Marken en Waterschappen


MARKEN EN WATERSCHAPPEN
DOOR
Mr. G. A. J. VAN ENGELEN VAN DER VEEN.
 
MARKEN.

     Oppervlakkig beschouwd, lijkt het eenigszins vreemd, dat de marken, instellingen uit een vroeger tijdperk, die zoo goed als geheel verdwenen zijn en van welke men nog slechts hier en daar in een vergeten hoekje van Overijssel overblijfselen aantreft, in één hoofdstuk worden behandeld met de waterschappen, welke heden een zeer belangrijke taak vervullen en welker aantal nog steeds toeneemt.
     Zoodra wij ons echter op de hoogte hebben gesteld van het wezen en den werkkring der marken, blijkt, dat tusschen beide soorten instellingen een groote mate van overeenkomst bestaat. Bij beide treedt het zakelijk karakter op den voorgrond en komt de mensch slechts in de tweede plaats. Men kon niet zonder meer deelgenoot eener marke worden; daarvoor was noodig het bezit eener hoeve en eveneens kan men thans slechts ingeland van een waterschap zijn door gronden binnen de grenzen van het waterschap te bezitten. En evenmin als thans de eigenaar van een stuk grond, dat binnen de grenzen van een waterschap gelegen is, zich aan de verplichtingen van het ingelandschap kan onttrekken, kon de eigenaar eener hoeve, die binnen de grenzen eener marke gelegen was, zich aan het markeverband onttrekken.
     Er is wel eenig verschil, doch dit is slechts gradueel. Ingeland van een waterschap is ieder, die binnen dat waterschap een stuk grond bezit, hoe klein dit ook is, al is hij niet steeds stemgerechtigd ingeland. Bij de marken werd men door het bezit van een enkel stuk grond nog geen markgenoot; daarvoor was noodig het bezit van het samenstel van gronden en rechten, dat men een hoeve noemde.
     Een andere reden voor de behandeling van marken en waterschappen in één hoofdstuk is nog deze, dat oudtijds de taak van de tegenwoordige waterschappen door de marken werd vervuld. De marken zorgden voor de keering en den afvoer van het water en in marken, waar deze taak van groot belang was, werden al vroeg de bestuurders dijkgraaf en heemraden genoemd. Verschillende waterschappen zijn dan ook de rechtstreeksche voortzettingen van vroegere marken.
Ik wijs b.v. op de waterschappen Zalk en Kamperveen. Beide waren vóór 1795 marken zonder onverdeelde gronden. De markgenooten, de eigenaren der hoeven,

|pag. 186|

behartigden de waterstaatsbelangen hunner gronden en voerden tevens het burgerlijk bestuur over de bewoners. Ten gevolge van de omwenteling van 1795 verloren zij deze laatste bevoegdheid, welke overging op de inwoners en waardoor de gemeenten Zalk en Kamperveen ontstonden. Als waterschappen zijn zij blijven bestaan.
     Voor het ingeland zijn van een waterschap is de woonplaats onverschillig. Dit is geheel in overeenstemming met het zakelijk karakter der waterschappen. Ook voor het markgenoot zijn was wonen binnen de marke niet noodzakelijk en voorbeelden van marken, binnen welke geen enkel markgenoot woonachtig was, zijn er te over. Dat dit tot zonderlinge toestanden aanleiding gaf, is duidelijk, daar de markgenooten ook het burgerlijk bestuur over de bewoners voerden.
Soms kwamen zij in geen jaren bij elkander en dikwijls werden de markevergaderingen niet in de marke, doch in een der drie groote steden gehouden.
     Een herinnering aan de vroegere bevoegdheden der markgenooten ten aanzien van de bewoners der marke is nog te vinden in een bepaling van onze tegenwoordige waterschapswetgeving. Volgens de wet van 9 Mei 1902, Staatsblad no, 54, hebben de besturen der waterschappen in geval van dringend of dreigend gevaar het recht om de bewoners, ook hen, die geen ingeland zijn, op te roepen tot het verrichten van hand- en spandiensten.
     In verband met het zakelijk karakter der marken is het minder juist te spreken van een markgenootschap. Een genootschap doet te veel denken aan een vereeniging van personen. In oudere markebescheiden komt dit woord dan ook niet voor. Wel wordt in het bijzonder in jongere stukken het woord markgenoot gebruikt, doch de meest gebruikelijke benaming voor de deelgenooten eener marke was erfgenaam, soms ook geërfde. In enkele markerechten worden zij erfexen genoemd, terwijl ook de benaming goedsheer nogal eens wordt gevonden. Deze laatste benaming wordt gewoonlijk gebruikt voor die erfgenamen, welke de marke op de kerspelvergaderingen vertegenwoordigen.
     Het is niet gemakkelijk een definitie van het begrip marke te geven, die voor alle vormen, waarin marken voorkomen, passend is. Het hoofdkenmerk in de aanwezigheid van onverdeelde gronden zoeken, is niet juist, want door de verdeeling van haar onverdeelde gronden hielden de marken niet op te bestaan, althans niet vóór 1795, waarvan de reeds genoemde marken van Zalk en Kamperveen voorbeelden zijn. Ook waren er marken, waar van den beginne af geen eigenlijke onverdeelde gronden zijn geweest. Ik heb hier het oog op de jongere nederzettingen in het land van Vollenhove, onder Staphorst en Rouveen en elders, waar de grootte der hoeven werd afgemeten naar de breedte der gronden langs den weg of dijk, aan welken de woningen waren gelegen, terwijl iedere hoeve zich van het eene einde der nederzetting tot het andere uitstrekte. Werkelijke scheidingen zullen over de volle lengte wel niet terstond aanwezig zijn geweest, doch onverdeeld waren de gronden toch niet, omdat men slechts de bij de woningen aanwezige afscheidingen behoefde door te trekken om de hoeven geheel afgescheiden te hebben.
     Ook de aanwezigheid van hoeven binnen een zeker gebied is geen afdoend

|pag. 187|

kenmerk, omdat er marken waren zonder hoeven. Ik wijs hier op de marken van Dalmsholte en Mastenbroek, wier gronden onverdeeld toebehoorden aan de eigenaren van hoeven in nabij gelegen marken.
     In het algemeen kan men echter zeggen, dat een marke een aaneengesloten oppervlakte gronds was, afgescheiden van andere omliggende gronden, welke oppervlakte geheel, hetzij verdeeld of gedeeltelijk onverdeeld, behoorde tot een bepaald aantal binnen dat gebied gelegen z.g. gewaarde hoeven, wier eigenaren deze gronden en hun bewoners gezamenlijk bestuurden.
     In verreweg de meeste gevallen waren de marken nauwkeurig begrensde gebieden. Als afscheidingen dienden in de eerste plaats de natuurlijke terreinscheidingen, rivieren en beken. Waar deze ontbraken, maakte men gebruik van markante punten in het terrein, een heuveltop, een hoogen boom, enz., terwijl tusschen dergelijke punten op de grens steenen of palen, z.g. marke– of lakesteenen werden geplaatst. Van het eene grensteeken tot het andere liepen de grenzen volkomen recht.
     Juist aan de omstandigheid, dat marken afgescheiden of afgemerkte gebieden waren, hebben zij volgens de gangbare meening haar benaming te danken.
     In de oudste tijden, toen er nog groote uitgestrektheden onbewoonde wouden en wildernissen gevonden werden, waren de grenzen der marken naar de zijde dier wildernissen niet steeds afgebakend. Dit is eerst geschied, toen de landsheeren, die zich gerechtigd achtten over dergelijke wildernissen te kunnen beschikken, begonnen met stukken daarvan aan kolonisten ter ontginning uit te geven. Ongetwijfeld zullen over de regeling dezer grenzen moeilijkheden zijn ontstaan, doch de tijd, waarin dit geschiedde, ligt zoover achter ons, dat daarover zoo goed als geen berichten zijn bewaard gebleven. Alleen omtrent de geschillen tusschen den landsheer en de aangrenzende marken over de wildernissen van Mastenbroek weten wij iets.
     Dit Mastenbroek, of zooals het in enkele stukken genoemd wordt, de communitas Sallandie, strekte zich uit van den noordelijken Veluwezoom langs de Zuiderzee, Zwartewater, Meppelerdiep en Reest. In de 12e en 13e eeuw waren door de bisschoppen groote stukken hiervan aan Hollanders en Friezen ter ontginning uitgegeven. Blijkbaar zijn toen de grenzen tusschen de marken aan de noordzijde van de Vecht en de nieuwe nederzettingen langs Zwartewater, Meppelerdiep en Reest geregeld. Soms werkten de geïnteresseerden der aangrenzende marken mede, zooals bij Kamperveen, uit welks privilegebrieven blijkt, dat de „nobiles terre illius”, de goedsheeren, hun toestemming hadden gegeven tot de vestiging van kolonisten. In andere gevallen, zooals bij den afstand van gronden en vischrechten aan Kampen, handelde de bisschop blijkbaar op eigen gezag en gingen de belanghebbenden, de communitas Sallandie, de concessie betwisten.
     Het waren vooral de marken van het kerspel Zwolle — waaronder het oorspronkelijke kerspel te verstaan is, dat ook de latere kerspelen Wilsum, Zalk, IJsselmuiden, Kampen en Hasselt omvatte —, die zich onder leiding van den heer van Voorst tegen verdere inkrimping van deze wildernissen verzetten, blijkbaar uit vrees, dat zij langzamerhand hun gebruiksrechten op deze wildernissen

|pag. 188|

geheel zouden verliezen. Eerst na vele oorlogen en langdurige onderhandelingen kwam men in de tweede helft der 14e eeuw tot een oplossing, die neerkwam op een overwinning der geïnteresseerde marken. Mastenbroek werd verdeeld onder de erfgenamen dezer marken en de bisschop kreeg slechts zijn voorslag.
     Ook daar, waar de grenzen der marken wel afgepaald waren, waren grensgeschillen aan de orde van den dag. Een rivier of beek kon van loop veranderen, een vast grenspunt kon verdwijnen, palen konden vergaan en de steenen konden, hoewel op verplaatsing strenge straffen werden gesteld, worden verplaatst.
Vooral in de meer afgelegen deelen der marken kwam dit voor. Werd de afwezigheid of verplaatsing ontdekt, dan was de medewerking van alle op dat punt aan elkander grenzende marken voor de herplaatsing noodig. Kon men de juiste plaats niet terstond terugvinden, dan werden bij ouden van dagen z.g. kondschappen ingewonnen, welke soms vele bladzijden in de markeboeken vullen.
Het duurde dikwijls jaren, voor men het over de juiste plaats eens was. Beroemd zijn de grensgeschillen tusschen de marken van Noetsele eenerzijds en Notter en Zuna anderzijds. In het midden der 15e eeuw zijn zij ontstaan en zij hebben vrijwel onafgebroken voortgeduurd tot in de 19e eeuw. In 1840 was een verdeeling van deze marken niet mogelijk, omdat de grenzen in de z.g. twistvelden niet vaststonden. Eerst nadat deze velden krachtens rechterlijk vonnis waren gescheiden, kon de verdeeling dezer marken voortgang hebben.
     Doordat de marken haar vaste grenzen hadden, was een vermeerdering van het aantal marken alleen mogelijk in den tijd, toen er nog uitgestrekte onbewoonde wildernissen waren. Voorbeelden hiervan ontmoetten wij reeds. In het laatst der 13e eeuw waren gronden, die niet reeds tot marken behoorden, niet meer aanwezig en kon op deze wijze geen vermeerdering in het aantal marken meer ontstaan.
     Wel is het aantal daarna nog vermeerderd door splitsing. Zoo is de marke van Luttenberg ontstaan door afscheiding van Raalterwoold, de marke van Averlo door afscheiding van Borgel, de marke van Oxe door afscheiding van die van Dordt en Zuidloo. Daartegenover staat, dat het aantal marken kleiner is geworden door samensmelting. Zoo waren in jongeren tijd de marken van Heemse en van Collendoorn nog slechts één marke.
     Binnen het grondgebied der marke lagen de hoeven, soms door dit geheele gebied verspreid, soms ook in een of meer groepen, en in de jongere nederzettingen gewoonlijk in één lijn langs een weg of dijk.
     Wat een hoeve was, is even moeilijk te definiëeren als het geven van een definitie van de marke zelve. Een hoeve was gewoonlijk een boerderij, doch iedere boerderij was nog geen hoeve in de markerechtelijke beteekenis van het woord.
Vermoedelijk was dit in de oudste tijden wel het geval, doch later, toen reeds vele gronden verdeeld waren en gedeelten daarvan in handen kwamen van anderen dan de eigenaren der oorspronkelijke hoeven, ontstonden meermalen nieuwe boerderijen, soms van aanzienlijken omvang, die toch geen hoeven waren.
Zij misten, wat de oorspronkelijke hoeven wel bezaten, een aandeel in de onverdeelde gronden, de z.g. gewaardheid.

|pag. 189|

     Niet onwaarschijnlijk behoorden in de alleroudste tijden tot de hoeven alleen de plaats, waar het huis met de bijgebouwen stonden en de onmiddellijk daarom gelegen gronden, terwijl alle andere gronden onverdeeld waren. De bouwlanden werden toen jaarlijks of om een bepaald aantal jaren over de hoeven verdeeld.1 [1. Met deze verdeeling van de bouwlanden moet niet verward worden de in vele marken ook later nog voorkomende periodieke verdeeling van de boekweitvelden. Men zocht hiervoor een geschikt stuk der onverdeelde gronden, de z.g. meente of gemeente, uit, brandde de heide en struiken af en verdeelde dezen grond onder de in de marke gerechtigden.
Na enkele jaren was de grond, die geen andere bemesting ontving dan de asch der afgebrande heide, uitgeput. Er werd dan een ander stuk uitgezocht en het oude bleef weer als onderdeel van de gemeente liggen.]
)
In historischen tijd hadden in Overijssel echter de hoeven haar eigen bouwlanden en wel een bepaalde oppervlakte, nl. 16 morgen.2 [2. Een overblijfsel van den ouden toestand treft men veel later nog in meerdere Twentsche marken aan, waar het houtgewas, ook al stond het op particulieren grond, gemeen was.
Later bij de verdeeling, die door verkoop van den houtopstand plaats vond, kregen de eigenaren, op wier gronden dit hout stond, een recht van voorkoop.
     Een andere herinnering aan de vroegere gemeenschap der bouwlanden was het recht van stoppelweide, het recht om, na den oogst van het graan, het vee op de bouwlanden te laten weiden. In verband hiermede moesten de afscheidingen der bouwlanden — zoo die er waren — op een bepaald tijdstip worden verwijderd. Dit tijdstip werd gewoonlijk door de gezamenlijke buren vastgesteld. Eerst toen het gewoonte werd, om na den graanoogst nog een tweede gewas te verbouwen, is dit recht langzamerhand verdwenen.]
) Het woord hoeve toch is een veel gebruikte landmaat van die oppervlakte.
     De hoeve van 16 morgen was de eenheidshoeve. Aan deze was een aandeel in de onverdeelde gronden verbonden. Men had wel kleinere hoeven, z.g. halve en drielingen, doch dan was er ook slechts een halve of ¾ ware aan verbonden, terwijl grootere hoeven ook een grootere gewaardheid bezaten.
     Waren er in een marke 10 eenheidshoeven, dan bezat iedere hoeve 110 aandeel in alle vermogensbestanddeelen der marke. Zoowel bij verdeelingen van gronden als van gelden, verkregen door den verkoop van grond of houtgewas, ontving de eigenaar van iedere hoeve 110 gedeelte. Omgekeerd had iedere eigenaar ook weder 110 bij te dragen in de omslagen, die voor verschillende doeleinden noodig waren.
     Dit was de beteekenis van de gewaardheid, bezien van het standpunt van den eigenaar van de hoeve. Voor den gebruiker der hoeve beteekende zij het recht, om van alle bestanddeelen der marke naar behoefte gebruik te maken, mits door zijn gebruik de gebruiksrechten van andere gebruikers niet werden verkort.
Waar weinig grasland was, kon geen onbeperkt aantal koeien worden geweid, doch werd ieders getal naar evenredigheid vastgesteld. Waar weinig turfveen aanwezig was, werd de hoeveelheid te steken turf per ware bepaald.
     De gebruiksrechten bestonden in het laten weiden van vee op de graslanden, het oogsten van hooi van de hooilanden, het laten weiden van schapen in de heidevelden, het steken van turf in de venen, het maaien van plaggen, het kappen van boomen voor timmerhout, het hakken van brandhout uit de hakbosschen, enz.3 [3. In oude overdrachtsbrieven van hoeven worden deze rechten gewoonlijk omschreven als volgt: mit toppe mit twijge, mit water mit weyde, mit torve mit holte, mit hoge mit lege, mit allen olden ende nijen tobehoren, mit alre slachter nut.])

|pag. 190|

     Het aantal hoeven in de verschillende marken liep sterk uiteen. Men had marken met minder dan 10 hoeven, terwijl men er andere met 50 en meer vond.
Met het oog op de omstandigheid, dat hoeve een landmaat van 16 morgen was, mag worden aangenomen, dat het aantal morgens van nature voor bouwland geschikten grond, gedeeld door 16, oorspronkelijk het aantal hoeven heeft bepaald.4 [4. Van nature voor bouwland geschikt waren gronden, die zoo hoog lagen, dat zij niet overstroomden, doch weder niet zoo hoog, dat zij verdroogden, eenigszins afhellend voor den gemakkelijken waterafvoer, doch niet zoo steil, dat de bouwgrond wegspoelde; aan deze eischen voldoen de z.g. esschen of enken.])
     Doordat er halve hoeven, drielingen en grootere hoeven voorkwamen, was het aantal hoeven niet steeds gelijk aan dat der waren. Zeer waarschijnlijk was het in de oudste tijden anders en had men toen alleen de eenheidshoeven, doch door splitsing en overdracht van gedeelten van waren 5 [5. Splitsing in kleinere deelen dan ¼ waren was in het algemeen niet toegestaan. De reden hiervan is ongetwijfeld geweest, dat, zooals wij later zullen zien, de katerstede gelijk gesteld werd met ¼ ware. Verdere splitsing van de ¼ ware stond dus gelijk met het in het leven roepen van een nieuwe katerstede.
]
) is deze ongelijkheid ontstaan. De erfgenamen toch waren in het algemeen vrij in het splitsen van hun hoeven en waren, mits door hun handelingen maar geen nadeel aan de medeerfgenamen werd berokkend, m.a.w. mits het totale aantal waren in de marke maar niet grooter werd.6 [6. Ook het overbrengen van waren of gedeelten van waren kwam geregeld voor. Sommige markerechten eischten voor deze handeling de toestemming der mede-erfgenamen. Overbrenging van waren of gedeelten van waren op huizen, buiten de marke gelegen, was overal verboden.])
     Hierin ligt het cardinale verschilpunt tusschen de marken en z.g. stads– of burgerweiden, die men in verschillende steden aantrof en gedeeltelijk nog aantreft (Kampen, Genemuiden, Grafhorst, Wilsum, enz.). Wanneer in de marke een erfgenaam sterft en zijn hoeve aan vier zonen nalaat, die ieder het landbouwbedrijf gaan beoefenen en de vaderlijke hoeve onder elkander verdeelen, zoodat er vier hoeven ontstaan, dan hebben die 4 zonen elk slechts recht op ¼ gedeelte van de rechten, die de vader uitoefende. Sterft echter een burger eener stad, nalatende 4 zonen, die ieder het landbouwbedrijf uitoefenen of als nevenbedrijf vee houden, dan zijn deze zonen, indien zij overigens aan de eischen van het burgerschap voldoen, ieder ten volle als andere burgers tot medegebruik der weiden gerechtigd.
     De omstandigheid, dat door de handelingen van den enkelen erfgenaam geen wijziging in het totaal aantal waren eener marke kon worden gebracht, leidt tot de gevolgtrekking, dat het aantal waren in de verschillende marken de eeuwen door constant moet zijn geweest en inderdaad, wanneer wij oudere warenlijsten met jongere vergelijken, is er weinig verschil te vinden. In het algemeen echter wijzen de jongere een geringe toeneming aan.
     Gedeeltelijk kan deze het gevolg zijn geweest van usurpatie. Het gebeurde wel eens, dat de gezamenlijke erfgenamen aan een ongewaarde toestonden, om gedurende zijn leven de marke als een gewaarde te gebruiken. Ook werd wel

|pag. 191|

eens aan een weinig gewaarde met groot gezin een grooter gebruiksrecht toegestaan, dan waarop hij recht had. Wanneer dit jaren lang had plaats gevonden, wist men soms later niet meer, op welken titel zoo’n gebruiksrecht rustte en wanneer dan de markeboeken verdwenen waren of onvoldoende waren bijgehouden, bleef er weinig anders over dan de gewaardheid als bestaande aan te nemen.
     Wel gold de regel, dat, wie beweerde gewaard te zijn, zijn gewaardheid moest bewijzen,7 [7. In sommige marken werd zoo nu en dan geëischt, dat alle erfgenamen bewijs van hun gewaardheid leverden.]) doch dit bewijs bestond gewoonlijk hierin, dat men door getuigen bewees, dat men de marke gedurende lange jaren als een gewaarde had gebruikt, welk bewijs in zulk een geval gemakkelijk kon worden geleverd.
     Een andere oorzaak voor de vermeerdering van het aantal waren in de marken lag in het gebrek aan contante gelden, waarin de marken gewoonlijk verkeerden.
Wanneer voor een of ander doel geld noodig was, kon dit gevonden worden door een omslag, doch daartoe ging men niet gaarne over. Liever verkocht men een of ander stuk grond uit de marke en indien zich daarvoor geen liefhebbers aanmeldden, werd ook wel eens een ware of een gedeelte van een ware verkocht, hetzij aan een erfgenaam, die dus grooter gewaardheid kreeg, hetzij aan een ongewaarde, wiens woning daardoor een gewaarde hoeve werd.
     De gezamenlijke erfgenamen waren tot dergelijke handelingen volkomen bevoegd, daar zij ieder voor zich afstand deden van een deel van hun aandeel in de onverdeelde gronden. Gevraagd kan echter worden, of in dergelijke gevallen ook de meerderheid de minderheid bond, wat in gewone gevallen wel het geval was.
     In sommige marken kende men waren, voor bijzondere doeleinden bestemd.
Zoo had men in Woolde waren, toekomende aan de kerk van Delden, aan de kerk van Hengelo een „Hilligenwaer”, een „Goedeswaer” en een „geven waere”.8 [8. De opbrengst van de „Hilligenwaer” diende tot bestrijding van de onkosten bij het ronddragen van een beeld van een heilige. De Goedeswaer was bestemd voor armenverzorging. De „geven waer” was een ware, gegeven aan den heer van Hengelo voor bewezen diensten of iets dergelijks.]) Al deze waren waren niet aan een hoeve verbonden en zijn dus uitzonderingen op het zakelijk karakter der gewaardheid. Zij behooren tot de z.g. ledige waren, van welke het markeboek van de Lutte zegt: „ende hieten ledighe waer, want sie en hoert nu niet toe den erven, daer sie pleghen toe te horene”.9 [9. Voor het meerendeel der ledige waren is dit juist, niet echter voor de bijzondere waren, die wel nimmer tot een hoeve zullen hebben behoord, doch nieuw voor het speciale doel door de erfgenamen zullen zijn geschapen.])
     Daar deze waren niet tot hoeven behoorden, konden zij alleen eenig voordeel opleveren, wanneer zij aan een bewoner der marke, hetzij gewaard of ongewaard, werden verpacht.10 [10. Het recht, om in het najaar varkens in de bosschen te drijven, dat ook aan deze waren toekwam, werd wel eens afzonderlijk verpacht.]) Bij verdeelingen van gronden, of van de opbrengsten van

|pag. 192|

verkocht hout, deelden zij als gewone waren mede. Zij kwamen alleen in Twenthe voor.11 [11. Het aantal was soms aanzienlijk. Zoo had men in de marke van Enschede naast 37½ gewone waren 32 ledige waren. In het markerecht van Enschede worden ook „lijckwaren” genoemd. De beteekenis hiervan heb ik niet kunnen opsporen.])
     Elders was het verband tusschen hoeve en ware sterker. Wanneer een hoeve werd versnipperd, zonder dat de ware op een andere woning werd overgebracht, dan bleef de ware behooren bij de z.g. huis– of saalstede, ook al was het huis verdwenen. De ware sliep dan, doch de eigenaar dezer huisstede deelde weer mede bij verdeeling van gronden of gelden. Daartegenover stond, dat hij ook verplicht bleef, bij te dragen in eventueele omslagen. Niet de afzonderlijke perceelen werden aangeslagen, doch de huisstede en de eigenaar daarvan moest zelf zien, zijn aandeelen van de eigenaren der vroeger tot de hoeve behoord hebbende gronden terug te krijgen,12 [12. Dat er verband bleef bestaan tusschen de perceelen, uit een oude hoeve afkomstig, blijkt ook uit het dijkrecht van Salland, waarin gezegd wordt, dat, wanneer het onderhoud van een dijk, dat op een bepaald stuk land rustte, voor dien grond te zwaar was, zoodat de eigenaar het opgaf, het erf opgespoord moest worden, waaruit dit stuk land gekomen was en het onderhoud dan op dat erf gelegd moest worden.]) In latere jaren is dit eerst veranderd.
     Hiervoor werd reeds medegedeeld, dat de markgenooten dikwijls niet in de marke woonden, doch hun erven verpachtten. Deze pachters, de eigenlijke boeren, waren de buren. De erfgenaam, die tevens in de marke woonde, was een z.g. eigengeërfde boer.
     Naast deze eigengeërfden en pachters van gewaarde erven trof men in het meerendeel der marken nog tal van andere bewoners aan. Er waren handwerkslieden, kooplieden, landarbeiders, kleine boeren, enz. Zij komen onder zeer verschillende benamingen voor. Men had bijzitters, menschen, die op plaatsjes woonden, die tot de gewaarde hoeven behoorden, brinkzitters, die op of aan den brink woonden, kotters, katers, koveners, huttemannen, kleinen, enz.
     De algemeene benaming was katers en hun woningen werden katersteden genoemd.13 [13. De naam is nog over in „keuterboer” in de beteekenis van kleine boer. Hoewel de katersteden gewoonlijk van kleinen omvang waren, was dit niet een noodzakelijk gevolg van het zijn van katerstede. Er konden vooral in lateren tijd katersteden van aanzienlijken omvang bestaan.]) Zij behoorden tot de ongewaarden en waren dus niet deelgerechtigd in de marke.
     Om in hun behoeften te voorzien, hielden deze menschen gewoonlijk als nevenbedrijf een boerderij van geringen omvang, wat bouwland, een paar varkens een koe of eenige schapen en hiervoor waren zij op de onverdeelde markegronden aangewezen. Daar moesten zij weide voor hun vee en hooi voor den winter vinden. Die gronden moesten de plaggen voor bemesting van hun bouwland leveren en ook voor hun brandstof, turf en hout waren zij op de markegronden aangewezen.
     Als algemeene regel gold nu, dat allen, die binnen een marke woonachtig waren, gerechtigd waren, voor hun behoeften van de onverdeelde markegronden

|pag. 193|

gebruik te maken. De rechten van deze menschen waren niet zoo uitgebreid als die van de gewaarde erven. Gewoonlijk werd zoo’n ongewaarde gelijk gesteld met het recht, dat ¼ ware verschafte, doch ik wijs er nog eens uitdrukkelijk op, dat hun recht geen gewaardheid was.14 [14. Schijnbaar in strijd hiermede is de uitdrukking „gewaarde katers”, die men meermalen ontmoet. Bedoeld zijn hier katers met gebruiksrechten in de marke, in tegenstelling met een andere soort, die wij nog zullen ontmoeten, welke in het geheel geen rechten op de gemeente had.]) Zij deelden dan ook bij verdeeling van gronden of gelden niet mede.15 [15. Wel bij de periodieke verdeeling van boekweitvelden.])
     In de marken vond men derhalve twee groepen gebruiksgerechtigden; zij, die als eigenaren of gebruikers der gewaarde erven dit recht bezaten en zij, die het krachtens hun ingezetenschap uitoefenden. De eerste groep was vrijwel constant, wat getalsterkte betreft, daar, zooals reeds werd medegedeeld, het aantal waren in het algemeen vrijwel onveranderd is gebleven. De tweede groep kon echter een aanzienlijke uitbreiding verkrijgen en in meerdere gevallen is deze zoo groot geweest, dat de rechten der gewaarden daardoor in het gedrang kwamen. Voorbeelden hiervan komen later nog ter sprake.
     Het is duidelijk, dat de erfgenamen de toeneming van het aantal gebruiksgerechtigden niet gaarne zagen en maatregelen van den meest uiteenloopenden aard namen, om deze tegen te gaan.
     In de oudste tijden, toen er nog geen gronden aan anderen dan gewaarden toebehoorden, was theoretisch vestiging binnen een marke zonder bewilliging der gezamenlijke erfgenamen niet mogelijk. Wel kon de individuëele erfgenaam op zijn grond een tweede woning bouwen, doch wanneer daaruit het landbouwbedrijf werd uitgeoefend, moest de ware worden gesplitst en kreeg men in plaats van één volgewaarde hoeve er twee met een halve ware of een met ¾ en een met ¼ ware. Alleen wanneer de eigenaar eener ¼ ware een nieuwe woning op zijn grond bijbouwde, zou het totaal der gebruiksrechten zijn toegenomen, daar het gebruiksrecht der ongewaarden met een ¼ ware werd gelijkgesteld. Om dit te voorkomen, was in de meeste marken het splitsen van een ware in kleinere deelen dan ¼ ware verboden en tevens het bouwen van nieuwe huizen op particulieren grond, wanneer voor zoo’n huis niet minstens ¼ ware beschikbaar was.
     Eveneens werd in lateren tijd, toen ten gevolge van verdeelingen sommige hoeven meer grond bezaten dan zij konden bewerken, waarvan dan afzonderlijke perceelen aan niet-gewaarden werden overgedragen, het bouwen van woningen op dergelijke losse perceelen verboden.
     Wilde iemand op zoo’n perceel toch een woning bouwen, dan was hij genoodzaakt, hiervoor toestemming van de gezamenlijke erfgenamen te vragen. Deze werd hem dan gewoonlijk verleend op voorwaarde, dat hij geen recht op medegebruik der markegronden zou hebben. Hieruit is de derde groep bewoners der marken, die welke geen enkel gebruiksrecht bezat, ontstaan. Hij echter, die een woning wilde bouwen om er een boerenbedrijf in uit te oefenen, was op deze

|pag. 194|

wijze niet geholpen. Hij moest trachten ook het gebruiksrecht op de meente te verkrijgen. Tegen betaling, hetzij van een som in eens, hetzij van een jaarlijksche uitkeering, gelukte dit meestal wel.
     In vele gevallen werden door de erfgenamen wel stukken grond van de meente verkocht, terwijl de kooper, die daarop een woning bouwde, het recht van medegebruik der marke zou genieten; elders werden zulke stukken door de erfgenamen met het recht van medegebruik verhuurd, wat dan de z.g. markekatersteden zijn, welke wij in verschillende markeboeken vermeld vinden.
     Op al deze manieren vond de vestiging in een marke op volkomen rechtmatige wijze plaats. Daarnaast staat de onrechtmatige vestiging, welke voortdurend voorkwam. Iemand, die door omstandigheden geen hoeve kon vinden en niet de middelen bezat om zich op rechtmatige wijze een woning te verschaffen, bouwde op een afgelegen plaats in de marke een hut, nam wat grond voor bouwland in gebruik en begon zijn bedrijf. Kon hij dit ongestoord gedurende den voor de verjaring bepaalden tijd — drie en dertig jaar, zes weken en drie dagen, Zegt het landrecht van Twenthe — uitoefenen, dan kon hij niet meer worden verdreven en was hij gebruikgerechtigd in de marke.
     Gewoonlijk echter werd zijn vestiging al spoedig opgemerkt door de voor de bewaking der markegronden en het opsporen van overtredingen der markebepalingen aangewezen personen, de z.g. gezworenen, ook swaren of schutters genoemd. Dit waren gewoonlijk bewoners der marke, hiervoor door de erfgenamen aangewezen, die van hun bevindingen op de vergadering der markgenooten rapport moesten doen.
     Een andere veel voorkomende overtreding was het z.g. aangraven van onverdeelden grond door erfgenamen en ongewaarden. Men breidde zijn gebruiks- grond uit door de scheiding tusschen dezen en de meente te verplaatsen. Ook deze aangravingen werden gerapporteerd en de markevergadering besliste dan wat zou geschieden. Soms besloot men de aangravingen ongedaan te maken door de gegraven greppel of sloot dicht te werpen — insmijten noemde men het — en de gebouwde woning af te breken.
     Veelal echter ging men met de overtreders een schikking aan. Tegen betaling van een som ineens of van een jaarlijksche uitkeering kon men het aangegravene behouden en, wanneer er een woning op stond, was er een nieuwe katerstede ontstaan. Een enkele maal gebeurde het ook wel, dat de erfgenamen uit medelijden aan een bepaald persoon levenslang het gebruik zijner aangraving lieten, wat na zijn overlijden dan veelal aanleiding tot geschillen met zijn erfgenamen gaf.
     In sommige marken, in het bijzonder in die, waar een parochiekerk stond, was de toeloop van ongewaarden groot. Juist daar kwamen de bewoners der tot de parochie behoorende marken op bepaalde tijden samen en was de gelegenheid voor vestiging van handwerkers en kooplieden gunstig. Wanneer zoo’n nederzetting van eenig belang werd, waren de erfgenamen veelal in de practijk niet meer bij machte, om de vestiging van dergelijke ongewaarden te verhinderen.
Werd aan zoo’n nederzetting door den landsheer stadrecht verleend, waardoor zij in de eerste plaats aan het bestuur door de erfgenamen van de marke werd

|pag. 195|

onttrokken, dan kwamen de rechten der erfgenamen in het gedrang. Al die stadsbewoners toch, voor zoover zij als nevenbedrijf boerderij hielden, hadden als katers het recht van medegebruik der markegronden 16 [16. In tegenstelling met de stadsbewoners, de kleine boeren, werden de bewoners der gewaarde erven groote boeren genoemd. Vandaar ook de benamingen Groote Boermarke te Enschede en Delden.]) en dit getal kon zoo groot worden, dat de erfgenamen of hun pachters niet meer al hun behoeften konden bevredigen. Na langdurige geschillen werd dan gewoonlijk een oplossing in dezen zin gevonden, dat de markgenooten ten behoeve van de stadsbewoners een deel der onverdeelde gronden afstonden, waarvoor de stad haar rechten van gebruik op de overige markegronden prijs gaf. Practisch kwam dit hierop neer, dat de erfgenamen de gebruiksrechten der ongewaarden afkochten. Dit is de oorsprong van vele der z.g. stadsweiden. Een duidelijk voorbeeld hiervan was Zwolle, waar de op deze handelingen betrekking hebbende oorkonden zijn bewaard gebleven. Ook in Deventer en Kampen zijn deze weiden blijkbaar op dezelfde wijze ontstaan.
     De katers waren, zooals reeds werd opgemerkt, wel gebruiksgerechtigd, doch niet deelgerechtigd. Bij partiëele verdeelingen van markegronden, die sedert de 14e eeuw geregeld plaats vonden, deelden zij dan ook niet mede. Bezwaren had dit niet, zoolang de onverdeelde gronden nog uitgestrekt genoeg waren, om aan de behoeften van allen te kunnen voldoen. Bij eindverdeelingen ontstonden echter moeilijkheden. Men kon toch al die gebruiksrechten niet eenvoudig ter zijde stellen door alle gronden onder de gewaarden te verdeelen. Om hieraan tegemoet te komen, werd op twee wijzen gehandeld.
     In sommige marken, vooral in die, waar het aantal ongewaarden niet al te groot was, liet men de katersteden bij de eindverdeeling als ¼ waren mede deelen. Elders liet men een gedeelte der markegronden onverdeeld en bestemde dit voor het uitsluitend gebruik der katers. Dit laatste is het systeem van de markenwet van 10 Mei 1886, Staatsblad no. 104.
     In Overijssel zijn in de 19e eeuw, en wel voornamelijk tusschen de jaren 1837 en 1850, de meeste marken verdeeld.17 [17. In 1809 werden door Lodewijk Napoleon bij besluit van 16 grasmaand bepalingen vastgesteld ter bevordering van het ontginnen van woeste gronden, nader uitgewerkt bij besluit van 10 bloeimaand 1810. In 1837 werden beide besluiten belanghebbenden in herinnering gebracht (Provinciaal blad van Overijssel 25 September 1837 No, 76), waarop vrijwel overal met de verdeeling een aanvang werd gemaakt.]) Enkele zijn nog niet geheel ontbonden, doch de bezittingen bestaan in het algemeen nog slechts uit verspreid liggende kleinere perceelen, aan welke de een of andere last, b.v. het onderhoud van een brug of duiker, verbonden is.
     De gezamenlijke erfgenamen bestuurden als eigenaren de marke. Zij kwamen gewoonlijk éénmaal per jaar, in den regel in de marke, bijeen 18 [18. Zoo schrijven het de meeste markeboeken voor. In de practijk gebeurde het echter dikwijls, dat de erfgenamen in jaren niet bijeenkwamen, vooral in die marken, waar een erfmarkerichterschap was. Het vergaderen in de marke geschiedde ook niet steeds. Vooral in onrustige tijden kwam men wel in een der nabijgelegen steden bijeen.]) en op deze

|pag. 196|

vergaderingen — holtingen — werden de bepalingen gemaakt, welke te zamen het markerecht vormden, terwijl tevens de gerapporteerde overtredingen werden bestraft en geschillen geregeld. Al deze bepalingen werden genotuleerd in het z.g. markeboek. In de meeste markeboeken vindt men voorin de z.g. markecedule, de grondwet der marke.
     Met het dagelijksch bestuur waren belast de markerichter met eenige, gewoonlijk twee, gezworenen. In sommige marken werd de markerichter gekozen, in andere had men het z.g. erfmarkerichterschap,19 [19. Hoe dit erfmarkerichterschap is ontstaan, is niet met zekerheid vast te stellen. Vermoedelijk dateert het nog uit den tijd, toen men in iedere marke een hof had, aan welken alle overige hoeven der marke hoorig waren.]) waar de functie van markerichter verbonden was aan een bepaalde hoeve.20 [20. Het werd dus met de hoeve overgedragen. Er zijn echter enkele gevallen bekend, waarbij wel de hoeve werd overgedragen, doch niet het erfmarkerichterschap, zoodat dit een persoonlijk recht werd. Dit was o.a. het geval in de marke van Daerle, waar de erfmarkerichter geen grond in de marke bezat.]) De gezworenen werden gewoonlijk gekozen; in enkele marken waren de eigenaren der hoeven het beurtelings op de rij af.
     De vergaderingen der erfgenamen gingen gewoonlijk met een feestmaaltijd gepaard. De nieuwe erfgenamen, d.w.z. zij, die sedert de vorige vergadering, hetzij door aankoop eener hoeve, hetzij door erfopvolging, erfgenaam waren geworden, moesten voor die vergadering een anker of een half anker wijn schenken.
     De vergadering werd uitgeschreven door den markerichter, die den dag er van door zg. kerkensprake in de marke bekend maakte. De bewoners der erven waren verplicht, hun landheer hiervan op straffe van boete op de hoogte te stellen.
     Naast de erfgenamen stonden de buren, de bewoners der hoeven en katersteden. Zij vormden de buurschap. Als regel vormde iedere marke ook slechts één buurschap, doch daar, waar de hoeven in meerdere groepen lagen, had men meerdere buurschappen. Als gezworenen voor het dagelijksch bestuur der marke kozen de erfgenamen gewoonlijk die erfgenamen, welke tevens buren waren, de eigengeërfden dus, die het best met de aangelegenheden der marke op de hoogte waren en het best haar belangen konden behartigen. Woonden er geen erfgenamen in de marke, dan werden voor het opsporen van overtredingen naast de gezworenen der erfgenamen, de z.g. erfgenamenswaeren of erfswaeren, ook nog twee gezworenen uit de buren gekozen, de z.g. buurswaeren.
     Evenals de marke had ook de buurschap haar bestuur. De vergadering der buren heette de buursprake of buurbank, terwijl met de dagelijksche leiding belast waren de buurrichter met zijn zetters. Evenals een erfmarkerichterschap bestond, kende men ook een erfbuurrichterschap. De bewoner van een bepaald erf, gewoonlijk Boerrichter of Richterink geheeten, was dan buurrichter.
     Een grens tusschen de bevoegdheden der erfgenamen en die der buren is moeilijk aan te geven. In beginsel berustte de geheele bestuursmacht, zoowel wat betreft de zuivere marke-aangelegenheden als wat betreft de kerkelijke en

|pag. 197|

die, welke wij thans het burgerlijk bestuur zouden noemen, bij de erfgenamen.
Deze zorgden voor onderwijs, armenzorg, openbare veiligheid, benoeming van kerkmeesters, kosters, enz.
     Niet uit alle markeboeken blijkt dit. Dat beteekent echter niet, dat in die marken de erfgenamen deze bevoegdheden niet bezaten, doch slechts, dat daar de erfgenamen niet rechtstreeks deze bevoegdheden uitoefenden. Dit was het geval in die marken, welke niet tevens een afzonderlijk kerspel vormden. Waar een kerspel bestond uit meerdere marken, werd het bestuurd door de gezamenlijke markgenooten van alle tot het kerspel behoorende marken, die elk daartoe een of meer gedeputeerden aanwezen. In de notulen der kerspelsvergaderingen, de Z.g. kerspelresolutiën of goedsheerenboeken, vindt men dan de bewijzen voor de bestuursmacht der erfgenamen.
     Om een goed inzicht in de bevoegdheden der erfgenamen te krijgen, is het noodig, de markeboeken van die marken te raadplegen, welke tevens een afzonderlijk kerspel vormden. Ik noem de markeboeken van Bathmen, van Holten, van Heino, van Kamperveen, enz.
     De bevoegdheden der buren bepaalden zich tot de regeling van enkele markeaangelegenheden. Zoo werd door de buren bepaald, op welk tijdstip de gronden in een bepaald jaar, voor hooi winning aangewezen, in vrede zouden worden gelegd,21 [21. „In vrede leggen” beteekent: door een vrede, een afsluiting, omgeven.]) wanneer men het hooi moest oogsten en wanneer de gemaaide stukken weder bij de meente zouden worden gevoegd. Ook maakten zij uit, wanneer de afscheidingen der bouwlanden moesten worden geopend voor de uitoefening van het recht van stoppelweide.
     Ook werden, althans in meerdere marken, de omslagen, die niet op de hoeven drukten, doch een persoonlijk karakter droegen, door de buren uitgezet.22 [22. Belastingen werden volgens vaste verhoudingen omgeslagen. Wanneer een zekere som opgebracht moest worden, werd deze eerst over de drostambten verdeeld, dan over de schoutambten of kerspelen en in de kerspelen weder over de marken van het kerspel. Daarop volgde dan de verdeeling over de bewoners of hoeven van de marke.])
     Overigens was de bestuursmacht der buren in burgerlijke zaken zeer verschillend. Waar de erfgenamen zich weinig met het bestuur der marke inlieten — als voorbeeld wijs ik op de marke van Welsum, welke krachtens een door de erfgenamen vastgesteld reglement door de buren werd bestuurd — was de macht der buren grooter dan in marken, waar de erfgenamen geregeld bijeenkwamen.
     Door de omwenteling van 1795 verloren de erfgenamen, voor zoover deze niet tevens buren waren, hun bestuursmacht in burgerlijke aangelegenheden. Deze ging over op de ingezetenen en de oude kerspelen werden de latere gemeenten.
     Naast de tot nu toe besproken marken vindt men andere, die in meerdere of mindere mate van het normale type afwijken. Zoo heeft men in de eerste plaats die marken, welke door ontginning van wildernissen zijn ontstaan. Daar lagen de hoeven gewoonlijk in één lijn langs een weg of dijk en er waren geen eigenlijke onverdeelde gronden. De eigenaren dezer hoeven, gewoonlijk slagen

|pag. 198|

of weren genoemd, hadden dezelfde bevoegdheden als in andere marken.
     In andere marken, zooals b.v. het Dalmsholt, ontbraken de hoeven. Deze marke kwam onverdeeld toe aan een zevental nabijgelegen marken,23 [23. Hessum, Lente, Rechteren en Millingen onder het kerspel Dalfsen, en Archem, Gietmen, Lemele en Vilsteren onder het kerspel Ommen.]) terwijl het markebestuur gevormd werd door gedeputeerden van de geïnteresseerde marken.24 [24. Erfmarkerichter was de eigenaar van het huis Rechteren.]) Gewaard in Dalmsholte waren dus de gewaarde hoeven der geïnteresseerde marken, waarbij opgemerkt moet worden, dat het aantal waren in Dalmsholte niet steeds klopt met dat in de betrokken marke zelve. De oorzaak hiervan is weer, dat door de handelingen van den enkelen erfgenaam, in dit geval dus van één marke, de anderen geen nadeel mochten ondervinden. Niets belette b.v. de markgenooten van Hessum, om in hun marke een nieuwe ware te scheppen.
Deze ware had dan echter geen rechten in Dalmsholte, want dan zouden hierdoor de rechten der andere 5 marken kleiner worden. In ongeveer denzelfden rechtstoestand als Dalmsholte verkeerde ook Mastenbroek, dat reeds in 1364 werd verdeeld.
     Een eenigszins bijzondere plaats nam nog in de z.g. Drieschichtige marke Geesteren, Mander en Vasse. Men zou hier kunnen spreken van een marke, die bezig was, zich te ontwikkelen tot drie afzonderlijke marken, doch waar het ontwikkelingsproces op een gegeven oogenblik is tot staan gekomen. Naast aan ieder der onderdeelen toekomende afzonderlijke onverdeelde gronden was er een aanzienlijke oppervlakte, die aan alle drie gezamenlijk is gebleven.
     Op één bepaling, die men in tal van markerechten aantreft, wil ik nog even de aandacht vestigen, omdat deze aanleiding heeft gegeven tot groot misverstand.
Ik bedoel het verbod van uitvoer van verschillende producten uit de marke. Dit verbod is wel eens zoo opgevat, dat alles, wat in de marke werd voortgebracht, ook in de marke moest worden verbruikt.
     Dat deze opvatting onmogelijk juist kan zijn, blijkt reeds uit de verpachting der erven tegen een zeker deel van de opbrengst. Hoe zou de landheer zijn pacht hebben moeten ontvangen, wanneer hij niet in de marke woonde en hoe zouden de stadsbevolkingen aan haar broodgraan zijn gekomen, wanneer uitvoer van producten uitgesloten was?
     Bezien wij de hierop betrekking hebbende bepalingen wat nauwkeuriger, dan blijkt, dat zij geen betrekking hebben op de voortbrengselen van den landbouw of van de veeteelt, doch op zulke artikelen, waarvan de verkrijging ging ten koste van den bodem. In een marke met betrekkelijk weinig turfveen beperkten de erfgenamen het graven van turf zooveel mogelijk, en verboden zij den uitvoer, om deze venen zoo lang mogelijk in stand te houden. In marken met uitgestrekte veengronden was de uitvoer van turf echter een belangrijke bron van inkomsten.
Hetzelfde was het geval met het hout, zoowel brandhout als timmerhout. Waar weinig bosch was, werd het hakken van boomen beperkt en de uitvoer verboden; elders verkocht men vrij geregeld hout.

|pag. 199|

     De oude hoeven in de marken droegen veelal namen, eindigende op ink of inge, voorafgegaan door een voornaam of een beroepsaanduiding, b.v. Johannink, Dirkink, Gerboldink, Rigterink, Spelemannink, enz. Dit ink of inge is het beste te vertalen met „stede van”. Ook de katersteden droegen veelal namen, òf samengesteld met een voornaam, als b.v. Klaaskate, òf met de plaats, waar zij gelegen waren, b.v. Walkate, het kate bij den wal, Boomkate, het kate bij den slagboom, Madencote, het kate in de hooimaden; soms ook werden de ligging en de naam van den bewoner in één woord aangegeven, b.v. Broekgeurt, de katerstede van Geurt in de broeklanden, Veltluickes, het kate van Lucas in het veld.
     Bij splitsing van hoeven werd de oorspronkelijke naam veelal nader aangeduid door de bijvoegingen Olde en Nije, Groote en Kleine of Luttike, Hooge en Lage. Men kreeg dan b.v. Groot en Klein Luchtenbelt, Olde en Nije Vrijlink, Groote en Luttike Velthuis, Hooge en Lage Venterink, ook wel Olde Lage Venterink.
     Als geslachtsnaam werd veelal de naam der hoeve of katerstede gebruikt, op welke men woonde, zoodat de bewoner van Waterink ook Waterink werd genoemd, doch wanneer hij de hoeve Waterink verliet en zich vestigde op Groot Koerkamp, kreeg hij als geslachtsnaam Groot Koerkamp. Hierdoor wordt het doen van genealogische nasporingen ten zeerste bemoeilijkt. Men heeft volstrekt geen zekerheid, dat een Meijerink, die men in de 18e eeuw op de hoeve Meijerink in de marke van Holten aan treft, van hetzelfde geslacht is als de Meijerink, die honderd jaren vroeger op die hoeve woont.
     Thans volgt een opgave van de marken, die vroeger in Overijssel hebben bestaan, waarbij het tijdstip der ontbinding wordt aangegeven, zoover dit bekend is.

KWARTIER VAN SALLAND.

     Schoutambt Colmschate: Oxe, ontbinding onbekend; Gooi, 1842; Borgel, 1844; Averloo, 1848; Tjoene, 1845; Rande, 1845.
     Schoutambt Olst: Welsum, onbekend; Hengforden, 1830; Olst en Overwetering, 1919; Middel en Duur, 1839; Fortmond, onbekend; Wezepe, 1878.
     Schoutambt Bathmen: Bathmen en Loo, 1867; Dordt en Zuidloo, 1865;
     Schoutambt Holten: Holten, 1865.
     Schoutambt Raalte: Raalterwoold, 1840; Luttenberg, 1848; Heeten, 1860; Pleegst, 1850; Ramele, 1849.
     Schoutambt Wijhe: Wengeloo, 1820; Wijhe en Hengevelde, onbekend; Wijnvoorden, onbekend; Marle, onbekend; Tongeren, onbekend; Wechterholte, 1877; Herksen, onbekend.
     Schoutambt Heino: Heino, 1833.
     Schoutambt Dalfsen: Rozengaarde, 1859; Leuzen, 1850; De Rute, onbekend; Hessum, 1845; Rechteren en Millingen, 1848; Emmen, nog niet geheel ontbonden; Lente, onbekend doch omstreeks 1854; Dalmsholte, gedeeltelijk onder kerspel Ommen, 1843.
     Schoutambt Ommen: Versen, 1846; Ommen, 1863; Arriën, 1853; Stegeren, onbekend; Vilsteren, onbekend; Gietmen, 1849; Archem, 1856; Lemele, 1844; Bestmen, 1853; Zees, onbekend; Eerde, onbekend; Junne, 1846; Beerze, 1848; den Ham, 1849; Avereest, onbekend.
     Schoutambt Hellendoorn: Haarle, nog niet ontbonden; Noetsele, 1849; Hellendoorn, 1849; Hulzen, 1848; Dam, 1849; Daarle, 1843.

|pag. 200|

[Kaart van de waterschappen in Overijssel]


|pag. 202|

     Schoutambt Hardenberg: Diffelen, 1907; Reese, 1846; Heemse, nog niet ontbonden; Kollendoorn, 1858; Lutten, onbekend, doch vóór 1858; Ane, 1849; Holthone, onbekend; Holtheme en de Velde, 1854; Loozen en Radewijk, 1860; Baalder en Hardenberg, nog niet ontbonden; Bracht, nog niet ontbonden; Bergentheim, nog niet ontbonden; Sibkeloo, onbekend, doch vóór 1828.
     Schoutambt Zwolle: Windesheim, nog niet ontbonden; Herkulo, 1843; Zuthem, onbekend Oldeneel, 1848; Ittersum, nog niet ontbonden; Schelle, nog niet ontbonden; Zwolle (Assendorp), 1895; Spoolde, 1846; Voorst en Westenholte, 1909; Wijtmen, 1838; Zalne, onbekend; Herfte, nog niet ontbonden; Berkum, nog niet ontbonden; Dieze, nog niet ontbonden; Langenholte, 1854; Haarst, 1850; Genne en Holten, 1894; Mastenbroek, 1364.
     Drostambt IJsselmuiden: Wilsum, 1841; Oosterholt, onbekend; IJsselmuiden, 1810; Kampen, onbekend doch voor 1300; Oene, onbekend, doch vóór 1350; Kamperveen, jongere nederzetting; Zalk, tusschen 1338 en 1345; Veekaten, onbekend; Ens en Emmeloord, de onverdeelde gronden werden in 1859 rijkseigendom.
     Hoogschoutambt Hasselt: Streukel, onbekend; Rouveen, Staphorst, IJhorst, jongere nederzettingen.

KWARTIER TWENTHE.

     Gericht Kedingen: Rijssen, onbekend; Wierden en Hooge Hexel, 1841; Notter en Zuna 1849; Rektum, 1846; Enter, 1857; IJpeloo, 1863; Elzen, 1852; Goor, 1821; Stokkum Herike, 1859; Markeloo, 1850.
     Gericht Diepenheim: Diepenheim, 1858; Markvelde, 1884,
     Gericht Ootmarsum: Nutter en Olden-Ootmarsum, 1855; Groot- en Klein Ageloo, 1844; Breklenkamp, 1871; Lattrop, 1853; Tilligte, 1847; Noord-Deuringen, 1844; Denekamp, 1845; Hezingen, 1858; Drieschichtige Marke Mander, Geesteren en Vasse, 1847 voor wat betreft de gemeenschappelijke gronden; Mander werd verdeeld in 1857, Geesteren in 1851, Vasse in 1872; Tubbergen, 1845; Haarloo, 1858; Reutum, 1842; Fleringen, 1877; Albergen, 1861.
     Gericht Oldenzaal: Beuningen, 1841; Losser, 1851; De Lutte, 1820; Berghuizen, 1845; Volte, 1874; Rossum, 1842; Lemseloo, 1844; Dulder, 1844; Gammelke, onbekend; Deurningen, 1838; Hasseloo, 1842; Klein Driene, 1841.
     Gericht Enschede: Groot-Driene, 1841; Enschede of Eschmarke, 1840; Twekkeloo, 1867; Usseloo, 1849; Lonneker, 1845.
     Gericht Borne: Zenderen en Bornerbroek, 1848; Hertmen, 1849.
     Gericht Delden: Delden, 1848; Kotwijk en Weddehoen, 1854; Azeloo, 1845; Bekkum 1850; Benteloo, 1851; Oele, 1853; Hengevelde, 1852; Woolde, 1841.
     Gericht Haaksbergen: Stepeloo, Eppenzolder en Holthuizen, 1846; Boekeloo, 1842; Brammeloo, 1849; Langeloo, 1862; Buurse, 1838; Honesch, 1904.
     Heerlijkheid Almeloo: Almeloo, onbekend; Vriezenveen, jongere nederzetting.

KWARTIER VOLLENHOVE.

     Schoutambt Vollenhove: Vollenhove of Wanepe, 1387.
     Schoutambt Wanneperveen: Wanneperveen, jongere nederzetting; Dingsterveen, jongere nederzetting.
     Schoutambt Giethoorn: Giethoorn, jongere nederzetting.
     Schoutambt Scheerwolde: Scheerwolde, jongere nederzetting.
     Schoutambt Steenwijk: Steenwijkerwold, tusschen 1868 en 1874.
     Schoutambt IJsselham: IJsselham, jongere nederzetting, bestaat nog als kerspel IJsselham.
     Schoutambt Blankenham: Blankenham, jongere nederzetting, bestaat nog als kerspel Blankenham.
     Schoutambt Paasloo: Paasloo, onbekend.
     Schoutambt Kuinre: Kuinre, onbekend.

|pag. 203|

WATERSCHAPPEN.

     Waterschappen zijn publiekrechtelijke lichamen, aan welke de zorg voor de waterkeering en waterloozing of een van beide in een bepaald gebied is opgedragen. Deze taak wordt gedeeltelijk vervuld door het zelf totstandbrengen en onderhouden van de benoodigde werken, gedeeltelijk ook door het houden van toezicht op het behoorlijk onderhoud door daartoe aangewezen onderhoudplichtigen. Bij verzuim van dit onderhoud door den onderhoudplichtige kan deze strafrechtelijk worden vervolgd,25 [25. De meening, dat een waterschap zelf straf kan opleggen, is niet juist. Wel kan het waterschap met den delinquent in schikking treden om door betaling van een zekere som de strafvervolging te voorkomen.]) terwijl het waterschap de noodige werkzaamheden op diens kosten kan doen uitvoeren.
     Sedert het begin der 19e eeuw is de onderhoudsplicht der grondeigenaren in natura geleidelijk ingekrompen en vervangen door heffingen in geld door de waterschapsbesturen. In de eerste plaats is dit het geval geweest bij de belangrijkste waterkeerende werken, zee- en rivierdijken, daar de ondervinding had geleerd, dat aan het onderhoud van deze werken door onderhoudplichtigen groote gebreken kleefden. Verder leenden zich de steeds meer in gebruik komende bemalingsinrichtingen niet voor onderhoud in natura door onderhoudsplichtigen. Ten slotte stelden verbeterde bemalingsinstallaties steeds grootere eischen aan de hoofdwaterleidingen, waardoor zij, die onderhoudplichtig aan dergelijke waterleidingen waren, veel zwaarder onderhoud hadden, dan zij, die slechts gewone waterleidingen te onderhouden hadden. Het gevolg is geweest, dat in tal van waterschappen ook deze waterleidingen door het waterschap zelf worden onderhouden.26 [26. ok daar, waar een waterschap wegen te onderhouden heeft, vervalt de onderhoudsplicht in natura, zoodra zoo’n weg wordt verhard.])
     Hoewel er, zooals ons aanstonds zal blijken, waterschappen van zeer hoogen ouderdom bestaan, berustte toch oudtijds de zorg voor die belangen, welke thans aan de waterschappen zijn toevertrouwd, bij de marken. Dit is de oorzaak geweest, dat tal van marken, welke geen onverdeelde gronden meer bezaten, toch zijn blijven bestaan. Enkele voorbeelden hiervan hebben wij reeds ontmoet.
     In de marken was onderhoudplicht in natura regel. Slechts bij uitzondering komt het voor, dat een of ander werk door de marke zelve werd uitgevoerd.
Deze onderhoudsplicht rustte op de hoeven, en wel naar gelang van haar gewaardheid. De verdeeling van de objecten van onderhoud, dijken, kaden, waterleidingen, enz., noemde men dan ook den „hoeffslach”. Deze geschiedde door het markebestuur, terwijl het werk werd uitgevoerd door den bewoner der hoeve.
     Bij de verdeeling van een dijk over de onderhoudplichtigen moest met de natuurlijke gesteldheid van zoo’n dijk rekening worden gehouden. Er waren vakken, die weinig onderhoud eischten, omdat zij veel voorland hadden of weinig aan den stroom of golfslag waren blootgesteld, terwijl andere vakken vrijwel bij iedere hoogwaterperiode schade beliepen en slechts ten koste van belangrijke

|pag. 204|

werken, als kribben of houtbescherming, konden worden behouden, In verband hiermede kreeg iedere hoeve gewoonlijk een stuk dijk, dat veel aan onderhoud kostte en een stuk, dat slechts weinig onderhoud vergde, te onderhouden.
De normale dijken werden gewoonlijk in roeden toegemeten, moeilijk te onderhouden gedeelten in voeten — z.g. voetdijken — in enkele gevallen zelfs in duimen.27 [27. In Mastenbroek had men b.v. een eind dijk, dat als duimdijk bekend stond.])
     Op dezelfde wijze als de dijken, werden ook de waterleidingen over de hoeven verdeeld. Minder gemakkelijk was het onderhoud van bruggen, sluizen en duikers te regelen. Soms werd dit aan een bepaalde hoeve opgedragen, die dan van andere onderhoudsplichten vrij was, soms ook aan een groep hoeven, van welke één met het onderhoud was belast, die dan van de overige een evenredig deel der kosten kon terugvorderen.
     Naast deze over de hoeven verdeelde werken kende men in sommige marken ook werken, die door de gezamenlijke buren moesten worden onderhouden, de Z.g. meene- of buurwerken. Ook dit waren gewoonlijk dijken, die zooveel onderhoud eischten, dat men ze moeilijk onder den gewonen hoefslag kon opnemen.
     Behalve den onderhoudsplicht hadden de bewoners nog de verplichting om bij dreigend gevaar z.g. hand- en spandiensten ten behoeve van de dijken te verrichten, een verplichting, welke thans in de waterschappen nog bestaat.
     De taak der markebesturen bestond in het toezicht houden op een behoorlijke uitvoering der onderhoudswerken door de onderhoudplichtigen. Hiervoor werd periodiek schouw gehouden, welke schouwen in de marke- en dijkrechten uitvoerig werden geregeld. Bleek bij een schouw, dat een onderhoudplichtige zijn vak niet of niet voldoende in orde had gebracht, dan werd hij gekeurd. Het marke- of dijkbestuur kon hem in de gelegenheid stellen, het werk alsnog binnen zekeren tijd in orde te maken, of het kon het werk te zijnen koste doen aanbesteden. De kosten hiervan en het bedrag der keur of boete werden door de z.g. panding op den onderhoudplichtige verhaald.28 [28. Men nam een of ander voorwerp, aan den onderhoudplichtige toebehoorend, in beslag en wanneer dit niet binnen een bepaalden tijd door betaling van de kosten der aanbesteding en het bedrag der boete was ingelost, werd het publiek verkocht. Voor deze panding was de hulp van den pander, een rechterlijk ambtenaar, noodzakelijk.])
     De „hoeffslach” moest in verband met eigendomsovergang der hoeven van tijd tot tijd worden herzien. In marken, waar reeds vroeg veel gronden verdeeld waren en tal van katersteden waren ontstaan, kon men moeilijk alleen de gewaarde hoeven met onderhoud van dijken en waterleidingen belasten. Ook katersteden en losse perceelen werden daar onderhoudplichtig, waartegenover dan de hoeve, uit welke deze gronden afkomstig waren, een geringere lengte te onderhouden kreeg. Toch kon de oorspronkelijke hoeve weder met dit onderhoud worden belast, nl. wanneer een perceel niet zooveel waard was, dat het de onderhoudsplichten kon dragen.
     Uitvoerige en soms zeer ingewikkelde regelingen bestaan, voor het geval een dijkplichtig perceel verdwenen was, b.v. door vergraving of door het spoelen

|pag. 205|

van een kolk, eveneens voor het geval een dijk, die doorgebroken was, om de doorbraakkolk moest worden gelegd — inlage, ingeval deze binnen om de kolk en uitlage, wanneer hij buiten om de kolk moest worden gelegd — en hoe hoog een dijk, die door een doorbraakkolk werd gelegd, door het gemeene land, d.w.z. de gezamenlijke belanghebbenden, moest worden gemaakt en welk deel de onderhoudplichtigen daarvan hadden te maken.
     Een regeling van het onderhoud van dijken en waterleidingen, zooals deze in de marken voorkwam, was in het algemeen voldoende, wanneer die marken op waterstaatkundig terrein een gesloten geheel vormden. In de meeste gevallen was dit echter niet het geval. Gewoonlijk hadden meerdere aangrenzende marken dezelfde waterstaatsbelangen. Ik wijs b.v. op de marken langs den IJssel. Het baatte weinig, wanneer de marken van de kerspelen Wijhe en Zwolle haar dijken op voldoende hoogte en in behoorlijken staat onderhielden, wanneer de marke van Hengforden haar dijken te laag had of in onvoldoenden staat liet verkeeren. Eveneens hielp het weinig, wanneer de boven gelegen marken de Sallandsche weteringen goed schoon hielden en de marke van Zuthem dit verzuimde.29 [29. Een voorbeeld hiervan is Zalk, welke marke van 1465—1485 onbedijkt is geweest, tot groote schade van Kamperveen en andere aangrenzende marken. In 1485 is door ingrijpen van de stad Kampen, welks bewoners groote belangen zoowel in Zalk zelf als in Kamperveen hadden, de herbedijking weder ter hand genomen.])
     Door onderling overleg tusschen de gezamenlijke belanghebbende marken kon veel worden bereikt, doch wanneer er één onwillig was, stonden de overigen vrijwel machteloos. Hier was een centraal dijkbestuur noodig, dat kon voorschrijven, hoe hoog de dijken moesten worden gemaakt en dat zoo noodig de onwilligen kon dwingen, hun dijken op de voorgeschreven hoogte en breedte te onderhouden.
     Een dergelijk centraal dijkbestuur is blijkbaar in het laatst der 13e eeuw in Salland in het leven geroepen door onderling overleg tusschen de belanghebbende marken. In den z.g. dijkbrief van Salland toch, van 1308, worden dijkgraaf en heemraden van Salland als een bestaand college genoemd. Hier hebben wij dus het oudste zuivere waterschap in Overijssel, een lichaam, welks taak het was, uitsluitend voor de waterstaatsbelangen van een bepaalde streek te zorgen.
     Dit centrale dijkbestuur zal ongetwijfeld zeer goed werk ten opzichte van de Sallandsche dijken hebben verricht, doch, daar het slechts op een overeenkomst tusschen de belanghebbenden steunde, miste het de zoo noodzakelijke bevoegdheid, om eventueele onwilligen tot nakoming hunner verplichtingen te kunnen dwingen. En dat er onwilligen zijn geweest, blijkt wel uit den reeds genoemden dijkbrief, waarin de bisschop verklaart, dat hij bevonden had, dat Salland telken jare ondraaglijke schade ondervond van overstroomingen, terwijl de dijken op vele plaatsen in slechten toestand verkeerden.
     Slechts een macht, die boven de afzonderlijke marken stond, kon de onwilligen dwingen en deze macht bezat slechts de landsheer, de bisschop van Utrecht.

|pag. 206|

Door den dijkbrief van Salland, in 1308 gegeven op Spoolderberg, verleent bisschop Guy nu deze macht aan dit centrale dijkbestuur. Bovendien worden uitvoerige regelingen gemaakt, naar welke dit dijkbestuur zich zal hebben te gedragen.
     In dezen dijkbrief spreekt de bisschop van de dijken langs den IJssel, aan de zijde, waar Deventer is gelegen, van de Hunnepe of Schipbeek af tot in zee.
In werkelijkheid liepen de Sallandsche dijken echter van de Randerzijl, op de grens van de kerspelen van Deventer en Olst tot aan de kolk van Uiterwijk, even beneden Wilsum. Boven de Randerzijl tot de Schipbeek had men de Z.g. Brixkampsche schouw, een waterschap, waartoe de verschillende marken van het schoutambt Colmschate behoorden en aan welks hoofd een lid van den Deventer magistraat als dijkgraaf stond. Dit waterschap volgde het Sallandsche dijkrecht.
     Ook elders in Overijssel hadden aan elkander grenzende marken dezelfde waterstaatsbelangen en ook daar zal door onderling overleg wel een regeling omtrent de noodig geoordeelde hoogte en breedte der dijken zijn getroffen. Zoo is er een overeenkomst van 1411, gesloten tusschen IJsselham, Vollenhove en Wanneperveen, betreffende den zeedijk in het land van Vollenhove, doch tot een centraal dijkbestuur is men daar niet gekomen. Dit geschiedde eerst na de omwenteling van 1795. Vermoedelijk heeft men daar de behoefte aan zoo’n centraal bestuur minder gevoeld, omdat de drost van Vollenhove „overste dijkgraaf” was.
     Of dergelijke afspraken en overeenkomsten ook hebben bestaan tusschen de marken, die de dijken langs de Vecht, zoowel aan de noord- als aan de zuidzijde, hadden te onderhouden, is niet bekend. Zeker is het evenwel, dat voor de IJsseldijken tusschen Hattem en Kampen dergelijke overeenkomsten niet hebben bestaan en daar is tot nu toe nog geen centraal dijkbestuur.30 [30. Het gemis aan een centraal bestuur wordt tegenwoordig niet gevoeld ten gevolge van het toezicht van Gedeputeerde Staten, die bij nalatigheid van een betrokken waterschap zelf kunnen ingrijpen.])
     Een zuiver waterschap van oude dagteekening is ook Mastenbroek. Dit waterschap is gevormd door de bedijking van een groot gedeelte der gronden van de aloude communitas van Salland, welke in 1363/64 onder leiding van bisschop Jan van Arkel onder de geïnteresseerden werden verdeeld. De Mastenbroeker dijken begonnen bij de kolk van Uiterwijk, waar de Sallandsche schouw eindigde, liepen dan langs IJssel, Ganzendiep, Zuiderzee en Zwartewater tot Frankhuis, waar zij aansloten aan den z.g. Stouwdijk, welke van het Frankhuis naar den Sallandschen dijk bij het Zalker veer liep en diende om Salland tegen overstrooming door zeewater te beveiligen, vóór Mastenbroek bedijkt was.
     Van ouden datum is ook het waterschap Cellemuiden, gevormd door een complex gronden, dat buiten den ringdijk van Mastenbroek is gebleven. Het dijkrecht is van 1576, doch de dijken bestonden toen reeds, zoodat het waterschap zelf ouder is.

|pag. 207|

     De waterschappen en marken, welke zeewater en rivierwater keerden, zijn later de dijkdistricten geworden. Het zijn:
     1e dijkdistrict Vollenhove;
     2e          ,,          Hasselt en Zwartsluis;
     3e          ,,          Noorder Vechtdijken;
     4e          ,,          Mastenbroek;
     5e          ,,          Zwartewaters- en Vechtdijken;
     6e          ,,          Zuider Vechtdijken;
     7e          ,,          Salland;
     8e          ,,          Zalk;
     9e          ,,          Kamperveen.

     Het verschil tusschen deze waterschappen en andere bestaat hoofdzakelijk hierin, dat dijkgraaf en heemraden door de Kroon worden benoemd, terwijl de ingelanden niet rechtstreeks aan het bestuur deelnemen, doch een college van hoofdingelanden kiezen.
     Naast deze waterschappen staat een groot aantal andere, welker voornaamste taak is te zorgen voor een goeden waterafvoer, hetzij langs natuurlijken, hetzij langs kunstmatigen weg.
     Enkele dijkdistricten hebben de zorg voor een beteren waterafvoer door bemaling zelf op zich genomen, zooals Vollenhove, Mastenbroek, Noorder Vechtdijken, Hasselt en Zwartsluis en Kamperveen. Dit was mogelijk, omdat het geheele gebied van die waterschappen belang bij deze bemaling had.
     Elders evenwel, waar slechts een kleiner of grooter gedeelte van de tot een waterschap behoorende gronden belang bij een bemaling had, werden binnen de grenzen van dat waterschap nieuwe waterschappen opgericht, zooals het Lierderbroek en benoorden de Willemsvaart binnen Salland.
     Een zeer belangrijk waterschap van den laatsten tijd, opgericht met het doel den waterafvoer te verbeteren, is de Regge, hetwelk ongeveer 114 000 ha beslaat.
     Pogingen om langs kunstmatigen weg den waterafvoer te verbeteren, werden in Overijssel reeds vroeg ondernomen. Zoo werden reeds in de 15e eeuw eenige personen door Kampen naar Holland gezonden, om zich op de hoogte te stellen van de werking van watermolens, daar men een dergelijken molen wilde plaatsen tot het bemalen van de gronden, die thans het waterschap Broeken en Maten vormen. Omstreeks dienzelfden tijd wordt ook in Mastenbroek van watermolens gesproken, terwijl Kamperveen in de 16e eeuw een watermolen bezat.
     Door de toepassing van den stoom, en later van motorische kracht en electriciteit, werden de bemalingen aanzienlijk verbeterd en kon de waterstand beter worden geregeld, daar men niet meer van den wind afhankelijk was. De drang naar verbetering van den waterafvoer en ontwatering heeft in de tweede helft der 19e en in deze eeuw aanleiding gegeven tot de oprichting van tal van nieuwe waterschappen en ongetwijfeld zullen er nog meer opgericht worden.

|pag. 208|

     In Overijssel bestaan thans (1 Mei 1930) de volgende waterschappen (zie de kaart):

1 Anerveen, gemeente Gramsbergen 1200 ha. 2. De Baarlinger en Noorderpolder, gemeente Blankenham en Ambt-Vollenhove 439 ha. 3. De Barsbeker binnenpolder, gemeente Ambt-Vollenhove 528 ha. 4. De Barsbeker uiterdijken 50 ha. 5. De bedijking langs Dronthen, gemeente Kampen 17 ha. 6. Het bedijkte Rondebroek, gemeente Blankenham, Kuinre en Oldemarkt 520 ha. 7. Het Beerzerveld, gemeente den Ham, Ambt-Hardenberg en Ommen 1430 ha, 8. Benoorden de Willemsvaart, gemeente Zwolle en Zwollerkerspel 700 ha. 9. De Bentpolder, gemeente Ambt-Vollenhove 730 ha. 10. Beoosten het Ommer kanaal, gemeente Avereest, Ambt-Hardenberg en Ommen 1488 ha. 11. de Binnenpolder aan het noordeinde van Blankenham, gemeente Blankenham 265 ha. 12. De Blokzijler Uiterdijken, gemeente Blokzijl en Ambt-Vollenhove 256 ha. 13. Broeken en Maten, gemeente Kampen 690 ha. 14. De Broeklanden, gemeente Oldemarkt 217 ha. 15. De Buitenpolder achter Kuinre, gemeente Kuinre 587 ha. 16. Dieze, gemeente Zwolle en Zwollerkerspel 1480 ha. 17. De Dortherbeek, gemeente Bathmen, Diepenveen, Gorssel (G.) en Laren (G.) 5117 ha. 18. Dragter opslagen, gemeente Avereest en Zuidwolde (Dr.) 390 ha. 19. Dronthen, gemeente Kampen 545 ha. 20. De Eesveensche hooilanden, gemeente Steenwijk en Steenwijkerwold 435 ha. 21. Het Hagenbroek, gemeente Oldemarkt 81,5 ha. 22. Hasselt en Zwartsluis (2e dijksdsitrict), gemeente Hasselt, Nieuw-Leusen, Staphorst, Zwartsluis en Zwollerkerspel 11 092 ha. 23. Het Heemserveen, gemeente Avereest en Ambt-Hardenberg 615 ha. 24. Herfte, gemeente Dalfsen en Zwollerkerspel 3042 ha. 25. Holtheme, gemeente Gramsbergen en Ambt-Hardenberg 1965 ha. 26. de Hooge en Lage Wheeën, gemeente Oldemarkt 78 ha. 27. Kamperveen (9e dijksdistrict), gemeente Kamperveen 2210 ha. 28. De Kleine Vecht, gemeente Coevorden (Dr.) en Gramsbergen 1420 ha. 29. De Koekoek, het Zwijnsleger en de Hagens, gemeente Grafhorst en IJsselmuiden 645 ha. 30. De Kruiserbrink, gemeente Stad-Hardenberg 16 ha. 31. Laag Zalk, gemeente Kamperveen en Zalk en Veekaten 625 ha. 32. Het Leeuwterveld, gemeente Ambt-Vollenhove 1031 ha. 33. Het Lierder- en Molenbroek, gemeente Heino, Wijhe en Zwollerkerspel 1085 ha. 34. De Lutterscheiding, gemeente Avereest en Ambt-Hardenberg 1050 ha. 35. Mastenbroek (4e dijksdistrict), gemeente Genemuiden, Grafhorst, Hasselt, IJsselmuiden, Wilsum, Zalk en Veecaten, Zwolle en Zwollerkerspel 8780 ha. 36. De Meene, gemeente Gramsbergen 820 ha. 37. Het Meppelerdiep, gemeente Meppel (Dr.), de Wijk (Dr.), Staphorst, Wanneperveen en Zwartsluis 982 ha. 38. De Molengoot, gemeente Gramsbergen en Ambt-Hardenberg 1500 ha. 39. De Molenpolder onder Windesheim en Herxen, gemeente Wijhe en Zwollerkerspel 240 ha. 40. De Nijenbeker- en Wilpsche klei, gemeente Deventer en Voorst (G.) 908 ha. 41. De Noorde, gemeente Ambt-Vollenhove 60 ha. 42. De Noorder Vechtdijken (3e dijksdistrict), gemeente Dalfsen, Hasselt, Nieuw-Leusen, Ommen, Staphorst en Zwollerkerspel 11 540 ha. 43. Het Ommerveld, gemeente Avereest en Ommen 2800 ha. 44. De Onderdijksche polder, gemeente Kampen, Kamperveen en Wilsum 235 ha. 45. Het Oudediep, gemeente Staphorst 30 ha. 46. Radewijk en Baalder, gemeente Gramsbergen, Ambt-Hardenberg en Stad-Hardenberg 2330 ha. 47. De Regge, gemeente Almelo, Borne, Ambt-Delden, Stad-Delden, Denekamp, Diepenheim, Enschede, Goor, Haaksbergen, den Ham, Hellendoorn, Hengelo (O.), Holten, Lonneker, Losser, Markelo, Oldenzaal, Ommen, Rijssen, Tubbergen, Vriezenveen, Weerselo en Wierden ± 114 000 ha (afdeelingen: Beneden-Regge, Midden-Regge, Boven-Regge, Twickel, Berflo, Duider, Schipsloot, de Veenen, de Aa, de Kalkwijk en Daarlerveen). 48. Het Rheezer- en Diffelerveld, gemeente Ambt-Hardenberg 1650 ha. 49. Salland (7e dijksdistrict), gemeente Dalfsen, Deventer, Diepenveen, Heino, Olst, Raalte, Wijhe, Zwolle en Zwollerkerspel 18 217 ha. 50. De Schanswetering, gemeente Gramsbergen en Ambt-Hardenberg 390 ha. 51. De Schipbeek, gemeente Bathmen, Deventer, Diepenheim, Diepenveen, Haaksbergen, Holten, Lonneker, Markelo, Borculo (G.), Eibergen (G.), Gorssel (G.), Laren (G.), Neede (G.) 18 900 ha. 52. De Schuine sloot, gemeente Ambt-Hardenberg 1485 ha. 53. De Schutwijk, gemeente Avereest en Ambt-Hardenberg 275 ha. 54. Sekdoorn, gemeente Heino en Zwollerkerspel 434 ha. 55. Steenwijker Laagveenontginning, gemeente Steenwijkerwold 100 ha.

|pag. 209|

56 De Vijf Marken, gemeente Zwolle en Zwollerkerspel 1380 ha. 57. Vollenhove (1e dijksdistrict), gemeente Blankenham, Blokzijl, Giethoorn, Kuinre, Oldemarkt, Steenwijk, Steenwijkerwold, Ambt-Vollenhove, Stad-Vollenhove, Wanneperveen en Zwartsluis 29 900 ha. 58. De Wendeligerweiden, gemeente Ambt-Vollenhove 26 ha. 59. Het Westerhuizingerveld, gemeente Avereest en Staphorst 3065 ha. 60. Zalk (8e dijksdistrict), gemeente Zalk en Veekaten 1130 ha. 61. De Zuiderpolder nabij Blokzijl, gemeente Ambt-Vollenhove 85 ha. 62. De Zuider Vechtdijken (6e dijksdistrict), gemeente Dalfsen, Heino, Zwolle en Zwollerkerspel 4985 ha. 63. De Zuiderzeepolder bij Genemuiden, gemeente Genemuiden 380 ha. 64. Het Zuthemerbroek, gemeente Zwollerkerspel 153 ha. 65. De Zwartewaters- en Vechtdijken (5e dijksdistrict), gemeente Zwolle en Zwollerkerspel 1355 ha.

– Engelen van der Veen, G.A.J. van (1931) Marken en Waterschappen In. Mr. G.A.J. van Engelen van der Veen, Mr. G.J. ter Kuile & R. Schuiling (Reds.), Overijssel (pp. 185-209). Deventer: Kluwer.

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.