DE SINT CUNERAMEMORIE TE KAMPEN, 1456-1585

DE SINT CUNERAMEMORIE TE KAMPEN, 1456-1585

Dicky Haze
Emmastraat 8
8262 EH KAMPEN
tel.: 05202-15761
Collegekrt.: G 74886

Scriptieopdracht Middel-
eeuwse Geschiedenis
 
22 januari 1987


|pag. 1|

1. Inleiding

     In Kampen werden in de periode 1311-1456 zes memories of broederschappen gesticht. Deze memories werden gesticht met vergunning van de pastoor en goedgekeurd door de bisschop en met consent van schepenen en raad van Kampen.
Zij hadden een tweeledig doel: bevordering van de godsdienst en armverzorging. Onderlinge eensgezindheid werd aangekweekt door het houden van jaarlijkse feestelijke bijeenkomsten, het ten grave geleiden van overleden memoriezusters en -broeders en het bidden en het lezen van zielsmissen voor deze overledenen. Ook stichtten zij in de kerken eigen vicarieën 1 [1. J. Don, De Archieven der Gemeente Kampen II (Kampen 1966) xvii]).
     De Sint Cuneramemorie werd 1 april 1456 gesticht. In het Memorieboek wordt dat als volgt aangeduid: “… soe hebben een deels gueder manne uut der mynne Gods ende der hiliger joncfrouwen van Sunte Kuneren ene eendrachtige ordinancie ende bruederscap gemaect ende begonnen…”2 [2. Memorieboek, aangelegd 1472, Gemeentearchief Kampen (GA Kampen), Archief van de Arraenkamer (A), inv. nr. 235, f. 3]). Deze broederschap stichtte met goedkeuring van Johan, bisschop van Korkagen en suffragaan van de bisschop van Utrecht, Roelof van Wilsum, vicecureit van de parochiekerk en de magistraat van Kampen een altaar in de Sint-Nicolaaskerk te Kampen 3 [3. Ibidem]).
     Verschillende aspecten van deze memorie zijn al behandeld.
Zo heeft Moulin in een artikel van ongeveer 40 bladzijden in het kort de stichting van de memorie en een gedeelte van de ledenlijst behandeld en gaf hij een paar voorbeelden van de inkomsten 4 [4. E. Moulin, ‘De memorie van Sinte Cunera’, Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1841 (Deventer 1840) 67-111]). Grooten behandelt de armenzorg, waar de broederschap zich ook mee bezighield 5 [5. J. Grooten, Armenzorg te Kampen tot het einde van de 16e eeuw (Kampen 1983)]) en door Kolman wordt in zijn artikel over de koorzang in Kampen gememoreerd dat de memorie een “verdel broet” beschikbaar stelde voor zes arme scholieren die iedere woensdagmorgen bij het Sint Cunera-altaar zouden aantreden om aldaar een bijdrage aan de gezongen mis te leveren 6 [6. R.J. Kolman, ‘De Latijnse school’, Kamper Almanak 1985-1986 (Kampen 1985) 155-225, aldaar 205]).
     De geschiedschrijving van de memorie vertoont mijns inziens hier en daar toch nog hiaten, Moulin 7 [7. Moulin,‘Sinte. Cunera’, 78-86]) en Grooten 8 [8. Grooten, Armenzorg, 50]) trekken wel conclusies ten aanzien van het ledenbestand, maar het onderzoek naar het ledenbestand met alle vragen die dat oproept, stond bij beiden niet centraal. In deze scriptie zou ik dit onderzoek ter hand willen nemen en ten aanzien van de leden, waarvan de eerste vóór 1478 en de laatste in 1585

|pag. 2|

is ingeschreven, de volgende vragen willen beantwoorden:

  • Hoeveel leden telde de Sint-Cuneramemorie?
  • Wie werden lid van de broederschap?
  • Hoe was de getalsverhouding tussen de mannelijke en vrouwelijke leden en hoe was de positie van de vrouwen?
  • Wat schonken de leden aan de broederschap?

     Over de einddatum van de scriptie moet nog iets gezegd worden. Het zou logisch zijn om die te laten eindigen in 1598. In dat jaar kwamen namelijk het beheer en de inkomsten aan het Bestuur van de Algemene Armenstaat 9 [9. Moulin,‘Sinte Cunera’, 102]). Bij het zoeken in de ledenlijst was het laatste jaartal echter 1585 en daarom leek het mij meer zinvol dit jaartal als einddatum te nemen.

|pag. 3|

2.1. Ledenaantal

     Wanneer men naar de bevolkingsgrootte in Kampen kijkt in de 15e en 16e eeuw, dan vindt men daarover verschillende opvattingen. Voor de 15e eeuw ging men vroeger uit van de door Arent toe Boecop genoemde 8000 communicanten. Dit vermenigvuldigde men met 1,5 en zo kwam men dan op 12.000 personen 10 [10. D. van der. Vlis, ‘De bevolking van Kampen van het begin der vijftiende tot het begin der twintigste eeuw’, Verslagen en Mededelingen van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, 89e stuk 1974 (Zwolle 1975) 1-36, aldaar 12]). Moerman verwierp dit cijfer. Hij schatte de bevolking van de drie steden gezamenlijk op 20.000 personen 11 [11. Ibidem]).
Van der Vlis, die ik navolg, schatte de bevolking voor de 15e eeuw op minimaal 6120 en maximaal op 8440 personen.
Verder neemt hij aan dat het aantal inwoners gedurende de tweede helft van de 15e en de gehele 16e eeuw afgenomen kan zijn 12 [12. Ibidem, 14 en 16]).
     Wanneer men daarna naar het aantal leden van de broederschap in het tijdvak dat loopt van vóór 1478 tot en met 1585, kijkt, dan blijkt dat het ledenaantal in dat tijdvak 2990 bedroeg. Dit getal is op de volgende manier berekend.
De ledenlijst in het Memorieboek is in twee delen gesplitst: de ingeschrevenen en de gestorvenen. Wanneer een lid bij de ingeschrevenen genoemd wordt en daarna nog eens weer bij de gestorvenen, dan is hij één keer meegeteld. Wordt een lid alleen bij de overledenen genoemd, dan wordt die inschrijving wel meegeteld 13 [13. Memorieboek, aangelegd 1472, G.A. Kampen, A., inv. nr. 235]).
     Verder moet men er vanuit gaan dat dit aantal niet het precieze ledenaantal weergeeft. Men treft namelijk soms deze aantekeningen aan: myt oeren kynderen en c.a. Men weet dan niet hoeveel personen achter zo’n aanduiding schuilgaan. Daarbij worden soms drie keer dezelfde namen genoemd, zonder dat men kan nagaan of dat dezelfde personen zijn.
     Dit wat het totale aantal betreft. Hoe deze leden verdeeld zijn over de jaren, waarover dit onderzoek gaat, heb ik trachten duidelijk te maken met de volgende grafiek. Ik heb steeds per 10 jaar de leden opgeteld, behalve vóór 1478 en vanaf 1570 tot en met 1585.

|pag. 4|

[Grafiek 1]

     Uit deze grafiek blijkt dat het aantal leden zeer ׳hoog was vóór 1478, daarna ineens sterk verminderde, daarna weer steeg – met een kleine vermindering in 1500 – tot 1510, en toen sterk bleef dalen – al was er in 1540 even een kleine opleving – tot de laatste inschrijvingen in 1585.
     Het is moeilijk na te gaan of dit verminderen van het aantal leden te maken had met de bevolkingsafname. De geraadpleegde literatuur daaromtrent, de Kronieken van Moulin en Arent toe Boecop, leveren niets op en ook de archivalia bieden geen houvast.
     Bij Van Dijck vindt men een tendens die mogelijk in dezelfde richting wijst, wanneer hij met betrekking tot de Kamper leden het volgende zegt in zijn boek over de Onze Lieve-Vrouwebroederschap te ’s-Hertogenbosch: ‘De stad Kampen die de broederschap honderden leden had aangebracht in de jaren 1465-1510, verdwijnt bijna geruisloos uit de registers tot de laatste inschrijving in 1550’14 [14. G.C.M. van Dijck, De Bossche Optimaten. Bijdragen tot de geschiedenis van het zuiden van Nederland XXVII (Tilburg 1973) 212])
     Ook wanneer men de jaren vergelijkt waarin het ledenaantal ineens weer steeg in vergelijking met de jaren ervoor
en erna, krijgt men de indruk dat na 1510 die opleving een steeds kleiner aantal leden bevatte.

|pag. 5|

en erna, krijgt men de indruk dat na 1510 die opleving een steeds kleiner aantal leden bevatte.

[Grafiek 2]

2.2. Tot welke sociale klasse behoorden de leden der memorie?

     Nadat we in het vorige hoofdstuk gezien hebben hoe groot het ledenaantal was in het daar genoemde tijdvak, kan men zich afvragen wie nu lid werden van de broederschap. Het is bijvoorbeeld bekend dat van het Schepenmemorie alleen gegoede burgers lid mochten worden 15 [15. Grooten, Armenzorg, 44]). De al eerder genoemde ordonnantie van de Sint Cuneramemorie laat echter nergens beperkingen zien ten aanzien van de aard van het ledenbestand 16 [16. Memorieboek aangelegd 1472, G.A. Kampen, A., inv. nr. 235, f. 3-5]). Zelfs kinderen mochten lid worden van de broederschap, zoals uit de ledenlijst blijkt 17 [17. Ibidem, f. 35]). Alleen met betrekking tot het meebrengen van gasten naar de jaarlijkse maaltijd verschaft de ordonnantie duidelijkheid: een broeder mag hen alleen meebrengen als zij lid willen worden 18 [18. Ibidem, f. 5V]).

|pag. 6|

     Moulin zegt dat hij op grond van een gedeelte van de ledenlijst tot de conclusie komt dat behalve de geestelijken, zowel aanzienlijke burgers als ambachtslieden en landbewoners uit de omstreken aan deze memorie hebben deelgenomen 19 [19. Moulin, ‘Sinte Cunera’, 78]).
     Grooten zegt eigenlijk hetzelfde. Na het noemen van enkele voorbeelden schrijft hij dat ‘het lidmaatschap openstond voor een ieder’, en dat ‘het lidmaatschap niet was voorbehouden aan burgers en inwoners van Kampen’20 [20. Grooten, Armenzorg, 50])
     Ik sluit mij hierbij aan. Inderdaad worden personen van allerlei standen in de ledenlijst aangetroffen. Maar dat wil nog niet zeggen dat ze ook allemaal gelijk vertegenwoordigd waren. Ik heb de leden naar hun beroep verdeeld in 3 categorieën: 1. geestelijkheid, raadsleden, stadssecretarissen en rechtsgeleerden, 2. handwerkslieden, bodes en andere soortgelijke beroepen, 3. knechten en dienstmeisjes.
     Bij dit onderzoek deden zich echter ook wel enige moeilijkheden voor. Niet van alle leden is namelijk het beroep vermeld. Ook kon niet altijd worden uitgemaakt of een aanduiding als bijvoorbeeld kremer duidde op iemand’s achternaam of zijn beroep aangaf. Het burgerboek leverde wat dat betreft ook niet veel op, omdat het maar loopt van 1302 tot 1469 en de meeste leden na die datum ingeschreven worden.
     Daarentegen maken sommige aanduidingen wel weer veel duidelijk: de term “her” of “heer” is vaak de aanduiding voor een geestelijk persoon, “magister” of “meister”, voor iemand die gestudeerd heeft, en “joffer” voor een begijn of een welgestelde dame.
     Tenslotte kwam ik op een aantal van 651 personen, waarvan het beroep vastgesteld kon worden. Dat is ongeveer 21% van het totale aantal leden over het tijdvak dat begint vóór 1478 en eindigt in 1585. De splitsing leverde het volgende resultaat op:

figuur 1
groepen aantal %
groep 1 202 31%
groep 2 443 68%
groep 3 6 0,9%


|pag. 7|

     Hieruit blijkt dat het merendeel van de leden tot groep 2 behoorde, maar dat de eerste groep toch ook behoorlijk vertegenwoordigd was. Dat de derde groep niet zo sterk vertegenwoordigd was, komt misschien door het
feit dat zij het pond was niet kon betalen waarvan in de ordonnantie sprake is 21 [21. Memorieboek, aangelegd 1472, G.A. Kampen, A., inv. nr. 235, f. 4V]) en waarop Grooten waarschijnlijk ook doelt, wanneer hij zegt dat men als lid wel het intredegeld moest voldoen 22 [22. Grooten, Armenzorg, 50]). Een aanwijzing voor deze stelling dacht ik te vinden in de volgende inschrijving: “her Roloffs maget was van Quakenbrugghe die heft hoer was betaelt”23 [23. Memorieboek aangelegd 1472, G.A. Kampen, A., inv. nr. 235, f. 4V]).
     Dat het pond was niet te betalen was, is niet verwonderlijk wanneer men naar de prijs kijkt en die met het loon van een knecht vergelijkt. De prijs van de was is bij benadering vast te stellen. In plaats van het pond was mocht namelijk ook een schepel gerst betaald worden. Gerst was 1,5 keer zo duur als rogge, waarvan de prijs in 1540 14
stuivers bedroeg 24 [24. Ibidem, f. 93]). Wanneer men dat weet dat het loon van een metselaarsknecht in 1542 varieerde tussen de 4
en 4,5 stuiver, dan ziet men dat zo’n pond was hem bijna een weekloon kostte 25 [25. Grooten, Armenzorg, 70]).

     Ook de conclusie van beide personen dat het lidmaatschap niet aan burgers van Kampen voorbehouden was, bleek te kloppen. Bij dit onderzoek deden zich echter dezelfde moeilijkheden voor als bij het vaststellen van de beroepen. Ook hier kon men vaak niet vaststellen of een aanduiding een plaatsnaam dan wel een achternaam was. Ook hier leverde het burgerboek weinig op. Maar ook hier lieten aanduidingen als “die in Selant gestorven is” 26 [26. Stedelijke Rekening 1542, G.A. Kampen, Oud Archief, inv. nr. 416]) zien dat personen, al vertrokken ze naar alders, toch lid bleven.
     In de volgende grafiek wil ik laten zien wanneer de meeste leden van buiten de stad toetraden en wanneer dat afnam. Ook hier zijn de leden weer per 10 jaar opgeteld.

|pag. 8|

[grafiek 3]

     Ook deze grafiek laat zien dat net als bij het totale aantal leden over de periode van vóór 1478 tot en met 1585, het aantal leden van buiten de stad na 1510 eveneens afnam. Gezien het aantal leden van elders kan ook nog geconcludeerd worden dat het aantal Kamper leden vele malen groter was.

2.3. Het aantal vrouwen en hun positie.

     Ook vrouwen mochten toetreden tot de broederschap. Hoe groot was echter hun aantal en wat was hun positie? In de volgende figuur laat ik zien hoe groot het aantal vrouwen was, maar ook hoeveel alleenstaande vrouwen zich lieten inschrijven. Het viel mij namelijk op dat mannen zich vaak eerst alleen en daarna nog eens samen met hun vrouw lieten inschrijven.

|pag. 9|

figuur 2
mannen en vrouwen mannen totaal vrouwen totaal mannen alleen vrouwen alleen
2990 1819 1071 993 409

     Het aantal mannen blijkt dus bijna twee keer zo groot te zijn als het aantal vrouwen dat zich aansloot bij deze broederschap. En het aantal mannen dat zich alleen liet inschrijven is meer dan 50% van het totaal aantal mannen, terwijl dat bij de vrouwen veel minder is. Wanneer dan bekend is dat bij bijvoorbeeld het plaatsvinden van een rechtshandeling de vrouw een voogd mee moest brengen, dan kan men zich afvragen of het misschien meer gebruikelijk was dat een vrouw zich samen met haar man of zoon etc. liet inschrijven.
Een exact antwoord op deze vraag heb ik niet kunnen vinden.
     Een ander gegeven met betrekking tot de positie van de vrouw is het volgende. De al eerder genoemde ordonnantie bestaat uit de volgende bepalingen die ik hier kort zal noemen:

  1. Het altaar zal altijd blijven bestaan en de vier procuratoren zullen een priester aanwijzen die wekelijks drie missen zal lezen
  2. Als de broeders en zusters wat willen geven dan wordt dat door de procuratoren aangenomen
  3. Op Cunera-dag (= 12juni) of de zondag daarna zal er een maaltijd gehouden worden voor de broeders, en die zullen daarvan ook in kennis gesteld worden
  4. Na de maaltijd worden, alle namen van de nieuwe broeders en zusters en de gestorvenen voorgelezen, waarna alle broeders een pater noster en een ave maria bidden

  5. |pag. 10|

  6. Daarna moeten er twee nieuwe procuratoren gekozen worden door de vier zittende procuratoren/li>
  7. Wanneer er twist is bij de maaltijd moeten de procuratoren dat oplossen
  8. De oude procuratoren moeten aan de nieuwe rekening en verantwoording geven
  9. De dag daarna zullen zielsmissen gelezen worden voor alle gestorvenen. En iedere broeder en zuster zal dan vijf pater nosters en vijf ave maria’s bidden voor de zielen van de gestorvenen
  10. Verder zal iedere broeder of zuster tenminste een pond was geven als intredegeld om het altaar te versieren
  11. Iedere broeder en zuster moet iedere dag een pater noster bidden voor het algemeen welzijn
  12. Verder moet men vier waskaarsen en een lijkkleed hebben voor het begraven. En men moet elkaar helpen om op een goede manier begraven te worden
  13. Er mag door de procuratoren geen nieuwe ordonnantie opgesteld worden dan met consent van de broeders.
    En die moesten de procuratoren ook helpen om de broederschap goed te bewaren
  14. 14. Er mogen door de broeders alleen gasten meegebracht worden naar de jaarlijkse maaltijd, wanneer die gasten ook lid wensen te worden.27 [27. Memorieboek aangelegd 1472, G.A. Kampen, A., inv. nr. 235, f. 3-5])

Hieruit blijkt dat de zusters toch een andere plaats binnen de broederschap bekleden. Zij mogen niet aan de jaarlijkse maaltijd deelnemen. Hun oordeel wordt niet gevraagd bij het tot stand komen van een nieuwe ordonnantie en men staat niet toe dat zij gasten meebrengen, want de laatste bepaling geldt alleen voor de broeders. Zij worden lid, omdat zij zo hun zieleheil wensen te bevorderen, maar het bestuur blijft in handen van de mannen.

2.4. Gaven

     Na het bekijken van het ledenbestand kan men zich afvragen hoe het zit met de gaven aan de memorie van die leden. Deze gaven had men bijvoorbeeld nodig voor de armen-

|pag. 11|

zorg en de koorzang 28 [28. Zie de noten 4 en 5]).
     Wetend dat er meer bronnen zijn en gezien de beperkte tijd heb ik de meest toegankelijke bronnen geraadpleegd.
Het resultaat laat dan ook geen volledig beeld zien, maar geeft wel een indruk, waarop later misschien nog eens teruggekomen kan worden.
     De schenkingen vallen uiteen in vier soorten: schenkingen in geld, schenkingen in natura, renten en huizen.
In het Memorieboek wordt een paar maal gesproken van enkele goudguldens die aan de Memorie gegeven worden 29 [29. Memorieboek aangelegd 1472, G.A. Kampen, A., inv. nr. 235, f. 114 en 118]).
     Uit dezelfde bron blijkt dat Dirick Stevenssoen “opten Cruishoep” 1 mudde gerst geeft, evenals Johan Arentsen van het Kampereiland. Ook Johan van Oentscaten te Brunnepe geeft gerst aan de memorie 30 [30. Ibidem, f. 113]).
     Veel geld kreeg de broederschap in de vorm van renten.
Veel personen verkopen haar voor een bepaalde som geld een rente uit een huis, die dan op een bepaalde datum betaald moet worden. De Sint Cuneramemorie kreeg renten uit huizen in Brunnepe, Hattem, in de Broederstraat, de Oudestraat, de Sint Jacobssteeg, de Nieuwstraat, de Venestraat en aan de Vloeddijk 31 [31. Ibidem, f. 116-120. Renten 1503-1553, G.A. Kampen, A., inv. nrs., 238-250. Registers van oplatingen 1514-1565, G.A. Kampen, Rechterlijk Archief, inv. nrs. 56-59]).
     Sommige mensen vermaakten haar ook een huis, zoals blijkt uit een testament van Henrick van Olsten die haar “een huys, hoff ende erve, gelegen opten Vluetdijck” legateert 32 [32. Aankomsttitel 7 september 1551, G.A. Kampen, A., inv. nr. 237]).
     Zoals we hierboven zagen kreeg de memorie ook goederen en renten van buiten de stad gelegen of te innen goederen.
Gelet op het feit dat zij ook leden van buiten de stad had, roept dat geen verwondering op.

|pag. 12|

3. Conclusie

     Ik dacht dat getracht is de in de voorgaande hoofdstukken gestelde vragen te beantwoorden. Gezien de in bescheiden mate aanwezige literatuur en archivalia was een concreter antwoord niet mogelijk. Misschien zou aan de hand van gegevens betreffende elders gelegen memoriën dit antwoord nog wat meer relief kunnen krijgen, maar in dit tijdsbestek was dat niet mogelijk.
     Toch vind ik dat het op deze manier gedane onderzoek de Sint Cuneramemorie wel in een beter licht heeft geplaatst.

|pag. 13|

Noten

De noten op blz. 13 t/m 14 zijn in de tekst opgenomen als zijnoten.

|pag. 15|

Lijst van Archivalia
Gemeentearchief Kampen
Archief van de Armenkamer
inv. nr. 235, Memorieboek bevattende reglementen, ordonnanties, naamlijsten en aantekeningen van renten en goederen. Aangelegd 1472
inv. nr. 237, Aankomsttitel van een huis met twee woningen daarachter op de Vloeddijk, 1551 september 7
inv. nrs. 238-250 Stukken betreffende het geven van renten aan de memorie, 1500-1553
Oud Archief
inv. nr. 461 Stedelijke Rekening, 1542
Rechterlijk Archief
inv. nrs. 56-59 Registers van oplatingen, 1514-1565


|pag. 16|

Literatuurlijst

Don, J., De Archieven der Gemeente Kampen II (Kampen 1966)
Dijck, G.C.M. van, De Bossche Optimaten. Bijdragen tot de geschiedenis van het zuiden van Nederland XXVII (Tilburg 1973)
Grooten, J.,
Armenzorg te Kampen tot het einde van de 16e eeuw (Kampen 1983)
Kolman, R.J., ‘De Latijnse school’ Kamper Almanak 1985-1986 (Kampen 1985) 155-225
Moulin,E., ‘De memorie van Sinte Cunera’, Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1841 (Deventer 1840) 67-111
Vlis, D. van der, ‘De bevolking van Kampen van het begin der vijftiende tot het begin der twintigste eeuw’, Verslagen en Mededelingen van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis 89e stuk 1974 (Zwolle 1975) 1-36

_______
– Haze, D. (1987) De Sint Cuneramemorie te Kampen, 1456-1585. (Scriptieopdracht). Middeleeuwse Geschiedenis, Rijksuniversiteit Utrecht, Utrecht.

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.