Hoofdstuk 2


|pag. 11|

2. Sociaal-economische situatie

2.1. Hasselt in de eerste helft van de negentiende eeuw

2.1.1. Ligging

Van oudsher was Hasselt georiënteerd op verkeer en vervoer.
De ligging aan het Zwarte Water, de nabijgelegen route naar Duitsland (Vecht en Hessenweg) gevoegd bij een verbinding met het westen (over de Zuiderzee) en de situering ten opzichte van de noord-zuid route (Zwolle-Hasselt-Rouveen) waren daar de oorzaak van. Gedurende de zeventiende en achttiende eeuw verslechterde de economische situatie van Hasselt. Zo spreekt de Nederlandse Courant van 1785 van “’t klein vervallen Hasselt” 1 [1. Rapport, 4]). Hasselt telde in 1795 1124 inwoners. Het belang van de scheepvaart wordt dan gering geacht 2 [2. Rapport, 4]). Aan het einde van de achttiende eeuw worden de plannen om de venen in het noorden van Overijssel te ontsluiten via een kanaal langs Hasselt steeds vaster. In 1809 wordt met het graven van de Dedemsvaart begonnen. In 1827 is de vaart tot aan de Ane voltooid. Zo werd met het verkrijgen van de mogelijkheid om de turf af te voeren tevens de ontsluiting van dit gebied tot stand gebracht. Hierdoor werd de oriëntatie van Hasselt op verkeer en vervoer versterkt 3 [3. Rapport, 5; hier wordt gesproken over langstrekkende arbeiders en kolonisten, scheepswerven, zeilmakerijen, touwslagerijen en de handel in scheepsartikelen. Bovendien profiteerde de Hasselter middenstand hiervan.]). De verbinding via de Dedemsvaart begon in de Hasselter stadsgracht. De bevolking nam in die periode in aantal toe 4 [4. Rapport, 6; op basis van deze gegevens kan de onderstaande grafiek (Zie hiernaast) over de ontwikkeling van het aantal inwoners in de periode 1795-1870 worden gegeven. Vooral de stijging tussen 1830 en 1840 valt op en is van belang voor het onderzoek.
Hieronder in een overzicht de absolute cijfers.
1795 1124
1812 1440
1830 1423
1840 1871
1850 2232
1860 2493
1870 2353]
).
 

Bovendien werd de verkeersligging verbeterd door de aanleg van een brug over het Zwarte Water in 1827. Die brug kon echter geen belangrijke rol meer spelen in de noord-zuid verbinding, omdat inmiddels een rechtstreekse wegverbinding Zwolle – Meppel tot stand was gekomen. Door de aanleg van een nieuwe brug over de Vecht was deze route beter. Wel komt er via Zwolle een betere verbinding met het westen, wanneer in 1828 de Zuiderzeestraatweg wordt voltooid. De verbinding met Twente wordt beter met de aanleg van de straatweg Zwolle – Hengelo in de jaren dertig. Meer belang heeft Hasselt bij de aanleg van een puin- en grindweg van Zwolle over Hasselt en Zwartsluis langs de Krieger tot aan de Blokzijlerdijk voorbij Vollenhove. In 1836 wordt de zeewering tussen Zwartsluis en Kuinre

|pag. 12|

(de Vollenhoofse dijken) verbeterd. In 1837 wordt de Mastenbroekerdijk tussen Hasselt en Zwolle verhoogd en verzwaard. Ook de in slechte staat verkerende dijk tussen Hasselt en Zwartsluis wordt in die periode verbeterd.

2.1.2. Werkgelegenheid

Slicher van Bath noemt Hasselt niet agrarisch 5 [5. Slicher van Bath, Samenleving, 132]). Het grondgebied van Hasselt had een beperkte omvang. Buiten het stedelijk gebied beschikte Hasselt over vrijwel geen grondoppervlak. Men kan niet spreken van agrariërs, wanneer stedelingen wat tuinbouw verrichten of koeien bezitten 6 [6. Slicher van Bath, Samenleving, 127]). Het betrof dan vaak een neveninkomen 7 [7. Slicher van Bath, Samenleving, 180, 183; Hij noemt combinaties van beroepen een algemeen verschijnsel. In drie gevallen komt hij mensen tegen met drie beroepen, waarvan er een in Hasselt woont (boer-molenaar—houtkoper).]). Wel had Hasselt een zekere marktfunctie voor de landbouw. Dit betrof ondermeer de handel in hooi. Slicher van Bath noemt Hasselt verder een centrum van bestuur, rechtspraak en onderwijs 8 [8. Slicher van Bath, Samenleving, 137 (al slaat dit op de periode voor 1795).]).
De Hasselter nijverheid maakte in 1751 geen welvarende indruk met vier vuursteden van een ziederij die leeg staan, een Potten- en pannenbakkerij die geruïneerd is, een andere potten- en pannenbakkerij die verbouwd is tot twee woonhuizen, een daling van het aantal smeden van negen (1751) tot twee (1795) en een stilstand in de bevolkingsgroei tussen 1723 en 1795 9 [9. Slicher van Bath, Samenleving, 198]).
De algemene conclusie van Slicher van Bath is dat in Overijssel in de negentiende eeuw weinig structurele wijziging in landbouw, nijverheid, handel en maatschaptelijke diensten is te constateren voor 1890. De structurele ommekeer plaatst hij voor Overijssel in de achttiende eeuw.
Toch lijkt Hasselt een uitzondering op deze regel. In Hasselt is juist in die achttiende eeuw geringe economische verandering.
Daarentegen biedt de eerste helft van de negentiende eeuw zeker verandering, al is dat in een eerdere studie niet voldoende onderkend 10 [10. Merkwaardig genoeg stelt het Rapport van het Etio (blz. 7): “Het is jammer, dat deze gemeenteverslagen eerst in 1842 zijn begonnen, want de grootste welvaart begon toen in Hasselt juist te verminderen.” Het rapport zwijgt over de jaren dertig terwijl in het Stadsbrievenboek (G.A.H.) verslagen over 1834, 1835, 1836 en 1838 aanwezig zijn.]). Om deze verandering te illustreren geven

|pag. 13|

we een overzicht:

1834 11 [11. G.A.H., Stadsbrievenboek, verslag over 1834. De verslagen over 1835 en 1836 verschillen hiervan nauwelijks.]) 1838 12 [12. G.A.H., Stadsbrievenboek, verslag over 1838]) 1842 1871 13 [13. Rapport, 7. Wel geeft de toelichting bij de verslagen van 1845, 1847, 1848, 1849 en 1850 op verschillende punten neergang aan.])
olieververij 1
schepkalkbranderij 1x) 2 2 2
weverij 1 1
scheepstimmerwerf 2 2xx) 3 3
biezen-/blokjesmatterij 6 6 12 7
ijzersmederij 3xxx)
broodbakkerij 13xxx)
grutterij 2xxxx) 2
houtzaagmolen 1
korenmolen 1 1 1
huistimmerwinkel 6
blok-/pomp-/boom-/wieldraaierij 3 5
klompmakerij 3 3
wagenmakerij 1 2
touwslagerij 1xxx)
zeiImakerij/taanderij 1 1 1 3
leerlooierij 2xxxx) 2
kleermakerswinkel 7
schoenmakerswinkel 8xxxx)
kuiperij 2
tabakskerverij 1
verklaring der tekens x) met twee ovens
xx) een in aanleg
xxx) met veel werk voorhanden
xxxx) met weinig werk

 
Het verslag over 1834 geeft aan dat de zes biezen- of blokjesmatterijen in een betere staat verkeren dan in voorgaande jaren. De scheepstimmerwerven hebben genoeg werk. De schatting van tienduizend jaarlijks doortrekkende arbeiders stijgt in het verslag over 1836 tot tien à twaalfduizend 14 [14. G.A.H., Stadsbrievenboek, zie de verslagen over 1834 en 1836]
In de jaren veertig loopt dit terug. Het verslag over 1845 klaagt dat er slechts zes à zevenduizend arbeiders passeerden.
In 1847 blijkt dat de prijzen van biezen en blokjesmatten te laag zijn en weinig aftrek vinden. Ook op andere terreinen blijkt dan neergang (ondermeer bij de kalkbranderijen en in de scheepvaartsector) 15 [15. Vergelijk Rapport, 7]). Eerst na 1850 ontwikkelt de situatie zich in gunstiger zin.

|pag. 14|

De jaren dertig blijken voor Hasselt in economisch opzicht geen slechte jaren te zijn geweest. In de jaren veertig komt een terugval en vervolgens wordt na 1850 de toestand weer gunstiger. In die periode hebben de scheepswerven en mattenmakerijen druk werk. In 1867 blijkt het aantal biezen- en mattenmakerijen te zijn gestegen tot achttien 16 [16. noot 16 hier? Rapport, 53, 56]). De scheepvaart neemt na 1850 af, al stijgt het getal van de in Hasselt thuiskomende schepen nog tot 1871. Daarna daalt dat aantal 17 [17. Rapport, 57 (Tabel hiernaast) ]).

Aantal schepen thuishorend in Hasselt
1850 72 Schepen (3020 ton)
1855 92 (3884 ton)
1860 119 (4997 ton)
1871 110 (van 10 ton en meer)
1886 67
1891 70
1896 65
1901 93
1911 90
1921 106
1946 47

 
De Hasselter middenstand blijkt relatief veel timmerlieden, kleermakers, slagers en bakkers te tellen. Slicher van Bath beschouwt dit als een gevolg van de scheepvaart 18 [18. Slicher van Bath, Samenleving, 174. Vergelijk de bijlage op deze bladzij, waarop de concentratie van beroepen per duizend inwoners is gegeven, vergelijk verder de conclusie op 175.]). Veel schippers kopen bij het doorvaren van Hasselt in voor de verdere tocht. Dit heeft de middensttand geen economische windeieren gelegd.

2.1.3. Bevolkingsgroei

Slicher van Bath beschouwt bevolkingsgroei als de thermometer van economische fluctuatie 19 [19. Slicher van Bath, Samenleving, 58]). De sterke stijging van het inwonertal van Hasselt tussen 1830 en 1840 20 [20. Stijging 1830 – 1840: 448 (zie hiervoor noot 4)]) en de economische groei in die jaren weerspreken deze stelling voor Hasselt niet. Velen vestigen zich dan van elders in deze plaats.
Hieronder bevinden zich verscheidenen die een vooraanstaande rol in de Afgescheiden gemeente zullen vervullen.

Slicher van Bath legt een relatie tussen bevolkingsgroei en godsdienst.
“Opvallend is, dat de Afscheiding haar aanhang heeft gevonden in plaatsen, waar in de eerste helft van de negentiende eeuw al een grote bevolkingsvermeerdering bestond.” Hij constateert vervolgens dat de bevolkingsvermeerdering van ouder datum is dan de Afscheiding en vraagt zich af of de bevolkingsdruk, ontstaan ten gevolge van de bevolkingsvermeerdering, invloed heeft gehad op de Afscheiding 21 [21. Slicher van Bath, Samenleving, 107]). Elders constateert hij dat in vijf van de zes plaatsen waar in 1849 de Afscheiding grote aanhang had ook sprake was van grote bevolkingsvermeerdering (Stad Ommen, Ambt Ommen, Den Ham, schoutambt Hardenberg en Stad Genemuiden). Hij stelt dan dat de Christelijk Afgescheidenen vooral te vinden zijn in landbouwgebieden, waar grote bevolkingsvermeerdering plaatsvond 22 [22. Slicher van Bath, Samenleving, 358, 359]). Tot op zekere hoogte gaat deze stelling ook voor Hasselt op. Er is tussen 1795 en 1860 een relatief sterke bevolkingstoename te zien (1795: 1124 inwoners, 1860: 2493 inwoners).

|pag. 15|

De jaren dertig nemen van deze groei ongeveer 30 % voor hun rekening. Een behoorlijke groei wanneer we die vergelijken met de groei in de provincie Overijssel in deze periode:

Hasselt 23 [23. Zie hiervoor noot 4]) Overijssel 24 [24. Slicher van Bath, Samenleving, 55]
1830 1423 178.895
1840 1871 197.694
stijging ± 30% ± 10,5%

 
Gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw vertoont de Hasselter bevolking een duidelijke groei, waarvan de periode rond de Afscheiding een duidelijk voorbeeld is 25 [25. Na 1860 is de groei eruit. Zie onderstaande overzicht met de absolute getallen en dezelfde gegevens in grafiek (Grafiek hiernaast).
1853 2318 zielen          1860 2507 zielen
1854 2391     „              1861 2530  „
1855 2448     „              1862 2454  „
1856 2501     „              1863 2448  „
1857 2544     „              1864 2472  „
1858 2496     „              1865 2456  „
1859 2493     „              1866 2477  „]
).
 

Of uit deze groeicijfers ook de daarop door Slicher van Bath gegronde relatie tussen bevolkingsvermeerdering en Afscheiding voor Hasselt aanvaardbaar wordt, blijft de vraag. Hasselt is minder sterk een landbouwgebied, al werd het stedelijk gebied omringd door een duidelijke agrarische gemeente Zwollerkerspel. In Hasselt zelf was eveneens een aantal boeren woonachtig.

2.1.4. Sociocultureel overzicht

2.1.4.1. Kerkelijk leven

De Hasselter bevolking is in 1834 in godsdienstig opzicht in drie groepen te onderscheiden. Er is een grote Hervormde gemeente met een tweetal predikanten (1834: ds. P.A.J. Moerel en ds. W.H. van Griethuysen). Een vraag uit het verslag over 1834 informeert naar de invloed van de predikanten op de “meer verlichte denkwijze” van de gemeente. De bestuurders der stad noteren dan: “Dezelve zijn bijzonder werkzaam om de Ingezetenen tot godsdienstige en verlichte denkbeelden op te leiden en hunne pogingen in deze zijn niet ongunstig te beschouwen”26 [26. G.A. Hasselt, Stadsbrievenboek, verslag over 1834]). Voormeld verslag vertelt dat de kerkgebouwen en torens in goede staat verkeren, maar met de kerkfondsen is het slecht gesteld. Dat leidde tot een voor de predikanten matig tractement. Dat blijkt ondermeer uit een verschil van mening over het betalen van belasting over te slachten beesten in 1820.
De predikanten voerden daarbij teveel op onder de belastingvrije slacht 27 [27. G.A. Hasselt, Notulen Raad, 03 01 1820]). In 1823 vragen de predikanten om belastingverlichting.
Ze ontvangen een tractement van zevenhonderd gulden per jaar en maken bezwaar tegen de voor hen te hoge belasting. Ze willen ontheffing van belasting. De gouverneur wijst belastingvermindering af,

|pag. 16|

maar stelt wel een toelage van vijfentwintig gulden ter beschikking.
De Rooms-katholieke pastoor krijgt twintig gulden meer “uithoofde van deszelfs kleinder huisgezin en mindere consumptie”28 [28. G.A. Hasselt, Notulen Raad, 03 03 1823 en 13 01 1824]).
Ook wanneer in 1836 het stadsbestuur de belastingtoelage wil afschaffen, protesteert een der predikanten zo hevig, dat het stadsbestuur toezegt de toelage eerst bij volgende predikanten te zullen verminderen 29 [29. G.A. Hasselt, Notulen Raad, 03 11 1836]).
Naast deze Hervormde gemeente is er een Rooms-katholieke gemeenschap en een Joodse gemeente. Het bevolkingsregister geeft voor enkele personen ook de Lutherse godsdienst aan. Of dit laatste een vorm van geïnstitutionaliseerd kerkelijk leven opleverde, is vanuit de bronnen niet aan te tonen.

2.1.4.2. Onderwijs

Het verslag over 1834 blijft vaag over het onderwijs. Een tweetal scholen wordt genoemd. De een is een openbare stadsschool, de ander een armenschool, die tevens tot zondagschool dient. Naast dit tweetal wordt een instituut voor “hoger onderwijs” genoemd 30 [30. G.A. Hasselt, Stadsbrievenboek, verslag over 1834]).
Iets meer worden we in 1838 gewaar over deze scholen. De onderwijzer van de openbare school wordt bekostigd uit de stadskas, terwijl de schoolbehoeften door de ouders betaald worden. In 1845 komt er een tweede openbare school. De armen- en zondagsschool wordt bekostigd door het stadsbestuur en het Armbestuur. Deze school wordt bezocht door kinderen van behoeftige ouders en verzorgers.
Het instituut voor “hoger onderwijs” is een instelling waar tegen betaling “Jongeheeren en Jonge Jufvrouwen” onderwijs wordt gegeven 31 [31. G.A. Hasselt, Notulen Raad, 20 10 1838]).
In 1830 was om een Latijnse school gevraagd door de beide Hervormde predikanten en de stadsgeneesheer 32 [32. G.A. Hasselt, Notulen Raad, 31 08 1830]). De oprichting van deze school in 1833 gaf aanleiding tot een rekest van een aantal inwoners aan de Gouverneur. Zij wijzen er op dat deze school het belang van slechts zes mensen dient, terwijl het gewone volk moet betalen 33 [33. G.A. Hasselt, Stadsbrievenboek rekest d.d. 14 08 1833. Meer over het onderwijs in Hasselt in: D. Westerhof, De school]).

2.1.4.3. Sociaal leven

Over het sociale leven zijn weinig directe gegevens te vinden. De bronnen geven vrijwel geen gegevens vanuit de

|pag. 17|

sociaal laagstaande groeperingen. Een enkele keer is er in het brievenboek een inschrijfbriefje op een bouwproject, waaruit iets blijkt van de opleiding die middenstanders en kleine ondernemers genoten hadden. Veel rijkdom blijkt er bij de inwoners zelf niet te zijn. Dat betrof ook de notabelen. Zo moet in 1839 voor een van de raadsleden ontheffing van de eisen worden gevraagd, omdat hij daar niet aan kan voldoen en het anders niet mogelijk is de raad voltallig te krijgen zonder ergens de reglementen te overtreden 34 [34. G.A. Hasselt, Notulen Raad 30 12 1839]).
Landpachters blijken niet op tijd te kunnen betalen 35 [35. G.A. Hasselt, Notulen Raad 24 08 1845]).
De kermis rond Pinksteren leidde vaak tot uitspattingen.
Verschillende keren wordt tegen deze zedeloosheid geageerd door zowel Hervormden als Afgescheidenen 36 [36. G.A. Hasselt, Notulen Raad, oktober 1852, verzoek Hervormde Kerk]). Binnen de kerken levert dit tuchtgevallen op 37 [37. Archief CAG, Notulen Raad 05 07 1859]. Smit -voorman van de Kruisgezinden- dient, tijdens zijn lidmaatschap van de raad, daarover een voorstel in, dat na tweede behandeling wordt verworpen 38 [38. G.A. Hasselt, Notulen Raad 14 04 1859 en 24 05 1859, opnieuw behandeld 12 01 1860]).

2.2. Hasselt in vergelijking met Nederland

Een vergelijking van Hasselt met Nederland als geheel is in verschillende opzichten hachelijk. De gegevens over het sociaaleconomisch leven in Hasselt zijn schaars. Met voorzichtigheid zal een vergelijking worden gemaakt met enkele landelijke trends op dit gebied. In het voorgaande is enkele keren aan de hand van de gegevens van Slicher van Bath een vergelijking gemaakt met de Provincie Overijssel. In Hasselt is in de eerste helft van de negentiende eeuw sprake van een bevolkingsstijging. Deze stijging is ook landelijk te zien, waarbij onmiddellijk de voeding van deze groeiende bevolking de aandacht krijgt. Door de stijgende vraag naar voedingsmiddelen werden ondermeer investeringen in ontginningen bevorderd 39 [39. AGN 10, blz. 142]). Hieruit kan de ontginning rond de Dedemsvaart vanuit Hasselt oostwaarts worden verklaard. Dit graven had een aanvang genomen in 1809. In 1827 was de Dedemsvaart tot Ane voltooid.
Het kanaal werd aanvankelijk benut voor de afvoer van afgegraven turf. Nadat het veen was afgegraven, vestigden veel boeren zich in het gebied rond de Dedemsvaart en werd het kanaal benut voor de afvoer van agrarische producten. Omdat het eerste gedeelte van het ka-

|pag. 18|

naal werd gevormd door de stadsgracht van Hasselt, legde dit het stadje geen windeieren.
De bevolkingsstijging zorgde ook voor overaanbod van arbeidskrachten.
Vooral op het platteland 40 [40. a.w. blz. 143]). De gevolgen hiervan werden vaak ingeperkt door het zoeken naar additioneel inkomen. Dit komt ook in Hasselt voor 41 [41. Slicher van Bath, Samenleving onder spanning, blz. 127. Veel stedelingen hadden wat tuinbouw en enkele koeien. Combinaties van beroepen noemt Slicher van Bath een algemeen verschijnsel (blz. 180). Zie ook noot 7 van dit hoofdstuk.]). Het einde van de economische depressie na 1820 42 [42. A.G.N. 10, blz. 150]) weerspiegelt zich in een opleving van het economisch leven in Hasselt.
Dit gaat zowel landelijk als plaatselijk gepaard met een sterkere bevolkingsaanwas in die periode 43 [43. zie voor Hasselt, hoofdstuk 2.1.]).
Op landelijk niveau toont de agrarische sector een behoorlijke ontplooiing. In de jaren dertig wist de groei van deze sector het voedselprobleem van een toenemende bevolking op te vangen 44 [44. A.G.N. 10, blz. 157 en 158]). De versterking van deze sector had eveneens voor Hasselt gevolgen. De stad heeft altijd een zekere marktfunctie op agrarisch gebied gehad. In 1842 werd in de stadswaag ruim 19.000 pond boter en 225.000 pond hooi gewogen. Daarbij werd aangetekend dat de ongewogen, maar wel in de stad verkochte hoeveelheid, meer dan het dubbele hiervan bedroeg 45 [45. Rapport ETIO, blz. 6]).
Aan het eind van de jaren veertig stagneert de economische bloei en pas na 1850 is een opwaartse beweging te zien. Veel initiatieven worden niet ontplooid. Het enige bedrijf dat in die tijd is gesticht en zich redelijk ontplooid heeft, is een kuiperij annex duigenkloverij (rond 1850). Daartegenover staat de opheffing van een calicotweverij in 1860, waar in 1858 nog achttien mensen werk vonden. Een eigen stoombootdienst wordt niet opgericht, veel industrie is er niet.
In 1850 worden 48 fabrieksarbeiders genoemd en 146 ambachtslieden.
Over het algemeen bleef men de traditionele wegen gaan.
De sociale omstandigheden waren in Nederland weinig florissant.
Rond 1850 kan op landelijk niveau ongeveer 4-7% van de stadsbevolking tot de gegoeden worden gerekend, een kwart of een derde tot de middengroepen en 60-70% tot de onderste lagen van de samenleving 46 [46. A. de Groot, Het vroeg negentiende-eeuwse Nederland, blz. 15, 16]).
Voor Hasselt zijn hieromtrent weinig gegevens te melden. Voor 1808 meldt Schmidt 3% wet een vermogen tussen 500 en 1000 gulden en 1,5% met een vermogen boven de 1000 gulden 47 [47. Schmidt, Bevolking van Hasselt, blz. 28]).
Veel onvrede blijkt niet. Wel is in 1836 inkwartiering van soldaten nodig om de orde onder de aan de dijk werkende arbeiders te handhaven 48 [48. G.A. Hasselt, Notulen Raad 16 06 1836. Zonder enige grond te bieden vanuit de bronnen concludeert Joosse op grond van mededelingen in Bos, Archiefstukken III, blz. 139-140, dat ook in Hasselt de vervolging werd ingezet, terwijl in voornoemde archiefstukken die reden niet wordt vermeld en ook in de Raadsnotulen (G.A. Hasselt) daarvoor geen aanleiding te vinden is. Zelfs meent Joosse te kunnen aangeven tegen wie vermoedelijk deze actie gericht zou zijn. Zie Joosse, Ende Godts daden, blz. 40, 41]).

|pag. 19|

Daarnaast valt te wijzen op het al eerder genoemde rekest. De eerste ondertekenaar -K. Galenkamp— kan echter niet tot de minste stand gerekend worden. In de jaren vijftig treffen we hem aan als lid van de raad 49 [49. G.A. Hasselt, Stadsbrievenboek 14 08 1833. K. Galenkamp en veertien medeondertekenaars maken bezwaren tegen de oprichting van een school voor jonge juffrouwen. De reden is dat hen voor verricht werk nog geen geld is betaald. De school dient slechts het belang van zes mensen en het gewone volk in Hasselt moet er maar voor opbrengen. Gouverneur Van Rechteren stuurt dit rekest door naar Hasselt. Bij schrijven van 22 08 1833 wordt geantwoord aan de Gouverneur. De burgemeester wendt voor hier nog nooit van gehoord te hebben. Hij suggereert dat er geen plannen zijn om zo’n school op te richten. Over ondertekenaar K. Galenkamp zegt hij: “de steller of schrijver van het rekwest dit is de persoon van Klaas Galenkamp een jongeling van 21 jaren zoon van een winkelierster en eigenaresse van enige klijne woningen welke jongeling in de Burgerschool alhier vrij goed geleerd heeft wat hij in zijne burgerlijke betrekking geleerd heeft maar ook niet meer, deze schijnt de huurders van de woningen zijner moeder, enige zijner familie en anderen welke mogelijk op credit goederen in hare winkel halen, en dus op de ene of andere wijze aan haar ondergeschikt zijn te hebben bewogen om dit rekwest mede te ondertekenen”. De burgemeester acht de leeftijd als verzachtende omstandigheid te zien, maar wenst geen herhaling. De bedoelde school kwam er overigens wel, in 1840.]).
Echt ingrijpende veranderingen toont Hasselt in de eerste helft van de negentiende eeuw op sociaal-economisch gebied niet.

|pag. 20|

Noten bij hoofdstuk 2

Noten op pag. 20 t/m 23 zijn in de tekst opgenomen als zijnoten.
 
– Bezemer, L. (1986). Breuk of Wederkeer. Afscheiding in Hasselt (1835-1869) (Scriptie M.O. II.). Geschiedenis, Noordelijke Leergangen, Zwolle.

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.