Hoofdstuk 4. De gebeurtenissen


     4 DE GEBEURTENISSEN

     4.1 De roerige jaren 1703-1706.

     Na de dood van Stadhouder Willem III op 19 maart 1702 bleef de zittende magistratuur, zonder dat ons problemen bekend zijn, de stad Steenwijk besturen. De jaarlijkse magistraatskeur aan het begin (25 januari) van 1703 passeerde schijnbaar nog zonder vermeldenswaardige problemen: in elk geval de bronnen maken hiervan op generlei wijze melding. Toch deden zich spoedig daarna moeilijkheden voor en ofschoon wij omtrent deze voorgeschiedenis weinig bronvermelding voor handen hebben, valt de mogelijke ontwikkeling met vrij grote zekerheid te reconstrueren. Evenals in andere plaatsen waar de Plooierijen zich manifesteerden, ontwikkelde het conflict in Steenwijk zich volgens het Gelderse patroon: de Gezworen en Minder meente stond tegenover de magistraat. De moeilijkheden hadden duidelijk te maken met het machtsvacuum dat na de dood van Willem III ontstond.1 [1. Wertheim 58-62.] Na de magistraatskeur immers diende de nieuwe magistraat op 22 februari nieuwe meenslieden te benoemen. Echter aangezien na de verkiezing de ‘approbatie’ van de nieuwe magistraat volgens het regeringsreglement door de Stadhouder diende plaats te vinden en hierin door het sterven van Willem III niet was voorzien, ontstond een onduidelijke situatie: was de nieuwe magistraat immers wel tot de meensliedenkeuze bevoegd en diende niet de regeling van voor 1672 weer van kracht te worden?2 [2. Ibid. hier 18.]
Steenwijk had voordat het regeringsreglement in 1675 werd ingesteld zelf de keur in handen. Met de instelling van het stadhouderlijke reglement was men echter die autonomie kwijtgeraakt en had de Stadhouder-welgevallige regentuur de machtsposities vrijelijk kunnen verdelen. Door het wegvallen van de beschermheer der zittende regenten achtten de meenslieden de kans schoon om van de onduidelijke situatie gebruik te maken om hun grieven tegen de magistraat aan de kaak te stellen. Een van de belangrijkste geschilpunten was de wijze waarop de keurmeesters voor de magistraatskeur werden aangewezen. Volgens het stadrecht diende dat te gebeuren door zes uit de meente en zes uit de burgerij gekozen keurmeesters.3 [3. O.A.S. inv. 9 fol. 174. Zie tevens de eisen van de meenslieden op 13 april (kronyk 422).] De praktijk was echter dat sedert 1684 de magistraat vrij was in het aanwijzen van de keurmeesters; de enige restrictie was dat er zes uit de beide kluften dienden te komen.4 [4. O.A.S. inv. 7 fol. 323. Kronyk 273.] De laatste jaren voor de Plooierijen had de magistraat ter gelegenheid van de magistraatskeur de gemeenslieden bijna geheel gepasseerd.5 [5. St. arch. Ov. inv. 4086. Zie het nawoord van de lijst met 25 artikelen van bezwaar.] De meente eiste nu dat de magistraatskeur weer ‘als van olds’ zou plaats vinden, waarbij de magistraat verplicht werd om naast zes burgers tevens zes meenslieden aan te wijzen.6 [6. Kronyk 424.] De meente zou aldus enige invloed kunnen uitoefenen op de regenten in het stadsbestuur; immers de magistraat was voor haar verkiezing deels afhankelijk van haar relatie met de meenslieden zoals ook de meenslieden bij hun keur afhankelijk waren van de magistraat.
De problemen tussen meente en magistraat duurden de gehele maand maart en leken in april tot een ontknoping ten nadele van de zittende magistraat te komen. Op 13 april werd ten huize van Hermen Benthem op uitnodiging van de Grote meente en Minder meente een vergadering belegd waartoe, zoals we in het memoriaal lezen: ‘borgeren en ingesetenen mede daertoe geresolveert syn en niet anders in ruste te brengen syn’.7 [7. Ibid. Zie tevens O.A.S. inv. 8 fol. 113.] Deze laatste vermelding omtrent de onrust in de stad slaat waarschijnlijk op een andere beweging die

|pag. 17|

zich in deze politieke machtstrijd had opgeworpen. Want naast de groep der meenslieden die van de onduidelijke situatie gebruik wilde maken om hun machtspositie te verbeteren, was er tevens een andere groep die mogelijkheden zag om veranderingen te weeg te brengen en invloed op het stadsbestuur te verkrijgen. Deze laatste groep kunnen wij die der Nieuwe Plooiers noemen. In plaats van de vergadering van de meenslieden bij te wonen, besloten zij i.v.m. de uitnodiging/resolutie eerst de burgerij bijeen te laten komen. Op diezelfde 13e april hielden ‘verscheidene principale borgers’ een bijeenkomst ten huize van ene Hans Veeneman om een plan de campagne te ontwikkelen.8 [8. Kronyk 426-427.] Er werden uit deze vergadering vier personen gecommitteerd (oud-burgemeester Johan Kroeven, Jan Nessink, Gillis van Randen en Lucas Wijnhold) om aan de magistraat te verzoeken ‘aldewijl de Borgers Raad en meente over hare Stads Saken hadden te Spreeken. .’, de Kleine Kerk voor de burgerij beschikbaar te stellen.9 [9. Ibid.] Tevens spraken de gecommitteerden op het Raadhuis de heren van de meente en maakten met hen een afspraak om de volgende dag om èèn uur ’s middags te vergaderen.10 [10. Ibid.]
Voorafgaande aan die vergadering zou de burgerij om ’s morgens negen uur in de Kleine Kerk bijeenkomen.11 [11. Ibid.]
De volgorde van de gebeurtenissen op die dertiende april is niet bekend, doch hoogstwaarschijnlijk vertrouwden de meenslieden de afloop van de samenkomst van de burgerij de volgende dag niet, en om een eventueel nadelige ontwikkeling voor te zijn, ondernamen zij tijdens hun geplande vergadering ten huize van Harmen Benthem, een aantal tegenzetten. Er werd aan de magistraat verzocht:
1. de meente en Mindere meente tot een vaste meente te stabiliseren (zodat iedere meensman zitting had voor het leven);
2. de keur van de magistraatspersonen in het vervolg jaarlijks -naar oude gewoonte- te laten geschieden door de helft van de Gezworen meente en Mindere Meenhe en de helft van de burgerij (door zes gekwalificeerde burgers).12 [12. Ibid. 424. Zie tevens O.A.S. inv. 8 fol. 113.]
De zittende gemeenslieden eisten nog diezelfde dag van de magistraat een antwoord met ‘jae of nee’. Mocht het ‘ja’ zijn dan zouden de meenslieden er voor ijveren ‘dat de burgemeesters, borgeren en ingeseten welvaart worde besorgt en wedersijds in geruste zecuriteit gesteld’ werd. Bij afwijzing zou de meente zich opnieuw beraden over de te ondernemen actie.13 [13. Ibid.]
Het eisenpakket van de heren van de Gezworen meente en Minder meente werd nog diezelfde dag door de magistraat geakkordeerd, doormde stadssecretaris ondertekend en ‘en ten teiken van waerheid …en om meerder vestenisse met het stadszegel bekragtigd’.14 [14. Kronyk 425.] Men liet er dus geen gras over groeien!
De ochtend van de veertiende april kwam de burgerij in de Kleine Kerk bijeen. Uit deze vergadering werd een twaalftal personen gecommitteerd om in overleg met de meente te treden. Alvorens men echter met dit college ging spreken, dienden de gecommitteerden aan de meenslieden de vraag te stellen in welke kwaliteit zij aanwezig waren: of zij nog als de oude zittende meenslieden hun taak vervulden of dat zij, gelijk de burgemeesters, weder waren verkozen.
Mocht dit laatste het geval zijn dan hadden de gecommitteeren geen belang in overleg met de meente doch zouden zij zich wenden tot de burgemeesters -die immers normaal gesproken de verkiezing zouden hebben verricht- om te vragen waarom zij dit zonder ‘communicatie met van de borgerij hebben gedaen’ 15 [15. Ibid. 427-428.] Tijdens het gesprek van de gecommitteerden van de burgerij met de meenslieden ten huize van

|pag. 18|

Benthem bleek dat de meente zichzelf had aangesteld tot een vaste meente en dat de meenslieden dus ‘ad vitam’ in functie bleven. De gecommitteerden wensten daarop geen overleg meer te hebben met de meente.16 [16. Ibid.] Zij ontboden de gerichtsdienaar Hidde Veltkamp ten huize van Hans Veeneman en zeiden hem aan de magistraat mede te delen dat de burgerij van zins was om diezelfde avond om zes uur wederom in de Kleine Kerk bijeen te komen en te debatteren over het gebeuren van die dag. Verder wensten de gecommitteerden een overleg met de burgemeesters.17 [17. Ibid.] De gerichtsbode kwam terug met de boodschap dat de magistraat om drie uur op het stadhuis bijeen was. De gecommitteerden die uit de vergadering ten huize van Hans Veeneman werden afgevaardigd, kregen opdracht om aan de magistraat te berichten dat de burgerij -aangezien zij de oude meente als niet wettelijk erkende- in de avondbijeenkomst van plan was om een nieuwe meente te kiezen. De magistraat zou deze meente daarna de eed moeten afnemen.18 [18. Ibid.] De magistraat door de onrust in de stad onderdruk geplaatst, kwam er na twee uren vergaderen uit: zij zouden de nieuwe meente beëdigen, ‘mits dat in de acte worde gesteld dat zulks was met wille van de borgerij’.19 [19. Ibid. 429-430.] De gecommitteerden verzochten de magistraat om op het stadhuis bijeen te blijven tot de verkiezing van de meenslieden had plaats gevonden.20 [20. Ibid.] Die avond werd in de Kleine Kerk bij pluraliteit van stemmen tot meenslieden geëligeerd het volgende twaalftal:

uit de oosterkluft uit de westerkluft
Johan Kroeven Jochem Ram
Gilles van Randen Dr. Dortman
Garbrand Boncke Jan van der Velden
Dr. Riekman Ram Jan Nessink de Olde
Jacob Mensen Jan Hilbrands Moerman
Lucas Wijnhout Hilbrand Prinsen 21 [21. Ibid. 426, 430.]

Bij het afnemen van de eed diezelfde avond, werd door vier gecommitteerden uit de burgerij geresolveerd dat de meenslieden jaarlijks bij het afhoren der rekeningen aanwezig dienden te zijn en dat de nieuwe meente een vaste meente werd met leden voor het leven benoemd (dit waarschijnlijk om een terugdraaien door de magistraat te voorkomen).22 [22. Ibid. 426, 430. 431.] Tevens zou de burgerij de volgende week dinsdag de zeventiende april opnieuw in de Kleine Kerk bijeen komen om gerapporteerd te worden over de laatste ontwikkelingen rond de bestuursinstelling.23 [23. Ibid. 431.]
Tijdens deze bijeenkomst die dinsdagmorgen om 8 uur werd gehouden, deden de gecommitteerden en de meenslieden verslag van hun bevindingen. De onvrede onder de ‘gemeene borgerij’ t.o.v. de nog zittende magistraat was zo groot dat men wederom een twaalftal gecommitteerden uit de burgerij afvaardigde om een uit dertien artikelen bestaande resolutie (bijlage 1), ondertekend door 207 gekwalificeerde burgers, aan de magistraat te overhandigen en de afwikkeling daarvan te behartigen.24 [24. Ibid. 433-436.] De gerichtsbode werd verwittigd om de heren van Raad en meente op te roepen om ‘tegens de klokke van één uur’ op het stadhuis over de resolutie van de burgerij te vergaderen.25 [25. Ibid. 431.] De vergadering van de burgerij werd ontbonden en de gecommitteerden wachtten in het huis van Hans Veeneman de uitslag van de vergadering van Raad en meente af. Toen er om vijf uur nog geen bericht bij hen was binnengekomen, stuurden zij de stadsdienaar Hendrik Tinga naar het stadhuis met de dringende boodschap dat de gecommitteerden in afwachting waren van het standpunt van de vergadering.26 [26. Ibid. 432.]

|pag. 19|

De stadsdienaar kwam even later terug met het bericht dat men nog bezig was en dat men een kort rapport aan de gecommitteerden zou doen toekomen. Maar even later werden de gecommitteerden uitgenodigd om op het stadhuis te verschijnen en de reactie van de Raad en meente op de gemaakte resolutie aan te horen. De Raad en meente ging heel ver -waarschijnlijk diende zij zo ver te gaan door de aanwezigheid en onder druk van de nieuwe meenslieden- in de aanname van de door de burgerij gestelde punten. Toch bleef één punt open staan en dat betrof de ‘Bank van Lening’. De magistraat beweerde dat deze instelling een particulier initiatief hunnerzijds betrof, terwijl de burgerij beweerde dat het hier om een stadsaangelegenheid ging, hetgeen ook uit oudere stukken in de memorialen zou blijken. De magistraat vroeg acht dagen tijd om aan te tonen ‘wat haar in particulier was rakende en wat de stad in het gemeen was rakende’.27 [27. Ibid. 433-437.] Het meningsverschil over dit ene punt zou echter spoedig het struikelblok blijken, waarop de korte samenwerking tussen de twee partijen stuk liep. Maar daarover verderop meer.
De troebelen in het Steenwijkse waren onderwijl ook niet het gewestelijke bestuur ontgaan en op de Landdag van 17 april te Kampen werd er voor het eerst over gesproken. De Drost van Vollenhove (Adolf Hendrik Graaf van Rechteren) en de Kamper burgemeester Beeldsnyder Steenbergen kregen opdracht om polshoogte in Steenwijk en Vollenhove -waar eveneens een dergelijke tumultueuze beweging opgang was gekomen- te nemen en maatregelen te treffen opdat ‘niemand in syn recht werde verkortet of geprojudiceert maar dat alles verbleven in syn geheel tot dat daar over nader gedisponeert sal werden, endat inmiddels de rust en enighit werde herstelt’.28 [28. St. arch. Ov. inv. 284 fol. 39.]
Omtrent het bezoek van deze twee afgevaardigden is weinig bekend, maar in een ‘brief van beswaar’ aan Ridderschap en Steden van Overijssel d.d. 23 juni refereren de opstellers eraan dat destijds op instigatie van deze twee heren de burgerij gecommitteerden had afgevaardigd om de ‘saecken met de magistraat so mogelyck af te handelen’. De magistraat was echter niet van zins geweest deze gecommitteerden te erkennen, waarop de zaak op 22 april explodeerde.29 [29. St. arch. Ov. inv. 4086. Zie slotwoord bij lijst van 25 artikelen. De burgerij verdedigt het afzetten van de Magistraal door te verwijzen naar de onwil van dit college om de op aandringen van de gedeputeerden van de Staten aangestelde burgergecommitteerden te erkennen.]
Die tweeëntwintigste april werd de Landdrost wederom in de stad verwacht en om hem te ontvangen waren de gecommitteerden van de burgerij ’s morgens om zeven uur ten huize van Hans Veeneman vergaderd. Gelijktijdig was de burgerij op de markt verzameld. Tot tweemaal toe werd een viertal gecommitteerden uit de verzamelde burgers naar deze vergadering gestuurd met de boodschap dat men nu knopen diende door te hakken (waarschijnlijk was de Landdrost nog niet gearriveerd); er werd zelfs een ultimatum gesteld: de burgers wilden nog wel een uur wachten indien men ondertussen het voorhuis van het stadhuis kon innemen en een burgerwacht kon posten. Na vijfenhalf uur vergaderen werd door de eerste en laatste gecommitteerden uit de burgerij -‘bij pluraliteit van stemmen en mede op instantelijk aenhouden van een groot aantal van de burgerij besloten de zittende magistraat, aldewijl de Heeren van de magistraat niet hebben gelieft de gecommitteerden uit de borgerij in haar qualiteit te erkennen’- besloten de heren van de magistraat uit hun ‘officie’ te ontslaan. Tevens werden de heren gecommitteerden uit de burgerij en de nieuwe meenslieden geautoriseerd om keurmeesters aan te stellen zodat op korte termijn een nieuwe magistraat kon worden gekozen.30 [30. Kronyk 437-440.] De volgende dag vond reeds de aanstelling van de nieuwe magistraat plaats, waarvoor de volgende personen werden

|pag. 20|

gekozen:
     Nicolaas van Ramshorst
     Dr. Riekman Ram
     Remmelt de Ruiter
     Antonie van Biesen
     Peter Stuissand
     Gilles van Randen 31 [31. Ibid. 440.]

Saillant detail was dat Gilles van Randen zijn benoeming dankte aan het feit dat een eerdere kandidaat (Garbrand Boncke) zijn benoeming niet aannam en volgens het stadrecht de boete op het niet nakomen van deze burgerplicht betaalde.32 [32. Ibid/]
In Steenwijk had aldus de Nieuwe Plooi middels een kleine stadsrevolutie de macht overgenomen; echter het pleit was allesbehalve in haar voordeel beslecht.
De gepasseerde factie deed zijn beklag bij de Ridderschap en Steden.33 [33. Ibid.] De reactie van de Staten liet niet lang op zich wachten.
Op 7 mei kreeg men een verslag van de inspectietocht die de Drost van Vollenhove en de Kamper burgemeester Renthuis naar Steenwijk hadden ondernomen.34 [34. St. arch. Ov. inv. 284 fol. 39.]
Op 8 mei volgde een mondelinge rapportage en tijdens diezelfde landdag vaardigde men een resolutie uit waarin de burgerij van Steenwijk werd geordonneerd om alles wat er sedert 17 april was gepasseerd te herstellen in de staat zoals zij voor de ‘voorgemelde resolutie’ (d.i. de eerste resolutie van de Ridderschap en Steden d.d. 17 april) en ‘seditie’ was geweest. In deze resolutie die nog diezelfde negende mei onder het zegel van de provincie werd afgelezen en aangeplakt, stond o.a. dat de oude magistraat in ere diende te worden hersteld en dat de mogelijkheid bestond dat degenen die zich met de opstand hadden bezig gehouden zouden worden vervolgd. Tevens kondigden de Staten aan dat zij gegevens wensten omtrent de problemen welke aanleiding hadden gegeven tot de onrust in de stad. Daarom werden de burgers en ingezetenen van Steenwijk uitgenodigd om op vrijdag 10 mei naar Kampen te komen ‘te mogen voordragen hare klagten welke deselve met regtmatigheid souden kunnen allegeren wegens verkortinge van haar rechtmatigheid en wel heen gebragte costumen en privelegien’. De Ridderschap en Steden beloofden ‘nae verhoor en eximanatie sodanig’ te ‘sullen disponeren als ten beste van burgerie en ten dienste van gemelde stad Steenwijk bevonden’ zou worden.’35 [35. Ibid. fol. 48.]
De Staten van Overijssel geloofden schijnbaar niet geheel erin dat met deze resolutie alle problemen zouden worden opgelost want nog diezelfde dag gaven zij patent om drie compagniën van de ‘quardes te paard’ naar de stad te sturen om zich aldaar in te kwartieren.36 [36. Ibid. fol. 49.]
En inderdaad was de onrust in de stad middels de resolutie van 8 mei niet gesust, want toen de burgers op de tiende mei vernamen dat er een militie op komst was, sloten zij de poorten -die in een te vervallen staat verkeerden om ze te sluiten- af met mestwagens.
Toen het detachement uit Zwolle voor de ‘gesloten’ stad aankwam, werden drie officieren de stad binnengelaten om, zoals dit behoorde, op het stadhuis de eed van trouw aan het stad af te leggen; de officieren weigerden dit tegenover het niet-gekwa1ificeerde stadsbestuur te doen en werden vervolgens buiten de stad gezet. Het vrouwvolk had ondertussen stenen uit de straat gehaald, ‘haar Schorteldoecken’ daarmee gevuld en zich op de poorten en wal geposteerd en ze ‘smeten daarmede de Ruiters zodat zij onverrichter Saken moesten aftrekken’.37 [37. Kronyk 441.]
De Ridderschap en Steden lieten het vanzelfsprekend hier niet bij.

|pag. 21|

Reeds de volgende dag kwamen er orders af voor het garnizoen om weer naar Steenwijk te trekken. Hetgeen de vorige dag was gebeurd, had, zo staat vermeld: ‘haar Ed.M. sulx niet anders hebben kunnen considereren als een openbare rebellie en verachtinge van de ordres van haar souverain dat daarom Ridderschap en Steden -om nog vooraf hare vaderlijke clementie te betonen de burgeren bekent maken dat deselve alnog wort gegeven de tijd van 3 uren om sig te verclaren of de militie derwaarts met onse patent gesonden willen innemen of niet, dat in cas… anders sal de militie ordre krijgen door middel van wapenen haar patent doen respecteren.’ Voor de dreiging dat verzet met geweld zou worden vergolden, zwichtte de opstandige burgerij en na weinig tegenstand werd de militie ingekwartierd.38 [38. Ibid. Zie tevens St. arch. Ov. inv. 284 fol. 63-64.]
Op zaterdag 12 mei, dus een dag later als in de resolutie was afgesproken, arriveerde een twaalftal Steenwijker burgers op de Landdag te Kampen. De groep bestond uit twee afgezette burgemeesters, een achttal Nieuwe Plooiers en twee nieuw-aangeste1de burgemeesters. De burgers werden ‘alle te samen gehoord’ door de Landdag zonder dat daar gevolgtrekkingen aan werden verbonden. Dat zou men pas doen na een onderzoek en om dat op te starten autoriseerde het college nog diezelfde 12 mei dr. Meyer om als fiscaal (een soort officier van justitie namens de Ridderschap en Steden) en de heer Blankvoort tot den Hoegenhuyse als ‘gedelegeerd Richter’. Beide heren dienden naar Steenwijk af te reizen om aldaar een onderzoek in te stellen naar wie de veroorzakers waren van de gerezen onrust.39 [39. St. arch. Ov. inv. 284 fol. 65.]
De neerslagen van het gesprek dat het college met de twaalf burgers hield en dat enige gecommitteerden met verschillende burgers persoonlijk voerden, werden als informatiemateriaal gestuurd naar de fiscaal.40 [40. Ibid. fol. 71.]
De eerstvolgende zittingsdag kwamen de Staten terug op de zaak, dit i.v.m. een door de burgemeesters, schepenen en raden van Steenwijk gestuurde missieve waarin de onwettige magistraat zich nog als zittende magistraat presenteerde.41 [41. Ibid.] Er kwam die veertiende mei een resolutie van de Staten af waarin deze hun verontwaardiging uitspraken over het feit dat deze magistraat zich na de resolutie van 8 mei nog als stadsbestuur durfde voor te stellen, terwijl in bedoelde resolutie toch duidelijk stond gesteld dat alles wat sedert 17 april ‘was gepasseert’ diende te worden hersteld ‘in dien staat als voor’ en dus behoorde de oude wettelijke magistraat de stadsregering te vormen en niet de ‘nieuwe opgeworpene’.42 [42. Ibid.]
Op 17 mei vonden op aandringen van de fiscaal en geautoriseerd door de Ridderschap en Steden de eerste arrestaties plaats. De oud-burgemeester Joan Croeven en Hans Veeneman dienden naar Kampen opgebracht te worden om vrijdags door de Ridderschap en Steden ondervraagd te worden. Tijdens de arrestatie van de oud-burgemeester werd de burgerloper Jan Egberts eveneens in hechtenis genomen. De heer Croeven weigerde op de gecharterde open wagen plaats te nemen en stond op vervoer met een gesloten koets. Hij kreeg zijn zin en werd geëscorteerd door drie soldaten naar Kampen afgevoerd; Jan Egberts werd wel ‘open en bloot’ op een wagen, begeleid door vier soldaten, ten aanschouwe van de samengestroomde menigte afgevoerd.43 [43. Kronyk bijlage p. 16. St. arch. Ov. inv. 284 fol. 74.] De oud-burgemeester werd na door de Ridderschap en Steden te zijn ondervraagd, de volgende dag dankzij de inspanningen van twee stadsgenoten Dr. M. Dortman en Grevenstein, op borgtocht (twee borgen moesten hem vervangen) vrijgelaten. Jan Egberts bleef wel in het gevang.44 [44. Kronyk bijlage p. 16.] Van de arrestatie van Hans Veeneman ontbreekt ons

|pag. 22|

verdere informatie.
Het ondersoek van de fiscaal was met de ondervraging van de gearresteerde lieden allesbehalve afgerond en reeds op 21 mei keerde deze naar Steenwijk terug om daar tijdens een vijf dagen durende sessie allerlei getuigen ‘zo mans als vrouwen jong en oud’ te verhoren.45 [45. Ibid.] Op 27 mei brachten hij en de heer Blankvoort een ‘provisioneel rapport’ uit aan de Ridderschap en Steden; op 28 mei begaven zij zich weer richting Steenwijk om verdere informatie in te winnen.46 [46. Ibid. p. 17. St. arch. Ov. inv. 284 fol. 85.]
Mogelijkerwijs door de zeer gefundeerde aanpak van de provinciale onderzoeksambtenaar en de resolute houding van de Staten was er een kentering in de protesthouding van de burgers waarneembaar. Het leek erop alsof men in de gaten kreeg dat men het onderspit dreigde te delven tegen de provinciale machthebber en dat het nu zaak werd om de schade zo veel mogelijk te beperken. Op 26 mei ’s avonds om 7 uur werd er wederom een vergadering door de burgerij in de Kleine Kerk belegd. Opvallend was het feit dat men voor deze bijeenkomst toestemming aan de gedeputeerde Blankvoort vroeg; schijnbaar was de oude magistraat in deze periode nog vleugellam.47 [47. Kronyk bijlage p. 17. St. arch. Ov. inv. 284 fol. 97-98.] Deze vergadering werd veel minder goed bezocht en de kroniekschrijver stelt dan ook vast: ‘veel burgers bleven te huis, ’t scheen of ’t veranderde’.
Uit deze bijeenkomst werden vier gedeputeerden afgevaardigd die op 27 mei naar de Landdag in Kampen afreisden. De opdracht van deze deputatie van de burgerij lijkt te zijn geweest een schikking te treffen in de geschillen die er tussen de Staten en de burgerij waren gerezen.48 [48. Kronyk bijlage p. 17.]
De uitkomst van deze missie van de gedeputeerden uit Steenwijk lijkt te zijn vastgelegd in een door de griffier van de Ridderschap en Steden Lemker opgesteld request, dat op 1 juni tijdens een nieuwe bijeenkomst van de burgerij in de Kleine Kerk, werd voorgelezen en overgenomen. In een supplicatie van ‘borgers en ingesetenen van Steenwijk’ bij de Staten ingediend, gaven zij te kennen gezondigd te hebben doordat zij ‘teveel steunende op haar stadsregten en privilegiën’ de resoluties van de Staten niet direct hadden opgevolgd. Men toonde berouw en zegde toe voortaan gehoorzaam te zijn aan de orders van de Staten. Zij verzochten clementie en ontslag uit arrest voor Jan Egberts en vroegen of de twee borgen voor oud-burgemeester Joan Croeven van hun borgtocht bevrijd konden worden. Tevens verzochten de burgers in hun rechten en privileges te worden ‘gemaintineert ende geconserveert’.49 [49. St. arch. Ov. inv. 284 fol. 97-98. Het vermoeden van het echtpaar Wertheim (Burgers in verzet, p. 78-79) dat de brieven van berouw van Steenwijk en Wilsum, die zo veel overeenkost met elkaar vertonen, op instigatie van de Ridderschap en Steden werden opgesteld, wordt bevestigd door hetgeen de kroniekschrijver vermeldt: ‘een request aan Rid: en Steden … gesteld gecencipeert door de Griffier Lemker’. (kronyk bij lage p. 17).] Aangezien volgens de kroniekschrijver enigen de zaak niet vertrouwden, werden er vier burgers afgevaardigd om de zaak in Kampen te behartigen. Naast de drie ondertekenaars Jacob Mensen, Dr. Meindert Dortman en Jan van der Velde, werd Albert van Ruinen gedeputeerd.50 [50. Kronyk bijlage p. 17.]
De Staten, ‘in achtinge genomen dese seer onderdanige bede en betuyginge van berou’, besloten dat de supplianten hun begane fouten ‘goedertierenlijkck’ zouden worden vergeven. Echter hiervan werden ‘geëximeert so dane personen welcke autheurs aenleiders of voornaemste Belhamers mogten sijn geweest van de gedane teikeninge, muiterie, afsetten van de regeeringe en van ’t opnemen der wapenen’. Tegen deze lieden zou de heer Landdrost van Vollenhove gelast worden naar landrecht te procederen. De schout van Wanneperveen, een in de buurt van Steenwijk gelegen schoutambt, werd geautoriseerd om als rechter op te treden en de rechtszittingen te beleggen.51 [51. St. arch. Ov. inv. 284 fol. 98.] Verder zouden de Drost van Vollenhove en de gewestelijk griffier Lemker met voorstellen dienen te komen omtrent de samen-

|pag. 23|

stelling van een nieuwe Gezworen meente. Opvallend is dat de Staten eisen dat dit dient te gebeuren ‘sonder daertoe nogthans te mogen voorslaan ene of enige van nieuws aangestelde gemeensluden nog oock van de oude welcke medepligtig sijn geweest of gecoopareert hebben dat de gemeente in plaatse van alle jaar keurbaar te sijn ad vitam eangestelt is’.52 [52. Ibid.] In deze resolutie werden dus niet alleen de oude meenslieden voor hun optreden op 13 april gepasseerd; ook de magistraat door de Staten op 8 mei zo duidelijk als enige en wettige stadsregering geproponeerd, werd in haar rechten gekrenkt; immers het aanwijzen van de meenslieden behoorde haar rechtens toe.
De Staten wilden, evenals op 17 april was gebeurd, bemiddelend optreden in de plooierijkwestie. De Drost en Griffier dienden aantekening te maken van de klachten en grieven welke de burgerij zouden uitspreken en op naam van Ridderschap en Steden werd een publikatie gemaakt waarin de burgers werden uitgenodigd om ‘haar wettige clagten tegens de magistraat op papier te brengen’. De door de burgerij ten tijde van de Plooierijen gemaakte afspraken, engagementen, of beloften -zelfs indien ze onder ede waren gemaakt- werden ongeldig verklaard.53 [53. Ibid.]
In bovengenoemde resolutie leken de Staten duidelijk begrip te hebben voor de noodzaak tot enige veranderingen, zoals de Nieuwe Plooiers hadden voorgestaan, doch hoe de Staten over het optreden van de burgerij in de Plooierijen dachten, werd duidelijk in een 3 juni 1703 afgekondigd plakkaat, bestemd ‘om alom ten plattelande en in kleine steden in dese provintie gepubliceert en geaffigeert te worden’. In dit plakkaat dat op 8 juni in Steenwijk werd aangeplakt spreken de Staten over de Plooierijen als een poging van bepaalde personen om door middel van onruststoken onder het gewone volk ‘sig daar door een weg te banen om te voldoen aan hare ambitie/ en door het verlaten van de wettige Regenten/ sig selfs in hare plaatsen in te dringen’. Alle pogingen die in de toekomst tot een dergelijk volkse opstandsbewegingen zouden worden ondernomen, konden rekenen op juridische vervolging. Mocht men iets tegen de eigen stadsregering hebben dan diende men zich te vervoegen bij de Ridderschap en Steden van Overijssel.54 [54. Wertheim 80-82.]
Op 20 juni werd een van de geschilpunten tussen de burgerij en de magistraat opgelost doordat de magistraat aankondigde dat zij de burgerij rekeningen zou overleggen.55 [55. Kronyk bijlage p. 17.] Of dit gebeurde op instigatie van de Staten of dat dit een eigen initiatief van de magistraat was, blijft onduidelijk.
Op 22 juni arriveerden de Drost van Vollenhove, de griffier van de Staten Lemker en de schout van Wanneperveen om i.v.m. het te voeren proces getuigen te horen. Ook de volgende dag gingen ze voort met hun onderzoek. De burgerij stelde in deze dagen een lijst van 25 artikelen samen (bijlage 2) . Deze lijst bevatte naast de 13 artikelen die op 17 april reeds te berde waren gebracht (bijlage 1), nog een aantal nieuwe aantijgingen tegen de magistraat. Deze ‘grieven van bezwaar’ welke de aanhangers van de Nieuwe Plooi aan de Drost en Griffier overhandigden, geven ons een goed beeld welke bezwaren men tegen het beleid van de magistraat had en waarom de Nieuwe Plooi bij de bevolking zo’n breed draagvlak kende.56 [56. Kronyk 433-436.] De eerste lijst met dertien artikelen had met name betrekking op het politiek ondoorzichtige beleid; het niet volgens het stadrecht handelen van de magistraat bij de verkiezingen van de ‘volksvertegenwoordigers’; het nemen van belangrijke beslissingen zonder de burgerij daarin te kennen en de ontbrekende financiële controle bij de

|pag. 24|

verschillende instanties die onder het beheer stonden van de magistraat. Het later aan de Ridderschap en Steden overhandigde epistel met 25 punten had inhoudelijk dezelfde strekking, maar gaf meer voorbeelden van hoe een dergelijk beleid in de praktijk uitwerkte. Aan het eind van dit stuk poogden de vertegenwoordigers van de burgerij nog eens aan te geven waarom zij het stadsbestuur ontslagen hadden. De magistraat had ‘buyten kennisse der borgerije en buyten ’s Tydts de gemeensluyden in plaatse van een keurbare de selve op haar versoeck ad vitam hadden gestelt en doen continueren’. De magistraatskeur diende volgens het tweede artikel van het stadrecht door zes personen uit de meente en uit zes personen uit de burgerij plaats te vinden; doch de praktijk van de laatste jaren was dat deze regel door de magistraat niet langer werd ‘geobserveert’. Daarom, en omdat de magistraat de gecommitteerden van de burgerij niet wilde erkennen -terwijl die waren samengesteld op instigatie van de Landdrost en de heer Steenbergen om de problemen met de magistraat op te lossen- waren de burgers tot het ontslag van hun stadsregering overgegaan. Maar nadat bleek dat dit hun door de Staten zeer kwalijk genomen was, hadden zij getracht de zaak zoveel mogelijk te herstellen (middels de brief en delegatie van 1 juni). De burgerij gaf te kennen dat zij ook een meente ad vitam wenste; gelijk de door hun verwijderde meente wensten zij dat de vakatures door versterf niet ter keuzes van de magistraat stonden, maar door coöptatie zouden plaats vinden. De burgerij had begrepen dat de gedeputeerden van de Staten met een voorstel dienden te komen omtrent de samenstelling van een geheel nieuwe meente. De burgerij was bereid om een aantal geschikte kandidaten voor te dragen. Men hoopte tevens dat in het vervolg het jaarlijkse afhoren van de rekeningen van de verschillende stedelijke instanties zou gebeuren door de ‘volle gemeente’ en zes gecommitteerde burgers.
Dit ‘alles ten eijnde geen verder verval en misuses, in stads en andere saecken’ mochte geschieden. De ondertekenaars zijn allen lieden waarmee wij in een van de Plooierij geledingen -het zij als gecommitteerde, nieuwe meensman of nieuwe magistraat- kennis hebben gemaakt (Dr. Dortman, G. Boncke, J. Tuttel, J. Kroeven, V. Stuyfsant, L. Wijnholt, J. v.d. Velde, G. v. Randen).57 [57. St. arch. Ov. inv. 4086.]
De oude magistraat die zich door bovengenoemd geschrift duidelijk voelde bekritiseerd, reageerde op 23 juni met een zeer uitgebreid en fel verweer waarin hij in 434 artikelen de grieven van de klagers punt voor punt probeerde te weerleggen. Wat in zijn uitleg duidelijk naar voren komt, is dat het ‘onrust vuur door enige regeersugtige angeblasen’ is, die ‘via facti en door seditie en geweld hebben trachten in te dringen’ in de stadsregering. Deze ‘roervinken’ hebben niet geschuwd ‘de onnosele borgerije tot een formele oploop, seditie en gewelt pleginge an haar wettige overheid …weten op te hitsen’. De eindconclusie van de magistraat kan dan ook niet anders zijn dan dat men alle grieven der klagers niet ontvankelijk dient te verklaren en door vervolging van de ‘pertubateurs’ een voorbeeld behoort te stellen.58 [58. Ibid. Hier het dikke folianten-katern. Wertheim (Burgers in verzet p. 85) stelt dat de magistraat zijn weerwoord over 1434 artikelen uitsmeerde, echter het waren er duizend minder namelijk 434.]
Op 9 juli 1703 kwam de zaak in de Landdag te Kampen weer op tafel.
De Drost van Vollenhove en de griffier Lemker brachten summier verslag uit over wat ‘provisionelijk tot Steenwijk was verricht’.
Er werd over de zaak gedelibereerd en afgesproken dat de commissie zou trachten zo spoedig mogelijk aanvullende informatie te verkrijgen. Voorts kwam de commissie met een voorstel omtrent een viertal kandidaten voor de door haar samen te stellen, nieuwe meente.59 [59. St. arch. Ov. inv. 284 fol. 165.]

|pag. 25|

Later werd door een aanvulling van acht personen de meente door de commissie gecompleteerd. Op 12 oktober werd deze nieuwe Gezworen en Minder meente geïnstalleerd. Opvallend is dat we onder de nieuwe meenslieden een drietal rechtgeaarde nieuwe plooiers aantreffen; met name Dr. Meindert Dortman (en niet zoals Wertheim stelt de gemeensman Dr. Cornelis Dortman), Asia Telting en Hendrik Everts Brouwer kregen een zetel in het college.60 [60. Ibid. Wertheim (Burgers in verzet) beweert op bladzijde 86 dat het hier ‘wel degelijk’ dr. Dortman betrof, dezelfde die eertijds door de Nieuwe Plooi in de Meente was gekozen. Het betrof hier echter dr. Meindert Dortman, terwijl dr. Cornelis Dortman die in april in de nieuwe Meente was gekozen wel degelijk door de Ridderschap en Steden werd gepasseerd.(zie Kronyk 438) Dr. Meindert Dortman trad tijdens de Plooierijen eveneens op de voorgrond echter op een legale wijze; hij was een van de gecommitteerden die op aandringen van de Staten moesten pogen de problemen met de Magistraat op te lossen.] De betrokkenheid van deze lieden bij de Plooierij en vormde schijnbaar geen beletsel -was mogelijkerwijs zelfs de reden- om hen in de nieuwe Gezworen meente te plaatsen.
Andere personen die bij de Plooierijen betrokken waren geweest, werden echter wel vanwege hun activiteiten vervolgd. De oud-burgemeester Joan Kroeven, Hans Veeneman en Jan Nessink bleven in afwachting van een crimineel proces. Jan Egberts, de borgerwacht, zat ‘gedetineert op de poorte van Campen’. De juridische afwikkeling van hun vervolging en die van verschillende andere aangeklaagden liet echter door de absentie van de Drost van Vollenhove op zich wachten.61 [61. Kronyk bijlage 16-18 en 24—26.]

Ondertussen kondigde zich nieuwe conflictstof aan tussen de magistraat en een college dat hoofdzakelijk uit Nieuwe Plooiers bestond: de kerkeraad van de gereformeerde kerk. De problemen deden zich voor rond de benoeming van een nieuwe tweede predikant. Door het overlijden van ds. Curtenius in oktober 1702 was de benoeming van een nieuwe predikant noodzakelijk. De gehele kerkeraad, dus ook de er in zitting hebbende burgemeesters, waren het daarover eens. Op 7 augustus 1703 was het verkrijgen van de goedkeurende ‘handopening’ van de magistraat dan ook een formaliteit.62 [62. K.A.S. inv. 61 fol. 78.] Tijdens een kerkeraadsvergadering op 16 augustus maakte men vervolgens een zg. ‘grote nominatie’; er werd een lijst samengesteld met de namen van 21 predikanten en 2 kandidaat-predikanten. Tijdens deze vergadering ontbraken twee raadsleden n.l. burgemeester-ouderling Muys en ouderling J. Menssen.63 [63. Ibid.] Op 21 augustus vergaderden de gecommitteerden uit de tegenwoordige en de laatst-afgegane kerkeraad (Ds. Bake, Jan van der Velde, Arend van Ruinen, Dr. Hendrik Grevenstein, M. Dr. Berend Stuissand en Albert van Ruinen) met de magistraat. Tijdens deze bijeenkomst ontstond er ernstig meningsverschil tussen de kerkeraadsgecommitteerden en de magistraat over de vraag wie het recht had om de eerste vermindering op de nominatielijst aan te brengen. De magistraat oordeelde dat hij het recht had om dit alleen te doen; en zelfs zonder eerst overleg met de kerkeraad te houden. De kerkeraad, uitgezonderd de leden die er namens de magistraat zitting in hadden, bestreed dit recht en stelde dat de vermindering alleen in ‘goede correspondentie’ met de kerkeraad mocht plaats vinden.64 [64. Ibid. fol. 79-81.] Tijdens een speciaal op 22 augustus ingelaste kerkeraadsvergadering werd na enige discussie met de twee ouderling-burgemeesters besloten om uit de kerkeraad een commissie te nomineren, die de kerkboeken en de stadsboeken zou raadplegen hoe men rechtens diende te handelen.65 [65. Ibid.] Deze commissie, die de zelfde samenstelling kende als de groep die op 21 augustus met de magistraat vergaderde, ving reeds diezelfde middag haar taak aan. Op het raadhuis werd door de commissie de grote nominatie overlegd en in discussie getreden met de magistraat; die evenwel volhardde in zijn rechten. Bij deze gelegenheid werden diverse akten uit zowel de kerkboeken als de memorialen nagezien en werd ‘bevonden dat van oudst verscheydene verschillen over de vermin-

|pag. 26|

deringe van de Grote nominatie tot een kleine tussen de Magistraat en de Kerkeraad geweest syn’. De kerkeraad hield vast aan een uit 1650 daterend convenant, waarin de benoemingsprocedure, i.v.m. de zich toen ook al voordoende problemen tussen de beide colleges, was geregeld. Van dit convenant trof men aantekening in zowel het kerkeraadsboek, als in de stadsmemorialen aan. De regeling hield in: ‘dat die verminderinge op acht personen door goedvinden van de kerkeraad gemaakt, deselve dan aan de Magistraat sal vertoont worden, ende dat de Magistraat daar een of meer van vormen sal konnen bijvoegen, dogh dat gemelde Magistraat daar niets sal konnen afdoen als met correspondentie met de Eerw. kerkeraad ende dat dese, ’t sy verminderinge of vermeerderinge, niet sal mogen geschieden wanneer de nominatie op het kleinste getal, te weten tweën gebracht is’.
Het magistraatsverweer bestond uit het voorlezen van verschillende akten waaruit bleek dat de eerste vermindering in de afgelopen jaren wel degelijk bij de magistraat alleen had behoord. De magistraat eiste dan ook in de toekomst dit recht te behouden. Beide colleges hielden vast aan hun uitgangspunt en waarschuwden de ander voor de onlusten die er uit konden voortkomen.66 [66. Ibid.] Op 16 september stelde de kerkeraad voor om de zaak, die muur vast zat, voor te leggen aan vier predikanten uit de classis: twee ter keuze van de magistraat en twee ter keuze van de kerkeraad.67 [67. Ibid. fol. 81.] De reactie van de magistraat kwam een week later. Men wilde geen uitspraak van de classis doch wenste de zaak voor te leggen aan de Gedeputeerde Staten.68 [68. Ibid.] De kerkeraad begreep niet waarom een dergelijke volgens hem niet politieke zaak aan de Gedeputeerde Staten zou moeten worden voorgelegd en verwierp dit voorstel.69 [69. Ibid. fol. 82.] Op 16 oktober probeerde de kerkeraad de impasse te doorbreken met het voorstel de benoemingsprocedure voor te leggen aan een classis in de eigen provincie, aan de kerkeraad van Amsterdam, aan een theologische faculteit of aan de Christelijke Synode. Tevens ging de kerkeraad voort met de benoemingsprocedure en kwam met een voordracht van vier predikanten uit de grote nominatie.70 [70. Ibid.] De magistraat handelde zo het hem rechtens toekwam en verving twee van de vier kandidaten door twee nieuwe predikanten.71 [71. Ibid.] Dit was evenwel strijdig met het convenant uit 1650. Ds. Bake schreef hierop een verontwaardigde brief aan de magistraat en wilde nu wel, i.v.m. dit onrecht, voor de Gedeputeerde Staten verschijnen.72 [72. Ibid.] Mogelijkerwijs aangezet door deze dreiging of door de introductie in deze periode van de nieuwe door de Gedeputeerde Staten aangestelde meente, ging de magistraat plots akkoord met de beroepingswijze van de kerkeraad. De kerkeraad mocht een beroeping doen uit de vier genoemde predikanten en de twee afgevoerde predikanten konden eventueel weer opgevoerd worden. De magistraat stelde verder voor om de politieke commissarissen van de synode, die in 1704 te Steenwijk zou worden gehouden, over de zaak te laten oordelen.73 [73. Ibid. fol. 83.] De kerkeraad kon zich nu grotendeels vinden in het voorstel van de magistraat en niets leek de zo gewenste beroeping van een predikant in de weg te staan. Toch ontstonden er nieuwe problemen die de beroeping ophielden en ditmaal lag de oorzaak geheel bij de kerkeraad. Door de slepende affaire tussen magistraat en kerkeraad was de verkiezingsdatum van de nieuwe kerkeraad gepasseerd en diende er hoog nodig een nieuwe raad te worden gekozen. Maar een deel van de kerkeraad vond dat de benoeming van de predikant diende te gebeuren door een nieuw gekozen en afgaande kerkeraad; echter van de oude kerkeraad waren er enkele personen die niet van hun recht om een predikant te benoemen af-

|pag. 27|

stand wensten te doen.74 [74. Ibid. fol. 84.] Het gevolg was dat de zo nodige beroeping weer op de lange baan dreigde te raken. Daar de namen van de tegenoverelkaar staande kerkeraads leden niet bekend zijn, kunnen we een tegenstelling tussen de oude en nieuwe plooiers in deze niet bewijzen, doch ligt het een en ander wel in de lijn der verwachting.
Op 29 januari 1704 ondernamen ‘enige lieden so uit ’t midden der burgerij, als gesworene gemeente’ een poging om middels een regest de impasse te doorbreken. Ze boden het request bij de magistraat aan, welke het doorgaf aan de kerkeraad ‘om haar consideraties dien aangaande te horen’.75 [75. Ibid.] De aandragers van het request stonden een praktische oplossing van de problemen waar de kerkgemeente in verkeerde voor. Zij deden het voorstel om de proponent Ebinga, die sedert november 1703 in Steenwijk zijn stichtelijke arbeid verrichtte, tot predikant te benoemen.76 [76. Ibid. fol. 85-86.] De kerkeraad welke op zijn kerkeraadsvergadering van 5 maart 1704 het door 225 personen ondertekende request ontving, ging op voorhand niet akkoord met de aanstelling van de kandidaat-predikant.77 [77. Ibid.] Echter voordat de kerkeraad met een duidelijke standpunt verklaring kwam, had de magistraat het initiatief van de burgerij aangepakt om via de Ridderschap en Steden de aanstelling van Ebinga te bereiken. In een request van de magistraat aan de Ridderschap en Steden d.d. 6 april 1704 staat dat ‘de meeste leden des Eerw. kerkeraad niets anders soecken, dan uit haar quaadaardige driften sich in alles tegens de Magistraat en haar Ed. Acht. welmeenentheid aan te setten te opposeren, gelijk al te veel voorleden jaar is gebleken tot merkelijk opschuddinge van de stad Steenwyk’. De Magistraat die in dit schrijven duidelijk klaagt en wijst op de houding van de Nieuwe Plooise kerkeraad, stelt voor om de rust in de plaats te herstellen door de leraar Ebinga aan te stellen als predikant -‘voor dese ene keer sonder prejudicie’.78 [78. Ibid. fol. 87.] Mochten de Staten zich achter de magistraat scharen dan zou dit vanzelfsprekend een bewijs zijn van de ‘hogere’ bevoegdheid van het stadsbestuur in de kerkelijke benoemingskwestie!
Het antwoord van de kerkeraad aan de Staten liet niet lang op zich wachten; op 6 april vaardigde hij een commissie af die de zaak mondeling in Zwolle diende te behartigen en een request namens de kerkeraad diende te overhandigen. De inhoud van het kerkeraadsrequest was zakelijk; men verwierp het request van de magistraat als zijnde ‘strijdig tegen de kercken ordenening gestelt in de Nationale Synode der Geformeerde Kerken’ en ‘aanlopende tegens het klaare en wettige convenant ende accoord van den jaare 1650’.
Tevens wees men er fijntjes op dat de magistraat zijn gelijk probeerde te halen door te verwijzen naar een burgerpetitie terwijl een dergelijk middel van actievoeren door de Staten met een plakkaat d.d. 2 juni 1703 uitdrukkelijk was verboden!79 [79. Ibid. 87 verso en 88.]
Op 10 april kwam reeds een resolutie namens de Staten af, waarin een tussenoplossing werd voorgesteld. Voor deze keer werd voorgesteld om de lidmaten een keuze ‘by pluraliteit van stemmen’ te laten maken uit drie kandidaten, namelijk uit de proponent Ebinga, uit een door de kerkeraad en uit een door de magistraat voor te dragen kandidaat. Tevens werd de benoemingsprocedure interpretatie van de kerkeraad als juist bevestigd en legde men vast hoe er in het vervolg gehandeld diende te worden wanneer ten tijde van een nominatie de kerkeraad aftredend was.80 [80. Ibid. Zie ook Kronyk 450-451.]
De kerkeraad en de magistraat kwamen beiden spoedig met hun kandidaat-dominee en niets leek een snelle keuze uit het voorgedragen

|pag. 28|

drietal nu nog te kunnen tegenhouden. Toch slaagde men erin een nieuw geschilpunt te vinden; nu betrof het de vraag welke leden stemgerechtigd waren. De kerkeraad ging er vanuit dat alle lidmaten een stem mochten uitbrengen, zowel de leden uit de stad als van daar buiten. De Magistraat posteerde zich echter op het standpunt dat alleen lidmaten uit de stad mochten meestemmen.81 [81. K.A.S. inv. 61 fol. 89.] Op 25 april volgde een gesprek tussen de twee colleges, waarin werd afgesproken dit punt ‘provisioneel’ te regelen. Men liet alle lidmaten stemmen en zou dan bekijken of een opsplitsing van de stemmen naar stadsleden en buitenleden tot een andere te beroepen predikant zou leiden. Als datum voor de verkiezing werd de 29 april aangewezen.82 [82. Ibid.]
In de dagen voorafgaande aan de verkiezing voerde de kerkeraad campagne vanaf de predikstoel hetgeen leidde tot verontwaardiging bij de magistraatsleden. In reactie hierop maakte de magistraat een opstel omtrent zijn optreden in de nominatieprocedure en verzocht aflezing ervan op de kansel. Na aanvankelijk te weigeren gaf de kerkeraad om nieuwe problemen te voorkomen toe.83 [83. Ibid. 90-92.]
De uitslag van de verkiezing leverde een grote winst op voor de door de kerkeraad voorgedragen kandidaat ds. Van der Meulen. De opdeling in stads- en buitenleden zou geen andere kandidaat opgeleverd hebben, echter de gekozen predikant accepteerde het beroep niet en er deed zich een nieuwe probleemsituatie voor.84 [84. Ibid.] De Magistraat stelde voor om uit de twee overgebleven kandidaten -in feite beide kandidaten welke op voorspraak van de magistraat waren opgevoerd- de kerkgemeente te laten kiezen. De kerkeraad stond op het standpunt dat men, na het mislukken van de Statenoplossing, conform het nominatiemodel 1650 diende te handelen. De kerkeraad nomineerde op 10 juni 1704 een nieuw tweetal om die bij de overgebleven twee magistraatskandidaten te voegen.85 [85. Ibid.] De magistraat ging met deze procedure alleen akkoord als vervolgens het lot de te beroepen kandidaat zou aanwijzen.86 [86. Ibid.] Hiermee kon de kerkeraad niet accorderen en deze probeerde om in september een constructieve oplossing aan te reiken: er werd gekozen uit een drietal kandidaten; de twee overgebleven kandidaten van de magistraat en een nieuwe kandidaat vanwege de kerkeraad.87 [87. Ibid.] Ook dit bleek geen oplossing en uiteindelijk op 10 september wisten gecommitteerden van beide tegenoverelkaarstaande colleges met een nieuw constructief voorstel te komen. Zowel de magistraat als de kerkeraad zouden een voordracht van twee kandidaten verzorgen. Beide colleges mochten wederzijds een kandidaat van de ander laten afvallen. Dit gebeurde na een hoorbezoek aan de kandidaten. Deze opzet gelukte en leidde op 17 oktober 1704 tot het officieel beroepen van ds. Lubeley te Menaldum, een kandidaat die ingebracht was door de magistraat maar waarmee de kerkeraad kon instemmen.88 [88. Ibid. 93-94.]
Dat de zaak in september in redelijkheid werd afgehandeld, had hoogstwaarschijnlijk te maken met het feit dat Ridderschap en Steden in september gedeputeerden naar Steenwijk zonden om zich daar te informeren, want naast perikelen rond de predikantsbenoeming lag er bij de Staten ook nog de lijst met 25 artikelen ‘van bezwaar’.
De burgerij informeerde regelmatig naar de ‘vordering van haar Saken’. Dit resulteerde erin dat op 8 september 1704 twee gedeputeerden van de Staten verschenen op het stadhuis te Steenwijk. De gecommitteerden uit de burgerij dienden voor deze gedeputeerden te verschijnen om hun zaak te behartigen. Griffier Lemker wenste van de stadsbestuurders ‘Copie’ (bedoeld wordt hier waarschijnlijk inzage in de stukken waaraan de magistraat haar rechten ontleende)

|pag. 29|

maar de magistraat kon deze onvoldoende overleggen. Tevens maakten de burgers van de aanwezigheid van de gedeputeerden gebruik om uitstel te bepleiten van het proces tegen Burgemeester Kroeven totdat de Drost van Vollenhove weer thuis zou zijn (hij verbleef reeds geruime tijd in Duitsland i.v.m. de Spaanse successieoorlog). Na twee dagen van onderzoek vertrok de Statendelegatie om aan Ridderschap en Steden rapport uit te brengen van haar bevindingen.89 [89. Kronyk bijlage 24.]
De juridische afwikkeling van de processen tegen de bij de Plooierijen betrokken burgers duurde nog jaren. Het werd een juridisch steekspel doordat de aangeklaagden er op stonden allereerst in plaats van strafrechterlijk, civielrechter1ijk vervolgd te worden.
Toen er van de zijde van de Ridderschap en Steden genegenheid was om de zake in de minne te schikken, wensten de crimineel aangesprokenen geheel onder de in 1703 geproclameerde amnestie te vallen.
Pas in 1707 kwam het uiteindelijk tot een akkoord tussen de partijen.90 [90. Ibid. 16-18, 24-26.]
Wat de Ridderschap en Steden met de grieven van de burgerij hebben gedaan blijft onduidelijk. Waarschijnlijk door de politieke verschuiving welke in de jaren na de Plooierijen in de meente en magistraat plaats had, verdween voor de burgerij de noodzaak om voort te ageren; de Staten zullen hiervan met instemming notie hebben genomen. Naast dat er reeds in oktober 1703 in de nieuw samengestelde meente een drietal nieuwe plooiers werd benoemd, verwierf in de volgende jaren een aantal nieuwe plooiers zich een zetel in de magistraat. In 1705 werd Dr. Cornelis Dortman in de magistraat benoemd; in 1708 volgde schout Van Loon en in 1709 volgde dr. Dirk Amens ten Broecke. De laatste was een telg uit een oud regentengeslacht; maar iemand die door de burgerij op handen werd gedragen.91 [91. Ibid. 24-28.]

|pag. 30|

– Tuit, J. (1987). De plooierijen te Steenwijk. (Scriptie M.O. II.). Geschiedenis, Noordelijke Leergangen, Zwolle.

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.