Hoofdstuk 6. De Sociale, economische en politieke achtergronden rond de Plooierijen


     Hoofdstuk 6 DE SOCIALE, ECONOMISCHE EN POLITIEKE ACHTERGRONDEN ROND DE PLOOIERIJEN.

In dit hoofdstuk trachten wij inzicht te verschaffen in de achtergronden welke tot de Plooierijen te Steenwijk hebben kunnen leiden. Ofschoon het sociaal, economisch en politiek gebeuren in feite de driehoekpunten zijn van een krachtenveld waarbinnen alles zich afspeelde, gaan wij voor de overzichtelijkheid die drie komponenten uit elkaar halen. Allereerst proberen wij een beeld te schetsen van de sociale context waarbinnen de gebeurtenissen zich afspeelden; vervolgens zullen wij proberen zicht te geven op het politieke krachtenveld en tenslotte zullen wij bezien of er ook economische redenen zijn aan te voeren welke aan de plooierijen ten grondslag hebben gelegen.

     6.1 De Plooierijen vanuit een sociaal perspectief verklaard.

Een factor die van belang kan zijn geweest voor het botsen van de groep der zittende bestuurders (de Oude Plooi) en de groep die bestuurlijke invloed en verandering wenste (de Nieuwe Plooi), zou kunnen liggen in een gevoel van ongelijke behandeling; van bestuurlijke achterstelling van personen die op grond van hun sociaal-economische status toegang tot de bestuurlijke functies meenden te hebben, doch in de bestaande politieke constellatie uit die functies werden geweerd.
Door de sociale stratificatie van de nieuwe plooiers met die der oude plooiers te vergelijken, zouden wij mogelijkerwijs deze ‘politieke-discriminatie’ kunnen aantonen.

De namen van de 42 belangrijkste en meest op de voorgrond tredende nieuwe Plooiers zijn ons bekend en maken het mogelijk om met behulp van de kohieren van de duizendste over de jaren 1700 en 1704/8 een sociale stratificatie van het vermogen van deze personen te maken.1 [1. De 42 namen werden ontleend aan alle commissies, afgevaardigden, meenslieden en burgemeesters welke door de nieuwe plooiers werden gekozen. Met deze namen lijst heb ik in de kohieren van de 1000e penning over de jaren 1700 en 1708 (O.A.S. inv. 367) de vermogens van de aangeslagen burgers opgezocht.]
Hieruit blijkt dat de tijdens de Plooierijen door de burgerij aangewezen of gekozen vertegenwoordigers (burgergecommitteerden, meenslieden, keurmeesters, burgemeesters) allen, voor zover wij hun naam in de niet volledige kohieren hebben aangetroffen, behoorden tot de gegoede burgerij en de kleine middenstand: 17 personen hoorden met hun vermogen tot de rangstand 2A (G. gld. 2.000-9.999) en 15 personen werden aangeslagen in de rangstand 2B (G. gld. 500-1.999).
Omtrent de 10 niet in de kohieren teruggevonden personen valt weinig met zekerheid te zeggen. Een aantal lijkt zeker ook, vanwege hun achternaam, tot de kring der welgestelde families te hebben behoord, maar was waarschijnlijk nog inwonend; anderen ontgaan onze waarneming: zij hebben mogelijkerwijs tot de rangstand 3 der onvermogenden behoord of zijn, in de acht jaren die er tussen de peiljaren 1700 en 1708 lagen, na vestiging in Steenwijk weer vertrokken of overleden.
Dit cijfermateriaal toont ons aan dat van de tijdens de Plooierijen op de voorgrond tredende burgers een opvallend aantal kwam uit de vermogensrang 2A en dus behoorde tot de brede gegoede burgerij.
Gerelateerd aan de vermogens hiërarchie (tabel 1) van het totaal aantal te Steenwijk aangeslagen personen, was in het peiljaar 1708 meer dan de helft van de gegoede burgers uit rangstand 2A op de hand van de nieuwe plooibeweging. Ook gemeten naar het burgerlijk

|pag. 35|

vermogen nam deze groep een onevenredig groot deel van het totaal burgerlijk vermogen voor haar rekening. Van een aantal personen uit deze groep is ons het beroep bekend: er behoorden een brouwer, een lakenkoopman, twee doctores, een schout en een jurist toe.2 [2. Titels en beroepen zijn ontleend aan vermeldingen hiervan in de kohieren der duizendste penning, het schoorsteen- of vuurstedegeld.] Tevens hadden enkele lieden in het verleden reeds zitting gehad in het corpus der stad; enkelen als meensman en één als burgemeester.3 [3. Vergelijk de namen van de nieuwe plooiers met de jaarlijkse keur en benoemingen van stadsofficianten in de memorialen.]
In vergelijking met de vorige vermogensklasse is het aantal burgers dat wij in de klasse 2B aantreffen lager; wij noteerden in totaal 15 aangeslagenen. Dit wil echter niet zeggen dat deze groep der kleine middenstand, bestaande uit vooral ambachtslieden en neringdoenden, tijdens de Plooierijen afzijdig bleef. Uit de vermogens-hiërarchie (tabel 1) over de jaren 1700 en 1708 blijkt dat juist deze vermogensrang in Steenwijk breed aanwezig was. We moeten vermoeden dat juist deze groep de plooierijbeweging te Steenwijk haar massale karakter gaf. Zo werd het op 22 april 1703 opgestelde request ondertekend door 207 ‘gekwalificeerde borgeren’; hetgeen alleen maar mogelijk is geweest indien men een hoge respons kreeg van dit stedelijk midden en lager kader.4 [4. Kronyk 436.] Het feit dat deze groep in de bronnen niet terug te vinden is, komt waarschijnlijk doordat zij de beter opgeleide, mondiger en kapitaalkrachtiger burgers als hun vertegenwoordigers en woordvoerders naar voren schoven. Hun betrokkenheid bij de gebeurtenissen zal meer gewekt zijn door bepaalde economische actiepunten zoals de afschaffing van de tol bij het Nieuwe Diep; vrije opslag op de meenten en herstel van de privilegiën der gilden; maar daarover verderop meer.
Omtrent de rol welke het stedelijk grauw tijdens de gebeurtenissen in het onrustige jaar 1703 speelde, bestaat geen informatie.
Steenwijk stond in deze periode te boek als een stad met relatief weinig onvermogenden (in 1675 slechts 14%) en ofschoon de situatie per jaar verslechterde heeft deze groep waarschijnlijk geen rol gespeeld en was de Plooierijbeweging, vergeleken met de latere perikelen in 1745-’49, een ‘nette’ beweging.5 [5. Samenleving 258. De opvatting dat de Plooierijen een nette beweging was t.o.v. de beweging in 1747-’49 wordt ontleend aan het feit dat de ondertekenaars van het Plooierijrekest uitdrukkelijk ‘gekwalificeerde’ burgers worden genoemd, terwijl onder de ondertekenaars van het burgerrekest in 1748 zich allerlei ‘gespuis’ (joden, katholieken, e.d.) bevond.]
De woordvoerders en andere op de voorgrond tredende nieuwe plooiers lijken uiteen te vallen in twee groepen. Allereerst is er een aantal personen dat vanuit persoonlijke rancune zich inzette. Deze oudere mannen zoals Johannes Kroeven, Gillis van Randen, Jan Nessink, Gerbrant Boncke, Hendrik Stuifsand en Cornelis Dortman hadden zitting gehad in één der stedelijke colleges en waren deze positie in de afgelopen jaren kwijtgeraakt.6 [6. O.A.S. inv. 8, zie de magistraatskeur vanaf 1681 tot 1702.] De andere groep bestond voor zover ik heb kunnen nagaan uit voornamelijk jonge lieden, die nog geen bemoeienis met het stedelijke bestuur hadden gehad, maar om bepaalde redenen zich opwierpen als vertegenwoordigers van de ontevreden burgerij. Waren de teruglopende economische perspectieven er de oorzaak van dat deze lieden zich opwierpen als pretendenten van de bestuurlijke functies of verzette de jeugd zich als ‘angry-young men’ tegen de gevestigde orde?7 [7. Enkele van deze nieuwe plooiers hadden achter hun naam staan ‘de Jonge’. Anderen blijken in 1700 nog niet hoofdelijk te worden aangeslagen; terwijl ze in 1708 als redelijk vermogend te boek staan. Zij waren waarschijnlijk in 1700 nog inwonend.]
Verder valt op dat van verschillende families zowel de oude als jonge lichting actief was. Zo was van de familie Nessink niet alleen de oud-meensman Jan Nessink de olde actief doch ook diens zoon Jan Nessink de jonge trad op de voorgrond.8 [8. Zie tabel 3 de lijst der nieuwe plooiers.] Ook waren er families waar meerdere telgen zich voor de ‘goede’ zaak inspanden.9 [9. Ibid.] Het schijnt dat binnen de groep der nieuwe plooiers ‘contracten van correspondentie’ waren afgesloten -deze worden in ieder geval tijdens de restauratie namens de Staten ongeldig verklaard- echter wie zich met elkaar verbonden hadden is mij niet bekend.10 [10. St. arch. Ov. inv. 284 fol. 97, 98.]

|pag. 36|

Terwijl we de bovengebruikte lijst van de nieuwe plooiers samenstelden door alle lieden die tijdens de Plooierijen namens de burgerij gekozen of gecommitteerd waren geweest op te tekenen: is het aangaande de oude plooiers veel moeilijker om een namenlijst van ‘geheide’ oude plooiers samen te stellen. Want de stelling dat alle lieden die zitting hadden in één van de colleges van het stadsbestuur automatisch tot de Oude Plooi behoorden, is zeer discutabel. Immers het was juist de zittende meente die op 13 april 1703 de eerste ‘plooise’ actie ondernam door bij de magistraat een andere magistraatskeur en een meente ‘ad vitam’ af te dwingen! Toch ga ik er in deze studie vanuit dat de meenslieden die hun jaarlijkse benoeming aan de magistraat dankten en waarvan velen jaren achtereen loyaal zitting in de verschillende colleges hadden, samen met de burgemeesters, de keurmeesters en de gezworens, de harde kern van de Oude Plooi vormden. Door de verschillende keurmeesters, burgemeesters en meenslieden over de jaren 1700, 1701, 1702 en 1703 te nemen ontstaat een lijst van 36 personen die wij in het kamp van de ‘Oude Plooi’ plaatsen (zie bijlage 3).11 [11. O.A.S. inv. 8 de jaarlijkse keur. Zie namen van de oude plooiers in bijlage 4.]
Uit deze groep die kwa omvang iets kleiner is als die der ‘nieuwe plooiers’ blijken 12 personen tot vermogensrang 2A te horen; 11 personen vallen onder de vermogensrang 2B en 13 personen zijn niet nader te kwalificeren omdat zij in de kohieren ontbreken. De tot vermogensrang 2A behorende burgers waren, op één na, allen lid van de magistraat of meente.12 [12. Vermogen van de oude plooiers m.b.v. kohieren van de 1000e penning opgezocht en een vermogenshierarchie samengesteld.] De raads- en meentelieden behoorden dus bijna allen tot de gegoede burgerij. In vergelijking met de nieuwe plooiers valt het aantal universitair geschoolde personen erg tegen; alleen burgemeester J. Muys had een titel.13 [13. Zowel in het memoriaal als in het kohier der 1000e penning draagt Muys als enige der oude plooiers een titel.]
Wat opvalt in de klasse 2B is dat bijna alle aangeslagen burgers voor het laagst mogelijk bedrag, namelijk G. Gld. 500, te boek staan. Deze ‘echt’ kleine middenstanders waren, samen met de 13 niet in een vermogensrang te plaatsen personen, in de periode 1700-1703 als keurmeesters ter ‘boontrekking’ opgeroepen.14 [14. O.A.S. inv. 8, zie de keur over de jaren 1700-1703.] Opvallend is dat velen van deze keurmeesters één of ander baantje in dienst van de stad bekleedden; hetgeen doet vermoeden dat de magistraat deze personen aan zich wist te binden door behoud of belofte van werk.15 [15. Ibid. zie hier de aangestelde stadsofficianten.] De magistraatskeur werd aldus een farce, gekarakteriseerd door het tijdens de Plooierijen veelvuldig gebezigde motto: ‘men speelt elkaar de bal toe’.
De families die zitting in de magistraat hadden, waren in een aantal aanwijsbare gevallen met elkaar verbonden door wederzijdse huwe1ijksverbintenissen.16 [16. Zie huwelijksregister der gereformeerde kerk te Steenwijk in het Rijksarchief te Overijssel. De familie Ten Broecke had huwelijkse banden met de familie Muys.] Van het feit dat de magistraat meenslieden aan zich bond door huwelijksverbintenissen of ‘contracten van correspondentie’ heb ik geen bewijs kunnen vinden.

Vergelijking van de sociale-stratificatie van de nieuwe plooiers met die der zittende bestuurders en hun aanhang leert ons dat de sociale status van de nieuwe plooiers relatief gunstig afstak t.o.v. de oude plooiers. Verschillende nieuwe plooiers moeten met name hebben neergekeken op de door de magistraat aangewezen keurmeesters. Het feit dat zij als vermogende burgers buiten de extra-status gevende bestuursfuncties werden gehouden, gaf mogelijkerwijs zoveel naijver dat deze lieden tijdens de Plooierijen probeerden om een greep naar de macht te doen. Het kerkbestuur waartoe de verkiezing op een ‘democratischer’ wijze plaats vond, vormde voor verschillende van deze nieuwe plooiers schijnbaar een mogelijkheid om wel een aanzien gevende publieke functie te vervullen. Botsingen

|pag. 37|

uit rivaliteit konden tussen het stadsbestuur en de kerkeraad dan ook niet uitblijven.17 [17. K.A.S. 62, zie de kerkeraadsverkiezingen.]

     6.2. De Plooierijen vanuit het politieke krachtenveld verklaard.

Nadat stadhouder Willem III in 1675 zijn regeringsreglement had ingesteld vond er in Steenwijk niet, zoals op verschillende andere plaatsen, een duidelijke verschuiving in het stadsbestuur plaats.
Steenwijk had zich tijdens de oorlogsjaren 1672-1673 allesbehalve lafhartig gedragen en de oude regentenfamilies mochten, na het Munsterse intermezzo, hun bestuurlijke posities hernemen.18 [18. Kronyk 261.] Een verklaring voor het ontstaan van de Plooierijen te Steenwijk kan dan ook niet gevonden worden, zoals bij de Gelderse steden of Deventer, in het feit dat de door de Stadhouder terzijde geschoven factie(s) na diens dood probeerde(n) de in 1675 verloren positie(s) te hernemen.19 [19. Wertheim 7-9, 23 en 54.]
In zake Steenwijk is van belang wat er gebeurde in de jaren tussen het beëindigen van de Munsterse oorlog en het jaar dat de stadhouder stierf. In die periode vond er onder de Steenwijker regentenfamilies een machtsstrijd plaats, waarbij een aantal families, die generaties lang betrokken waren geweest bij het stadsbestuur, hun bestuurlijke invloed en aanzien verloren. Uit de magistraat verdween Johannes Kroeven en uit de meente verdwenen Meindert Dortman, Cornelis Dortman, Jannis Wijnholt, Gillis van Randen, Jan Nessink, Hendrik Stuifzand, Joachim Ram en Gerbrand Boncke.20 [20. Zie de respectievelijke keuren in memorialen 7 en 8 (O.A.S. inv. 7 en 8).]
Burgemeester Kroeven die vanaf 1675 in de magistraat zitting had, werd in 1682 niet herkozen. Toen de magistraatkeur echter ter goedkeuring aan de Stadhouder werd voorgelegd, verwijderde deze Frederik Ram en benoemde Kroeven tot burgemeester.21 [21. O.A.S. inv. 7 fol. 297.] In 1683 herhaalde zich dit spel en nu approbeerde de Stadhouder de keur zonder Kroeven.22 [22. Ibid. 312.] Omtrent de reden waarom burgemeester Kroeven moest verdwijnen, kunnen wij alleen maar gissen. Hij was in 1675 op voorspraak van de stadhouder -Kroeven had namelijk tijdens de Münsterse oorlog drie jaar in gijzeling gezeten- in het college benoemd.23 [23. Ibid. 273.] Aannemelijk lijkt het dat de regentenfamilies die het generatielang voor het zeggen hadden gehad, uit naijver deze vreemde eend uit hun bijt hebben willen verjagen. De strijd tussen de gevestigde elite en de nieuwkomer was een ongelijke strijd. De fami1ie-regering Muys-Ten Broecke-Ram had de bestuurlijke macht stevig in handen, zoals niet alleen uit de geslaagde coupe contra Croeven bleek, maar ook uit een resolutie die zij op 15 februari 1684 wist door te voeren. Deze resolutie maakte dat de meente haar invloed op de magistraatskeur geheel verloor. Totdan hoorden zes van de twaalf keurmeesters in de meente zitting te hebben; vanaf toen was de magistraat vrij in haar keuze: ze kon zowel meenslieden als burgers ter ‘boontrekking’ oproepen.24 [24. Ibid. 323.]
Deze resolutie ontnam in feite de meente iedere vorm van invloed op, het stadsbestuur en gaf de magistraat ongekende mogelijkheden om, als een bepaalde politieke opvatting van een meensman haar niet aanstond, de meente bij de eerstkomende benoeming van dit lastige individu te schonen. Met deze resolutie komt nu een factor in beeld, welke een zeer belangrijke rol heeft gespeeld in de oplopende politieke tegenstellingen welke in 1702/3 tot uitbarsting kwamen. Verschillende van de tijdens de Plooierijen leidinggevende burgers verdwenen in de jaren na de invoering van deze resolutie

|pag. 38|

uit de meente.25 [25. Zie de jaarlijkse keur en samenstelling van de meente in de memorialen (O.A.S. inv. 7 en 8).] Dit waren blijkbaar kritische burgers geweest die meer invloed ambieerden, dan het op voorspraak van de magistraat ‘eenpariglijk’ in te stemmen met een voorstel van de heren burgemeesters. Het buiten de bestuurlijke functies houden van deze lieden, die allen tot de gegoede burgerij behoorden, had tot gevolg dat het maatschappelijke draagvlak van het stadsbestuur smal werd, daar het een relatief groot deel van de burgerij haar bestuurlijke verantwoordelijkheids- en waardigheidsgevoel ontnam. Dit leidde ertoe dat deze gepasseerde burgers in een ander bestuurlijk college, de kerkeraad, het stadsbestuur tegenspel boden en het herhaaldelijk tot botsingen kwam.26 [26. K.A.S. 62, Behalve oud-burgemeester Croeven, hadden alle genoemde personen zitting in het kerkbestuur.] Ook de kwaliteit van het bestuur stond na de gewraakte resolutie op het spel want waren het totdan steeds gegoede burgers geweest die zitting namen in de meente, of als geëligeerden, of keurmeesters werden opgeroepen; aan het begin van de achttiende eeuw blijken, zoals wij in paragraaf 6.1 zagen, ook minder vermogende en ongekwalificeerde lieden in de meente zitting te hebben en werden zelfs lieden met een marginaal inkomen bij de magistraatskeur opgeroepen. Dit alles tekende de politieke sfeer aan de vooravond van de Plooierijen: een magistraat regerend met een smalle bestuurlijke basis; een meente bemand met weinig krachtdadige lieden en een groot deel van de burgerij klaar om in de contramine te gaan.
Toen de stadhouder in 1702 overleed had de magistraatskeur voor dat jaar al plaatsgevonden en vond de approbatie voor die keer door de Staten van Overijssel plaats; de situatie voor het volgende jaar was onduidelijk. Het regeringsreglement werd door de Staten terzijde geschoven en de stad Steenwijk kreeg haar oude rechten, om zelf de verkiezing van het stadsbestuur te mogen regelen, terug.27 [27. Wertheim 18 en 69.]
Dit leidde echter in 1703 tot ernstige problemen; de magistraat wees zoals in de vorige jaren en conform de resolutie uit 1684 haar keurmeesters aan en wist haar dienstverband aldus verlengd; echter de meente voelde zich rechtens gepasseerd. Zij was van mening dat de situatie van voor het Regeringsreglement hersteld diende te worden en dat er dus zes keurmeesters uit haar college bij de keur betrokken dienden te worden. De meente hoopte aldus haar in de loop der jaren uitgeklede machtspositie te herstellen. De meente schreef op eigen iniatief, hetgeen zij overigens niet mocht, de 13e april een vergadering uit waartoe zij ‘borgeren en ingesetenen’ uitnodigde. Dat de meente geen grote aanhang onder de stadsbevolking had blijkt uit het feit dat men deze vergadering ten huize van Hermen van Benthem belegde.28 [28. O.A.S. inv. 8 fol. 113. Het recht om de vergadering van de meente bijeen te roepen berustte bij de burgemeester ‘in der tyd’ (Berends 6).]
Die grote aanhang hadden wel ‘verscheidene principale borgers’, want zij kwamen nog dezelfde dag bij de magistraat om toestemming te krijgen om de burgerij in de Kleine Kerk bijeen te laten komen.
De burgerij kwam met een eigen interpretatie omtrent hetgeen er volgens de oude gewoonten diende te gebeuren. Zij beriepen zich op oude privileges volgens welke het in het verleden gebruikelijk was geweest om bij belangrijke gebeurtenissen geëigeerden of burgergecommitteerden te raadplegen; vandaar het initiatief om de burgerij bijeen te laten komen.29 [29. Kronyk 426-427. O.A.S. inv. 8 fol. 116.]
De uitkomst van de vergadering van de meente was dat men naast de deelname van zes personen aan de magistraatskeur -hetgeen volgens oude rechten haar toekwam- eiste dat de meente tot een vaste meente werd. Dit laatste hield in dat de personen ‘ad vitam’ in dit college zitting hadden en de meente door coöptatie in haar vacatures zou voorzien.30 [30. O.A.S. inv. 8 fol.] De meente zou aldus voor de magistraat een machts-

|pag. 39|

factor worden, waar zij rekening mee diende te moest houden; immers een slechte politieke relatie met de meente zou tijdens de eerstvolgende magistraatskeur tot het afzettten van één of meer burgemeesters kunnen leiden. Ofschoon de meente nog diezelfde dag door de magistraat tot een vaste meente werd bevestigd, was de onrust die er in de stad heerste, nu raad en meente wederom op één lijn zaten, nog niet voorbij.31 [31. Kronyk 424-426 e.v.]
De burgerij stond op haar vermeende recht om bij een dergelijk gewichtige zaak betrokken te worden en toen tijdens de bijeenkomst van ‘de gesamentlyke borgerij’ het gerucht ging dat de meente zich had opgeworpen tot een vaste meente, benoemde de burgerij twaalf gecommitteerden die men het volgende in mandaat gaf: ‘om de heeren van de gemeente te vragen of haar Ed: nog in haar oude qualiteit zijnde of zij neffens de borgemeesters weder hebben verkoren en een nieuwe qualiteit zijn zo zullen de gecommitteerdens de heeren van de gemeente bedanken als wanneer de gecommitteerdens zig zullen addresseren bij de Heeren Borgemeesters en haar Ed: voordragen waarom haar Ed: Achtb: zulks zonder comminicatie van de borgerij hebben gedaen’.32 [32. Ibid. 427-428.] Toen die middag bleek dat de meente op eigen initiatief zich tot een vaste meente had benoemd, werd zij bedankt voor haar diensten want de gecommitteerden wilden met een dergelijke meente, volgens haar onwettige meente, niet overleggen.33 [33. Ibid.] De consequentie van het ontslag van de oude meente was, dat er een nieuwe meente diende te worden gekozen en de burgerij zag het als haar taak om deze keuze te verrichten. Het schijnt dat men dit recht ontleende aan de historische opvatting welke omtrent het ontstaan van de meente-instelling -als zijnde ontstaan uit de oude marke- leefde: de meente vertegenwoordigde alle gebruikers van de meenten en dus in vroegertijd alle burgers.34 [34. Meesters 43-53. Een opvatting die niet alleen in de 18e eeuw bij de burgerij bestond maar die aan het eind van de 19e eeuw zelfs aanleiding gaf om J.H.E. Meesters dit onderzoek te laten instellen naar het bezitsrecht van de meenten.]
Diezelfde 14 april koos de gezamenlijke burgerij een nieuwe (plooise) meente welke nog diezelfde avond door de magistraat werd beëdigd.35 [35. Kronyk 430-432.] Dat de magistraat schijnbaar zo gemakkelijk en zonder dat zij protest aantekende over stag ging, wekt mogelijk onze bevreemding maar kan niet anders verklaard worden dan uit het feit dat de nieuw opgeworpen meente steunde op het overgrote deel van de burgerij en zich bij haar ‘staatsgreep’ beriep op rechten die de magistraat moeilijk kon weerleggen. Tevens kon de magistraat, die zoals we reeds stelden op een zeer smalle basis regeerde, zich tegen dit getalsmatig en sociaal-economisch sterke blok onvoldoende aanhang mobiliseren.
De gedeputeerden die de 15e of 16e april naar Steenwijk kwamen om daar de zaak te onderzoeken en zo te regelen dat de rust in de stad zou worden hersteld, troffen dus een stadsbestuur aan met een nieuwe-plooise meente. Toch besloten de heren de situatie te laten zoals hij op dat moment was (hadden de heren Beeldsnider en de Drost van Vollenhove plooise sympathieën?) hetgeen een duidelijke overwinning van de nieuwe plooi betekende.36 [36. St. arch. Ov. 284 fol. 39 en 48. Er wordt in de brief van 8 mei gesteld dat de situatie hersteld dient te worden zoals hij op 17 april was.] Tevens stelden de
gedeputeerden voor, en hiermee erkenden ze nogmaals de plooise rechtsinterpretatie, dat een nieuwe burgercommissie met de raad en meente in overleg zou treden om de nog bestaande geschilpunten in goed overleg op te lossen. De gedeputeerden hadden schijnbaar vertrouwen in de Steenwijker burgerij aangezien zij vertrokken voordat de problemen waren afgewikkeld; dat lieten zij over aan de magistraat, de nieuwe plooise meente en een aantal uit de burgerij aan te stellen gecommitteerden.37 [37. St. arch. Ov. 4086. Uit het naschrift van de brief refereert de burgerij naar deze afspraak met de gedeputeerden.] De 17e april kwamen de burgers opnieuw bijeen; ditmaal om het verloop van de gebeurtenissen te

|pag. 40|

evalueren; om nieuwe gecommitteerden te kiezen en een ‘propositie uit name van de burgerij’ op te stellen (zie bijlage 1).38 [38. Kronyk 430-436.] Het is deze propositie die onze aandacht ten zeerste verdient, want dit stuk geeft ons niet alleen een duidelijk beeld van de door de burgerij gesignaleerde misstanden begaan door het stadsbestuur, maar zij geeft ons vooral een beeld van de politieke veranderingsgezindheid die onder de burgerij leefde. De strekking van dit request was dat de macht van de magistraat gelimiteerd werd en dat de (gegoede) burgerij meer bij de stadszaken betrokken hoorde te worden. Er dienden ieder jaar twee burgemeesters ‘af te gaan en dan weer twee nieuwe’ zouden ‘verkoren worden in deszelfs plaets’. De verkiezing van die burgemeesters diende door zes meenslieden en zes burgers te gebeuren. De meente diende een gestabiliseerde meente te worden, die zichzelf aanvulde en aldus een van de magistraat onafhankelijke machtsfactor zou vormen. Het afhoren van de rekeningen van de verschillende onder de stad ressorterende instellingen (het gasthuis, de Swindermans, de memorie, het kapittel, de bank van lening) diende te gebeuren in het bijzijn van de meente en twaalf gecommitteerden uit de burgerij. Ook werden er allerlei restricties voorgesteld om de mogelijkheid tot familieregering en vriendjespolitiek te beperken.39 [39. Ibid. 433-436.]
Toen dit stuk door de gecommitteerden aan de raad en nieuwe meente werd voorgelegd, gingen deze na lang vergaderen (wat was de invloed van de nieuwe meente?) met bijna alle punten akkoord. Alleen op punt vijf van het request vroeg de magistraat acht dagen bedenktijd. Dit punt betrof de Bank van Lening. De magistraatsleden zagen deze instelling als een particuliere instelling die aan hen toebehoorde en niet aan de stad. Afgesproken werd dat de magistraat met bescheiden haar rechten zou aantonen.40 [40. Ibid. 436-437.] Toen de magistraat vervolgens niet de juiste bescheiden kon overleggen en tevens de burgergecommitteerden, die op instigatie van de gedeputeerden van de Staten waren benoemd, niet wenste te erkennen, werd door de eerst- en laatstgekozen gecommitteerden, onder druk van de op de markt verzamelde burgerij, besloten om de magistraat af te zetten en conform de propositie een nieuwe magistraat te benoemen.41 [41. Ibid. 437-441.] De burgers zijn schijnbaar tot deze revolutionaire daad overgegaan omdat het niet erkennen van de burgergecommitteerden de magistraat even zwaar werd aangerekend, als een paar dagen eerder de meente, die buiten de burgervertegenwoordigers om had besloten zich tot een vaste meente aan te stellen.
De afgezette magistraat tekende, zoals we weten, vervolgens bij de Ridderschap en Steden protest aan, waarna de Staten de restauratie aanvingen.42 [42. St. arch. Ov. fol. 48—50, 63-65, 71, 74, 85, 97-98, e.v.] Tijdens dit herstel valt ons de voorzichtige aanpak van de Staten op; na een onderzoek waarbij beide partijen gehoord werden, kwam op 8 mei de resolutie af waarin het terugdraaien naar de situatie van voor 17 april werd bevolen, maar waarbij de Staten tevens de nieuwe plooiers uitnodigden om hun bezwaren aan haar voor te leggen.43 [43. Ibid.] Deze redelijke houding van de Staten veranderde toen de burgerij de Staten militie weigerde in te kwartieren; daarmede was sprake ‘van gequeste majesteit’44 [44. Ibid. fol. 64.] Dit openlijk verzet tegen de Staten werd de burgerij van Steenwijk veel kwalijker genomen dan hetgeen in de stad was gebeurd. De personen die later vervolgd werden, nam men met name kwalijk dat zij de wapenen tegen de militie hadden opgenomen; veel minder werd hen euvel geduid dat zij hun stadsregering terzijde geschoven hadden.45 [45. Kronyk bijlage 26.] Uit de hele benadering van de problemen te Steenwijk blijkt dat de Staten rekening hielden

|pag. 41|

met de machtige lobby der nieuwe plooiers. Vanuit die optiek kunnen we begrijpen dat de Staten in november 1703 drie rechtgeaarde plooiers in de door haar geformeerde meente benoemden; we krijgen begrip voor de compromis-houding welke de Staten aanvankelijk innam in het conflict tussen het kerk- en stadsbestuur (en de latere duidelijke keuze voor de kerkeraad) en ons wordt duidelijk waarom de Staten van de voorgenomen vervolging van een aantal plooiers een farce maakten, welke eindigde in een soortement amnestie-regeling.46 [46. Ibid. fol. 22-26.]

     6.3. De Plooierijen verklaard vanuit de economische ontwikkeling.

In het roerige jaar 1703 stelde de burgerij twee requesten op, waaruit wij kunnen destilleren wat de burgerij met haar actie wilde bereiken. Met name het eerste in die revolutionaire dagen door de ‘gesamentlyke borgerij’ opgestelde request geeft ons niet alleen een opsomming van allerlei misstanden in de stadsregering en voorstellen om die te bestrijden door een ander ‘democratischer’ politiekbestel, maar bevat voorts enkele punten welke in verband kunnen worden gebracht met de verslechterende economische toestand.47 [47. Kronyk fol. 433-436.] De gilden eisten herstel van hun oude privileges; de opslaghouders van weiderecht op de stadsmeenten wensten dat zij, zonder daarvoor te hoeven betalen, van dit oude burgerrecht gebruik konden maken en neringdoenden en handelaars vonden dat de tol die bij gebruik van het Nieuwe Diep werd betaald, moest worden afgeschaft voor alle artikelen behalve turf.48 [48. Ibid.]
Welke privileges de gilden hersteld wensten te zien heb ik niet kunnen achterhalen, echter het hameren op dergelijke oude rechten dienen wij hoogstwaarschijnlijk te verklaren als een poging om in het verslechterende economische klimaat de rijen van de eigen ambachts- en neringsgroep te sluiten. Zoals we reeds eerder stelden kende de stad in de periode 1675-1723 een explosieve bevolkingstoename, want in minder dan vijftig jaar tijd verdubbelde bijna het inwonerta1.49 [49. Samenleving 71.] Onder de vele migranten die in de stad neerstreken, waren er vanzelfsprekend verschillenden die trachtten hun oude professie op te starten of iets nieuws ondernamen, maar daarmee kwamen zij in het vaarwater van de gevestigde beroepsgroepen. De gildereglementen bevatten allerlei maatregelen om de eigen beroepsgroep tegen dergelijke vrije vestigingen in de stadsjurisdictie te beschermen.50 [50. O.A.S. inv. 8 onder andere fol. 60, 101, 144, 161.] Toch legde niet iedere migrant zich op voorhand bij het gildereglement neer en moest de magistraat ingrijpen om overtreders te beboeten. Zo vaardigde het stadsbestuur bijvoorbeeld op 2 april 1694 op instigatie van het bakkersgilde een resolutie uit waarbij het verboden werd om in de jurisdictie van de stad brood van daar buiten te verkopen.51 [51. Ibid. hier fol. 60.]
Ook het agrarische bedrijf had het in deze periode erg lastig; niet zo zeer daar het door de toestroom van elders in zijn bestaan werd bedreigd maar doordat de landbouwsector in z’n totaliteit getroffen werd door een zeer ernstige economische krisis die reeds decennia lang aanhield en welke rond de eeuwwisseling haar dieptepunt nog niet had bereikt.52 [52. Agrarische geschiedenis 233.] Het najaar van 1701 en het voorjaar van 1702 was voor de agrariërs in de omgeving van Steenwijk extra dramatisch, want de Zuiderzeedijken braken door en zetten grote gebieden onder brak water. De landerijen werden zo ernstig beschadigd dat de boeren in 1702 nauwelijks inkomsten van hun land verkregen; terwijl

|pag. 42|

de vaste lasten (pacht en herenschatting) wel moesten worden opgebracht. Het gevolg was dat veel agrariërs in 1702 fors op hun vermogen inteerden.53 [53. Kronyk 423. Zie ook punt 3 op Kronyk bijlage fol. 19.]
Ofschoon ongeveer zo’n 30 % van de stadsbevolking tot de agrarische beroepsgroep behoorde, waren er veel meer burgers die grote belangen in het agrarischbedrijf hadden.54 [54. Samenleving 476-477.] Op ongeveer de helft van de huizen in de stad rustte het zogenoemde ‘opslagrecht’, hetgeen betekende dat de bewoner, mits hij het burgerrecht bezat, een gelimiteerd aantal runderen en paarden op de stadsmeenten mocht laten weiden.55 [55. Meesters 144-147.] Voor dit opslagrecht dienden de uitoefenaars ervan jaarlijks naast het gezworengeld (voor de door de stad aangestelde toezichthouders) en de herenschatting, tevens het aan de stad toevallende ‘opslaggelt’ betalen. Dit opslaggeld was in de loop der jaren herhaaldelijk verhoogd en na de slechte opbrengsten in 1702 waren verschillende meentegebruikers niet in staat om dit geld op te brengen.56 [56. Kronyk bijlage fol. 19 punt 3.] In de ‘Brieven van beswaaren’ heette het dan ook dat de ‘borgers dikwijls niet alleen haar laatste stuiver hebben moeten betalen: neen maar oock dickwijls haar inboei in de bank van leninge hebben moeten brengen en alsoo dat opslaggelt te betalen en haar beessies op de Meenthe te krijgen’.57 [57. Ibid.] De nieuwe plooiers beriepen zich erop dat de meente ‘ingevolge oude gerigtsbrieven’ vrij te gebruiken behoorde te zijn. Zij waren van oordeel dat de meente, gemeenschappelijk bezit was en dat het stadsbestuur deze rechten van de burgerij met voeten getreden had. Want niet alleen liet men de burgers voor hun opslagrecht geld betalen, ook had het stadsbestuur deze gemeenschapsgronden slecht beheerd en zelfs aangewend om eigen voordeel eruit te behalen. Het stadsbestuur stond bijvoorbeeld het gasthuis toe om haar veestapel op de meente te laten weiden, terwijl deze instelling daartoe niet gerechtigd was.
Men had op het ‘Gemeene velt’ boekweit laten verbouwen terwijl de burgerij dit veld nodig had om plaggen te steken en er was een wal aangelegd waardoor verschillende burgers niet bij hun weiland en hun leemafgraving konden komen. Tevens had het stadsbestuur verschillende keren stukken stads- of collegiënlanden (van kapittel, gasthuis, memorie) binnenskamers verhuurd; terwijl dit in het openbaar diende te gebeuren. De pachters waren o.a. twee burgemeesters en een meensman.58 [58. Ibid. fol. 18-23. De genoemde punten staan expliciet in de lijst met 25 bezwaren.] Dit en andere zaken maakten dat de lieden die in het agrarisch bedrijf belangen bezaten in 1703 genoeg redenen hadden om zich achter initiatieven te scharen welke ten doel hadden de zittende magistratuur te vervangen.
Naast dat we eisen van de ambachtslieden, de neringdoenden en de landbouwers in het eerste request en de brieven van bezwaar aantreffen, was er nog een belangengroep die haar bezwaren tegen de zittende magistraat aanscherpte en redenen kon hebben om van een nieuw bestuur verbeteringen te verwachten. Dit waren de handelslieden. Steenwijk was vanwege haar marktfunctie in een groot verzorgingsgebied een stad waar men relatief veel handelaren aantrof (in 1795: 23,5%. van de beroepsbevolking).59 [59. Samenleving 163.] Ook velen uit deze groep werden indirect getroffen door de malaise in de agrarische sector. Een belangrijk deel van het handelspakket bestond uit artikelen die de agrarische sector voortbracht. Door de sterk gedaalde prijzen daalden de winstmarges vaak navenant. Tevens veroorzaakte het sterk gedaalde bestedingsniveau van de agrariërs een dalende afzetmarkt voor met name luxe-handelsartikelen. De handelaren ervoeren dat de ‘coophandel van de stad ..bijna neringloos’ werd gemaakt, doordat ‘tegens en buiten de belofte nog gevordert een tol

|pag. 43|

op het Nieuwe Diep, waardoor de handel van hier’ werd ‘verbannen en op andere nabuurige plaetsen getrokken’. Zij vonden dan ook dat ter verbetering van hun concurrentie en ter ondersteuning van het behoud van de marktfunctie van de stad de tolheffing diende te worden afgeschaft. Hetgeen schijnbaar al eens eerder was beloofd maar door de heren bestuurders niet was uitgevoerd.60 [60. Kronyk fol. 334 punt 4 en bijlage fol. 18-19]
De handelaren hadden daarnaast nog meer punten van kritiek o.a. waren zij het oneens met de wijze waarop het stadsbestuur haar accijnsen verpachtte. Dit gebeurde vaak onderhands zodat deze vaak lucratieve posten bij factiegenoten van het stadsbestuur terecht kwamen en andere gegadigden er niet konden meedingen. Daardoor werd niet alleen de handelaren een inkomensbron ontnomen maar ook de stad werd benadeeld, want bij een publieke verpachting zou de opbrengst stellig hoger uitkomen.61 [61. Ibid. bijlage fol. 19 punt 8.]

Aldus blijken dat aan de vooravond van de Plooierijen de verschillende beroepssectoren allen voldoende redenen gehad hebben om zich op te werpen tegen het zittende stadsbestuur en van een eventueel nieuw stadsbestuur een betere belangenbehartiging te verwachten.

|pag. 44|

– Tuit, J. (1987). De plooierijen te Steenwijk. (Scriptie M.O. II.). Geschiedenis, Noordelijke Leergangen, Zwolle.

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.