eene golden gulden van de voorsc, lopende rente eens te verteeren sonder meer. En van deze voorsc. kiste zal mijn Heer die Pastor eene sleutel, en die Cellebroers een, en die voorsc. Executors eene hebben en bewaaren, om samentlijk bij den versamelden penningen te mogen komen alst van noden zal zijn, sonder argelist, oorkonde der waarheijd soo hebben Weijme en Juffr Geertruij voont begeert deze fundatie in Libra recognitionum ter eeuwigen memorie geteekend te mogen worden, ’t welk de Eersame Raad hem gegont en alzoo belieft heeft. Actum int jaar onzes Heere duijsent vijf honderd vijftig den derden dag Februarij coram Hendrik Kunertorff en Johan van Menslage, Burgemeesters in der tijd.

[pag. 55]

__________

 

(Resol. A. 1587 – 1612. Fol. 75.) Ao. 1594 den 30 Aprilis hebben Burgemeijsteren, Schepenen ende Raeth der Stadt Campen geresolueert, dat de Incumpsten van den Belt, geregistreert sullen wordden bij den Ontfanck van de Ecclesiastique goederen, daervan de Gecommitteerde desseluen ontfanckx de administratie hebben, ende vermits selue incompsten den Belt also repareren, ende onderholden sullen, ende daert van nooden, den krancken toe doen assisteren.

 

__________

 

(Aldaar Fol. 153 v°.) Ao. 1607 den 21 Februarii sinnen Burgemmeijsteren, Schepenen en Raedt deser Stadt Campen, sampt derseluen geswoeren gemeenthe, op ten Raedthuijse vergaedert geweest, en hebben aldaer gestatueert. – Wijders hebben oock haer E gestatueert, dat die vrienden, en erffgenamen, van denseluen, die kranck wesende, op den Belt gebracht worden, ende aldaar komen te steruen, van des afflijvigen erffenisse tot behoeff des Belts, een golden pont grooth bouen die verteerde costen, an den voerstander van den Belt, In der tijt wesende, entrichten sullen ende daer sie sulx te doen In gebreke bleuen, offte dat de erffenisse des versturuenen, soe voele niet en vermochte, soe sullen sie ten behoeue als bouen de clederen van den afflijuigen, an den voerstander voersc. daervoer laten volgen.

__________

 

[pag. 56]

(Resol. 1633 – 39. Fol. 53.) Sabbathi den XIII Augusti 1636.
Alsoe wel een olt hercommen ende ordre is dat alle die geenen die op den Belt verpleget werden ter weeke bethalen moeten acht ende veertigh stuiuers, Ende dan noch die bedieners van den noetdruftigen armen haer beclagen – bij dese tijtz gelegentheit van dese tegenwoerdige bedroefte sieckte der peste, beswaerlicken valt soe aldaer van den Armen weghgebracht worden deselue ten vollen op den Belt tho verplegen. Soe dan nu den staet …. van den Belt sulx ……. omb den armen, die aldaer van wegen den Armen gebracht sullen werden, des weekes bethalen sullen voer huere verpleginge vijer ende twijntich St. die Reste sal de voerstander van den Belt snpplieren tot acht en veertigh stuiuer. Blijvende nijet tho min die voerige ordre van bethalen van Acht en veertich Stuiuers bij den geenen, soe bij den burgeren ofte anderen aldaer gebracht en verpleget sullen werden In weerden.

__________

 

(Resol. 1587 – 1612. Fol. 11.) Ao. 1592 den 18 Maii hebben Burgemeijsteren Scepenen ende Raedt den E. Johan Henrickss uth den E Raedt, ende Dirrick Dubbinck, uth die Gesworen Gemeente gecommitteert ter administratie ende opsicht van ’t Sijeckenhuijs ende van den vreemden krancken ende gewondeden, welcke gecommitteerde
(in-

[pag. 57]

dien hoer eenige swaricheit voer queme) sullen hoer address nemen an den Gedeputeerden van de Ecclesiastique guederen.

__________

 

(Resol. 1613 – 23. Fol. 97.) 23 Mei 1618. Die Heeren Gedeputeerden so gisteren daeges met Jannegen, huijsvrouwe van Henrick Eerlandt, bewaerderse van het sieckenhuijs alhier In communicatie geweesen gerapporteert hebbende t’ geene zij met deselue aengaende het verpleegen der krancken hadden versproocken, Is bij Schepenen ende Raedt daerop geresolueert dat de gemelte Janneken van ijder per­soen dewelcke met voorweeten ende consent van haer Ers: In het voorsc. huijs bestelt sullen worden voor kost ende dranck, vuijr, licht, bewasschinge ende andersins die siecken ende krancken behoorlijck te verpleegen ende gerack te doene hebben ende genieten sall soeuen stuijuers des daeges so lange deselve persoenen also bij haer versorgt ende verpleecht worden, ende daerenbouen Int jaer een halue last turffs, sonder dat zij dan vorders weegens eenigerhande pretensien ijets meerder sal hebben te vorderen, nochte oock van den Armen bedieners eenige turff te genieten.

__________

 

(Res. 1639 – 51. Fol. 25 vo.) Den 10 Nouembris Ao. 1640. Schepenen ende Raedt nae behoiren gelettet hebbende

[pag. 58]

opt verloop van deser Stadts Sieckenhuijs ende om daer inne te remedieeren. – Ende opdat het voirs. sieckenhuijs met linnen en de anders moege versien worden sijn voir eerst daertoe gelecht de opcompsten van de Broderkercke, ende sal vuit het eene ofte ander auerschott sijn Ed (den in het begin dezer Resolutie nieuw benoemden voor­stander) mede ter hande gestelt worden de somme van hondert daler om ten einde voirs mede geemploieert te worden.

__________

 

(Aldaar. Fol. 184.) Sabbathi: den 22 Decemb. A°. 1649. In regardt van de duire tijt sal de binnenvader vant Sieckenhuijs van ijder crancke soo int sieckenhuijs met kennisse van Schepenen ende Raedt gebraecht sal worden, in plaetse van 35 Stuijvers des weeks vuit deser Stadts Camer in tempore hebben te ontfangen veertich stuivers.

__________

 

Ordre van ’t Sieckenhuijs.

(Resol. 1652 – 1660. Fol. 104 Vo.) Vooreerst sullen geene siecken int sieckenhuijs gebraecht worden als met voirweten van den provisoer van ’t sieckenhuijs.

[pag. 59]

De siecken soe durch ordre van de Magistraet int sieckenhuijs sullen gebracht worden daervan zal de bewaerster van ’t sieckenhuijs alle weecke vuijt deser Stadt Camer van de Cameners voort verplegen van deselue soe van cost, dranck, wassen en wat daeraen dependeert, hebben te ontfangen 2 car: gl. De siecken soe durch ordre van de bedienaers van de Armencamer int sieckenhuijs gebraecht worden om aldaer oock in cost, dranck, wassen en wat daeraan dependeert verplecht te worden, daervan zal insgelijckx de bewaerster vant’ sieckenhuijs, alle weecken vuitte Armencamer hebhen te ontfangen 2 Car. gl.
De siecken soe bij de Burgeren ende Ingesetenen deser Stadt met consent als voirsc. int sieckenhuijs sullen gebracht worden, sal van onderholt ende verpleginge van deselue bij de geene soe deselue aldair gebracht hebben ter weecke aen de Bewaerster vant’ siekenhuijs oock betaelt worden 2 Car: gl:
De siecken soe de Magistraet, als de Bedienaers van den nootdruftigen Armen int’ sieckenhuijs werden doen brengen ende aldair comen te steruen wat totte begrafenisse van deselue zal gerequireert worden, sal gedragen worden off bij de Stadt off bij de bedienaers van den noodtdruftigen Armen soe deselue siecken int sieckenhuijs hebben doen brengen.
Item de siecken, soe int’ sieckenhuijs werden comen te ouerlijden, heeft de stadt deselue aldair doen brengen ende doen verplegen, wat deselue comen naetelaten sal tot profijt van de Stadt comen te veruallen.
Auerst de siecken, soe bij de bedienaers van den noodt­druftigen Armen int’ sieckenhuijs gebracht sullen sijn, ende aldaer hebben doen verplegen comende aldair te ouerlijden wat deselue werden comen naetelaeten sal tot profijt van den Armen Camer wesen.

[pag. 60]

Wat de reparatie vant’ siekenhuijs soe van buiten als van binnen is aengaende, sal bliuen tot laste van de stadt.
Belangende het wassen ende blecken vant’ linnen Item van keerssen, bezemen, feilen ende dergelicke sal bij de Prouisoeren van ’t sieckenhuijs betaelt worden.
De opcompsten van de Broder kercke sal de prouisoer van ’t sieckenhuijs tot betaelinge van t’ geene voors. is hebben te ontfangen.
Soe wanneer daer linnen werdt comen te ontbrecken soe sal een Achtb. Magistraet ordre stellen totte penningen, waermede soedanich linwaet sal moegen gecoft werden.
De Prouisoer vant’ sieckenhuijs sal gelijck de andere Prouisoeren op de Vijer hoichtijden van de stadt hebben te genieten vijer Tacken wijn.
Aldus gearresteert den 11 Decemb. AO. 1656.

__________

 

(Res. 1675 – 1686. Fol. 52.) Den 23 April 1677. Is goetgevonden dat, tot subsistentie van gequetste sol­daten van ’t regiment van de Heere Prince van Birckenfelt in deser stads sieckenhuijs wordende verpleegt door de Heeren Cameners in tempore weeckelijcx voor de tijt van twee à drie weecken aen d’ opsiender van t’ sieckenhuijs voorsc. sal worden ter hande gestelt een summa van 25 gl. welcke in gevolg van affgegeven handt van vendrick

[pag. 61]

Hacken door de respective Heeren Officieren des gemelten regiments weder aen de Cameners voors. sullen worden gerembourseert.

__________

 

(Raad en Meente 1793 – 1798. Fol. 2.)

21 Febr. 1793.

De Gezworene Gemeente laat zig de nevenstaande voordragt van de Heeren van de Magistraat welgevallen, mids dat de administratie in ge­lijkheid worde gedemandeerd aan twee Heeren uit de ma­gistraat en twee Leden uit de Gezworene Gemeente door Hun WelEdele Hoog Agtbare te benoemen.
De Heeren van de Ma­gistraat zo over alle te makene schikkingen als de wijze van administratie met nog geene genoegzame maturiteit hebbende gedelibereerd, zullen daarover ten eersten hunne gedagten nader laten gaan.

Point van deliberatie de Gezworene Gemeente voortedraagen.

De Heeren van de Ma­gistraat zedert lange bedagt geweest zijnde eene hoog nodige verbetering in de ver­pleging van deeze Stads zie­ken en administratie van het ziekenhuis te introduceeren en daarbij in overweging ge­nomen hebbende dat de favorabeler situatie van het Pesthuis en de meer gunstige omstandigheid van de Fondsen daartoe gehorende, die door de gelukkige langdurige niet aanwezenheid van derzelver eigenlijke destinatie, het verplegen naamlijk van behoeftige met pestilentiale ziekten bezogte, aanzienlijk zijn geaccresseerd-zouden wat Hun aangaat, wel inclineeren om henvorder de arme stads zieken te doen verplegen in dezer stads pesthuis en daar­toe mede te affecteeren de Fondsen en revenuen van zelve Pesthuis. Verzoekende tot dit Point mede de concurrentie van de gezworene gemeente.

 

[1] Bij Plinius, Epist. L. VII Ep. 18, vindt men een merkwaardig voor­beeld van de ingewikkelde moeijelijkheden, waarmede men bij voortdurende weldadige bedoelingen had te kampen, wijl men er geene regtspersoonlijkheid aan kon verbinden.

[2] Waarschijnlijk met het oog op die bestemming geheel buiten de muren der stad gebouwd, werd het bij het beleg in 1572 afgebrokon en met St. Geertruid vereenigd. Het verdwijnen der melaatschheid maakte die vereeniging gemakkelijk.

[3] Zie over den oorsprong en eerste inrigting hiervan Versl. en Meded. VII. bl. 45, 57 – 74.

[4] Zie Kamper Kronijk, I. bl. 313 en volg.

[5]De Schepen-memorie opgerigt in 1311, zie Ov. Alm. v. O. en L. 1839, bl. 127; 1840, bl. 35.

Die van het H. Kruis in de St. Nicolaas-kerk werd in 1416 opgerigt. Zie Kamp. Kron. I. bl. 195. Ov. Alm. v. O. en L. 1840, bl. 35.

Die van St. Cunera werd in St. Nicolaas-kerk gesticht in 1456; zie Kamp. Kron. I. bl. 257; Ov. Alm. v. O. en L. 1841, bl. 67.

Die van O. L. V. in O. L. V. kerk werd gesticht in 1459; zie Kamp. Kron. I. bl. 258; vergelijk evenwel hiermede Reg. K. Archief. I. N°. 218.

Bovendien worden nog gesticht de Sacraments-memorie en St. Jurriens-memorie, zie Kamp. Kron. I. bl. 259. De eerste in 1401 in St. Nicolaas, zie Register Kamp. Archief. I. N°. 343.

[6] Bijlage, N°. I uit het Dig. Nov. 1450 – 1567, fol. 135.

[7] Eene beschrijving en geschiedenis der Levantsche pest vindt men bij Canstatt, Bijzondere ziekte- en genezingsleer. (Utrecht. 1848.) II. bl. 460 vlg.

Als eigenaardige kenmerken, waardoor deze pest zich van andere verwante pestaardige ziekten onderscheidt, worden opgegeven klier- en kool-gezwellen, die zich in de liezen, onder de oksels en in de kniegewrichten vertoonen.

Met het oog op het al of niet voorkomen dier kenmerken wordt aldaar op­gegeven, dat deze pest in Europa zoude geheerscht hebben in 1347 (zwarte dood), 1373, 1381, 1400, 1439, 1450, 1533, 1574, 1628, 1665 (Londen), 1679, 1713, 1715 (laatste maal te Weenen, Regensburg en Neurenburg), 1720 (Marseille, Toulon), 1771 (Moscow).

De pest te Athene, waarvan de beroemde beschrijving bij Thucydides voor­komt, is bij het ontbreken dier kenmerken eene andere ziekte te achten. Daarentegen is de pest, die onder Justinianus (542) uitbrak en met afwisseling tot 594 heerschte, blijkens de daarvan gegeven beschrijvingen, stellig de Levantsche pest geweest; zie Gibbon, Decline and fall of the Roman Empire. V. bl. 301. (edit. Lond. 1821.).

[8]Die vrees voor besmetting, gevoegd bij den snellen, meestal doodelijken afloop, heeft ook de regtsbepalingen in het leven geroepen, waardoor de vormen voor het maken van testamentaire bepalingen door pestlijders zeer werden vereenvoudigd.

Nadat 5 Mei 1538 (Dig. Nov. fol. 134) Schepenen en Raad de ingezetenen eenvoudig hadden vermaand om in dien zorgvollen tijd wegens de heerschende pest tijdig testament te maken, werd op 3 Mei 1560 (Dig. Nov. fol. 198) na gelijke vermaning bepaald, dat een pestzieke zijn testament aan den geeste­lijke, die hem de sacramenten toediende, konde opgeven en door dezen doen schrijven, die dan zulks aan den buiten’s huis wachtenden geroepen Schepen overgaf. Dit testament werd dan met open deur door den secretaris voor­gelezen. De priester verklaarde bij zijne priesterlijke waardigheid, dat zulks het testament van den zieke was, en de Schepen gaf het in het geregt over om kracht te erlangen.

Eene nadere verordening van 6 Oct. 1566, (Dig. Nov. fol. 227 vo.) be­paalde , dat de priester het opgeschrevene, in bijwezen van twee mannelijke getuigen, of althans van den koster en ééne vrouw, aan den zieke zonde voorlezen en diens goedvinden daarop vragen; vervolgens binnen 24 uren dit testament in bijzijn dier zelfde getuigen aan den Schepen overhandigen onder bevestiging door den geestelijke bij zijn priesterambt en door den getuige bij gezworen eed, om in den geregte op de gewone wijze opgenomen te worden.

 

Herhaalde malen zijn voorzorgsmaatregelen tegen de pest en hare besmetting vastgesteld. De voornaamste mij bekend zijn van 1468 (sab. p. mar. magdal.) 26 Julij (Dig. Vet. fol. 79); van 3 Maart 1470 (Dig. Nov. fol. 17); van 21 Aug. 1473 (sabo. post assumpt.) (Dig. Vet. fol. 125); van 20 Sept. 1483 (Dig. Nov. fol. 34); van 15 Nov. 1506 (Dig. Nov. fol. 57); 16 Mei 1507 (Zondag na pancratii) (Dig. Nov. fol. 58); 20 Julij 1509 (woensd. die odulphi) (Dig. Nov. fol. 60); 20 Junij 1527 (sacramenti) (Dig. Nov. fol. 104); van 26 Julij 1528 (Dig. Nov. fol. 111); van 29 Jan. 1531 (Dig. Nov. fol. 120); van 27 Aug. 1536 (Dig. Nov. fol. 132); van 10 Junij 1537 (Dig. Nov. fol. 133); van 29 April 1558 (Dig. Nov. fol. 185) , met vermelding dat die op 2 April 1560 en 10 Sept. 1569 op nieuw zijn afgekondigd.

Die bepalingen bestonden bijna uitsluitend in verbod aan de zieken of derzelver oppassers om zich zonder noodzaak op straat of weg te begeven, en dan niet anders dan met een witten stok van 4 voet lang.

Het huis van een pestkranke moest geteekend zijn met een stroowisch van een voet lengte en ter dikte van een arm.

Kleederen, bedden, dekens en dergelijke van zieken, mogten niet buiten gehangen, gelucht of nedergelegd worden op straten en openbare plaatsen. Evenmin mogten ze anders dan buiten de Veenerpoort verkocht en over den IJssel gewasschen en gebleekt worden.

Voor die besmette personen werd eene afzonderlijke misse gevierd des mor­gens te 8 ure in het

Cellebroeder-klooster.

De meeste dier bepalingen werden op 10 Sept. 1564 (Dig. Nov. fol. 218) wegens het heerschen der pest te Dantzig ook op het scheepsvolk van daar toepasselijk gemaakt.

[9] In 1459 waren elf Schepenen afwezig wegens de heerschende pest. Dig. Vetus, fol. 33 v°.

[10] Kamper Kronijk. I. bl. 261.

[11]In 1566 schijnen ook vele pestgevallen te Kampen voorgekomen te zijn. Althaus men leest in de rekening van dat jaar dat »opten Belt voele ,,arme craucke personen mitten siekte der Pestilencien begauet cranck lagen’’.

Op dat zelfde jaar vind ik nog het volgende:

,,Item vuth beuel (van den Raad) betaalt Femme Ulricx van weghen ,,Johan Droess Boeckeprinter 2 phs guldens van XXV st. ’t stuck van een ,,deel Receptboeckgens van ’t gulden Eij in tijden van Pest te drucken van ,,doctor Jan Golt geordiniert fct. III hn pont VIII st.’’

Jan Golt was stads-medicus blijkens de rekeningen van 1551 – 54 eu ver­volgens van 1561 – 1570, toen hij schijnt gestorven te zijn.

In 1567 (Reg. op het Kamper Archief N°. 2277) geeft de Raad te kennen wegens het heerschen der pest geene raadsleden op den Hanzedag te kunnen zenden.

[12] Dit stuk, Bijlage II, is mij alleen bekend door een afschrift uit eene bijzondere verzameling afkomstig. Het draagt in schrijfwijze en spelling nog al blijken van onnaauwkeurigheid.

[13] Resol. v. Burg., Schep. en Raad 1587 – 1612, fol. 75; Bijlage III.

[14]Waarschijnlijk had dit reeds plaats in 1615, dewijl de Gezworen Ge­meente toen rekenschap der opkomsten van den Belt vraagt. (Resol. 1613 – 1623, fol. 47 v°.). Zeker 5 Febr. 1639, als wanneer tevens den tijd voor het afleggen der rekening werd bepaald (Resol. 1633 – 39, fol. 91). Eindelijk werd 21 Febr. 1650 (Resol. 1639 – 51, fol. 214 v°.) bepaald dat die rekening zoude plaats vinden ten overstaan der Provisoren van de Bovenkerk, hetgeen echter later weer geschiedde voor twee magistraatsleden.

Die bestuurder wordt genoemd Provisor of Voorstander van den Belt, of ook wel Beltvader. De laatste naam werd echter meer bijzonder gegeven aan de persoon, die het gesticht bewoonde en met de oppassing en verpleging der zieken was belast.

[15] Bijlagen I, II en XII.

[16]Bijl. I eln II, Res. 1636 post 2 Junij. Apost. 1629, 12 Dec. Apost. 1645 – 1650, fol. 116 v°.

[17]Apost. 1629, 12 Dec.

[18]Apost. 1646 – 50, fol. 116 v°.

[19]Apost. 1651 – 57, fol. 47 vo.

[20]Apost. 1665, 29 Junij.

[21] Resol. 15 Aug. 1636, Bijlage V. Dit stuk is op de oningevulde plaatsen niet te ontcijferen.

[22] De hierbij voorkomende bepaling dat het ontbrekende tot 48 st. door den Voorstander van de Belt uit de goederen van het gesticht zoude worden aangevuld, duidt aan dat deze wekelijksche uitkeering geschiedde ten behoeve van den Beltvader, die daarentegen dan ook zeker niets voor voedsel, vuur, licht en dergelijke aan het gesticht in rekening konde brengen.

[23](5) Resol. 1587 – 1612, fol. 153 v. (21 Febr. 1607). Bijlage IV.

[24] Resol. 1587 – 1612, fol. 11 (18 Mei 1592), Bijlage VI. Dombar in de Tegenw. staat v. Overijssel, III, bl. 400, geeft als den tijd der stichting op het einde der 16e eeuw, zonder nogtans de gronden voor deze bewering bij te brengen.

[25] Nog meer waarschijnlijkheid zoude deze gissing bezitten, indien de regel der orde de verpleging van zieken meer bijzonder voorschreef. Dit is echter niet het geval.

[26] Resol. 10 Nov. 1640 (Res. 1639 – 51, fol. 25 vo.), Bijl. VIII.

[27] Zoo vindt men slechts een Voorstander of Provisor genoemd in de Res. van 10 Nov. 1649 (Res. 1639 – 51, fol. 184), Bijlage IX, alsmede in de Ordre van ’t Sieckenhuijs van 11 Dec. 1656 (Res. 1652 – 1660, fol. 104 vo.) Bijlage X, en eindelijk in de laatste rekeningen van dat gesticht.

[28] Resol. 1613 – 23, fol. 97, Bijlage VII.

[29]Res. 22 Dec. 1649 (Res. 1639 – 51, fol. 184), Bijlage IX.

[30]Res. 23 Mei 1618 (Res. 1613 – 23, fol. 97), Bijlage VII.

[31] Een voorbeeld in Res. 23 April 1677 (Res. 1675 – 86, fol. 52), Bijlage XI.

[32] Resol. v. Raad en Meente 1793 – 98, fol. 2, Bijlage XII.

[33] Niet slechts door de geestelijkheid werd zoodanige bedevaart als boete opgelegd. In 1468 verklaren twee burgers van Kampen bij eede en met getuigen dat ze, geene schepen te Bergen vindende, die naar Kampen moesten, eenige goederen met de Hollanders ingescheept hadden en dat zij, daarover voor het geregt des koopmans beschuldigd, genade hebben moeten bidden op zeer vernederende wijze voor de geheele gemeente. Voorts werd hun eene bedevaart opgelegd naar St. Jacob in Galliciën, het H. Bloed te Wilsnack en St. Olof in Drontheim, hetgeen ze elk voor 50 Berger guldens afkochten, Zie Divers. E. bl. 9.

[34] Bijv. Recogn. 1474, 15 Julij. ,,Jan Dercx bekant schuldich Geert ,,Hoyer Albertss. XLIV R. guld. XX stuuer gerekent voor den gulden ist ,,sake dat scipper Jan Joriaen op die zee bleuen is ende hier wairachtige tidinge ,,komen sint dat hie doet is ende om die vrende alhier begaen. Ende weert ,,sake dat hie mit lieue auer qweem en kent hie Geert voirs niet schuldich ,,toe wesen.’’

[35] Zoodanige burgerregtelijke handelingen moesten wel bijna geheel op­houden sedert de verordening van 26 Sept. 1489 (Dig. Nov. fol. 42) dat men voortaan geen regt meer wijzen zal van eenige koopmanschap, contracten of weddingen geschied op bedevaart hetzij naar Jerusalem, hetzij naar Rome, hetzij naar St. Jacob of waar ook.

[36]Reeds zeer vroeg heeft de kerk zich beijverd om door passende pracht en sieraad aan haren eeredienst een indrukwekkend aanzien te geven. Deed ze dit algemeen en doorgaande, dan waren het toch inzonderheid de hooge feesttijden van Kersmis en Paschen, de gedachtenisfeesten van de geboorte en van het lijden, sterven en opstaan des Heeren, waaraan, ook door plegtige optogten en voorstellingen van de betrekkelijke gedeelten der gewijde ge­schiedenis, de hoogst mogelijke luister werd bijgezet. Aan die optogten en voorstellingen hadden aanvankelijk slechts de priesters deel; later werd, vooral wat de laatsten betreft, een ruim, zoo niet het grootste deel aan het volk overgelaten.

Het waren inzonderheid de feesten van Paschen, die in dezen uitblonken. Reeds op den Zondag vóór Paschen (Palmzondag) had na de opening van den eeredienst de inzegening en de uitdeeling der gewijde palmtakken plaats. Alsdan ving de omgang aan, die onder beurtgezang voortduurde en waarbij de intogt des Heeren in Jeruzalem door de van palmtakken voorziene menigte werd voorgesteld. Het luisterrijk versierde beeld van den Heiland op een houten, rijk getooiden ezel geplaatst en vergezeld van hen, die de Apostelen en het Joodsche volk, en daaronder de Schriftgeleerden en Phariseën, voor­stelden, moest dien intogt aanschouwelijk maken. De eer nu om dien ezel met het heilige beeld voort te trekken werd ligtelijk aan hen toevertrouwd, die op kerkelijke onderscheiding aanspraak konden maken. Geen wonder dat zij, die de heilige plaatsen hadden bezocht, voor vele anderen daartoe werden uitgenoodigd.

Die voorstellingen van het lijden (later Passionalen of Passie-spelen genoemd) bleven lang op vele plaatsen voortduren. De laatste tijden hebben ze in vollen luister nog te Ober-Ammergau gezien.

Allengs werden ook andere gedeelten der gewijde geschiedenis op gelijke wijze voorgesteld, waaruit de bekende Mysteriën zijn voortgesproten.

Veranderde zienswijze deed deze allengs in de zoogenaamde Moraliteiten overgaan, die op hare beurt veel hebben bijgedragen zoo al niet tot de wor­ding, dan toch tot de vorming van het latere tooneel.

[37]Mededeelingen, IV, bl. 51. In den nieuweren ordinarius leest men op Palmdag: ,,Item op palm-dach schenckt de stadt den broeders van Jherusalem, die den ezell getogen ende de statie geholden hebben, een eerlicke ,,maeltijt, daer gaen bij de burgemeijsters in der tijt, de cameners en een ,,secretaris ende wie de raedt mede belieuet.’’ Deze ordinarius is waarschijnlijk tusschen 1540 en 1550 opgesteld, althans zeker na 1521; zie Meded. IV, bl. 37.

In den ouderen ordinarius, die tusschen 1448 en 1482 moet zijn opge­maakt, vindt men geene melding van dezen maaltijd gemaakt. Waarschijnlijk bestond evenwel de gewoonte ook toen.

[38] Deze ezel werd bewaard boven de Schepen-Kapel. In de rekening van 1551 leest men: Item gegeven Mr. Goessen Timmerman na older gewoente, dat hij den Esel aff en opwijnden moest en vuth en in der Scepen Capelle brengen een take wijns fct. VIII st. br.

[39] Aan de personen, die als Apostelen optraden, werd jaarlijks een zeker drinkgeld gegeven. De Phariseën en Schriftgeleerden schijnen bier ontvangen te hebben.

Category(s): Kampen
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *