Hoofdstuk 2. Politieke en sociaal-economische ontwikkeling rond 1702


     Hoofdstuk 2. POLITIEKE EN SOCIAAL-ECONOMISCHE ONTWIKKELING ROND 1702

     2.1 De politieke ontwikkeling

Gedurende het eerste Stadhouderloos tijdperk (1650-1672) braken in Overijssel twisten uit. De spanningen ontstonden naar aanleiding van het in 1653 vacant geraakte drostambt van Twente. Tegen de zin van Deventer en een groot deel van de Twentse ridderschap werd Oranje-klant Rutger van Haersolte door een meerderheid in de Ridderschap en Steden gekozen. De tegenstellingen, aanvankelijk voortgekomen uit de persoonlijke belangenstrijd rond de begeving van de ambten, kregen aldus een landspolitiek karakter, waarbij de Oranje-gezinden tegenover anti-stadhouderlijken kwamen te staan. Toen op 15 oktober 1654 de meerderheid haar prinsgezindheid doorzette en een stadhouder in de persoon van de Friese stadhouder Willem Frederik erkende, kreeg de tegenstelling zelfs het karakter van een heuse burgeroorlog.1 [1. Overijssel p. 127.]
Steenwijk en Hasselt kozen in deze tweestrijd partij voor Deventer en dus het anti-stadhouderlijke kamp, hetgeen waarschijnlijk meer voortkwam uit het zich gepasseerd voelen tijdens de benoemingsprocedure -men had Steenwijk en Hasselt niet ‘verschreven’- dan geuite anti-stadhouderlijke gevoelens.2 [2. Ibid.]
Dankzij de bemiddeling van Johan de Witt en door de instelling van een regeringsreglement werd in 1657 de eendracht enigszins hersteld; dit gebeurde voornamelijk door een regeling van de begeving van ambten.3 [3. Ibid. hier p. 128.]
In 1665 raakte het gewest Overijssel verwikkeld in de Tweede Engelse oorlog doordat de bisschop van Munster Gelderland en Overijssel binnenviel. Na de vrede van Breda (1667) geraakte het zwaar gehavende Overijssel wederom verwikkeld in binnenlandse twisten. Benoemingskwesties verscheurden het gewestelijk bestuur; vanaf 1668 werden dubbele statenvergaderingen gehouden. Opvallend is dat Steenwijk en Hasselt zich wederom aan de zijde van Deventer opstelden.
Ook dit maal kwam er, dit keer op instigatie van een speciale commissie uit de Staten-Generaal, een akkoord tot stand.4 [4. Ibid.]
Het gewest Overijssel was aldus allesbehalve een eenheid aan de vooravond van het rampjaar, en het gebrek aan weerstand tijdens de inval van de Keulse en Munsterse troepen wordt vanuit deze optiek verklaarbaar, doch wekte in de overige niet bezette provincies grote verontwaardiging.5 [5. Ibid. hier 129.]
Ook de stad Steenwijk gaf zich op 15 juni 1672 zonder noemenswaardige verzetsinspanningen als laatste der Overijsselse steden aan de Munstersen over.6 [6. Ibid. hier 129-130. Zie tevens Steenwijk Kronyk fol. 261 waarin vermeld staat dat de stad zich wel wilde verzetten en daartoe de hulp had ingeroepen van het langskomende Friese leger, echter inplaats van militaire ondersteuning zag men ook de in de stad gelegerde compagnieën vertrekken.]
Ofschoon Steenwijk op 26 november 1673 als één van de eerste Overijsselse steden de Munsterse bezetting zag vertrekken, waren de financiële gevolgen van de vijandelijke bezetting desastreus voor het stadje. Naast dat de bezetters de stad bij hun vertrek ernstig beschadigden; eisten ze tevens een enorme som geld (G. gld 9.000-0-0) als brandschatting. Om hun eisen kracht bij te zetten, namen ze drie gijzelaars mee naar het nog bezette Zwolle. Nadat de stad Steenwijk met pijn en moeite de afkoopsom bij elkaar had gebracht, braken de Munstersen hun woord en chanteerden de stad tot een nieuwe losprijs. De financiële gevolgen voor de stad Steenwijk waren zo

|pag. 6|

ernstig dat de geldelijke verplichtingen die men moest aangaan, gedurende het vervolg van de zeventiende eeuw nog zo zwaar op de stadsrekening drukten, dat men gedwongen was o.a. het stadszilver en verschillende stadsgronden te verkopen, om de schulden te kunnen voldoen.7 [7. Kronyk fol. 266-302.]
Het duurde nog tot 22 april 1674 eer de bisschop van Munster vrede sloot en geleidelijk de provincie Overijssel ontruimde. Als soortement straf voor het ‘lafhartige’ optreden kwam in Utrecht, Gelderland en Overijssel een regeringreglement tot stand waardoor deze provincie onder ‘curatele’ van stadhouder Willem III werden geplaatst. De prins die in maart 1675 het erfstadhouderschap en het bevel over de krijgsmacht in Overijssel kreeg opgedragen, werd gemachtigd de regering in het gewest naar zijn inzichten te veranderen. Het was de bedoeling van de Staten-Generaal om Willem III alleen bij de aanvang van zijn stadhouderschap, ‘voor deeze reize alleen’, met brede bevoegdheden te bekleden en hem, door eventuele wetsverzettingen naar eigen signatuur, een goede werkbasis in de drie oostelijke gewesten te bieden; echter de nieuwe Stadhouder overschreed deze bevoegdheden verre en kende zich gedurende zijn gehele regeringsperiode het recht toe om de stadsregeringen naar zijn hand te zetten.8 [8. Wertheim p. 54.]
Sommige steden namen een dergelijke inperking van hun eeuwenoude rechten niet voetstoots aan; in Overijssel was het met name de stad Deventer waar men in verzet kwam. Nadat de Stadhouder in 1676 tweeëntwintig Deventer meenslieden voor het leven had uitgesloten van de stadsregering, leek de rust daar wedergekeerd.(Zie noot 8) Van Steenwijk is een dergelijk optreden tegen de stadhouderlijke bemoeienis niet bekend. Na het vertrek der Munstersen keerden de regenten uit de oude magistraat, ook zij die met de Munstersen hadden ‘samengewerkt’ terug op hun oude stellingen en gedurende de gehele regeringsperiode van Stadhouder Willem III vond de jaarlijkse keur en approbatie zonder opvallende problemen plaats.9 [9. O.A.S. inv. 66 en 67 (keur van magistraatsleden).]
Toch werd met de instelling van dit regeringsreglement de kiem gelegd voor de politieke onrust welke een dertigtal jaren later als de zogenoemde ‘Plooierijen’ zouden uitbreken.
Na de dood van Willem III werd in april 1702 bepaald dat de keuren voor dat jaar ter ‘approbatie’ aan de Gedeputeerde Staten zouden worden voorgelegd, hoe men in het vervolg zou handelen bleef echter onduidelijk. Het zou tot maart 1705 duren eer er een nieuw regeringsreglement in Overijssel werd ingesteld.10 [10. Wertheim p. 18.] De onduidelijkheid in de tussenliggende periode leidde tot de Plooierijen in een aantal Overijsselse steden. Deventer waar tijdens de stadhouderlijke periode verschillende regenten terzijde waren geschoven, was de eerste plaats in het gewest waar men zich roerde; spoedig volgden Vollenhove en Steenwijk.11 [11. Ibid. hier p. 17.] De Deventer reactie was begrijpelijk maar waarom in Steenwijk onrust ontstond, terwijl in de voorgaande periode de relatie met het centrale gezag rimpelloos leek, is de centrale vraagstelling in deze studie.

     2.2 De sociaal-economische ontwikkeling

     In de jaren zestig van de zeventiende eeuw tekende zich een kentering af in de economische groei van de rijke zeegewesten Holland en Zeeland. De gevolgen manifesteerden zich o.a. in een sterke daling van het aantal inwoners van de zeegewesten; velen trokken weg uit het westen en zochten werk elders. In het kwartier

|pag. 7|

Vollenhove zien we een tegenovergestelde ontwikkeling want daar kunnen we juist een sterke demografische groei signaleren. En zoals de Hollands demografische daling te wijten was aan de verslechterde economische ontwikkeling in dat gewest, heeft de opvallende bevolkingsaanwas in de Overijsselse Noordwesthoek te maken met de relatief gunstige economische omstandigheden.12 [12. Slicher van Bath, Vaderlands Verleden in Veelvoud, p. 318. Zie tevens Overijssel p. 154-155.]
De bevolkingsaanwas in het kwartier Vollenhove in de periode 1675-1723 bedroeg 40,8 % (1675 = 9.800 inwoners; 1723 = 13.800).13 [13. Overijssel p. 155.] Deze groei kan niet worden toegeschreven aan natuurlijke bevolkingsaanwas, noch aan toegenomen activiteit in de voor dit gebied belangrijke agrarische sector. Want het was met name de landbouw die in deze periode getroffen werd door een langdurige krisis. Velen die totdan in het boerenbedrijf werkzaam waren geweest, dienden zelfs elders of in een andere bedrijfstak hun emplooi te zoeken.14 [14. Overijsse1 p. 166, zie de tabel. In 1602 was nog 67,2% van de bevolking agrariër en in 1795 nog 34,3%.]
De bevolkingsaanwas lijkt te danken zijn geweest aan het veenbedrijf en de daarbij horende nevenactiviteiten. De turfimposten van Zwartsluis tonen aan dat de handel in turf in de periode 1680-1704 is toegenomen; een ontwikkeling die, ofschoon op iets lager niveau, tot rond 1720 doorging en daarna gevolgd werd door een duidelijke terugval.15 [15. Samenleving p. 216.] In een tijd dat werk schaars was en velen op zoek waren naar een inkomstenbron, moeten de veengebieden in de Kop van Overijssel als magneten hebben gewerkt voor lieden uit andere delen van ons land. En ofschoon er voor lang niet ieder werk te vinden was en de turfwinning slechts enkele maanden van het jaar duurde, streken velen in het Land van Vollenhove neer; met name Steenwijk (+87%). Zwartsluis, Wanneperveen en IJsselham vormden groeikernen.16 [16. Ibid. hier p. 71 en 80.] De toegenornen activiteiten in het veen hadden stellig een positieve uitwerking op andere economische sectoren, zoals het handels-, vervoers- en het secundaire nijverheidsbedrijf. Steenwijk als afvoer- en verzorgingscentrum van de uitgestrekte veengebieden in de Noordwesthoek van Overijssel profiteerde hier duidelijk van.
Het ‘burgerlijk vermogen’ van het stadje stak rond de eeuwwisseling zeer gunstig af ten op zichte van dat van veel andere steden in de provincie.17 [17. Ibid. hier p. 292.] Met behulp van een vergelijking van de vermogens, samengesteld aan de hand van de kohieren van de 1000e en 500e penning, kunnen wij dit gunstige beeld illustreren.

tabel 1

Vermogenshiërarchie van het aantal in Steenwijk aangeslagen personen:
rangstanden 1694 1700 1704 1708 1711 1734
1 1 1 ? 1 1 1
2A 51 52 ? 34 34 25
2B 106 105 ? 105 99 97
3 ? ? ? ? ? ?
aantal aangesl. 158 158 162 140 134 123
totaal vermogen 223250 223250 225250 190900 187000 163750
(= in gold guldens)

 

De gebruikte rangstanden staan voor:

|pag. 8|

1 vermogens van 10.000 ggla. of meer:
2A vermogens van 2.000-9.999 ggld.;
2B hiertoe behoren zowel de personen met vermogens van 500-1.999 G.gld als zij, die alleen hoofdgeld betalen;
3 de armen, die geen hoofdgeld betalen en geen vermogen bezitten.18 [18. Ibid. hier p. 256.]

Het beeld dat wij uit deze tabel krijgen van Steenwijk aan de vooravond van de Plooierijen (tabel over het jaar 1700) is als volgt.
Er was slechts èèn aangeslagene die puissant rijk was: het betrof hier de weduwe van schout Dannenberg met haar zoon (de jurist en stadssecretaris). De vermogensrang 2A is sterk vertegenwoordigd; ongeveer een derde van de aangeslagen personen behoorde tot deze groep: Steenwijk had een relatief brede gegoede burgerij. Onder deze gegoede burgers vinden wij doctores, juristen, burgemeesters, een medicus, een brouwer en handelslieden. Ook de vermogensrang 2B is goed vertegenwoordigd en het dient vermeld dat de gemiddelde hoogte van de aanslag van deze personen zo rond de G. Gld 1000-0-0 lag. Tot deze groep behoorden de vele ambachtslieden en neringdoenden die de stad rijk was. Want Steenwijk behoorde wat de verscheidenheid van beroepen betrof tot de meest ‘gespecialiseerde’ steden in Overijssel.19 [19. Ibid. hier p. 159.] De aanwezigheid van zo’n breed beroepenscala had ongetwijfeld te maken met de handels-, vervoers- en verzorgingsfunctie die de stad in de turf gebieden innam. Ook opvallend is de aanwezigheid van veel hoger opgeleide personen. Bij een globaal geschat inwonertal van 900 personen rond 1700 is het aantal van zo’n 20 doctores of juristen opvallend. Nogal wat families konden zich het kennelijk permitteren om hun zonen elders te laten studeren.20 [20. In de kohieren van de 500e en 1000e penning staan de titels van de afgestudeerden erbij. De schatting van het inwonertal is gebaseerd op 700 in 1675 volgens Slicher van Bath in samenleving p. 71.]
Het tamelijke welvarende karakter wordt verder nog bevestigd door een relatief kleine groep mensen in de vermogensrang 3: de onvermogenden. Slicher van Bath becijferde voor 1675 voor het Land van Vollenhove het relatief lage percentage van 14 % voor het aantal onvermogenden; hetgeen opmerkelijk laag was vergeleken met de andere Overijsselse gewesten. Het cijfer voor de stad Steenwijk lag in dezelfde orde van grootte.21 [21. Samenleving p. 258. Zie m.b.t. Steenwijk: Tuit, J., Het St. Katharinagasthuis binnen Steenwijk p. 14.] Ofschoon sedert 1675 de behoeftigheid waarschijnlijk is toegenomen, bestaat er geen reden te vermoeden dat er rond de eeuwwisseling een opvallende toename van het aantal armen heeft plaatsgevonden.
Toch zou het beeld, zo toont ons de tabel, zich spoedig wijzigen.
Het peiljaar 1704 is niet alleen een economisch topjaar, maar tevens het omslagpunt naar een langdurige economische terugval. De periode waarin de Plooierijen zich manifesteerden blijkt parallel te lopen met ingrijpende economische veranderingen in de stadseconomie, want tussen het ‘Plooijaar’ 1704 en het peiljaar 1708 liep het burgerlijk vermogen sterk terug en in relatie daarmee werd een flink aantal ‘gegoede’ burgers in die vermogensval meegesleurd.
Voor de economische terugval vanaf 1704 is een aantal oorzaken aan te voeren. Allereerst dient gewezen te worden op de problemen die de agrarische sector troffen. Naast de algemene malaisse waar het gehele agrarische bedrijf onder gebukt ging, werden de boeren in het Land van Vollenhove in 1702 getroffen door ernstige, overstromingen doordat de dijken bij Blokzijl het begaven. De volgende jaren betekenden vanwege het verzilte land slechte oogstopbrengsten en door de zoute waterbronnen veesterfte.22 [22. Kronyk fol. 420-421.] En alsof het boerenbedrijf nog niet voldoende door de natuur getroffen was, waren de winters van 1704 en 1705 extreem koud zodat vele gewassen mis-

|pag. 9|

lukten.23 [23. Ibid. fol. 430-435.] De jaren 1714-1721 betekenden vervolgens een nieuwe ramp voor het agrarisch bedrijf, ditmaal werd het veeteeltbedrijf getroffen door de veepest.24 [24. Samenleving p. 512-517 en 519-522. Zie ook Faber p. 239.] Dit soort agrarische tegenslagen trof niet alleen de lieden die in de buitengebieden van de Noordwesthoek woonden en voor hun beroep geheel van het agrarisch bedrijf afhankelijk waren, doch ook veel stedelingen werden er ernstig door geschaad. Op verschillende huizen in de stad Steenwijk rustte het z.g. opslagrecht, hetgeen betekende dat de bewoners van die huizen het recht hadden om vee op de stadsmeenthe ‘op te slaan’25 [25. Meesters p. 121. Zie tevens O.A.S. inv. 356, 357, 358 en 359. Uit het betaalde hoorngeld blijkt dat de gegoede burgers in het bezit waren van een aantal runderen.] Vanwege dit recht werden niet alleen de echte akker- en veeteeltboeren, maar ook veel andere burgers -zelfs burgemeesters en juristen hielden runderen- door de agrarische tegenslagen getroffen en in hun vermogen aangetast. In 1702 leidde een door de magistraat voorgestelde verhoging van het opslaggeld -men moest voor het opslaan per dier een bepaalde som geld betalen- tot grote onrust onder de stadsbevolking. Men klaagde over de gevolgen van de overstroming en dwong bij de magistraat een verlaagd tarief af.26 [26. Kronyk fol. 421.]
Een ander gevolg van de agrarische krisis was een daling van de grond- en pachtprijzen. Veel lieden uit de ‘gegoede’ burgerij hadden in grondbezit geïnvesteerd. Met name toen het stadsbestuur na het vertrek van de Munstersen stadsgronden had moeten verkopen om de hoge brandschatting te kunnen betalen, hadden velen grond aangekocht. Aan het begin van de achttiende eeuw daalden de pachtprijzen in enkele jaren tijd met 50 %, hetgeen voor de grondbezitters tot een groot vermogensverlies leidde.27 [27. Tuit. J., Het St. Katharinagasthuis binnen Steenwijk, zie bijlage pachtprijzen.]
Ook de ontwikkelingen in het turf hebben een negatieve uitwerking op de economische ontwikkelingen gehad. Het eind van de zeventiende eeuw waren topproductiejaren geweest; tot 1704 hield men dit productieniveau vast, van 1704 tot 1720 trad een lichte daling in; de jaren daarna volgde een diepe inzinking die tot de jaren veertig duurde.28 [28. Samenleving p. 216.]
De relatie tussen de geschetste economische ontwikkelingen en de beweging der plooierijen lijkt aannemelijk. De families/facties die het in het stadsbestuur voor het zeggen hadden, sloten de rijen: krachtige oligarchische tendenties kwamen naar voren. Zij beslisten over de verdeling van allerlei ambten die het stadsbestuur te begeven stonden. Ze konden voor zichzelf, voor familieleden en gunstelingen, in deze periode van economische terugval, voor lucratieve baantjes zorgen. Dat dit naijver en spanning gaf met de onderliggende groep, die voor handhaving van de eigen vermogenspositie moest knokken, spreekt voor zich. En dat velen zich niet in hun rangstand konden handhaven, leert de vergelijking van de uitkomsten over 1704 met die over 1708. Uit rangstand 2A blijkt dat 30,7 % van de ‘gegoede’ burgers hun vermogenspositie niet hebben kunnen handhaven: zij zullen waarschijnlijk een rangstand zijn gedaald in hun vermogen. Dit impliceert dat uit de rangstand 2B, welke getalsmatig gelijk blijft, verschillende kleine middenstanders zijn vervallen naar het armoede niveau van rangstand 3. Ofschoon wij geen aantallen kunnen noemen, moet het aantal onvermogenden in de periode na 1704 sterk zijn toegenomen: niet alleen het aantal voor de 500e penning aangeslagen personen liep drastisch terug -terwijl er groei mocht worden verwacht i.v.m. de sterke demografische groei- ook het gezamenlijke burgerlijke vermogen daalde sterk. De diakenen doen hun beklag bij het stadsbestuur over de enorme toename van het aantal lieden die zich tot de diakonale beurs wendden. Het stadsbestuur liet in deze periode verschillende ordonnanties uitgaan om de

|pag. 10|

vestiging van vreemden te limiteren en te reglementeren en aldus toename van het aantal armlastigen te beperken.29 [29. O.A.S. inv. 8 fol. 106-107, 271-272.]
Bovenstaande ontwikkeling kenschetst een constellatie waarbinnen de ingrediënten voor sociale onrust en oproer voorhanden waren; er was een groep zich gepasseerd voelende gegoede burgers waarvan verschillenden hun vermogenspositie ernstig aangetast zagen; er was een groep kleine middenstanders en neringdoenden die de armoedegrens steeds dichterbij voelden komen en er was de sterk groeiende groep van armlastigen (in 1758 35,7 % in het Land van Vollenhove).
In een klein plaatsje als het toenmalige Steenwijk, waar zo ongeveer alle mensen elkaar moeten hebben gekend, konden spanningen zoals ze in deze studie centraal staan, welhaast niet uitblijven.

|pag. 11|

– Tuit, J. (1987). De plooierijen te Steenwijk. (Scriptie M.O. II.). Geschiedenis, Noordelijke Leergangen, Zwolle.

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.