Hinderwet en leefklimaat in Kampen, 1875-1940

HINDERWET EN LEEFKLIMAAT
IN KAMPEN, 1875 – 1940

Doctoraalscriptie
Sociale en Economische Geschiedenis
Rijksuniversiteit Utrecht
Kampen, april 1991
R.E.J. Prins


|pag. I|

[blanco]


|pag. II|

HINDERWET EN LEEFKLIMAAT IN KAMPEN. 1875 – 1940.

INHOUD

VOORWOORD 3
INLEIDING
1. Inleiding 4
2. Probleemstelling 6
3. Bronnen 8
4. Presentatie van het onderzoek 9
HOOFDSTUK 1.
SOCIAAL—ECONOMISCHE ONTWIKKELING VAN KAMPEN, 1875-1940.
1.1. Geografische ligging 10
1.2. Bevolking 12
1.3. Industriële ontwikkeling 13
1.4. Ruimtelijke ontwikkeling 15
1.5. Samenvatting 17
HOOFDSTUK 2
DE HINDERWETBESCHEIDEN ALS BRON.
2.1. Inleiding 19
2.2. De administratieve ontstaansgeschiedenis van hinderwetbescheiden 19
2.3. De Hinderwet een milieuwet? 23
2.4. Effectiviteit van de Hinderwet 24
2.5. De betrouwbaarheid van hinderwetbescheiden bij onderzoek naar het leefklimaat 29
2.6. Onderzoeksmethode 34
2.7. Conclusie 36
HOOFDSTUK 3.
ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID EN LEEFKLIMAAT IN KAMPEN.
3.1. Inleiding 37
3.2. Middenstandsbedrijven.
3.2.1. Grutterijen, graanmalerijen en oliemolens 38
3.2.2. Bakkerijen 41
3.2.3. Koffiebranderijen 43
3.2.4. Azijnfabrieken en stokerijen 45
3.2.5. Slagerijen, rokerijen en zouterijen 46
3.2.6. Bewaarplaatsen van lompen en beenderen 56
3.2.7. Diverse middenstandsbedrijven 58
3.3. Ambachten
3.3.1. Smederijen 60
3.3.2. Kuiperijen 65
3.3.3. Koper-, lood-, zink- en blikslagerijen, loodgieterijen, emaillefabrieken 66
3.3.4. Steenhouwerijen 69
3.3.5. Kalkblusserijen 70
3.3.6. Houtzagerijen 71

|pag. 1|
3.3.7. Sigarenfabrieken, sigarendrogerijen en tabakskerverijen 72
3.3.8. Mattendrogerijen 75
3.3.9. Drukkerijen 76
3.3.10. Garages en benzinepompen 77
3.3.11. Diverse ambachten 78
3.4. Industrieën.
3.4.1. Zuivelindustrie 80
3.4.2. Chemische Industrie 84
3.4.3. Meubelindustrie 86
3.4.4. Machinefabrieken 87
3.4.5. Scheepswerven 88
3.4.6. Gasfabrieken 89
3.5. Samenvatting en conclusies 91
CONCLUSIE 96
BIJLAGEN 99
NOTEN 114
BRONNEN 134
LITERATUURLIJST 137
APPENDIX BETREFFENDE BEDRIJFSLOKATIES IN DE BINNENSTAD VAN KAMPEN
IN VERBAND MET MOGELIJKE BODEMVERONTREINIGING, 1875-1940.
1. Inleiding 1
2. Probleemstelling 2
3. Bronnen 3
4. Onderzoeksmethode 4
5. Overzicht van de potentieel bodemverontreinigde inrichtingen in de binnenstad van Kampen, 1875-1940 6
6. Samenvatting en conclusie 19
7. Noten 21
8. Bronnen 22
9. Literatuurlijst 23

 

|pag. 2|
VOORWOORD

De belangstelling voor de geschiedenis van hygiëne en milieu ontstond bij mij tijdens een cursus ‘Milieugeschiedenis’ die in het voorjaar van 1990 aan de Rijksuniversiteit Utrecht werd gegeven door Dr. P.D. ’t Hart. Enkele maanden na deze cursus besloot ik een doctoraalscriptie met een milieuhistorisch thema te schrijven in het kader van de specialisatie Sociale en Economische Geschiedenis .
In overleg met Dr. W. van den Broeke van de Rijksuniversiteit Utrecht maakte ik de keuze voor het bestuderen van de gevolgen van diverse vormen van economische bedrijvigheid voor het leefklimaat in Kampen in de periode 1875-1940. Dhr. W. van den Broeke wil ik graag hartelijk bedanken voor zijn belangstelling voor en begeleiding bij het onderzoek.
Vervolgens dank ik Drs. ing. H.G. Slijkhuis, historicus en werkzaam bij het Bureau Bodemsanering van de provincie Overijssel, die commentaar leverde bij de opzet van het onderzoek en mij wegwijs maakte bij het opsporen van lokaties die mogelijk ten gevolge van vroegere industriële activiteiten verontreinigd zijn geraakt.
Dhr. H.W. van den Hoven, amateurhistoricus die in Kampen bekendheid geniet om zijn kennis van de recente geschiedenis van de stad, ben ik dank verschuldigd voor zijn op- en aanmerkingen bij een eerdere versie van de scriptie. Hierdoor kon ik -vooral in Hoofdstuk 3- bepaalde passages verbeteren.
Dhr. E.F.L.M. van de Werdt, conservator van het Stedelijk Museum van Kampen, was mij behulpzaam door de reproduktie toe te staan van enkele kaarten die Dhr. J.A. Schilder, ter expositie in het museum, heeft vervaardigd.
Frank Bergman, aankomend historicus en studiegenoot, onderzocht eerder de hinderwetbescheiden in ’s-Hertogenbosch. Bij de inleiding en de eerste twee hoofdstukken plaatste hij een aantal relevante aanmerkingen.
Tenslotte dank ik mijn ouders, Drs. ing. H. Prins, sociaal-geograaf, en Drs. M.W. Prins—Afman, historica, voor ideeën, suggesties en het leveren van commentaar gedurende het onderzoek.

Kampen, april 1991

Ronald Prins

|pag. 3|

INLEIDING

1. Inleiding
Het is frappant dat het vaak actuele thema’s zijn die onderwerp van historische studie vormen. Kennelijk heeft de mens behoefte om juist die aspecten uit het verleden te bestuderen, die voor hem en in zijn tijd belangrijk zijn.1 [1. Dunk. H.W. von der, De organisatie van het verleden. Over grenzen en mogelijkheden van historische kennis (Bussum 1982) blz. 201. Von der Dunk spreekt in dit verband over ‘hodiecentrisme’: de natuurlijke neiging om de dingen in het verleden op de eigen tijd te betrekken.]) Misschien meent hij uit de geschiedenis te leren, misschien vindt hij het bestuderen van het verleden niet meer dan een aangenaam tijdverdrijf. Hoe dan ook, de belangstelling voor historisch onderzoek naar actuele thema’s is er en men vindt haar weergegeven in tal van publikaties over de meest uiteenlopende onderwerpen.

De zorg voor het milieu is zo’n actueel thema. In de afgelopen decennia is aangetoond hoezeer het welzijn van ons en onze omgeving afhankelijk is van de manier waarop wij met ons milieu omgaan. Terwijl velen zich afvragen hoe de toekomst van het milieu er uit zal zien, zijn er anderen die vooral in haar verleden geïnteresseerd zijn. Door historici worden momenteel heel wat studies gepubliceerd die verband houden met de milieuproblematiek.

De belangstelling van historici voor de geschiedenis van hygiëne en milieu is van recente datum. De institutionalisering van deze belangstelling is nog zwak. Toch is er al van een zekere traditie sprake.
Poulussen signaleert een doorbraak in de historiografie met betrekking tot de geschiedenis van het leefmilieu in 1974. In het Franse geschiedenistijdschrift ‘Annales, Economies, Sociétés, Civilisations’ werd in dat jaar aandacht besteed aan ‘histoire d’environment’. In Nederland werd een jaar eerder een artikel over urbanisering, industrialisering en milieuaantasting in de periode 1500-1800 gepubliceerd.2 [2. Faber, J.A., H.A. Diederiks en S. Hart, ‘Urbanisatie, industrialisering en milieuaantasting in Nederland in de periode 1500-1800’ in: Afdeling Agrarische Geschiedenis-Bijdragen. XVIII (z.p. 1973) blz. 251-271.]) Poulussen publiceerde in 1987 een studie naar het stedelijk leefmilieu in Antwerpen in de periode 1500—1800.3 [3. Poulussen, Peter Van burenlast tot milieuhinder. Het stedelijk leefmilieu. 1500-1800 (Kapellen 1987).])
Sinds 1986 beoogt de ‘Werkgroep voor Geschiedenis van Hygiëne en Milieu’ Nederlandse milieuhistorici van de jongste ontwikkelingen op de hoogte te houden. Ook in het buitenland neemt de belangstelling voor de geschiedenis van hygiëne en milieu toe. Zo werd in 1988 de ‘Europese Vereniging voor Milieugeschiedenis’ opgericht.

Milieugeschiedenis is ‘in’. De milieuproblematiek ontwikkelde zich in de afgelopen 15 jaar tot een zelfstandig thema in de historiografie. De geschiedschrijving wordt door de benadering van het verleden van uit de belangstelling voor hygiëne—vraagstukken en milieu-aangelegenheden verrijkt met een grote verscheidenheid aan thema’s. Aan belangrijke ontwikkelingen in de geschiedenis van de volksgezondheid in Nederland, zoals de aanleg

|pag. 4|

van rioleringen en drinkwaterleidingen, de bestrijding van epidemieën en de zorg voor zieken is reeds aandacht besteed.4 [4. Voor een overzicht van de recente en minder recente publikaties op deze terreinen verwijs ik naar het Contactblad Net Werk van de Stichting Net Werk voor de geschiedenis van hygiëne en milieu. Een overzicht van de onderzoeken die momenteel gaande zijn wordt gegeven in Daru, M., Nederlands en Nederlandstalig onderzoek op het gebied van de geschiedenis van hygiëne en milieu. Een verkenning (Eindhoven 1991).])
Over schadelijke gevolgen van economische bedrijvigheid voor het milieu in het verleden is echter weinig geschreven.5 [5. Devos, G., ‘Milieuverontreiniging door de industrie omstreeks het midden der negentiende eeuw’ in: Bijdragen tot de geschiedenis. Liber alumnorum Karel van Isacker (s.j. 1980); 63; (1-4) blz. 347-384, aldaar 347.])
Zo hebben economische, technische en sociale aspecten van de Industriële Revolutie in het verleden meer aandacht van historici gekregen. Veel aandacht is ook besteed aan arbeidsomstandigheden binnen bedrijven en de geschiedenis van emancipatiebewegingen. Rolf-Peter Sieferle, ‘Privatdozent für Neuere Geschichte an der Universität Mannheim’ stelt daarom voor de geschiedenis van de Industriële Revolutie eens te bezien van uit de wijze waarop de industrialiserende maatschappijen van hun milieu gebruik hebben gemaakt.6 [6. Sieferle, Rolf Peter (ed.), Fortschritte der Naturzerstörung (Frankfurt am Main 1988).])
Een onderzoek naar de manier waarop bedrijven vroeger met hun omgeving (= milieu) zijn omgegaan voorziet in een behoefte omdat het onze kennis van het leefmilieu van onze voorouders verrijkt. De maatschappelijke relevantie van zo’n onderzoek kan toenemen wanneer daarbij ook aandacht wordt besteed aan bedrijvigheid die mogelijk bodemverontreinigende gevolgen heeft gehad.

De wijze waarop en de mate waarin de mens zich rekenschap geeft van zijn omgeving is tijdgebonden. Wanneer men zich afvraagt, hoe de mens vroeger gebruik maakte van zijn omgeving, dan moet men dit tijdgebonden aspect van het denken over de omgeving (het milieu) goed beseffen.
Het actuele begrip ‘milieu’ is nauw verbonden met de wijze waarop wij nu over onze omgeving denken. De term ‘milieu’ kan daarom wat anachronistisch aandoen wanneer zij door historici wordt gebruikt om de relatie tussen de mens en zijn omgeving in vroegere tijden te beschrijven.7 [7. Zie noot 1. Von der Dunk signaleert de neiging om de woorden en termini van historische getuigenissen met eigentijdse inhoud te vullen. Hier is sprake van het omgekeerde: de neiging om eigentijdse termen in historische context te gebruiken. Poulussen bijvoorbeeld (zie noot 3), spreekt over ‘milieuhinder’ in de jaren 1500-1800.]) Wanneer we eigentijdse klachten en overheidsmaatregelen willen begrijpen is het beter om niet ons taalgebruik en onze opinies op de voorgrond te zetten. In deze scriptie zal ik daarom de term ‘milieu’ zoveel mogelijk vermijden en gebruik maken van het begrip ‘leefklimaat’, dat wordt gedefinieerd als ‘het complex van uitwendige factoren (rondom de mens) die invloed hebben op het welzijn van de bevolking’.
Aantasting van het leefklimaat blijkt ‘wanneer uit klachten en overheidsmaatregelen tengevolge van die klachten duidelijk wordt, dat de mensen overlast ondervinden van stank, hitte en geluidshinder, alsmede van ziekteverwekkende hoedanigheden van bodem, lucht en water’.8 [8. Zie noot 2, blz. 252. Vergelijk noot 3, blz. 14-17. Faber c.s. hanteert deze definitie voor het begrip ‘milieuvervuiling’, dat hij bestudeert in de periode 1500—1800. Poulussen neemt deze definitie over, maar definieert hiermee het begrip ‘milieuaantasting’. Poulussen merkt hierbij op dat de reagerende mens in deze definitie de hoofdrol speelt. De definitie van Faber c.s. leent zich daarom goed om eigentijdse klachten en overheidsmaatregelen te bestuderen.]) In steden kunnen we de welzijnsbedreigende verstoring van het leefklimaat door economische bedrijvigheid het gemakke1ijkste onderzoeken. Waar wonen en werken in ruimtelijke zin het meest verweven zijn, zal de overlast van economische bedrijvigheid het sterkst ervaren worden.9 [9. Vergelijk noot 3, blz. 18, 27.])

Op grond van een aantal overwegingen heb ik er voor gekozen om in dit verband onderzoek te doen in de stad Kampen.

  1. Omdat in literatuur over Kampen het beeld wordt geschetst van een stad, die aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw vol stond met fabrieksgebouwen, door geringe uitbreidingsmogelijkheden buiten de vestingwallen.

  2. |pag. 5|

  3. Uit praktische overwegingen, omdat Kampen mijn woongemeente is.
  4. Omdat belangrijk bronnenmateriaal, dat in andere steden vaak verloren is gegaan, in het archief van Kampen wel aanwezig bleek te zijn.
  5. Omdat in Kampen geen overzicht bestond van mogelijke bodemverontreinigende bedrijvigheid van vóór 1940.

2. Probleemstelling

Zowel uit klachten van tijdgenoten als uit maatregelen van de overheid ten gevolge van deze klachten blijkt dat reeds lang vóór het industrialisatieproces overlast ervaren werd van bepaalde vormen van bedrijvigheid.
Zo ondervond in 1698 een buurman van een koperslager in Antwerpen overlast van de smidsoven:
          ‘… dat den smoor ende vergiftighen stanck van des verweerders
          gieterije soo danighlijck is comende inden huyse dat niet
          alleenelyck daer doore merckelijck bederven des aanleggers
          vergulde ende silveren wercken. Maer oock dat men inde huyse
          des aanleggers niet en can gedueren nochte verblijven…’10 [10. Zie noot 3, blz. 71. aanlegger: klager; gedueren: verdragen])

De geluidoverlast die smeden veroorzaakten was in 1660 voor kanunnik Croon aanleiding tot het schrijven van het volgende versje 11 [11. Zie noot 3, blz. 79.]):

‘Wat gerammel maekt gij hier?
’t gelijkt een helsch getier;
liggen hier geen muysen
in het kraem oft kinderbedt?
’k meijn, gij soudt, gelijck de smiet
die haest doen verhuijsen.’

Aantasting van het leefklimaat door economische bedrijvigheid is dus een verschijnsel dat niet eerst met de Industriële Revolutie haar intrede deed.12 [12. Zie noot 3, blz. 114.])
Dit blijkt ook uit een studie van Schot en Homburg naar een proto—industriële onderneming in Zierikzee. De produktie van garancine (een kleurstof op basis van de meekrapwortel) ging met veel overlast voor omwonenden van de fabriek gepaard.
De fabriek loosde namelijk haar afvalwater op een riool dat uitmondde in een stadsgracht met stilstaand water. Het afvalwater bevatte een hoog gehalte aan zwavelzuur, waardoor zich in de gracht zwavelwaterstof ontwikkelde. De omgeving stonk naar rotte eieren en vissen stierven. In 1851, vier jaar na het begin van de garancineproduktie, kwamen 85 omwonenden tegen de fabriek in opstand.13 [13. Schot, J. en E. Homburg, ‘De garancine-fabriek in Zierikzee, 1846-1882. Een moderne industrie met milieuproblemen, in: Kroniek van het land van de zeemeermin (Schouwen-Duiveland) (Zierikzee: Vereniging Stad en Lande van Schouwen-Duiveland 1988) jrg. 13, blz. 61-78.])

Een indruk van het leefklimaat in Nederland aan het begin van de twintigste eeuw wordt gegeven in het jaarverslag van de Centrale Gezondheidsraad uit 1902 14 [14. Querido, A., Een eeuw staatstoezicht op de Volksgezondheid (’s Gravenhage 1965) blz. 138-139.]):

|pag. 6|

Dat de toestand van bodem, water en lucht veel te wensen overlaat, wordt als bekend verondersteld. Bijna overal ontbreken behoorlijke inrichtingen om afvalstoffen onschadelijk te maken. Slechts in weinig gemeenten bestaan enigszins voldoende voorschriften omtrent de wijze van afvoer dezer stoffen en dan laat nog dikwijls de handhaving van deze voorschriften te wensen over.
Van alle kanten worden ernstige klachten gehoord over de toestand van vervuiling waarin de openbare wateren verkeren tengevolge van de overmatige belasting met rioolstoffen. Dit is vooral zo waar industrieën bestaan die afvalwater produceren. De bodem is sterk verontreinigd in dichtbevolkte oude wijken der steden waar jaren en soms eeuwenlang grote hoeveelheden afvalstoffen opgehoopt blijven. Ook in kleinere plaatsen en ten plattelande komen soms ernstige misstanden voor.
Luchtverontreiniging kan vooral worden aangewezen daar, waar ernstige verontreiniging van de openbare wateren en van de bodem bestaat en bovendien in sommige delen onzer steden waar een talrijke bevolking opeengepakt leeft in smalle door hoge huizen begrensde straten zomede in de nabijheid van sommige nijverheidsinrichtingen en aan afdoende bestrijding kan niet worden gedacht voordat wettelijke bepalingen zijn tot stand gekomen.’

Wetgeving met betrekking tot overlast veroorzaakt door economische bedrijvigheid was aanvankelijk een lokale aangelegenheid.
Gedurende de negentiende eeuw werd de bescherming van het leefklimaat steeds meer een zaak waarmee de nationale overheid zich ging bemoeien. Een Decreet van Napoleon uit 1810, een Koninklijk Besluit uit 1824 en diverse pogingen tot wetgeving gingen vooraf aan de ‘Wet tot regeling van het toezigt bij het oprigten van inrigtingen welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken’.
Deze wet van 2 juni 1875, aanvankelijk ‘Fabriekwet’ genaamd, wordt meestal aangehaald als ‘Hinderwet’.

De diverse inrichtingen die onder de termen van de Hinderwet vielen kunnen als volgt worden onderscheiden:

  • Middenstand. Kleine neringdoende met produktie en/of opslag van kritische stoffen aan huis. Hiertoe behoren onder anderen slagerijen, bakkerijen, bergplaatsen voor lompen, petroleum en benzine;
  • Ambacht. Produktie van stukgoed en maatwerk. Kenmerkend voor deze groep is het kleinschalige karakter van de produktie. De produktie geschiedt afhankelijk van de ambachtsman en vaak treft men de inrichtingen uit deze groep aan in woonwijken.
    Voorbeelden zijn smederijen, wasserijen, houtzagerijen, huisdrukkerijen;
  • Industrie-, serie- of bulkproduktie. Het betreft procesindustrieën, meestal van grotere omvang en gesitueerd aan de rand van stedelijke agglomeraties.15 [15. Lintsen sr., J. ‘De werking van de Hinderwet tijdens de industrialisatie van Nederland (1890—1910)’ in: Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek JbGBT 4 (1987), blz. 190-210, aldaar 200-201.])


|pag. 7|

De Hinderwet beoogde door middel van een preventief vergunningstelsel de overlast die zulke inrichtingen met zich meebrachten tegen te gaan. Een vergunning voor de oprichting, uitbreiding of wijziging van een inrichting diende men aan te vragen bij B. en W. In een openbare zitting konden belanghebbenden hun eventuele bezwaren tegen het verlenen van een vergunning kenbaar maken, van welke zitting een proces-verbaal werd opgemaakt.
De documenten die bij het verlenen van een hinderwetvergunning betrokken waren worden met de naam ‘hinderwetbescheiden’ aangeduid. In diverse gemeenten werden reeds dossiers met hinderwetbescheiden die niet meer van toepassing zijn vernietigde. In Kampen is dit gelukkig niet het geval.

Aan de hand van de dossiers die in Kampen bewaard zijn gebleven, doe ik onderzoek naar de volgende twee vragen:

  1. Kan men op grond van hinderwetbescheiden een bijdrage leveren aan de geschiedenis van (diverse vormen van) economische bedrijvigheid en haar gevolgen voor het leefklimaat, en zo ja, hoe?
  2. Wat betekende de aanwezigheid van diverse vormen van economische bedrijvigheid voor het leefklimaat in de binnenstad van Kampen?

Toen de Hinderwet in 1875 van kracht werd, lagen bijna alle bedrijven die Kampen kende in het centrum van de stad. Eerst na de Tweede Wereldoorlog kwamen speciale fabrieksterreinen gereed en werden bedrijven aangespoord de binnenstad te verlaten. Het onderzoek zal zich daarom over de periode 1875-1940 uitstrekken.
De grenzen van de binnenstad zijn, vanwege de omwalling die de stad vanouds kende, eenvoudig te bepalen. Het gebied dat als binnenstad aangemerkt wordt is de oude stad, gelegen tussen de IJssel en de voormalige Stadssingel, aan de noord- en zuidzijde begrensd door de Buitenhaven en Bovenhaven, die beiden ook tot het onderzoeksgebied gerekend worden.16 [16. De ‘Topografische Atlas van Kampen van 1807-1987’ van de hand van Van den Hoven is voor de selectie van inrichtingen die in de binnenstad voorkomen arbitrair gesteld. Hoven, H.W. van den. Topografische atlas van Kampen 1807-1987 (Kampen 1987). [Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, B 4673].])

3. Bronnen

In het gemeentearchief van Kampen bevinden zich de hinderwetbescheiden van 1875 tot en met 1954. Ook enkele vergunningen ingevolge het KB van 1824 zijn bewaard gebleven. Daartegenover staat dat de bescheiden van 1901-1905 verloren zijn gegaan.
Men mag van geluk spreken dat zoveel hinderwetbescheiden in Kampen ontsnapt zijn aan vernietiging. Immers, de mogelijkheid om vervallen hinderwetvergunningen te vernietigen wordt door ministeriële besluiten van 1948 en 1983 geboden. De Vereniging Nederlandse Gemeenten raadt aan alleen de vergunningen te bewaren en de correspondentie te vernietigen. Heel wat materiaal kon verloren zijn gegaan.17 [17. Geraedts, F.F.J.M., ‘De Hinderwetbescheiden, 1811-1952’ in: Broncommentaren IX (z.pl, z.jr.) blz. 52-79, aldaar 59-60.])

|pag. 8|

De hinderwetbescheiden van Kampen zijn tot en met 1954 openbaar en goed toegankelijk voor onderzoekers, aangezien ze in dossiervorm werden gearchiveerd. Dit betekent, dat veel zoekwerk om de procedure van een vergunning te achterhalen bespaard kan worden.
In plaats van een chronologische rangschikking van hinderwet-stukken betreffende verschillende vergunningen zijn de bescheiden in Kampen met bijbehorende correspondentie, dan wel afschriften, bewaard gebleven in de originele dossiermappen die chronologisch geordend zijn in archiefdozen.
Veel gemak ondervindt de onderzoeker van twee ingangen op de hinderwetbescheiden, over de periode 1855-1933 en 1934-1954.
Registers konden op twee manieren worden aangelegd: alfabetisch op naam van de aanvragers/vergunninghouders of alfabetisch op straatnamen. In de gemeente Kampen is indicering op beide wijzen geschied, wat bij een onderzoek voordelen biedt.
De ingangen vermelden:

  1. de naam van de aanvrager/vergunninghouder;
  2. het adres van de inrichting (behalve enkele gevallen waarbij een oude wijkindeling en huisnummering werd gehanteerd dan wel het kadastrale nummer van het perceel, waarop de inrichting gelegen was);
  3. de aard van de inrichting;
  4. het jaar waarin de vergunning werd verleend;
  5. het volgnummer van de vergunning.

4. Presentatie van het onderzoek

De scriptie bestaat uit twee delen. Het eerste deel beoogt een antwoord te geven op de beide onderzoeksvragen.
De twee onderzoeksvragen worden in hoofdstuk 2 en 3 aan de orde gesteld. Eerst geef ik, ter inleiding en voor een beter begrip van de situatie ter plaatse, in hoofdstuk 1 een schets van de ligging, ruimtelijke ontwikkeling, bevolking en industriële ontwikkeling van Kampen in de onderzoeksperiode.

In het tweede deel (de appendix) worden de resultaten weergegeven van een apart onderzoek dat ik heb verricht naar bedrijfslokaties in de binnenstad van Kampen in verband met mogelijke bodemverontreiniging.
Daarbij heb ik de vraag gesteld welke inrichtingen in de binnenstad van Kampen, in bedrijf in de periode 1875-1940, op grond van informatie over het produktieproces dat werd gehanteerd, aangemerkt kunnen worden als mogelijke bodemvervuilers en waar deze gelegen waren.

|pag. 9|

1. SOCIAAL—ECONOMISCHE ONTWIKKELING VAN KAMPEN. 1875-1940

1.1. Geografische ligging

In literatuur over Kampen wordt haar geïsoleerde ligging vele malen aangevoerd als reden waarom het met de welvaart van deze stad aan het begin van de negentiende eeuw zo droevig gesteld was.18 [18. Fehrmann, C.N., ‘Enige aspecten van de sociaal-economische ontwikkeling der steden Zwolle, Deventer en Kampen met het Sallandse achterland in de jaren 1795—1940’ in: Kamper Almanak 1972/73, blz. 175-202, aldaar 176-177. Hartman, E.A., ‘De geschiedenis van de sigarenindustrie te Kampen’ in: Kamper Almanak 1964/65 blz. 179-232, aldaar 181. Lanen, G.B.A.M. van, De ontvolking van de binnenstad, met een toepassing op een achttal steden in Nederland: Arnhem, Enschede, Nijmegen, Deventer, Zwolle, Doetinchem, Kampen, Zutphen (Nijmegen 1977). Doctoraalscriptie sociale geografie. [Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, C 1323], blz. 161-162.])
Ook tijdgenoten waren zich van dit probleem bewust, zo blijkt uit het rapport van Jacobus Scheltema uit 1803: ‘Memorie bevattende een onderzoek naar de redenen van den min voordeeligen Staat der Burgelijke welvaart binnen Kampen en eene proeve van middelen van herstel’.19 [19. De ontwikkeling en toekomst van handel en industrie in de gemeente Kampen (Zwolle 1952) II. [Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, C 215], blz. 3.])
Scheltema vond dat de ligging van de stad ongeschikt was voor handel en fabrieksnijverheid. Terwijl andere steden profiteerden van welvarende dorpen in hun omgeving, bestond de directe omgeving van Kampen uit een plattelandsbevolking die veelal niet zelf grondeigenaar was. Een basis voor primaire industrie, dat wil zeggen, een industrie met een afzetgebied buiten Kampen en omgeving, ontbrak. Kampen lag excentrisch en door slechte landverbindingen erg geïsoleerd.20 [20. Zie noot 19.])
De stad kwam in de eerste helft van de negentiende eeuw gedeeltelijk uit haar isolement door aansluiting op de Zuiderzeestraatweg (1828), de aanleg van een goede straatweg naar Zwolle (1835) en Genemuiden (1836) en een betere vaarweg met de Zuiderzee door het uitdiepen van de Ketelmond (1830).21 [21. Fehrmann, C.N., Kampen vroeger en nu (Bussum 1972), blz. 95. Herwijnen, G. van, C. van de Kleft …[et al.] (red.). Historische stedenatlas van Nederland. Aflevering 4. Kampen (Delft 1986), blz. 26. Van Lanen (zie noot 18), blz. 161.])
De steeds weer optredende verzanding van de IJssel kwam de scheepvaart niet ten goede. Het gemeentebestuur van Kampen moest vervolgens lijdzaam toezien hoe de noord-zuid spoorverbinding langs Zwolle werd aangelegd. Om toch aansluiting op deze verbinding te krijgen besloot de gemeente in 1862 op eigen kosten het lijntje Kampen-Zwolle aan te leggen.
Na de opkomst van de textielnijverheid in Twente hoopte men dat Kampen als in— en uitvoerhaven voor textielprodukten een rol zou kunnen spelen. Er kwam echter een directe spoorverbinding tussen het Twentse industriegebied en Holland via Deventer. De spoorverbinding met Hattem, in 1913 aangelegd, bleek een fiasco en werd in 1933 weer opgeheven. De groei van Zwolle tenslotte heeft het isolement van Kampen alleen maar versterkt.22 [22. Zie noot 19, blz. 4. Fehrmann (zie noot 21), blz. 95. Hartman (zie noot 18), blz. 182. Van Lanen (zie noot 18), blz. 161.])

Kampen was aan het begin van de twintigste eeuw een provinciestadje dat er niet in slaagde een bloeiende ontwikkeling door te maken. Noch voor produktie, noch voor consumptie was Kampen gunstig gelegen.23 [23. Fehrmann (zie noot 18), blz. 186.]) Eerst door het droogleggen van de Noord— oostpolder in 1940 en het droogvallen van Oostelijk Flevoland in de vijftiger jaren raakte Kampen uit haar isolement en werden de mogelijkheden voor industrie gunstiger.24 [24. Van Lanen (zie noot 18), blz. 162.])

|pag. 10|

Kaart van de gemeente Kampen uit 1865.25 [25. Kuyper, J., Gemeente—atlas van Nederland naar officieele bronnen bewerkt. Achtste deel. Overijssel (herdruk Zalt— bomme1 1971).])

|pag. 11|

1.2. Bevolking

Kampen kende in de negentiende eeuw een betrekkelijk snelle bevolkingsgroei, zeker tot aan 1880 (zie bijlage 1). Deze groei werd door zowel een geboorte- als vestigingsoverschot veroorzaakt, samenhangende met een opleving van de industrie. Tussen 1830 en 1879 nam de bevolking van Kampen toe met 96%. Dit is veel meer dan in Zwolle (46%) in diezelfde periode of Deventer (41%).26 [26. Archief der Gemeente Kampen, Handschriftenverzameling: 115.1; Perrin, S.R., Bevolkingsopbouw der gemeente Kampen (Handschrift 1940), blz. 3.])
Na 1880 neemt de bevolking nog maar langzaam in omvang toe.27 [27. Zie noot 26, blz. 3, 6.])
Terwijl elders in Nederland de industrie sterk tot ontwikkeling kwam, stabiliseerde deze zich in Kampen. Hierdoor werden geen nieuwe arbeidskrachten aangetrokken.
Van 1870 tot 1890 groeide de bevolking van Kampen van 16.033 tot 18.799 inwoners, dus met 17% . De groei was in Kampen minder groot dan in Zwolle (27%) of Deventer (29%).28 [28. Uitkomsten der vijfde algemeene tienjaarlijksche volkstelling gehouden op 31 december 1869 in het Koninkrijk der Nederlanden. Het aantal inwoners in Zwolle bedroeg op 1-1-1870: 20.756; in Deventer 17.827. Uitkomsten der zevende algemeene tienjaarlijksche volkstelling gehouden op 31 december 1889 in het Koninkrijk der Nederlanden. Het aantal inwoners in Zwolle bedroeg op 1-1-1890: 26.384; in Deventer 22.914.])
In vergelijking met Zwolle en Deventer kende Kampen rond het midden van de negentiende eeuw hoge sterftecijfers. In 1875 heeft de Openbare Gezondheidscommissie de sterftestatistieken van Kampen, Zwolle en Deventer met elkaar vergeleken. De oorzaak van de grote aantallen sterfgevallen zocht de Commissie in de gebrekkige openbare hygiëne. De Commissie concludeerde ‘dat te Kampen anti-hygiënische invloeden bestaan die men te Zwolle en Deventer niet in die mate aantreft’.29 [29. Nieuw Archief Gemeente Kampen, Archief van het stadsbestuur 1813-1933: 2662; Stukken betreffende de verpachting van het ophalen van mest en vuilis.])
Een vertrekoverschot na 1880 duidt erop dat de neiging van Kampenaren om zich elders te vestigen groter was dan die van vreemdelingen om in Kampen te gaan wonen. Het vertrekoverschot is na 1900 erg groot. Vooral sigarenmakers verlieten de stad om elders een beter bestaan te zoeken. Het bevolkingscijfer bleef tot aan de Tweede Wereldoorlog om en nabij de 20.000 schommelen.30 [30. Zie noot 26, blz. 6, 8.])

Van Lanen stelde dat de verdringing van woonruimte door bedrijfsruimte voor de woonfunctie van de binnenstad grote gevolgen had en signaleert in diverse binnensteden een achteruitgang van het aantal inwoners.
Volgens Van Lanen gingen veel binnenstadbewoners vrijwillig verhuizen als gevolg van een overmaat aan lawaai en stank die door industriële activiteiten veroorzaakt werden. Van achteruitgang van het aantal inwoners in de binnenstad is in Kampen geen sprake. Het was niet mogelijk om buiten de stad te gaan wonen.31 [31. Van Lanen (zie noot 18), blz. 50—53.])
De binnenstad van Kampen telde in 1849 9.279 bewoners. Dit was 83% van het bevolkingsaantal van de totale gemeente. In 1879 waren deze cijfers respectievelijk 12.670 en 73%. De bevolking in de binnenstad bleef groeien tot na de Tweede Wereldoorlog. In 1947 telde men 15.379 bewoners in het stadscentrum. Dit was nog altijd 66% van het inwonertal van de gehele gemeente.32 [32. Van Lanen (zie noot 18), blz. 165. Na de oorlog daalde het aantal bewoners van de binnenstad fors. In 1955 telde men 10.236 inwoners; vijf jaar later waren dat er nog maar 8.866. In 1970 waren er 6.025 binnen-stadbewoners. Naar schatting bedroeg het aantal in 1977 5.000.]
De vele armlastige en werkloze arbeiders die Kampen in de negentiende eeuw kende vormden een belangrijke factor die industrievestiging bevorderde. In zoverre was Kampen als vestigingsplaats aantrekkelijk.33 [33. Hartman (zie noot 18), blz. 200.])
Er zijn enkele karaktertrekken die de Kamper bevolking worden toegedicht die Kampen als vestigingsplaats minder aantrekkelijk

|pag. 12|

maakte voor ondernemers. A.G. van Anrooij, predikant van de Nederlands Hervormde gemeente, zei in 1939 over de verstandelijke ontwikkeling van de arbeiders het volgende 34 [34. Zie noot 26, blz. 107.]):
          ‘Zij zijn Kampers, en een Kamper is traag van bevatting. Over
          het algemeen geloof ik niet, dat de ontwikkeling hoog staat.
          Wanneer men althans oordeelen mag naar de schrifturen, die men
          van tijd tot tijd onder de oogen krijgt, dan is het erbarmelijk.’

Perrin vond de opmerking als zou de bevolking van Kampen conservatief en traag van begrip zijn een ‘domme en onverantwoorde uitspraak’.35 [35. Zie noot 26, blz. 4.]) Wel noemde hij het onderwijs in Kampen van voor de Tweede Wereldoorlog ‘uitermate slecht en achterlijk’.36 [36. Zie noot 26, blz. 3.])
Elders in Nederland streden arbeiders aan het einde van de negentiende eeuw voor een betere toekomst. In Kampen verhinderde het orthodox-protestantisme dat arbeiders tegen hun werkgevers in opstand kwamen.
In het algemeen stond men afwijzend tegenover marxistische denkbeelden. Professor Noordtzij (hoogleraar in de theologie) zei hierover 37 [37. Enquete gehouden door de Staatscommissie benoemd krachtens de Wet van 19 januari 1890 (Staatsblad no.1.). Tweede Afdeling. Zwolle, Deventer, Kampen. [Bibliotheek Rijksuniversiteit Utrecht I fol 143], blz. 155.]):
          ‘Naar mijne overtuiging heeft het socialisme te Kampen geen
          wortel kunnen schieten, omdat de patroons over het algemeen
          nogal billijk zijn, en ook omdat de grondslag van de bevolking
          conservatief is en orthodox. Niet licht zullen zij ook
          op ander gebied het oude laten varen. Zij houden niet van
          nieuwigheden.’

Ook de liberale invloed, die van de gemeenteraad uitging, vormde geen bedreiging voor de conservatieve, calvinistische geest waarin de grote massa gedrenkt was. De bevolking van Kampen verkeerde vóór de Tweede Wereldoorlog in een geestelijk isolement. Het beperkte gezichtsveld werd nog versterkt doordat men afwijzend stond tegenover moderne denkbeelden en slechts geringe contacten onderhield met de buitenwereld.
Volgens Fehrmann zorgde het geestelijk klimaat in Kampen voor een beperkte aantrekkingskracht. Ondernemers vonden in Kampen een berustende, laag geschoolde en overwegend mannelijke arbeidersbevolking. De Kamper arbeiders waren goedkope en goedwillende arbeidskrachten, geen ondernemende en goed opgeleide werklieden.38 [38. Fehrmann (zie noot 18), blz. 186-187.])

1.3. Industriële ontwikkeling

Bezien we de sociaal-economische ontwikkeling van Kampen in de laatste eeuwen, dan valt direct op dat de stad sinds de Middeleeuwen heel wat van haar rijkdom en waardigheid kwijtgeraakt is.
Aan het einde van de achttiende eeuw lijkt Kampen een vergeten IJsselstadje met ongeveer 6.500 inwoners. De ligging van de stad, ooit een belangrijke stimulans voor haar ontwikkeling, werd na de ondergang van haar scheepvaart als groot probleem gezien.
Om aan de deplorabele toestand van de economische situatie een

|pag. 13|

einde te maken werden in de eerste helft van de negentiende eeuw pogingen ondernomen om van Kampen weer een bloeiende handelsstad te maken. Deze pogingen betroffen vooral het doen herleven van de scheepvaart. Toen echter duidelijk werd dat de IJssel niet meer zo’n grote rol zou spelen voor het transitoverkeer, bleken velen in hun verwachtingen teleurgesteld.39 [39. Fehrmann (zie noot 18), blz. 180 Fehrmann (zie noot 21), blz. 94-95.])
Wel leefde de nijverheid iets op en werden voorwaarden voor verder herstel geschapen. Kenmerkend bleef echter bedrijvigheid met een ambachtelijk karakter op lokaal niveau (zie bijlage 15).
Een uitzondering vormde de textielnijverheid, waarvoor Kampen reeds in de achttiende eeuw bekend stond. Na haar verval op het einde van de achttiende eeuw verbeterde de toestand van de textielnijverheid aan het begin van de negentiende eeuw.
Kampen kende twee katoenweverijen, die beiden voor hun grondstoffen afhankelijk waren van de import van ruw katoen uit de Verenigde Staten. Als gevolg van de Amerikaanse Burgeroorlog van 1861 stagneerde de export van ruw katoen en waren de katoenfabrikanten in 1862 genoodzaakt hun weverijen te sluiten.40 [40. Fehrmann (zie noot 21), blz. 92, 96. Hartman (zie noot 18), blz. 188. Alta, D.Y., Kampen (Amsterdam 1925), blz. 30.])

Een belangrijk feit voor de ontwikkeling van de nijverheid in Kampen was de stichting van een sigarenfabriekje in 1826 door Johann Wilke Lehmkuhl uit Bremen. Het bedrijf ontwikkelde zich voorspoedig en nam steeds meer arbeiders in dienst. De voormalige katoenwevers werden omgeschoold tot sigarenmakers.
Aangelokt door het succes van Lehmkuhl begonnen ook andere ondernemers met het oprichten van sigarenfabrieken. De sigarenfabriek van Boele, die later de grootste van Kampen zou worden, dateert van 1847. Nieuwe fabrieken werden bij voorkeur opgericht in de buurt van reeds bestaande sigarenindustrieën. Dit hield verband met de vrij lange tijd die ervoor nodig was om ongeschoolde arbeiders op te leiden tot goede sigarenmakers.41 [41. Hartman (zie noot 18), blz. 185-188.])
In 1851 begon Berk, nazaat van een Duitse soldaat, met het produceren van vertind ijzerwerk in Kampen. Later werd de produktie van geëmaillieerd keukengereedschap ter hand genomen. Zo werd de basis gelegd van een bedrijf dat naast de sigarenindustrie voor de werkgelegenheid in Kampen rond de eeuwwisseling van grote betekenis was.

In het ‘Verslag van den toestand der gemeente Kampen over het jaar 1875’ vinden we een overzicht van de ‘inrigtingen of fabrieken’ die Kampen aan het begin van de onderzoeksperiode kende (zie bijlage 2).
Uit dit overzicht kan worden opgemaakt dat van de 1629 arbeiders die in 1875 in fabrieken werkzaam waren er 1155 (71%), werkten in de sigarenindustrie. Kampen kende, naast een aantal kleinere sigarenfabriekjes, vier grote ondernemingen die sigaren produceerden.
C.J. Boele en Zoon hadden in 1875 467 arbeiders in dienst. Andere belangrijke sigarenfabrikanten waren J.C. Lehmkuhl en Co. (270 arbeiders), Bessem en Hoogenkamp (150 arbeiders) en J.H. van Hulst en Co. (120 arbeiders).42 [42. Hartman (zie noot 18), blz. 189.])

|pag. 14|

Terwijl elders in Nederland aan het einde van de 19e eeuw van een industriële ontwikkeling sprake was, bleef de nijverheid in Kampen, door het overwicht van de sigarenindustrie, haar ambachtelijk karakter behouden.43 [43. Fehrmann (zie noot 18), blz. 185.])
Rond 1880 zagen de sigarenfabrikanten zich genoodzaakt een groot deel van hun personeel thuis te laten werken. Zo werkten in 1889 bij Boele Sr. slechts 33 arbeiders in de fabriek terwijl 400 anderen thuiswerk deden. Het ruimtegebrek in de binnenstad heeft een herintrede van de huisindustrie in Kampen sterk in de hand gewerkt.44 [44. Hartman (zie noot 18), blz. 197. Nijverheidsstatistiek 1887-1889. Drenthe-Overijssel. [Bibliotheek Rijksuniversiteit Utrecht LB-GES RAM 33.2.]])
De sigarenindustrie bereikte het toppunt van haar bloei omstreeks 1880. Na 1900 was ze over haar hoogtepunt heen. In de dertiger jaren van de twintigste eeuw stond deze tak van nijverheid er zeer slecht voor. De belangrijkste oorzaken hiervoor waren de hoge prijzen van grondstoffen, problemen met de afzet en toegenomen concurrentie.45 [45. Hartman (zie noot 18), blz. 221-222.])

Uit de bedrijfstelling van 1930 (zie bijlage 3) kan worden opgemaakt dat de sigarenindustrie in Kampen, ondanks de problemen die zich voordeden, toonaangevend bleef.
Van de andere takken van nijverheid was de emaillefabriek van Berk, met 656 werknemers in 1930, voor de werkgelegenheid van groot belang. Diverse andere vormen van nijverheid waren ook vertegenwoordigd, maar speelden voor de werkgelegenheid in Kampen een minder grote rol. De 4036 arbeiders die in industrieën hun werk vonden vormden te zamen 58,4 % van de beroepsbevolking.46 [46. Zie noot 19, blz. 19.])

1.4. Ruimtelijke ontwikkeling

Ottens onderscheidt de volgende perioden in de geschiedenis van de stadsontwikkeling in Nederland:
– de Middeleeuwse stadsvorming;
– de zestiende en zeventiende eeuwse stadsuitleg;
– de laat-negentiende eeuwse stedelijke explosie;
– de gereguleerde uitbouw tussen ca. 1905 en 1940;
– de stadsuitbreiding na de Tweede Wereldoorlog;
– de stadsgewestelijke uitbouw en stadsvernieuwing van de laatste decennia.
Met betrekking tot de negentiende eeuw merkt hij op dat het aanwezige stedelijke oppervlak en de bestaande bebouwing aanvankelijk toereikend waren om een bevolking, die in omvang langzaam toenam, onderdak te bieden. Maar de negentiende eeuwse industriële ontwikkeling veroorzaakte een belangrijke bevolkingsontwikkeling.47 [47. Ottens, H.F.L., Verstedelijking en stadsontwikkeling ( ), blz. 21.])
Van Lanen schetst hoe het ruimtegebruik in het stadscentrum nauw samenhangt met maatschappelijke omstandigheden. Na de komst van de moderne industrie werd de woonfunctie van de binnensteden vervangen door industriële activiteiten en later ook door activiteiten op het gebied van handel en diensten.48 [48. Van Lanen (zie noot 18), blz. 50-53.])
Een opmerkelijk gegeven ten aanzien van het ruimtegebruik in het centrum is dat in Kampen gedurende de onderzoeksperiode nog tal

|pag. 15|

van ‘koeboeren’ in de binnenstad voorkwamen. Zelfs na de Tweede Wereldoorlog kon men in de binnenstad nog diverse stadsboerderijen aantreffen (zie bijlage 16).

Fabrieken konden zich aanvankelijk alleen binnen de bebouwde kom vestigen en uitbreiden: door de hoge waterstanden in de winter stond het land rond Kampen geregeld onder water, zodat daar zonder zeer hoge kosten te maken niet kon worden gebouwd. ‘Het gevolg was dat de binnenstad propvol gebouwen raakte en omstreeks 1880 nauwelijks meer fabrieksterreinen beschikbaar waren’, aldus Hartman.49 [49. Hartman (zie noot 18), blz. 192.])
De meeste steden waren op het einde van de achttiende eeuw al begonnen met het slechten van stadswallen om de stad te kunnen uitbreiden. De stedelijke fortificaties waren voor de verdediging van de stad niet langer bruikbaar.50 [50. Zie noot 47.])
In Kampen was van een werkelijke stadsuitleg pas veel later sprake, zo rond het begin van de 20e eeuw.51 [51. Van Lanen (zie noot 18), blz. 166.]) De stadsuitbreidingen van vóór de Tweede Wereldoorlog betroffen de sociale woningbouw. In 1910 liet woningbouwcorporatie ‘Eenvoud’ in de buurtschap Brunnepe 54 woningen bouwen. In 1930 besloot men ten zuidwesten van de stad 24 ha grond op te spuiten en bouwrijp te maken. Het lag in de bedoeling hier zowel woningen als industrieën te vestigen. Uiteindelijk werd slechts 16 ha opgehoogd die vaak ten goede kwamen aan de sociale woningbouw. In 1937 kwamen in de nieuwbouwwijk ‘Zuid’ de eerste 108 woningen gereed.52 [52. Fehrmann (zie noot 21); blz. 115. Eenvoud. 1906-1981; de lotgevallen van een Kamper woningcorporatie gedurende een periode van 75 jaren (Kampen 1981) [Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, B 326], blz. 55.])

Ruimte voor de industrie verkreeg men door een aantal pandjes op te kopen, deze af te breken en op dezelfde plaats een fabriekje neer te zetten. Ook kwam het vaak voor dat aan elkaar grenzende panden verbonden werden door de binnenmuren te slopen.53 [53. Hamberg, Loes, Kampen, een milieu-geografische skriptie (Amsterdam 1974) (Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, C 1], blz. 52.])
Bij de ruimteverdeling in de binnenstad speelde de waarde van de grond een grote rol. Een hoge grondprijs betekende vooral een verdringing van woonruimte door bedrijfsruimte.54 [54. Van Lanen (zie noot 18), blz. 50-53.])

Er stonden zoveel fabrieken in de stad, dat praktisch alle beschikbare ruimte was benut en ingericht als werklokaal. Toen Bessem en Hoogerkamp in 1878 in de Broederstraat een sigarenfabriek wilden oprichten diende Van Anrooij, predikant van de Hervormde Gemeente, een bezwaarschrift in. Uit dit bezwaarschrift blijkt hoezeer de uitbreidingsmogelijkheden voor de industrie in de overvolle binnenstad beperkt waren 55 [55. Hinderwetdossier 1878 nr. 049.]):
          ‘De kerkeraad laat de vraag rusten of het in het algemeen
          wenselijk te achten is, dat dergelijke fabrieken in het midden
          eener dicht bebouwde gemeente en bepaaldelijk in voorname
          straten met druk verkeer, zooals de Broederstraat is, worden
          opgericht, maar hij is er geen oogenblik onzeker over, dat de
          meest ongeschikte plaats, die daarvoor ooit zou kunnen worden
          uitgekozen, ongetwijfeld is in de onmiddelijke nabijheid eener
          veel gebruikt wordende kerk’

Omdat Kampen geen industrieterrein kende moest men in het stadscentrum bedrijvigheid toestaan, die men liever elders gevestigd

|pag. 16|

zag. Zo schreef de Directeur Gemeentewerken in 1932 aan de burgemeester 56 [56. Hinderwetdossier 1932 nr. 007.]):
          ‘De ligging van het perceel, waarin adressant de meubelfabriek
          wil vestigen, is … niet erg geschikt voor een dergelijk bedrijf.
          Er is hier ter stede echter geen industrieterrein,
          waarheen men adressant kan verwijzen en daarom kan naar mijne
          mening thans bezwaarlijk de vergunning aan adressant geheel
          worden geweigerd.’

De overvolle binnenstad werd eerst na de Tweede Wereldoorlog van bedrijvigheid ontlast. In 1948 werd door de gemeenteraad van Kampen een uitbreidingsplan vastgesteld, waardoor Kampen een industrieterrein kreeg. Eerst na 1948 verdwenen de fabrieken geleidelijk uit het stadscentrum. Maar nog in 1970 had de binnenstad van Kampen een meer dan gemiddelde industriële functie, vergeleken met centra van diverse andere steden.57 [57. Fehrmann (zie noot 21), blz. 126. Structuurnota binnenstad (Kampen 1972). Overzicht van: historische ontwikkeling, bevolking, functie van de binnenstad, verkeer, ontwikkelingsmogelijkheden, realiserings-aspecten. (Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, B 119], blz. 18, 22, 42. Zo was in 1970 6,2 % van de totale vloeroppervlak (dus begane grond en eventuele bouwlagen) bestemd voor industrieën en ambachten. Per hoofd van de bevolking is dit 0,98 m2, terwijl in centra van diverse andere steden 0,3 à 0,4 m2 vloeroppervlak per inwoner door deze functies bezet is.])

1.5. Samenvatting

De geïsoleerde ligging van Kampen was een belangrijke factor die de sociaal-economische ontwikkeling van de stad in de negentiende eeuw bepaalde. Men was zich aan het begin van de negentiende eeuw ervan bewust dat het isolement waarin Kampen verkeerde een welvarende ontwikkeling van de stad verhinderde.
Maatregelen die rond 1830 werden genomen om het isolement te doorbreken mochten echter niet baten. Kampen bleef een provinciestadje en was als vestigingsplaats voor ondernemers minder geschikt.
Van de arbeiders in Kampen ging slechts een beperkte aantrekkingskracht uit. Ondernemers hadden niet veel belangstelling voor de conservatieve, slecht geschoolde werklieden uit Kampen.
Slechts bedrijvigheid met een typisch ambachtelijk karakter, zoals de sigaren- en emaillefabricage, kwam in Kampen tot ontwikkeling. De door armoede en werkloosheid getekende werklieden -voor zover nog niet naar elders vertrokken- vormden goedkope en goedwillende arbeidskrachten die in een arbeidsintensief produktieproces hun waarde bewezen.
Het grootste aandeel in de werkgelegenheid vóór de Tweede Wereldoorlog werd geleverd door de sigaren- en emaille—industrie.
Andere vormen van bedrijvigheid kon men ook in Kampen aantreffen maar hadden voor de werkgelegenheid minder grote betekenis.
Bedrijven konden zich vóór de Tweede Wereldoorlog alleen in de binnenstad vestigen omdat geregelde overstromingen van het gebied rondom Kampen verhinderde dat daar kon worden gebouwd.
Door de beperkte uitbreidingsmogelijkheden voor de nijverheid raakte de stad overvol. Desondanks kon het aantal inwoners van de binnenstad van 1879-1947 enigszins toenemen. Wel duidt een vertrekoverschot in deze jaren erop dat veel arbeiders elders een beter bestaan zijn gaan zoeken. Eerst in 1948, toen een industrieterrein beschikbaar kwam, kon de binnenstad van storende bedrijvigheid ontlast worden.

|pag. 17|

PLATTEGROND VAN KAMPEN 1911

|pag. 18|

2. DE HINDERWETBESCHEIDEN ALS BRON.

2.1. Inleiding.

Uit het vorige hoofdstuk bleek dat de binnenstad van Kampen tot na de Tweede Wereldoorlog naast een woonfunctie een belangrijke industriële functie bezat. De beschikbare ruimte werd -globaal gesteld- voor twee verschillende doeleinden gebruikt: wonen en werken. Tot op zekere hoogte was sprake van een belangentegenstelling tussen bewoners en ondernemers.
De overheid voorzag met de Hinderwet in een reguleringsmechanisme en speelde bij de afweging van de verschillende belangen een centrale rol. Haar taak was het om bij de vestiging, uitbreiding of wijziging van een inrichting tot verantwoorde besluitvorming te komen en rekening te houden met industriële belangen en het welzijn van de bevolking.
Hinderwetbescheiden vormen een bron die ons wellicht meer duidelijkheid verschaft omtrent dit spanningsveld.
Ik zal daarom in dit hoofdstuk nader ingaan op de vraag of men op grond van hinderwetbescheiden een bijdrage kan leveren aan de geschiedenis van (diverse vormen van) economische bedrijvigheid en haar gevolgen voor het leefklimaat, en zo ja, hoe.

Allereerst zal ik stilstaan bij de werking van de Hinderwet door aandacht te besteden aan de administratieve ontstaansgeschiedenis van hinderwetbescheiden.
Vervolgens stel ik de vraag of de Hinderwet als een milieuwet is aan te merken. Het is inmiddels een traditie geworden om bij het schrijven over de Hinderwet deze vraag aan de orde te stellen; een traditie die hier in stand gehouden wordt.
Een beschouwing over de wijze waarop in de gemeente Kampen toezicht werd gehouden op de hinderwetplichtige bedrijven dient om effectiviteit van de Hinderwet ten aanzien van de bescherming van het leefklimaat na te gaan. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van de hinderwetbescheiden die in Kampen bewaard zijn gebleven.
Daarna onderzoek ik de betrouwbaarheid van de hinderwetbescheiden als bron voor onderzoek naar het leefklimaat van vroeger.
Tenslotte geef ik weer hoe ik de hinderwetbescheiden als bron denk te kunnen gebruiken bij het beantwoorden van de tweede onderzoeksvraag: Wat betekende de aanwezigheid van diverse vormen van economische bedrijvigheid voor het leefklimaat in de binnenstad van Kampen?

2.2. De administratieve ontstaansgeschiedenis van hinderwetbescheiden.

Al in de Middeleeuwen werden door de stedelijke magistraat maatregelen genomen om de overlast van bepaalde ambachten tegen te gaan. Zo staat in het oudste keurboek van Amsterdam (1413) het verbod om slachtafval, mest e.d. in het IJ, de Amstel of de

|pag. 19|

grachten te werpen.58 [58. Zie noot 2, blz. 266.])
Enkhuizen kende een ‘Ordonnantie tegens den Brandt’, daterende van 1617, waarin ambachten werden genoemd die onder toezicht van de ‘Brandt-meesters’ stonden. De Brandt-meesters bepaalden de wijze waarop vuurplaatsen gemaakt werden en zij dienden in te stemmen met eventuele verbouwingen hiervan.59 [59. Aalders, M.V.C., Industrie, milieu en wetgeving. De hinderwet tussen symboliek en effectiviteit (Amsterdam 1984), blz. 125.])
In Leuven werden de inwoners van de stad beschermd tegen overlast door stank, nadat de magistraat in 1730 verklaarde:
          ‘Ende niemandt mach in syn huys maecken, ofte laeten maecken
          eenighe wercken veroorsaeckende quaden reuck ofte stanck in
          den gebueren huysen ende waerdoor de gebueren souden worden
          geïncommodeert ofte beschadight, in synen persoone oft
          goederen…’.60 [60. Zie noot 3, blz. 94. incommoderen: ongemak veroorzaken])

Iedere stad kende zijn eigen problematiek. Het nemen van maatregelen tegen overlast van economische bedrijvigheid was lange tijd een zaak van de lokale overheid.
Voor het eerst in 1811 stelde de centrale overheid zich een taak ter bestrijding van overlast die door diverse ambachten veroorzaakt werd. Onder Frans bewind werd het Keizerlijke Decreet van 15 oktober 1810 ingevoerd: ‘Relatif aux Manufactures et Ateliers qui répandent une odeur insalubre ou incommode’.
Het Decreet was bedoeld tot wering van ‘hinderlijke of ongezonde geuren’ die in werkplaatsen ontstonden, een beperking dus tot inrichtingen die luchtverontreiniging veroorzaakten. De nationale wetgeving betrof niet meer één specifieke tak van nijverheid, zoals bij keuren en ordonnanties van de stedelijke overheid veelal het geval was. Ingevolge het Decreet werden de verschillende inrichtingen in drie klassen ingedeeld:

  1. Inrichtingen die een zo ernstige overlast teweeg brachten, dat ze niet in woonkernen konden worden toegelaten;
  2. Inrichtingen, die wel in woonkernen werden toegelaten, mits er de zekerheid bestond dat ze niet tot last of schade van de omwonenden zouden zijn;
  3. Inrichtingen die zonder hinder te veroorzaken in woonkernen konden functioneren.

Vergunningen tot oprichting van een bedrijf werden verleend door de prefect van een arrondissement (1e klasse) en de sous-prefect (2e en 3e klasse). Het Decreet van 15 oktober 1810 voorzag in het recht van omwonenden om tegen de voorgenomen oprichting bezwaar aan te tekenen. Ook nadat Nederland in 1813 onafhankelijk werd. bleef het Decreet van 1810 van kracht.61 [61. Zie noot 17, blz. 54-55.])

Het Keizerlijk Decreet werd in 1824 vervangen door een Koninklijk Besluit ‘rakende de vergunningen ter oprigting van sommige fabrijken en trafijken’. Door de beperkte omschrijving van het begrip ‘hinder’ in dit Decreet en de opkomst van nieuwe bedrijvigheid was nieuwe regelgeving noodzakelijk geworden.
Het verschil in naamgeving tussen het Decreet van 1810 en het KB van 1824 duidt op een ontwikkeling in de reikwijdte van de wetgeving. Wellicht speelt hierbij een rol dat het Decreet voor

|pag. 20|

Frankrijk was bedoeld terwijl bij het KB met de situatie in Nederland rekening gehouden kon worden.
De reikwijdte van de wetgeving werd ook vergroot met betrekking tot de aard van overlast. Het KB bleef niet tot het weren van stank beperkt, maar regelde ook andere vormen van gevaar, schade of hinder die veroorzaakt werden door oprichting of verandering van bedrijven.
Een indeling van de bedrijven in drie klassen handhaafde men; wel werden de bedrijven opnieuw in de verschillende klassen ingedeeld. Vergunningen werden verleend door de Koning (le klasse); Gedeputeerde Staten (2e klasse) en de gemeente (3e klasse). Het verlenen van een vergunning kon eerst geschieden nadat omwonenden waren gehoord. Van eventuele bezwaren werd proces-verbaal opgemaakt. Beroepen diende men in te dienen bij de naasthogere administratieve autoriteit.62 [62. Zie noot 17, blz. 56.])

Omdat leemten in het Koninklijk Besluit van 1824 een nieuwe regeling noodzakelijk maakten, koos de wetgever voor een meer actuele en verfijnde aanpak in de Fabriekwet. De Fabriekwet dateert van 2 juni 1875 en werd omschreven als ‘Wet, tot regeling van het toezigt bij het oprigten van inrigtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken’. De wetgever koos voor de omschrijving ‘inrigtingen’ om daarmee de wet een meer algemeen karakter te geven. De Fabriekwet bleef hierdoor niet beperkt tot industriële inrichtingen; ook was de wet van toepassing op niet-industriële inrichtingen die overlast veroorzaakten.63 [63. Koeken, E.H.A., ‘1875 Hinderwet 1975’ in: Milieu en recht (1976) nr. 1. blz. 12-26, aldaar 16.])
De indeling van bedrijven in drie klassen werd in 1875 verlaten, waarvoor een meer verfijnde indeling op basis van 18 categorieën in de plaats kwam. De vergunningen tot oprichting, wijziging en uitbreiding van een inrichting werden, behoudens enkele uitzonderingen, verleend door B. en W. Dit betekende een belangrijke uitbreiding van de bevoegdheden van het gemeentebestuur ten opzichte van de situatie ingevolge het KB van 1824.64 [64. Praag, M.M. van, De Hinderwet (Zwolle 1928), artikel 1.])

Het gemeentebestuur kon een vergunning weigeren op grond van bezwaren ontleend aan ‘vrees voor gevaar, schade aan eigendommen, bedrijven of gezondheid en hinder van ernstige aard’. Onder hinder van ernstige aard werd verstaan ‘het ter bewoning ongeschikt maken van (gedeelten) van woonhuizen, het belemmeren van van het gebruik van kerken, scholen en ziekenhuizen en het verspreiden van vuil of walgelijke uitdampingen’. Nadrukkelijk werd gesteld dat een vergunning niet kon worden geweigerd op grond van bezwaren ontleend aan vrees voor economische mededinging in een bedrijf (concurrentie-overwegingen).65 [65. Zie noot 64, artikel 11.])

Bij het aanvragen van een vergunning dienden de volgende stukken te worden overlegd:

  1. een nauwkeurige beschrijving van de lokatie van de inrichting, de werkzaamheden die daarin zullen worden verricht, wat er zal worden vervaardigd of verzameld en de beweegkracht die hiertoe gebruikt zal worden (in tweevoud);

  2. |pag. 21|

  3. een plattegrond op schaal van exterieur en interieur van de inrichting (in tweevoud);
  4. een uittreksel uit de kadastrale legger waarop kerken, scholen en ziekenhuizen, binnen een straal van 200 meter van de inrichting gelegen, stonden aangegeven.66 [66. Zie noot 64, artikel 5.])

Van het verzoek om vergunning stelde het gemeentebestuur de eigenaars en gebruikers van de aangrenzende percelen schriftelijk in kennis. Ook de besturen van kerken, scholen en ziekenhuizen die binnen een straal van 200 meter lagen, werden schriftelijk in kennis gesteld. Het gemeentebestuur diende voorts zorg te dragen voor openbare kennisgeving van het verzoek. Dit gebeurde meestal door middel van een advertentie in een plaatselijk dagblad.67 [67. Zie noot 64, artikel 6.])
Veertien dagen na de openbare kennisgeving konden, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, ten overstaan van het gemeentebestuur bezwaren tegen het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een inrichting worden ingebracht. De bezwaren tegen het verlenen van een hinderwetvergunning aan diverse inrichtingen kunnen als volgt worden ingedeeld:

  • gevaar risico voor brand en explosie en aantasting van de gezondheid.
  • schade vermogensschade door waardevermindering van onroerend goed, vermindering van omzet, hogere verzekeringspremies door verhoogd gevarenrisico, bederf van opgeslagen goederen of de oogst, aantasting van de gezondheid.
  • hinder trillingen, lawaai, luchtverontreiniging door stank en stof.68 [68. Zie noot 15, aldaar 199, 202. Vergelijk met Diederiks, H.A. en Ch. Jeurgens, ‘Milieu, bedrijf en overheid. Leiden in de negentiende eeuw’ in: Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek JbGBT 5 (1988), blz. 427-446, aldaar 439. De onderscheiding in 4 typen bezwaren die Diederiks en Jeurgens aanbrengen wekt de indruk te zijn aangebracht overeenkomstig de frequentie waarin bepaalde bezwaren voorkwamen.])

Tijdens een openbare zitting werden de partijen in de gelegenheid gesteld de bezwaren toe te lichten, waarvan proces-verbaal werd opgemaakt. Het gemeentebestuur besliste binnen een maand na de zitting op het verzoek. De verzoeker en belanghebbenden werden van de beslissing in kennis gesteld.69 [69. Zie noot 64, artikel 8.])

De Fabriekwet kende ook een beroepsprocedure. Tegen de beslissing van B. en W. konden belanghebbenden in beroep gaan bij de Kroon. De procedure begon met het zenden van een verzoekschrift aan de Koning. Het Kabinet van de Koning stuurde dit naar het betrokken ministerie, dat de zaak bij de Afdeling Geschillen van Bestuur van de Raad van State aanhangig maakte. De Raad van State won advies in bij Gedeputeerde Staten van de betrokken provincie, die op hun beurt B. en W. hoorden en advies inwonnen bij de Hoofdingenieur van de Provinciale Waterstaat en soms de Inspecteur van de Volksgezondheid.
Na het advies van Gedeputeerde Staten aan de Raad van State volgde een openbare zitting, waarin alle partijen hun standpunten uiteen konden zetten. De Raad van State adviseerde vervolgens door middel van een concept-KB de Kroon, die in het algemeen het advies volgde.70 [70. Zie noot 17, blz. 58.])

|pag. 22|

De lijst van inrichtingen die zonder vergunning niet mochten worden opgericht, uitgebreid of gewijzigd werd in 1876 en 1907 aangepast.71 [71. Zie noot 64, blz. 7-8.])
Een meer inhoudelijke aanpassing van de Fabriekwet volgde, toen ze in overeenstemming werd gebracht met de Veiligheidswet van 1895. De hernieuwde Fabriekwet werd toen omgedoopt tot Hinderwet.
Evenwel wordt sindsdien de wet van 2 juni 1875 ook aangehaald als Hinderwet, zodat de benamingen Fabriekwet en Hinderwet door elkaar gebruikt worden.
Een hinderwetvergunning kon sinds 1896 geweigerd worden, indien de fabriek of werkplaats volgens de arbeidsinspectie niet aan de eisen gesteld in artikel 6 van de Veiligheidswet voldeed. Dit betekende dat de Directeur-Generaal van de Arbeid bij het verlenen van een hinderwetvergunning betrokken werd, voor zover het inrichtingen betrof die ook onder de termen van de Veiligheidswet vielen. Sinds 1896 moest een aanvraag om een vergunning dan ook voorzien zijn van een verklaring of de inrichting al dan niet een fabriek of werkplaats in de zin van de Veiligheidswet was.72 [72. Zie noot 17, blz. 58.])

2.3. De Hinderwet een milieuwet?

Over de vraag of de Hinderwet een milieuwet genoemd mag worden lopen de meningen uiteen. Enkele juristen en historici hebben zich deze vraag gesteld en alle overtuigende bewoordingen ten spijt moet worden geconstateerd dat een éénsluidend antwoord nog niet gegeven is.
Verschillende deelnemers aan deze discussie zijn echter voorbijgegaan aan één belangrijk punt: het verschil tussen de bedoeling van de wetgever en het effect van de wet.
Beschouwt men allereerst de bedoeling van de wetgever, dan moet men beseffen dat het milieubewustzijn iets van de laatste decennia is. Van milieubesef was eerst na de Tweede Wereldoorlog sprake en milieuvervuiling werd pas in het begin van de jaren ’70 als een belangrijk maatschappelijk probleem erkend.73 [73. Cramer, Jacqueline, De Groene Golf. Geschiedenis en toekomst van de milieubeweging (Utrecht 1989), blz. 32.])

Van Praag schreef in 1928, dus lang voor de doorbraak van het algemene milieubewustzijn, over de doelstelling van de Hinderwet het volgende:
          ‘De Hinderwet heeft een tweeledige strekking. In de eerste
          plaats wordt er mede beoogd schade en hinder aan de omliggende
          eigendommen te voorkomen. Tevens heeft de Hinderwet ten doel
          te maken, dat geen gevaar wordt veroorzaakt voor de openbare
          veiligheid of schade wordt gedaan aan de volksgezondheid.’74 [74. Zie noot 64, blz. 11.])
Hieruit kan men opmaken dat de zorg van de wetgever in de eerste plaats de bescherming van materiële zaken betrof, vervolgens de openbare veiligheid en tenslotte de volksgezondheid.
Deze prioriteitstelling correspondeert met artikel 11 b van de Hinderwet waar wordt genoemd ‘schade aan eigendommen, bedrijven of gezondheid.’75 [75. Zie noot 64, artikel 11 b.])

|pag. 23|

Lintsen is daarom van mening dat de Hinderwet geen milieuwet genoemd mag worden:
          ‘Als er heden ten dage wordt teruggekeken op ontstaan en
          werking van de Hinderwet, wordt zij dikwijls beschouwd als
          een milieuwet. Dit is echter volkomen ten onrechte. De doelstelling
          van de Hinderwet is niets meer, maar ook niets
          minder, dan de bescherming van de directe omgeving van de
          hinderwetplichtige inrichtingen tegen gevaar, schade of
          hinder.’76 [76. Zie noot 15, blz. 208.])

Diederiks en Jeurgens delen dit standpunt niet. Op grond van de volgende overweging noemen zij de Hinderwet wel een milieuwet:
          ‘De Hinderwet van 1875 kan omschreven worden als een wet die
          toezicht houdt (door middel van een vergunningenstelsel) bij
          het oprichten van inrichtingen die gevaar, schade of hinder
          kunnen veroorzaken. Milieuwetten zijn bedoeld om handelingen
          die gevaar, schade of hinder voor het natuurlijke milieu
          kunnen veroorzaken, te verbieden of aan beperkende regels te
          verbinden. Gelet op deze omschrijving kan de hinderwet van
          1875 wel als een eerste vorm van milieuwetgeving gezien
          worden.’77 [77. Diederiks en Jeurgens (zie noot 68), blz. 427.])
Deze redernering is zeer gebrekkig, aangezien de toevoeging ‘voor het natuurlijk milieu’ in de Hinderwet niet voorkomt.

Het nemen of nalaten van maatregelen in het kader van de Hinderwet had wel gevolgen voor het milieu, ook al bestond dit begrip vroeger nog niet. Deze (onbedoelde) effecten van de Hinderwet werden in de loop van de geschiedenis van de wet steeds meer een doel op zichzelf. Om deze reden wordt de Hinderwet wel als basis van de milieuwetgeving in Nederland gezien.78 [78. Bos, J.L. (red.). Natuur, milieu en wet (z.p. [Schalkhaar] 1985), blz. 151.])

Gebleken is, dat de Hinderwet geen milieuwet genoemd mag worden.
De Hinderwet kan men beter omschrijven als een proto—milieuwet.
De Hinderwet was terdege een uitdrukking van het politiekmaatschappelijk bewustzijn dat beperkingen moesten worden opgelegd aan bepaalde activiteiten vanuit het oogpunt van de betrekking tussen mens en zijn omgeving.
Van maatregelen, die in het kader van de Hinderwet werden genomen, ging een zekere milieubeschermende werking uit. Als zodanig is de Hinderwet aan te merken als een voorloper van de milieuwetgeving.

2.4. De effectiviteit van de Hinderwet

Omdat de Hinderwet niet als milieuwet bedoeld was, weigerde Lintsen de effectiviteit van de Hinderwet te bestuderen vanuit het perspectief van de bescherming van het milieu.79 [79. Zie noot 15, blz. 197.])
Toch zou het ons vrij staan ook de effecten van de Hinderwet op het milieu te bestuderen, los van de vraag of deze door de wetgever zijn beoogd. Zo is Aalders van mening dat de Hinderwet ten aanzien van de bescherming van het milieu in de jaren 1875-1952

|pag. 24|

niet effectief functioneerde. Hij spreekt zelfs over een ‘sluimerend bestaan’ van de wet in deze periode. Aalders neemt overigens een wat ambivalent standpunt in omdat in zijn hele boek uitspraken voorkomen die de ineffectiviteit van de Hinderwet moeten aantonen terwijl ook te lezen staat:
          ‘Het feit, dat weinig gegevens bestaan over de werking en
          invloed van de wet in deze periode, weerhoudt ons van de
          uitspraak dat de Hinderwet ineffectief was. Maar ook over
          effectiviteit valt weinig te zeggen’.80 [80. Zie noot 59, blz. 53. Vergelijk bijvoorbeeld met blz. 67, 179.])
Omdat de bescherming van het milieu niet het doel van de Hinderwet was kunnen we in dit verband beter spreken over de ‘betekenis’ van de Hinderwet, dan over de ‘effectiviteit’.

Ten aanzien van de bescherming van het leefklimaat kunnen we wel van de ‘effectiviteit’ van de Hinderwet spreken aangezien dit juist door de wetgever werd beoogd.
De knelpunten van de Hinderwet bij de bescherming van het leefklimaat deden zich voor zowel op het theoretische als op het praktische vlak. Zij betroffen zowel de tekst van de wet als de uitvoering van de wet en contrôle hierop.

De theoretische problemen die zich voordeden waren:

  1. De Hinderwet was een ‘individuele’ wet, zij richtte zich op iedere inrichting afzonderlijk. De overlast die de collectiviteit van de inrichtingen teweeg bracht bleef daarom buiten beschouwing. B. en W. konden hierdoor geen rekening houden met de verhouding van de overlast van het op te richten bedrijf tot de overlast van reeds bestaande inrichtingen.81 [81. Zie noot 59, blz. 56. Leenen, H.J.J., Inleiding tot het milieuhygiënerecht (Alphen a.d. Rijn z.j.), blz. 45.])
  2. De Hinderwet was onvoldoende geïntegreerd met wetgeving op gelijksoortig gebied. Bij de gemeenten vormde de uitvoering van de Hinderwet geen onderdeel van een geïntegreerd beleid ten aanzien van bescherming van het leefklimaat.82 [82. Zie noot 59, blz. 81.])
  3. De Hinderwet had alleen betrekking op met name genoemde inrichtingen, zodat diverse andere veroorzakers van overlast niet onder de termen van de wet vielen.83 [83. Leenen (zie noot 81), blz. 45.])
  4. De Hinderwet was niet afgestemd op ‘moderne’ veroorzakers van overlast. De Hinderwet had een ‘statisch’ karakter, dat vooral veroorzaakt werd doordat in artikel 2 de inrichtingen die onder de termen van de wet vielen opgesomd werden. Aanpassing van de Hinderwet geschiedde lang nadat nieuwe vormen van bedrijvigheid hun intrede hadden gedaan.84 [84. Leenen (zie noot 81), blz. 45.]])
  5. De Hinderwet werkte met middelvoorwaarden, niet met doelvoorwaarden. Het is niet eenvoudig om doelen te verwezenlijken door aan de middelen voorwaarden te stellen.85 [85. Leenen (zie noot 81), blz. 45.])
  6. De Hinderwet werkte met een vage normstelling. De omschrijving van gevaar, schade en hinder in artikel 11 was vaag en algemeen.86 [86. Zie noot 15, blz. 195. Zie noot 59, blz. 142.])
  7. De Hinderwet kende de gemeenteraad de bevoegdheid toe om door middel van een plaatselijke verordening ‘wijken, buurten of straten’ aan te wijzen waar bepaalde inrichtingen zonder voorafgaande vergunning konden worden opgericht.87 [87. Zie noot 64, artikel 4.])


|pag. 25|

Ook praktische problemen deden zich voor. De Hinderwet werd volgens diverse auteurs om de volgende redenen zelden conform de voorschriften uitgevoerd:

  1. Aangezien ambtsinstructies ontbraken kon de uitvoering van de Hinderwet per gemeente verschillen. Naast andere factoren speelde het aanleggen van eigen criteria omtrent wetstoepassing, de samenstelling en opbouw van het ambtelijk apparaat en de politieke prioriteitstelling hierbij een rol.88 [88. Zie noot 59, blz. 62.]) In zekere zekere mate was hierdoor van willekeur sprake.89 [89. Zie noot 59, blz. 141.])
  2. Bij de gemeente bestond onvoldoende deskundigheid omtrent de toepassing van de Hinderwet.90 [90. Zie noot 59. blz. 55, 65, 141, 142.])
  3. De gemeenten kwamen hun verplichtingen ten aanzien van de Hinderwet slecht na. De uitvoering van de wet was meer repressief dan preventief. Men reageerde op klachten van omwonenden.
    De toezicht die de gemeenten op de inrichtingen behoorden te houden liet veel te wensen over, de contrôle op de naleving van de voorschriften was zeer gebrekking. Sancties, voortvloeiende uit artikel 20 (sluiting inrichting), werden nauwelijks toegepast.91 [91. Zie noot 59. blz. 54, 56-57, 61, 141-142. Zie noot 15, blz. 196, 207. Zie noot 63, blz. 17.])

Gelet op de theoretische knelpunten was de toepassing van de Hinderwet op verschillende plaatsen in dezelfde mate (in)effectief .
Bij uitvoering van de wet en de contrôle hierop konden wel plaatselijke verschillen ontstaan omdat dit taken waren waarvoor de gemeenten verantwoordelijk waren. Omdat er over de werking en invloed van de Hinderwet weinig gegevens bestaan is het zinvol de rol van de gemeente bij het toezicht op de hinderwetplichtige inrichtingen eens nader te onderzoeken.
Bij dit onderzoek zal ik me beperken tot de gemeente Kampen. Een onderzoek naar de toepassing van de Hinderwet in andere gemeenten zal moeten aantonen in hoeverre andere steden afwijken van dit patroon en factoren als een specifieke geografische geaardheid en bestuursmentaliteit een rol spelen.

Aalders stelt dat in de periode 1875-1952 de meeste inrichtingen zonder vergunning in werking waren en noemt de contrôle op de naleving van de wet ‘een wassen neus’.92 [92. Zie noot 59, blz. 60, 135, 141.])
Diegene die deze uitspraak aan de hand van diverse bronnen wil toetsen, wordt geconfronteerd met tal van praktische problemen.

Een onderzoek in de archieven van de Kamers van Koophandel (opgericht in 1921) zal een groot aantal bedrijven opleveren die geen hinderwetvergunning hadden, maar uit de informatie ontleend aan deze archieven kan men niet opmaken of een bedrijf onder de termen van de Hinderwet viel. Bovendien konden binnen één bedrijfsklasse hinderwetplichtige en niet-hinderwetplichtige bedrijven voorkomen. Of een bedrijf hinderwetplichtig was of niet hing vaak af van het vermogen van de machines. Tenslotte: elk bedrijf hoorde zich bij de Kamer van Koophandel in te schrijven maar de vraag is of dit ook werkelijk gebeurde.93 [93. Hart, P.D. ’t, Utrecht en de cholera 1832-1910. (Utrecht, Stichting Historische Reeks 1990), blz. 71-72.])

|pag. 26|

Onderzoek naar de hinderwetbescheiden van Kampen leverde enkele gegevens op over de manier waarop toezicht werd gehouden op naleving van de Hinderwet.

Er zijn gevallen bekend van inrichtingen die zonder hinderwetvergunning in werking waren en waarvoor alsnog een vergunning werd aangevraagd. Het betreft een aantal gevallen die kort na het in werking treden van de Hinderwet werden gesignaleerd.
Zo had Rotman in de Buiten Nieuwstraat reeds drie jaar een slachterij en rokerij voor hij in 1878 hiervoor een vergunning aanvroeg.94 [94. Hinderwetdossier 1878 nr. 060.]) Wellman had reeds ‘geruime tijd’ een kalkblusserij in de Groenestraat toen hij zich voor een vergunning tot B. en W. richtte.95 [95. Hinderwetdossier 1879 nr. 061.]) Dalenoort wilde de kuiperij van zijn vader in de Oudestraat voortzetten maar werd door de politie aangespoord hiervoor eerst een vergunning aan te vragen.96 [96. Hinderwetdossier 1879 nr. 071.])
Geertman bekende in 1880 ‘reeds vele jaren’ zonder vergunning in de Groenestraat een sigarendrogerij te hebben.97 [97. Hinderwetdossier 1880 nr. 095.])
In 1899 verzuimde een steenhouwer om een vergunning aan te vragen voor de uitbreiding van zijn bedrijf. De uitbreiding betrof slechts een stukje van 2 meter, maar de burgemeester maakte de eigenaar niettemin op het verzuim attent.98 [98. Hinderwetdossier 1899 nr. 032.])
Men zou op grond van deze gevallen kunnen stellen, dat het dus mogelijk was (gedurende enige tijd) zonder hinderwetvergunning een inrichting in werking te hebben.
Maar tevens blijkt dat politie en burgemeester wel degelijk toezicht hielden en bij nalatigheid wezen op de vergunningsplicht.

Op verzoek van de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid stelden Gedeputeerde Staten van Overijssel in 1904 een onderzoek in naar het toezicht van gemeentebesturen op naleving van de Hinderwet. Dit gebeurde naar aanleiding van een aantal vragen die Goeman Borgesius in de Tweede Kamer aan de minister stelde. De burgemeester van Kampen liet Gedeputeerde Staten weten dat in Kampen toezicht gehouden werd door H.J.J. Eijsten, Opzichter Gemeentewerken en tevens onbezoldigd rijksveldwachter.99 [99. Hinderwetdossier 1904 nr. 009.])

Op grond van een aantal gegevens krijgt men de indruk dat het gemeentebestuur door dit onderzoek haar betrokkenheid bij de uitvoering van de Hinderwet heeft overdacht en na 1904 het toezicht op naleving van de Hinderwet heeft verscherpt.

Tussen de hinderwetbescheiden werd een rapport aangetroffen dat was opgesteld door de Inspecteur van Politie. Dit rapport had tot doel de burgemeester in te lichten omtrent de naleving van de voorwaarden die door B. en W. waren gesteld bij het verlenen van een vergunning krachtens de Hinderwet.
Het ‘Inspectierapport Hinderwet’ dateert van 1 maart 1905 en vermeldt de naam van de vergunninghouder, de aard van de inrichting, het adres waar de inrichting gelegen was, de datum waarop werd gecontroleerd en het jaar waarin de vergunning werd verleend, eventueel de jaren waarin uitbreiding of wijziging van de vergunning plaatshad.100 [100. Hinderwetdossier 1906 nr. 006.])

|pag. 27|

Alleen al het feit dat de Inspecteur van Politie zo’n rapport opstelde heeft betekenis. In de wet wordt niet gesproken over het opstellen van rapporten, enkel over de plicht van het gemeentebestuur toezicht te houden.101 [101. Zie noot 64, artikel 18.])
De inhoud van het inspectierapport is ook van belang. Van de 101 inrichtingen die in de binnenstad gelegen waren, werden na inspectie 95 in orde bevonden. Bij drie inrichtingen was aan een aantal voorwaarden niet voldaan. Eén inrichting was niet in orde en twee inrichtingen zouden in orde worden gebracht. Hieruit kan men opmaken dat de wet door de betroffen inrichtingen in de meeste gevallen werd nageleefd.102 [102. Hinderwetdossier 1906 nr. 006.])

Uit een brief van 19 april 1906 van burgemeester Van Blommenstein (zie bijlage 4), gericht aan de Commissaris van Politie, blijkt dat het gemeentebestuur er prijs op stelde regelmatig gerapporteerd te worden omtrent de naleving van voorwaarden door vergunninghouders. Tevens kreeg de Commissaris van Politie de opdracht om de vergunningen tenminste driemaal per jaar te controleren.

Om contrôle efficiënt te laten plaatshebben werd door de politie een register bijgehouden waarin de verleende hinderwetvergunningen werden opgetekend. Zo beschikte het bevoegde gezag over een voortdurend overzicht van inrichtingen die in het bezit waren van een vergunning. Telkens stelde het gemeentebestuur de Inspecteur van Politie op de hoogte van nieuwe of gewijzigde hinderwetvergunningen.103 [103. Nieuw Archief Gemeente Kampen, Archief Diensten en Bedrijven; 2. Politie; 145; Register van verleende hinderwetvergunningen.])
Bij de illegale oprichting in 1921 van een confectiefabriek in de Voorstraat, liet de Commissaris van Politie het gemeentebestuur het volgende weten:
          ‘Aangezien dit reeds de tweede maal in betrekkelijk korten tijd
          is, dat electromotoren zonder eene dergelijke vergunning in
          werking worden gesteld en het zich laat aanzien, dat dusdanige
          overtredingen meer zullen voorkomen, indien daartegen niet
          krachtdadig wordt opgetreden, zie ik mij genoodzaakt U voor te
          stellen ingevolge art. 21 der Hinderwet het voortzetten der
          werkzaamheden in deze inrichting onverwijld te doen verbieden.104 [104. Hinderwetdossier 1921 nr. 034.])

Nadat Kampen in 1920 werd aangesloten op het electriciteitsnet, zond het Gemeentelijk Energiebedrijf het college van B. en W. elk jaar een overzicht van de inrichtingen die op electriciteit waren aangesloten. Zodoende beschikte het gemeentebestuur over de mogelijkheid contrôle uit te oefenen, omdat het illegaal oprichten of in werking hebben van inrichtingen door middel van dit overzicht snel ontdekt zou worden.105 [105. Hinderwetdossier 1924 nr. 007.])

Van de bevoegdheid op grond van artikel 4 van de Hinderwet om ‘wijken, buurten of straten’ aan te wijzen waar bepaalde inrichtingen zonder vergunning konden worden opgericht heeft de gemeenteraad -voor zover ik kon nagaan- geen gebruik gemaakt.106 [106. Nieuw Archief Gemeente Kampen, Archief van het stadsbestuur 1813-1933; 847; Register houdende processen-verbaal van gedane afkondigingen, 1852-1928.])

|pag. 28|

Op grond van deze gegevens kan gesteld worden, dat de wijze waarop door het gemeentebestuur van Kampen toezicht werd gehouden op hinderwetplichtige bedrijven niet strookt met het beeld dat door Aalders over de uitvoering van de Hinderwet geschetst wordt.
Het toezicht op de hinderwetplichtige bedrijven lijkt in Kampen veel effectiever dan men op grond van de besproken literatuur zou vermoeden.
Geconcludeerd kan worden, dat het aantal inrichtingen die onder de termen van de wet vielen, maar zonder vergunning in bedrijf waren, gering moet zijn geweest. Het beeld dat door Aalders wordt geschetst, als zouden er meer inrichtingen zonder vergunning in bedrijf geweest zijn dan inrichtingen met vergunning, lijkt daarom op Kampen niet van toepassing.
Op grond van deze gegevens zou men kunnen verwachten dat de Hinderwet effectief is toegepast in gemeenten waar een serieuze bestuursmentaliteit te zamen met een begrensd en gemakkelijk te controleren gebied, waarin industriële activiteiten plaatshadden, aanwezig is.

2.5. De betrouwbaarheid van de hinderwetbescheiden bij onderzoek naar het leefklimaat.

Geraedts vond het enkele jaren geleden nog te vroeg om ‘een definitief oordeel’ te geven over de betrouwbaarheid van hinderwetbescheiden. Hij lijkt hiermee een zeer netelig, maar belangrijk probleem uit de weg te gaan. We moeten beseffen dat aan het gebruik van hinderwetbescheiden voor historisch onderzoek enkele haken en ogen kleven.107 [107. Zie noot 17, blz. 58.])
De problemen betreffen niet zozeer technische gegevens. Deze zijn immers veelal te toetsen aan andere bronnen. De knelpunten betreffen veel meer het feit dat de wet beoogt verschillende belangen met elkaar in overeenstemming te brengen: de belangen van de aanvrager van een vergunning en die van omwonenden. Deze belangentegenstelling signaleert men vooral bij het uiten van bezwaren tegen het verlenen van een vergunning.

De problemen kunnen worden toegespitst op de vraag of objectieve kennis van de geschiedenis van economische bedrijvigheid en haar gevolgen voor het leefklimaat mogelijk is wanneer we de bezwaren die tegen het verlenen van hinderwetvergunningen naar voren werden gebracht, als bron gebruiken voor historisch onderzoek.

Met een soortgelijke vraag werd Van Daalen geconfronteerd toen ze de betrouwbaarheid van klachten onderzocht die werden geuit aan het adres van de Gezondheidscommissie en de Afdeling Publieke Werken van Amsterdam. Volgens haar hielden ambtenaren er rekening mee dat klachten terwille van het pleidooi werden overdreven.
Brieven van mensen die regelmatig klaagden werden volgens Van Daalen met enige terughoudendheid behandeld.108 [108. Daalen, Rineke van, ‘Openbare hygiëne en privé-problemen: het ontstaan van de Amsterdamse gezondheidszorg’ in: Sociologisch Tijdschrift blz. 568-595, aldaar 577.])

|pag. 29|

Van Daalen probeerde zo de gegevens uit de bron die ze gebruikt te objectiveren. Op grond van een aantal argumenten is ook voor de objectiviteit van de bezwaren die tegen het verlenen van hinderwetvergunningen werden geuit te pleiten:

  1. De bezwaren waren vaak gebaseerd op overlast die:
    – reeds werd ondervonden (het bedrijf was al in werking);
    Dit was het geval bij alle voorgenomen uitbreidingen en wijzigingen van een inrichting, waarbij tijdens de zitting melding werd gemaakt van de overlast die men al ondervond van de inrichting.
    Bastiaans bracht naar voren dat hij van de gloeioven van Berk veel overlast ondervond, om welke reden hij tegen een tweede gloeioven bezwaren zou hebben gehad.109 [109. Hinderwetdossier 1880 nr. 087.])
    De smid Meulenbroek was al voordat hij een vergunning kreeg met zijn overlastveroorzakende werkzaamheden begonnen.110 [110. Hinderwetdossier 1893 nr. 026.])

    – elders in soortgelijke situaties werd ondervonden.
    Tegen de oprichting van een sigarendrogerij werd brandgevaar als bezwaar aangevoerd ‘… blijkens menigvuldige branden die in sigarendrogerijen uitbarsten …’. Door een ander werd als bezwaar aangevoerd ‘…dat bij brand de gehele buurt in gevaar kon komen, zooals dit tweemaal in het naburige Genemuiden is gebleken…’.111 [111. Hinderwetdossier 1883 nr. 127.])
    In de Oudestraat probeerde een aantal bezwaarmakers de vestiging van een vierde smederij in de buurt te voorkomen omdat men vond dat de drie bestaande smederijen al genoeg overlast veroorzaakten.112 [112. Hinderwetdossier 1891 nr. 002.])

  2. De bezwaren werden door derden en deskundigen beoordeeld: de Directeur Gemeentewerken, de Openbare Gezondheidscommissie, de Inspecteur Volksgezondheid, B. en W., instanties van hoger beroep.
    De beoordeling van bezwaren door derden en deskundigen bracht soms een discussie op gang over de mate waarin door de oprichting van een bedrijf overlast zou ontstaan voor de omgeving. Wanneer anderen -meer ter zake kundigen- de bezwaren gegrond vonden en vonden dat er maatregelen moesten worden genomen, werd de bezwaarmaker in zijn inschatting van de veronderstelde overlast bevestigd.
    De deskundigheid bij diverse instanties moet echter niet worden overschat. De Openbare Gezondheidscommissie in Kampen werd gevormd door lieden die niet altijd even serieus te werk gingen. De verslagen bleven tot enkele pagina’s beperkt, terwijl ze bovendien verscheidene jaren konden bevatten. Mededelingen van bestuurlijke aard vulden ook dan nog een groot deel van het verslag.
    Enkele malen verontschuldigde de Commissie zich voor de beperkte omvang van het verslag. De opmerking dat de lezer daaruit niet mocht opmaken dat de activiteiten van de Commis-

    |pag. 30|

    sie gering waren geeft evenwel te denken. Te meer, omdat in één verslag een uitgebreide beschouwing werd aangetroffen over het schadelijk effect van kleine lettertjes die kinderen op scholen moesten lezen. Aan overlast door economische bedrijvigheid werd slechts in enkele gevallen aandacht besteed.
    Zo zagen vijftien bezwaarmakers zich in 1877 gesteund door de Openbare Gezondheidscommissie bij hun protesten tegen de oprichting van een lompen- en beenderenbergplaats in de Boven Nieuwstraat.113 [113. Hinderwetdossier 1877 nr. 044.])
    Ook uit een ander geval blijkt dat de inschatting van overlast door een bezwaarmaker bevestigd werd.
    B. en W. weigerden in 1906 een vergunning om een steenhouwerij naast het Stadsziekenhuis op te richten. In de toelichting op dit besluit werden de bezwaren van de Regent van het Stadsziekenhuis letterlijk overgenomen.114 [114. Hinderwetdossier 1906 nr. 010.])

  3. Vaak kwamen verscheidene personen met dezelfde of soortgelijke bezwaren.
    Dat verscheidene bezwaarmakers zich door het ondertekenen van een bezwaarschrift verenigden, geeft weer dat de vorm en mate waarin overlast verwacht werd niet alleen afhangt van persoonlijke omstandigheden. Ook kwam het voor dat bezwaarmakers tijdens de zitting elkaars woorden onderschreven of dezelfde bezwaren aanvoerden.
    In 1878 ondertekenden vijf belanghebbenden een bezwaarschrift tegen de oprichting van een slagerij en vleesrokerij in de Voorstraat.115 [115. Hinderwetdossier 1878 nr. 053.])
    De vijftien omwonenden die bezwaren hadden tegen de oprichting van een lompen— en beenderenbewaarplaats voerden allemaal stank als het grootste probleem aan.116 [116. Hinderwetdossier 1877 nr. 044.])
  4. Vaak werden tegen een bedrijfstak dezelfde of soortgelijke bezwaren geuit.
    In zeven gevallen werd bij een bezwaar tegen de oprichting van een smederij de vrees voor geluidoverlast genoemd.117 [117. Hinderwetdossiers 1886 nr. 028; 1891 nr. 022; 1899 nr. 031; 1909 nr. 010; 1920 nr. 004; 1920 nr. 029; 1925 nr. 024.])
    Vijfmaal tekende men bezwaar aan tegen de oprichting van een sigarendrogerij vanwege angst voor brandgevaar.118 [118. Hinderwetdossiers 1883 nr. 127; 1896 nr. 081, 1898 nr. 017; 1921 nr. 028, 1932 nr. 020.])
  5. De gevolgen die omwonenden van een reeds gevestigde inrichting ondervonden konden door derden worden vastgesteld.
    In 1910 maakte de Commissaris van Politie een rapport op over stankoverlast die hij in de tuin van de buurman van een slager aan de Oudestraat constateerde.119 [119. Hinderwetdossier 1910 nr. 010.])
    Een ijzeren bout van een mineraalwaterfabriek bleek dwars door een scheidingsmuur te zijn gedreven. De buurman die overlast ondervond van ‘…het vreeslijke schudden…’ nodigde B. en W. uit om zich hiervan persoonlijk op de hoogte te stellen.120 [120. Hinderwetdossier 1921 nr. 040.])
  6. De aanvrager kon de bezwaren erkennen en proberen er aan tegemoet te komen.
    Zo beloofde slager Helfenrath de bodem van een varkenshok

    |pag. 31|

    dicht te metselen, zodat zijn buurvrouw niet langer last zou hebben van varkensurine in haar tuin.121 [121. Hinderwetdossier 1904 nr. 007.])
    De smid Belle bood aan om zijn schoorsteen te verhogen om zijn buurman te vrijwaren van overlast door rook.122 [122. Hinderwetdossier 1884 nr. 010.])

  7. Er bestaat kennis van de produktieprocessen die vroeger werden gebruikt. De overlast van bepaalde produktieprocessen zou door middel van bewaard gebleven of gereconstrueerd materiaal alsnog geanalyseerd kunnen worden.

 
Deze argumenten laten onverlet het feit dat bij het uiten van bezwaren tegen het verlenen van hinderwetvergunningen een aantal subjectiverende factoren een rol spelen. De informatie uit de hinderwetbescheiden geeft niet altijd een betrouwbaar beeld van het leefklimaat. Als oorzaken hiervoor kunnen genoemd worden:

  1. Omwonenden brachten geen bezwaren in, terwijl ze die toch hadden.
    Kampen was een kleine gemeente, waar velen voor hun werkgelegenheid afhankelijk waren van enkele grote industrieën.
    De macht van fabrikanten was daarom groot.123 [123. Vergelijk Lintsen (zie noot 15), blz. 195.])
    Boele Sr., de grootste sigarenfabrikant bijvoorbeeld, was een gezien man in Kampen. Het gemeenteverslag van 1872 vermeldt hoezeer Boele moeite deed
              ‘…niet alleen om geschikte arbeiders te verkrijgen, maar
              ook om hen te beschaven en tot zedelijke menschen op te
              leiden…’.
    Ondanks de uitspraak ‘Gij mijn volk! Gij zijt mijne medearbeiders!’ huldigde Boele het principe ‘alles voor het volk, maar niets door het volk’.124 [124. Hartman (zie noot 18), blz. 194. Fehrmann (zie noot 21), blz. 97.])
    Tegen de oprichting en talrijke uitbreidingen van de sigarenfabrieken van Boele zijn dan ook geen bezwaren ingebracht.
    Bovendien kende de Kamper gemeenschap in de onderzoeksperiode een besloten karakter en schrijnende sociaal-economische omstandigheden. Bezwaarmakers moesten —zo laat het zich aanzien- goede redenen hebben om de broodwinning van een buurman in gevaar te brengen. Zeker, wanneer men bedenkt dat veel hinderwetplichtige inrichtingen naast elkaar gelegen waren. Als vergunninghouder had men nog meer redenen om de buren te vriend te houden. Wanneer men bezwaren naar voren bracht tegen het verlenen van een vergunning aan een buurman, kon men ze ook verwachten wanneer het de uitbreiding van de eigen inrichting betrof.
    Tenslotte moet het ontwikkelingspeil van de Kamper bevolking in dit verband genoemd worden. Analfabetisme was algemeen en door een predikant werd het ontwikkelingspeil nog vlak vóór de Tweede Wereldoorlog ‘erbarme1ijk’ genoemd.125 [125. Hartman (zie noot 18), blz. 193. Zie noot 26, blz. 107.])
    Een brief die door 76 personen werd ondertekend om B. en W. te wijzen op overlast veroorzaakt door de magnesiumfabriek aan de IJsselkade bevestigt dit. Men mag toch verwachten dat de meest geletterde van de omwonenden de brief heeft opgesteld. De

    |pag. 32|

    klacht, nog wel op gezegeld papier geschreven, getuigt echter niet van voldoende beheersing van de Nederlandse taal.126 [126. Hinderwetdossier 1929 nr. 019.])
    Wanneer belanghebbenden reeds de uitnodiging van B. en W. om bezwaren kenbaar te maken konden lezen, blijft het de vraag in hoeverre men in staat was om bezwaren en klachten op schrift te stellen. Vermoedelijk heeft met minder ontwikkelde deel van de bevolking de meeste overlast van economische bedrijvigheid ondervonden, omdat zij door een ongunstige sociaal-economische positie genoodzaakt was om minder hoge eisen aan huisvesting te stellen. De indruk bestaat dat vooral door de stedelijke elite in diverse situaties bezwaren naar voren zijn gebracht.
    Voor hen was de drempel om kennis te nemen van de wet, en op grond daarvan bezwaren te uiten, minder groot dan voor slecht geschoolde arbeiders.

  2. Er werden bezwaren ingebracht, die niet realistisch waren: er werd overdreven of er werden onwaarheden verteld.
    Het indienen van bezwaren diende natuurlijk een doel: het onder voorwaarden verlenen van een vergunning of het afwijzen van een verzoek.
    Herhaaldelijk adviseerde de Directeur Gemeentewerken de burgemeester de gevraagde vergunning te verlenen omdat de geuite bezwaren overdreven waren.
    Zo vond hij het ingebrachte bezwaar van Fikse tegen het geluid van de ventilator van de zuivelfabriek ‘zoo gering’, dat er geen maatregelen genomen hoefden te worden. De directeur van de zuivelfabriek liet de burgemeester weten ook overlast te ondervinden, en wel van de ‘plagerijen’ van Fikse.127 [127. Hinderwetdossier 1910 nr. 007.])
  3. De bezwaren betroffen verwachtingen ten aanzien van overlast.
    Men had bezwaar tegen het verlenen van een vergunning op grond van vermoedens en inschattingen.
    In de meeste opgetekende bezwaren vinden we dat omwonenden iets ‘vermoeden’, ‘verwachten’ of ‘vreezen’. Enkele bezwaarmakers, blijkbaar niet in staat de stukken te lezen, verschenen zelfs op de zitting met bezwaren tegen iets dat geheel afweek van de bedoeling van de aanvrager.
    Zo verscheen Bastiaans met bezwaren tegen een tweede gloeioven in de emaillefabriek van Berk, terwijl Berk van plan was zijn fabriek met een droogoven uit te breiden.128 [128. Hinderwetdossier 1880 nr. 087.])
    Telder verscheen met een bezwaar tegen de oprichting door bakker Hallie van een tweede oven tegen zijn muur. Hallie had de oven echter niet op deze plaats op de plattegrond aangegeven.129 [129. Hinderwetdossier 1878 nr. 050.])
    Van overlast die men verwachtte hoefde dus niet werkelijk en in de verwachte mate sprake te zijn na de oprichting, uitbreiding of wijziging van een inrichting.
  4. Bezwaarmakers waren niet altijd in staat de overlast redelijk in te schatten vanwege gebrek aan deskundigheid en onbekendheid met de techniek.

    |pag. 33|

    In 1932 probeerde de eigenaar van een meubelfabriek met onderstaande tekening uit te leggen waarom omwonenden geen bezwaar hoefden te hebben tegen het installeren van een cirkelzaag.

    De cirkerzaag zooals deze vroeger gebruikt werd en waardoor een gierend, fluitend geluid werd veroorzaakt. De cirkerzaag welke thans gebruikt wordt en dit geluid niet meer veroorzaakt.

    Tekening van Meulenbelt, bedoeld om de bezwaren tegen de uitbreiding van zijn meubelfabriek met een cirkelzaag weg te nemen.130 [130. Hinderwetdossier 1932 nr. 007.])

De hinderwetbescheiden vormen een verzameling stukken die door handelende mensen zijn geproduceerd om hun handelen of dat van anderen vast te leggen of beïnvloeden. Gebeurtenissen die betrekking hebben op economische bedrijvigheid en haar gevolgen voor het leefklimaat komen alleen via de waarneming van een ander tot ons. ‘Harde feiten’ bestaan niet, er zijn alleen interpretaties van feiten. Er zijn mensen in het spel die de ‘feiten’ vormgeven. Allereerst zijn er de oog- en oor— getuigen die -zoals bleek- feiten opzettelijk konden vervormen. Ook de historicus levert zijn aandeel door het vormen van een constructie van het verleden op basis van de interpretatie van historische gegevens.

De hinderwetbescheiden kunnen als bron dienen voor onderzoek naar de geschiedenis van economische bedrijvigheid en haar gevolgen voor het leefklimaat wanneer we onderkennen dat zij subjectieve informatie bevatten en we een kritische houding aannemen ten aanzien van deze informatie.

2.6. Onderzoeksmethode

Voor zover bekend, is nog niet eerder geprobeerd op grond van de bezwaren die tegen hinderwetvergunningen zijn geuit te komen tot een geschiedschrijving van economische bedrijvigheid en haar gevolgen voor het leefklimaat.
De bezwaren lenen zich dan ook niet gemakkelijk voor historisch onderzoek. Op zich bevatten ze interessante informatie maar hun geheel is onoverzichtelijk.
Ik heb ervoor gekozen om een ordening in de bezwaren aan te brengen naar de soort van economische bedrijvigheid. Andere ordeningen (chronologisch of naar soort overlast) zouden niet die

|pag. 34|

samenhang aan de gebeurtenissen geven die noodzakelijk is om inzicht te verkrijgen in het spanningsveld tussen economische bedrijvigheid en het welzijn van omwonenden.

De diverse vormen van bedrijvigheid die Kampen in de periode 1875-1940 kende kunnen als volgt systematisch worden weergegeven:
 

Middenstand Ambachten Industrieën
Grutterijen Smederijen Zuivelindustrie
Bakkerijen Kuiperijen Chemische Industrie
Koffiebranderijen Koperslagerijen Meubelindustrie
Azijnfabrieken Steenhouwerijen Machinefabrieken
Slagerijen Kalkblusserijen Scheepswerven
Bergplaatsen Houtzagerijen Gasfabrieken
Diversen Sigarenfabrieken
Mattendrogerijen
Drukkerijen
Garages
Diversen

 
          Schematische weergave van de hinderwetplichtige inrichtingen
          die in de binnenstad van Kampen in de periode 1875-1940
          aanwezig waren.

De soorten van economische bedrijvigheid vormen dus de thematische subjecten waarvan in deze scriptie ontwikkelingen worden beschreven.
Een nadeel van het gebruik van bezwaren voor het onderzoek is dat het historisch verhaal door de weergave van kleine, allerdaagse gebeurtenissen en situaties een fragmentarisch karakter kan krijgen.
Naar mijn mening weegt dit nadeel niet op tegen de mogelijkheid op grond van bezwaren een ‘levensecht’ beeld te geven van een weinig bekende kwestie.
Door gebruik te maken van citaten stel ik tijdgenoten in de gelegenheid ‘het woord te voeren’ om ons deelgenoot te maken van hun levensomstandigheden. Met behulp van een taalkundige evocatie probeer ik het verleden als het ware te laten ‘meebeleven’.

Ter aanvulling op gegevens ontleend aan de bezwaren kon in enkele gevallen van informatie uit andere bronnen, zoals verslagen van de gezondheidscommissie en kranteberichten gebruik worden gemaakt.

|pag. 35|

2.7. Conclusie

De wetgever beoogde met de Hinderwet de directe omgeving van bepaalde bedrijven te beschermen tegen gevaar, schade of hinder.
De Hinderwet kan daarom als voorloper worden gezien van de milieuwetgeving.
Gebleken is dat een aantal theoretische en praktische problemen een nadelige uitwerking hadden op de effectiviteit van de Hinderwet ten aanzien van de bescherming van het leefklimaat.
Diverse auteurs zijn dan ook van mening dat in de periode 1875—1952 de contrôle op de naleving van de Hinderwet door hinderwet-plichtige bedrijven veel te wensen overliet.
Uit onderzoek naar de hinderwetbescheiden in Kampen is gebleken dat in de periode 1875-1940, en zeker na 1904, in Kampen ‘behoorlijk’ toezicht werd gehouden op naleving van de Hinderwet. Wellicht is dit ook in vergelijkbare gemeenten het geval geweest.
Reeds nu moet worden opgemerkt dat de gangbare visie omtrent de effectiviteit van de Hinderwet enige nuancering behoeft.

Hinderwetbescheiden vormen een belangrijke bron bij de studie naar de gevolgen van economische bedrijvigheid voor het leefklimaat. Geraedts liet de betrouwbaarheid van de hinderwetbescheiden als bron voor historisch onderzoek in het midden.
Toch is het voor historisch onderzoek belangrijk om de bronnen die gebruikt worden kritisch te analyseren.

Mijn aandacht ging vooral uit naar de opgetekende bezwaren die omwonenden hadden tegen het verlenen van hinderwetvergunningen aan diverse inrichtingen. Ik heb onderzocht in hoeverre de opgetekende bezwaren betrouwbare informatie bevatten, die door historici gebruikt kan worden.
Het bleek dat er een aantal argumenten aan te voeren zijn vóór de objectiviteit van de geuite bezwaren. Maar tevens bleken subjectieve factoren aanwezig waardoor opgetekende bezwaren niet zonder kritiek kunnen worden geïnterpreteerd.

|pag. 36|

3. ECONOMISCHE BEDRIJVIGHEID EN LEEFKLIMAAT IN DE BINNENSTAD VAN KAMPEN. 1875-1940.

3.1. Inleiding.

Het onderzoek naar de wijze waarop en de mate waarin men in de binnenstad van Kampen overlast van (diverse vormen van) economische bedrijvigheid ondervond spitst zich toe op de volgende vragen:

  1. Welke vormen van overlast van economische bedrijvigheid werden als bezwaren tegen het verlenen van hinderwetvergunningen aan diverse inrichtingen en bij het uiten van klachten genoemd?
  2. Wat was het gevolg van het gebruik van diverse energiebronnen voor de mate waarin omwonenden overlast van economische bedrijvigheid ondervonden?
  3. Welke vormen van economische bedrijvigheid vond men het meest bezwaarlijk en welke in mindere mate?
  4. Hoe ontwikkelden de verschillende vormen van economische bedrijvigheid in de binnenstad zich in aantal en welke gevolgen had dit voor het leefklimaat?

Het aantal hinderwetdossiers die de binnenstad van Kampen betreffen in de periode 1875-1940 bedraagt 795 (zie bijlage 4).
Gemiddeld werden er per jaar zo’n dertien hinderwetvergunningen aangevraagd.
In de periode 1920-1924 zijn veel meer hinderwetvergunningen verstrekt dan in andere jaren. Dit heeft te maken met het feit dat Kampen in 1920 aangesloten werd op het electriciteitsnet. Veel bedrijven hebben nadien een electromotor geïnstalleerd, ter vervanging van een gasmotor of stoomketel. Hierdoor kan ook worden verklaard waarom vlak vóór 1920 minder hinderwetvergunningen werden verleend. Het is aannemelijk dat men met uitbreiding gewacht heeft totdat men het bedrijf tevens kon electrificeren.
In 1936 werd een meer dan gemiddeld aantal hinderwetvergunningen aangevraagd. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de mechanisatie van sigarenfabrieken, waardoor vele werknemers werkloos werden. Deze werknemers zullen veelal een eigen sigarendrogerij hebben opgericht. Van de 26 hinderwetvergunningen die in 1936 zijn verleend hebben er 20 betrekking op sigarendrogerijen.
Door middel van de Mechanisatiewet (1936) maakte de regering een einde aan de bedrijfsrationalisatie. De wetgever bepaalde dat in fabrieken geen machines mochten worden gebruikt die na 16 mei 1936 geplaatst waren.131 [131. Hartman (zie noot 18), blz. 223.])

|pag. 37|

3.2. Middenstandsbedrijven

De gegevens uit het ‘Inspectierapport Hinderwet’ van 1905 (zie bijlage 6) en gegevens over de gehele onderzoeksperiode (zie bijlage 7) vertonen eenzelfde beeld: slagerijen vormden de meest talrijke groep hinderwetplichtige middenstandsbedrijven in Kampen, gevolgd door bakkerijen.

3.2.1. Grutterijen, qraanmalerijen en oliemolens.

Grutten (gebroken korrels van boekweit, haver of gerst) waren rond het midden van de negentiende eeuw belangrijke voedingsmiddelen, zowel voor de mens als voor vee.132 [132. Bernet Kempers, A.J., In en om de grutterij (Arnhem 1979), blz. 10.])
In grutterijen werd het ruwe zaad gedroogd in een droogoven of ‘eest’. Een eest was een grote van bakstenen gemetselde bak met kanalen er door heen. In deze bak lag een geperforeerde metalen plaat met zulke fijne gaatjes, dat het te drogen zaad er niet door heen kon vallen.
Eesten treffen we meestal aan op zolders van grutterijen omdat op lagere verdiepingen het breken en malen van het ruwe zaad plaatshad (in een rosmolen werd daarvoor vanouds een blind paard gebruikt) . Vermoedelijk speelde ook een rol dat bij eventuele brand het hele gebouw minder risico liep verwoest te worden. Daarom werd de eest ook los van de muren, in het midden van de zolder gebouwd. Het stoken van de droogoven gebeurde in vroegere tijden met boekweitdoppen en hout. Later werd ook houtskool en cokes gebruikt.133 [133. Zie noot 132, blz. 33-34.])

In 1919 kwamen 21 bewoners van de Buiten Nieuwstraat en Kerksteeg in opstand tegen de graandrogerij van Veldhuis Kroeze. Ze klaagden bij de burgemeester over een ‘ondragelijke en walgelijke lucht’. Ramen en deuren moesten gesloten blijven, hetgeen niet bevordelijk werd geacht voor de gezondheid.
Veldhuis Kroeze had een vergunning voor het drogen van granen maar was zich gaan toeleggen op het drogen van aardappels en caseïne (een kaasstof uit melk afkomstig). De burgemeester gelastte Veldhuis Kroeze onmiddellijk te staken met het drogen van andere produkten dan waarvoor een vergunning was verleend.134 [134. Hinderwetdossier 1919 nr. 005.])

Na het drogen werd het graan door de grutter gepeld en gebroken.
Het pellen had plaats tussen een koppel stenen waarvan één steen stillag, terwijl de ander daarboven of -onder draaide. De stenen werden vóór de uitvinding van de stoommachine in beweging gebracht door energie uit wind en water of paardekracht.135 [135. Zie noot 2, blz. 264. Petersen, J.W. en W. Zondervan, Oude ambachten en bedrijven achter Rijn en IJssel (Zutphen 1974). blz. 69-70. In het achterhuis van het ‘Gotische Huis’ aan de Oudestraat in Kampen bevindt zich -en dit is uniek in Nederland- een 18e eeuws molencomplex met eest, dat tot aan het begin van de twintigste eeuw in bedrijf was.]) Bij oliehoudende zaden (lijnzaad bijvoorbeeld, ook vlaszaad genaamd) bestond de bewerking uit het pletten van de korrels in oliemolens. De massa werd vervolgens verwarmd, waarna door ‘slaan’ de olie er uit gedreven werd. Lijnzaadolie was een belangrijk basisprodukt voor onder anderen de zeepfabricage. De overgebleven bestanddelen gebruikte men voor lijnzaadkoeken die als veevoer dienden.

|pag. 38|

Dees Molen perst en ſtampt en ſlaat
De nuttige Olie, uit het zaad.


          Het interieur van een oliemolen (detail van een volksprent).136 [136. Zie noot 132, blz. 24.])

Over het algemeen lagen oliemolens in het buitengebied en niet in de bebouwde kom. Het slaan van de oliehoudende massa veroorzaakte namelijk veel geluidoverlast. Omwonenden konden ook overlast ondervinden van de onaangename geur die de molens verspreidden.
Door het verwarmen van oliehoudende zaden waren oliemolens bovendien brandgevaarlijk, waardoor men ze ook liever buiten de stad zag gevestigd.137 [137. Zie noot 2, blz. 264. Petersen (zie noot 135), blz. 69-70.])

In 1875 werd door Overweg in de Voorstraat een oliemolen opgericht. In de molen van Overweg, ook wel lijnkoekenfabriek ‘De Hoop’ genaamd, werden met stoomkracht lijnzaadkoeken geproduceerd. De molen was voor die tijd een modern bedrijf. Nog in 1890 was slechts twee procent van de molens in Nederland met stoomwerktuigen uitgerust.138 [138. Jonge, J.A. de, De industrialisatie in Nederland tussen 1850 en 1914 (Nijmegen 1976), blz. 138.])
In 1904 maakte Van Genderingen bezwaar tegen het voornemen van Overweg om in zijn molen een gasmotor van 30 pk te installeren.
Van Genderingen vermoedde overlast te zullen ondervinden van het trillen van de nieuwe motor. Het gas uit de droogoven (‘zwavel-stof’) werd door hem als hinderlijk ervaren.139 [139. Hinderwetdossier 1904 nr. 003.])
Overweg was in 1915 van plan zijn lijnkoekenfabriek verder uit te breiden door het bijplaatsen van een aantal motoren en machines.
Volgens Van Genderingen was het achterste deel van zijn perceel reeds onbewoonbaar geworden en veroorzaakte de nachtarbeid in de molen geluidshinder. Overweg stelde dat nachtarbeid noodzakelijk was en dat de nieuwe machines veel minder lawaai zouden veroorzaken.

|pag. 39|

Het verzoek van de Wed. Aarts om geen
hinderwetvergunning te verlenen aan
Eshuis voor de oprichting van een stoom-
korenmolen in de Prinsenstraat.140 [140. Hinderwetdossier 1887 nr. 047.])

Kampen 24 maart 1887

Aan de WelEedele Heer
Burgemeester en Wethouwders
der gemeente Kampen.
Mijn Heeren daar ik een
burigt van uw Heeren
heb ontvangen over het
verzoek Eshuis wegens zijn
bouwen van een stoom
koren Mool daar ben ik
zeer tegen wegens daar ik
3 wonings in de gang heb
staan en dat ik die wonings
daar leeg dan krijg zoo als
die menschen mij dat gezegt
hebben met zulk geraas
en daar ik reeds weduwe
ben en dan zal mij Eshuis
mij dat Geld niet geven
dan staan mijn Huisjes
renteloos mijn verzoek
is er zwaar op tegen ik
Blijf de weduwe Aarts


|pag. 40|

Ook door anderen werden bezwaren naar voren gebracht tegen de voorgenomen uitbreiding. Men verwachtte roetoverlast en vooral ‘…het dreunen van de steenen…’ bij de produktie van lijnzaad-koeken.141 [141. Hinderwetdossier 1915 nr. 008.])

3.2.2. Bakkerijen

De bezwaren die tegen het verlenen van hinderwetvergunningen aan bakkers werden ingebracht betroffen vooral de overlast die men van de ovens verwachtte. Verscheidene malen werd door omwonenden geeist dat de op te richten ovens voldoende ver van scheidingsmuren zouden worden gebouwd.142 [142. Hinderwetdossiers 1876 nr. 033 en 1884 nr. 003.])
In één geval zou de oven tegen een halfsteensmuur gebouwd worden terwijl aan de andere kant van de scheidingsmuur zich de bedsteden bevonden.143 [143. Hinderwetdossier 1886 nr. 029.]) In een ander geval zou een deel van de woning minder goed verhuurd kunnen worden omdat er in een alkoof tegenover de bakkersoven ‘een ondragelijke hitte’ zou heersen.144 [144. Hinderwetdossier 1909 nr. 005.])
Een slechte scheidingsmuur tussen de bakkerij van Noordhof en de slagerij van Van der Bent was de oorzaak van een brand die in 1928 bij de slagerij uitbrak. De opperbrandmeester constateerde na het blussen van de brand dat de muur ‘lek’ was en vonken doorliet.145 [145. Nieuw Archief Gemeente Kampen, Archief van het stadsbestuur 1813-1933; Ingekomen en minuten van uitgaande stukken, geordend volgens het rubriekenstelsel Veldman 1909—1933; 818; Dossier 732; Overzicht van de branden in Kampen, 1920-1933.]) Dit was ook het geval bij de bakkerij van Hoegen aan de Oudestraat. Volgens buurman Van Olst kwam via de muur het vuur van de oven terecht in zijn pakhuis.146 [146. Hinderwetdossier 1923 nr. 031.])
Men moet hierbij bedenken dat bakkersovens vroeger gemetseld werden en daardoor niet gemakkelijk te verplaatsen waren. Een gevolg hiervan was dat bakkerijen vaak zeer lang in hetzelfde pand gevestigd waren. Door het steeds maar verhitten en laten afkoelen van scheidingsmuren zullen deze na verloop van tijd scheuren zijn gaan vertonen. Aan zulke problemen konden bakkers tegemoet komen door het bouwen van een spouwmuur. Zo stelden B. en W. op den duur als voorwaarde dat de afstand van de wand van de oven tot de scheidingsmuur tenminste elf centimeter moest bedragen.147 [147. Hinderwetdossier 1920 nr. 011.])

De Hinderwet was niet het enige juridische instrumentarium waarmee het gemeentebestuur de inrichting van werkplaatsen en fabrieken kon regelen. De gemeenteraad van Kampen heeft verscheidene bouwverordeningen uitgevaardigd.
Van de eerste bouwverordening in de onderzoeksperiode, die van 1876, tot de bouwverordening van 1935 ziet men een ontwikkeling van een steeds gedetaillieerder weergeven van eisen die aan nieuw te bouwen woningen en inrichtingen werden gesteld.
Vanaf 1902 had men voor het bouwen van huizen en fabrieken een bouwvergunning nodig, die door het gemeentebestuur kon worden verleend. Het gemeentebestuur kon vanaf dit jaar ook bij specifieke bouwprojecten eisen stellen en regulerend optreden.
Het lijkt erop dat hinderwetvergunningen en bouwvergunningen bij het stellen van voorwaarden elkaar overlappen. Bij het bouwen van nieuwe inrichtingen beschikte het gemeentebestuur dus over twee mogelijkheden om voorwaarden te stellen waarmee het leefklimaat in de omgeving van inrichtingen kon worden beschermd.148 [148. Verordening op het bouwen en betrekken van nieuwe, alsmede op het ontruimen van ongeschikte en voor de gezondheid schadelijke gebouwen in Kampen (Kampen 1876) [Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, B 410]. Bouwverordening der gemeente Kampen (Kampen 1904) [Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, B 408]. Bouwverordening der gemeente Kampen (Kampen 1921) [Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, B 4701]. Verordening op het bouwen en wonen in de gemeente Kampen (Kampen 1935 (1937)) [Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, B 1848].])

|pag. 41|

Het kwam nogal eens voor, dat een bakkerij tevens werd ingericht als drogerij van sigaren, tabak en biezenmatten (‘russchen’), zodat hete lucht uit een bakkersoven nogmaals benut kon worden.
Dit betekende met het oog op brandgevaar een extra risico. Zo vond notaris Brune dat zijn archief aan een te groot gevaar zou worden blootgesteld als zijn buurman Lotgerink zijn bakkerij met een mattendrogerij zou uitbreiden.149 [149. Hinderwetdossier 1894 nr. 059.])
In dit verband werd tegen de oprichting van bakkerijen ook bezwaar aangetekend omdat schade zou worden geleden door het moeten betalen van een hogere brandassurantiepremie.

Overlast als gevolg van roet en rook uit de schoorsteen van een bakkerij werd enkele malen als bezwaar genoemd.150 [150. Hinderwetdossiers 1924 nr. 030 en 1927 nr. 034.]) Bakkers stookten in die tijd grote koolbriketten.
Een kapotte schoorsteen van een bakkerij in de Hofstraat veroorzaakte zoveel overlast dat omwonenden gingen klagen bij B. en W..
De bakker werd op het gemeentehuis ontboden maar verscheen niet.
Enige medewerking van deze bakker hoefden omwonenden niet te verwachten, zo constateerde de Directeur Gemeentewerken.151 [151. Hinderwetdossier 1929 nr. 018.])

Bij het voornemen van bakker Hallie om zijn bedrijf aan de Oudestraat uit te breiden met een tweede oven, werd door Telder aangevoerd dat hij reeds ‘grooten overlast’ ondervond van de bestaande oven door ‘…torren en andere insekten en dat dit zeer zou verslimmeren…’. Klaarblijkelijk werden door een warme muur van een bakkerij insekten aangetrokken.152 [152. Hinderwetdossier 1878 nr. 050.]) Overlast van insekten werd in 1909 nogmaals als bezwaar aangevoerd, nu tegen de oprichting van een bakkersoven door een bakker in de Boven Nieuwstraat. De buurman verwachtte ‘…veel last te krijgen van torren en krekels …’.153 [153. Hinderwetdossier 1909 nr. 005.])

Men ondervond ook geluidshinder, vooral omdat er in bakkerijen meestal ‘s nachts werd gewerkt. Door middel van het stellen van voorwaarden konden B. en W. aan de bezwaren tegemoet komen en nachtarbeid verbieden.154 [154. Hinderwetdossiers 1914 nr. 014 en 1919 nr. 004.])
In 1914 wilde bakker Kiderlen in de Voorstraat zijn gasmotor van 5 pk vervangen door één van 10 pk. Vier bezwaarmakers verwachtten geluidoverlast te zullen ondervinden, mede als gevolg van slechte scheidingsmuren. Voor buurman Van den Noort zou de voorgenomen uitbreiding het volgende betekenen:
          ‘…vooral als de kneedmachine in werking is zal hij in zijn
          bed liggen te schudden door de trillingen…’

Onderzoek wees uit dat de roggebroodkneedmachine meer geluidoverlast produceerde dan een kneedmachine voor wit- en tarwebrood. Dit kwam doordat roggebrooddeeg zwaarder was en roggebrood vaker moest worden bereid vanwege een grotere afzet. Een andere buurman van Kiderlen klaagde over ‘…het tuf-tuf geluid dat de afgewerkte gassen veroorzaken…’.
De bezwaarmakers gingen tegen het besluit van B. en W. om een hinderwetvergunning te verlenen in hoger beroep. Koningin Wilhelmina ondertekende een besluit waarin met hun wensen rekening

|pag. 42|

werd gehouden: tussen zeven uur ’s avonds en zeven uur ’s ochtends mocht geen roggebrooddeeg gekneed worden.155 [155. Hinderwetdossier 1914 nr. 014.])
Enkele jaren later, in 1919, werd door middel van een politieverordening de nachtarbeid in bakkerijen tegengegaan.156 [156. Zie noot 106, blz. 49.])

3.2.3. Koffiebranderijen

In de negentiende eeuw kocht men koffie in de vorm van groene bonen die men in een platte ijzeren pan op een kolen- of turffornuis zelf kon branden. Het branden van koffiebonen op de openbare straat was verboden. Om brandgevaar te voorkomen (in de stad bevonden zich nog veel hooibergen van stadsboeren) besloot de gemeenteraad om dit verbod in de politieverordening op te nemen. Het zelf branden van koffiebonen raakte meer en meer in ongebruik toen kolen- en turffornuizen plaats maakten voor gasfornuizen. In de tweede helft van de negentiende eeuw hebben verscheidene koffiebranders in Kampen een stoomkoffiebranderij opgericht.157 [157. Petersen (zie noot 135), blz. 95. Algemeene verordening van politie voor de gemeente Kampen (Kampen 1880) (Bibliotheek Gemeentearchief Kampen. B 345], artikel 13.])


Advertentie van de Firma Wed. Dwars uit 1925.158 [158. Alta (zie noot 40), blz. 109.])

Tegen het bedrijf van Wed. Dwars in de Broederstraat zijn bij het verlenen van vergunningen nooit bezwaren naar voren gebracht.
Maar toen Kanis in 1879 zijn koffiebranderij in de Hofstraat wilde uitbreiden, hadden vier omwonenden bezwaren tegen het plaatsen van een stoommachine. Zonder nadere toelichting lieten ze de burgemeester weten dat ze schade en hinder zou ondervinden, wanneer in het pand van Kanis een stoommachine zou worden geplaatst. Eén van de omwonenden die op de zitting verscheen was buurman Hemming. Tegen het bezwaar van Hemming kwam Kanis in verweer:
          ‘…dat het werken eener machine zooals hij zich voorstelt die
          in te rigten, veel minder bezwaarlijk is voor de buren dan de
          tegenwoordige uitoefening zijner koffiebranderij, aangezien
          men door middel der machine in één dag zoveel doet als anders
          in drie dagen en voorts, dat de rookdamp door een afsluitings-

|pag. 43|

Het verzoek van H. Kanis om een pakhuis aan de Hofstraat in te richten als koffiebranderij met twee stoomwerktuigen, met bijbehorende plattegrond van de inrichting.159 [159. Hinderwetdossier 1879 nr. 070.])

|pag. 44|

          toestel verteerd wordende, zich niet in de lucht kan ontwikkelen
          en mitsdien geen schade of hinder aan ingezetenen kan
          veroorzaken.’
Hemming ging tevergeefs tegen het gebruik van een stoomwerktuig door Kanis in hoger beroep bij de Koning.160 [160. Hinderwetdossier 1879 nr. 070.])

In 1893 hebben Kanis en Gunnink, handelaren in kruidenierswaren, hun koffiebranderij met een gasmotor uitgebreid. Drie jaar later bleek dat omwonenden overlast ondervonden en ‘…in hunne nachtrust werden gestoord…’. Kanis en Gunnink beloofden dat nachtarbeid achterwege zou worden gelaten. Aan ‘het gedreun’ zou volgens hen ook een einde komen, omdat ze van plan waren de gasmotor van de tweede naar de eerste verdieping te verplaatsen.161 [161. Hinderwetdossier 1896 nr. 085.])

Het plaatsen van machines op de begane grond was natuurlijk de beste oplossing geweest. Doordat de bodem veel trillingen kon opvangen waren machines op de begane grond veel minder hinderlijk voor omwonenden.
Werden machines toch geplaatst op een verdieping, dan vonden trillingen hun weg via balken en scheidingsmuren naar aangrenzende gebouwen. In het algemeen zal men door het ruimtegebrek in de binnenstad niet ontkomen zijn aan het installeren van machines op voor omwonenden minder gunstige plaatsen.

De capaciteit van de gasmotor die Kanis en Gunnink in bezit hadden nam in vijf jaar toe van 6 pk tot 25 pk. De Fa. Kanis en Gunnink had hiervoor driemaal een vergunning tot uitbreiding van de inrichting aangevraagd. Dit kan er op wijzen dat de zaken voorspoedig gingen en Kanis en Gunnink hun bedrijf geleidelijk hebben uitgebreid. Het zou ook kunnen betekenen dat men problemen verwachtte wanneer de capaciteit van de gasmotor in één keer verviervoudigd zou worden. Het kwam wel vaker voor dat men een voorgenomen uitbreiding in fasen liet plaatshebben om een zo groot mogelijke kans te hebben op verlening van de hinderwetvergunning.162 [162. Hinderwetdossier 1898 nr. 024. Vergelijk met de aanvraag van Schipper voor het oprichten van een houtzagerij (dossier 1923 nr. 034)]])

In 1923 liet de N.V. Stoomkoffiebranderij en Theehandel Kanis en Gunnink de gasmotor vervangen door electromotoren.163 [163. Hinderwetdossier 1923 nr. 047A.])

3.2.4. Azijnfabrieken en stokerijen

In 1876 vroeg Walkate om een hinderwetvergunning voor het oprichten van een azijnfabriek in een voormalig wijnpakhuis aan de Oudestraat. De bezwaren die werden aangevoerd kwamen voort uit het vermoeden dat azijnbereiding overlast in de vorm van stank zou kunnen veroorzaken, en daarom nadelig voor de gezondheid zou zijn.164 [164. Hinderwetdossier 1876 nr. 035.]) Leignes Bakhoven, voormalig secretaris van de Openbare Gezondheidscommissie, sprak in 1884, toen Walkate elders een azijn- en zeepfabriek wilde oprichten, over het ontstaan van ‘…voor de gezondheid schadelijke gassen…’. Ook verwachtte hij groter brandgevaar.165 [165. Hinderwetdossier 1884 nr. 012.])

|pag. 45|

In 1903 werd door de Firma Kok en Zn. een mineraalwaterfabriek en likeurstokerij onder de naam ‘’t Wapen van Kampen’ opgericht in de Buiten Nieuwstraat.166 [166. Kamper Courant 1 november 1903; het hinderwetdossier ontbreekt.]) Omwonenden hebben van de mineraalwaterfabriek veel overlast ondervonden. In 1921, toen Kok een hinderwetvergunning aanvroeg voor het plaatsen van twee electromotoren, kwamen vier bewoners van belendende percelen met bezwaren hiertegen.
          ‘…zij zullen ondervinden hinder van het lawaai, dat de werktuigen
          maken, welke door motoren worden gedreven en vermeenden
          dat de tusschenmuur niet dik is.’

Buurman Kolleman deelde het gemeentebestuur mee dat een ijzeren bout van de fabriek dwars door zijn muur stak; dat hij door deze merkwaardige constructie overlast ondervond van ‘het vreeslijke schudden’ en dat hij de hele fabriek bezwaarlijk vond vanuit hygiënisch oogpunt.167 [167. Hinderwetdossier 1921 nr. 040.])
Het spoelen van de flessen gebeurde in de deuropening omdat de bottelier anders niet kon zien of ze schoon waren.168 [168. Nieuw Kamper Dagblad, 25 april 1991.])
Geluidoverlast werd vooral in de zomer ondervonden omdat in de fabriek in verband met een grotere afzet aan frisdranken dan ook ’s nachts en op zondag gewerkt werd. Kolleman stelde dat hij door de aanwezigheid van de fabriek ook financiële schade te lijden had.169 [169. Hinderwetdossier 1921 nr. 040.])

3.2.5. Slagerijen, rokerijen en zouterijen

Voordat men overging tot het slachten van vee in abattoirs werd er aan huis of bij een slager geslacht.
Het vlees kon ter conservering worden gekoeld, gezouten of gerookt. Voor koeling werd aanvankelijk van natuurijs, dat in de winter gewonnen werd gebruik gemaakt. Later ging men over tot het kunstmatig produceren van ijs. Vlees kon ook worden gezouten om het ontbindingsproces tegen te gaan. Het roken van vlees gebeurde op smeulend beuke—, eike— of plataanhout.170 [170. Nieuwkoop, J.A.W., Potentieel bodemverontreinigende bedrijfsactiviteiten in Nederland (Eindhoven 1988), blz. 21-22.])


Advertentie van slagerij Zomer uit 1925.171 [171. Alta (zie noot 40), blz. 111.])

|pag. 46|

In 1878 was Zomer van plan om een slagerij en vleesrokerij op te richten in een woonhuis met koestal in de Voorstraat. Het gebeurde wel vaker dat stadsboeren een hinderwetvergunning aanvroegen om vee te mogen slachten. Zo hebben diverse slagerijen in Kampen zich ontwikkeld uit stadsboerderijen.172 [172. Kamper Courant, 8 juni 1928.])
Maar liefst vijf bezwaarmakers richtten zich met bezwaren tot B. en W.:
          ‘Immers niet alleen voor de gezondheid in het algemeen, maar
          vooral voor die der bewoners van de belendende panden zou de
          vestiging van zulk een nieuwe inrichting onraadzaam zijn.’

‘Is in onze dagen, bij het meer en meer opeenhoopen der stad-
bewoners de verwijdering van al wat de lucht verontreinigt
eene ernstige levensvraag, worden dan ook reeds elders Gemeente
slagthuizen buiten de kom opgerigt -ook omdat de
gewone slagterijen, hier en daar tusschen de andere woningen
verspreid, door de moeielijkheid van den afvoer van bloed en
afval schadelijk worden geacht voor de openbare gezondheid-
dan vermeenen ondergetekenden goede redenen te hebben om u te
verzoeken aan de vestiging van zulk eene slagterij, midden in
de stad, in eene volkrijke wijk -en dat nog wel eene slagterij met
rookerij daaraan verbonden- uwe goedkeuring niet te willen
schenken.’
 
‘Niet alleen toch zullen de percelen der ondergeteekenden door
het aanhalen van zulk een smeerboel, van zooveel stank en geschreeuw
als eene varkensslagterij in het groot van zelve aanbrengt
-daar de zuivere lucht verontreinigd en ’t genot hunner
tuinen bedorven wordt- zeer in waarde verminderen, maar ook de
rookerij zal voor de geheele omgeving voor de ademhaling en
het regenwater van alle burgers in de buurt een ernstig
ongerief wezen.’173 [173. Hinderwetdossier 1878 nr. 053.])

Het eigenbelang werd door de bezwaarmakers geformuleerd in termen van stadsbelang. Zij hadden als omwonenden bezwaren tegen de vestiging van een slagerij en rokerij maar verwezen naar de kwaliteit van de volksgezondheid om hun argumentatie te versterken.
Zo tilden de bezwaarmakers de discussie over het verlenen van de hinderwetvergunning aan Zomer op een hoger niveau. De bezwaarmakers wezen de gemeente er op dat overlast door economische bedrijvigheid de hele gemeenschap aanging en daarom tot de verantwoordelijkheid van de gemeente gerekend moest worden. Ze dwongen het gemeentebestuur om zich niet alleen over hun individuele problemen uit te spreken maar om stelling te nemen op basis van principiële overwegingen.
Het kwam slechts zelden voor dat B. en W. aan slagers een vergunning weigerden. De slagerij van Zomer kwam er toch en in 1928 werd haar 50—jarig bestaan gevierd.174 [174. Zie noot 172.])

Luchtverontreiniging door het roken van vlees werd in vele gevallen aangevoerd als bezwaar tegen de oprichting van een vleesrokerij. Tegen het voornemen van Goosen om een slagerij op te richten

|pag. 47|

in de Broederstraat hadden omwonenden bijvoorbeeld geen bezwaren.
Zij hadden die wel tegen het rookhok dat Goosen op een open plaats wilde bouwen.175 [175. Hinderwetdossier 1893 nr. 036.]) In 1881 stelde een bezwaarmaker zijn buurman voor een schoorsteen te plaatsen op zijn rokerij, zodat hij geen overlast zou ondervinden van de rook.176 [176. Hinderwetdossier 1881 nr. 107.])
In sommige gevallen was reeds een schoorsteen op het rookhok aanwezig, maar vonden de omwonenden deze niet hoog genoeg.177 [177. Hinderwetdossiers 1893 nr. 036 en 1905 nr. 010.])
Berghuijs wilde een zo hoog mogelijke schoorsteen ter voorkoming van brandgevaar en schade aan zijn papiervoorraad door rook van een slagerij in de Oudestraat.178 [178. Hinderwetdossier 1908 nr. 013.]) De rooklucht uit de vleesrokerij van Prins in de Karpersteeg zou volgens buurman Bruining schadelijk zijn voor zijn bakkerij.(zie noot 179)

Behalve vleesrokerijen hebben in Kampen ook afzonderlijke visrokerijen bestaan. Tegen het verlenen van hinderwetvergunningen aan rokerijen van paling, bokking en diverse andere vissoorten die door de Kamper vissersvloot werden aangevoerd, zijn door omwonenden geen bezwaren ingebracht.
In de binnenstad werd slechts een enkele maal een visrokerij opgericht, en dan nog aan de rand van de stad, zoals aan de Buitenkade en IJsselkade. De meeste visrokerijen bevonden zich in de buurtschap Brunnepe en aan de overzijde van de IJssel.179 [179. Hinderwetdossiers 1884 nr. 005 en 1908 nr. 007.])

Zeer vaak werd stankoverlast genoemd als bezwaar tegen de oprichting van een slagerij. In 1910 bleek dat de rooklucht uit een slagerij de stank van dieren en slachtprodukten overheerste:
          ‘Er was in de tuin … een zeer onaangename lucht te ruiken,
          doch de overheerschende was wel een rooklucht, niet die van
faecaliën of van in staat van ontbinding verkeerende botten.’180 [180. Hinderwetdossier 1910 nr. 010.])

Het stallen van vee, dat eerst later geslacht zou worden, bracht reeds stankoverlast met zich mee. Soms werden tegen de slagerij op zich geen bezwaren aangevoerd, maar wel tegen het plaatsen van hokken om vee onder te brengen. In 1896 kwamen acht bewoners van aangrenzende percelen in de Oudestraat met het navolgende bezwaar:

‘Overwegende dat het gemeentebestuur van Kampen reeds -en te
recht- doordrongen is van het denkbeeld om veestallen, mestvaalten
enz. langzamerhand uit de bebouwde kom der gemeente
te doen verdwijnen en hiertoe geregeld pogingen in het werk
stelt, zoo menen adressanten dat de bedoelde aanvraag om deze
reden reeds van de hand zal worden gewezen.
Doch nog meer dan door een gewonen stal of mestvaalt zal eene
slachterij of rookerij vuil veroorzaken en aangezien in eene
inrichting tot tijdelijke stalling de beesten door ongewoonte
onrustig zijn, aan de aanliggende percelen de grootste last
veroorzaken, terwijl de aangrenzende perceel en in de steeg
totaal onbewoonbaar zullen worden.’181 [181. Hinderwetdossier 1896 nr. 090.])

De bezwaarmakers probeerden zo aansluiting te vinden bij het beleid van het gemeentebestuur om aan het bestaan van stadsboerderijen in de binnenstad een einde te maken.

|pag. 48|

[pag. 49 mist/overgeslagen? ]


|pag. 49|

Tevens trad het gemeentebestuur aan het einde van de negentiende eeuw streng op tegen de aanwezigheid van varkens in de binnenstad. Het houden van varkens werd aan voorwaarden gebonden en op advies van de Gezondheidscommissie alleen toegestaan aan reeds bestaande stadsboeren en slagers. Anderen, waaronder particulieren die voor eigen gebruik een varken wilden mesten, dienden op grond van de algemene politieverordening een vergunning aan te vragen. Direct nadat deze maatregel van kracht werd kwamen 78 verzoeken om vergunning op het bureau van de burgemeester terecht. Op allen is door hem afwijzend beschikt.182 [182. Overzicht der handelingen van de openbare gezondheidscommissie voor de gemeente Kampen 1880-1888 (Kampen 1882-1889) 3 delen [Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, B 366 – 368].])

De meeste bezwaren tegen het stallen van vee golden de op te richten varkenshokken. De stank van varkens werd als hinderlijker ervaren dan die van runderen, paarden en schapen. Een klacht tegen de slachtplaats van slager Veldkamp in de Oudestraat betrof onder anderen de aanwezigheid van varkens in de tuin:
          ‘De tallooze varkens (de Heer Veldkamp heeft ook export-
          slagerij), die dagelijks uren achtereen liggen bij de slachtplaats
          in een klein hok, waar geen voldoende afvoer is van
          vuil, veroorzaken een lucht, die ondragelijk is en vooral in
     deze warme dagen onhoudbaar is.’183 [183. Hinderwetdossier 1910 nr. 010.])

Om aan bezwaren van omwonenden tegemoet te komen zagen slagers zich soms gedwongen om vee in het woonhuis te houden in plaats van het op een open plaats te stallen. Zo kon het voorkomen dat het gezin van een slager of de huurders moesten accepteren dat het vee via de woonkamer en de keuken naar een bijkamertje werd geleid waar het de slacht moest afwachten.184 [184. Hinderwetdossier 1880 nr. 086.])

Behalve het stallen van vee zorgde ook het slachten van de dieren voor stankoverlast. In 1893 probeerde Liernur, directrice van een meisjesschool in de Boven Nieuwstraat, de vestiging van een slagerij in de buurt van de school te voorkomen. Het perceel waarop een slagerij zou worden opgericht grensde onmiddellijk aan dat van de school;
          ‘…onvermijdelijk moet de inrichting dus last hebben, … van
          den onaangenamen reuk, een slachtplaats eigen…’185 [185. Hinderwetdossier 1893 nr. 040.])

In 1880 had Goudsmit in de Voorstraat reeds een slagerij in werking voordat hij een hinderwetvergunning aanvroeg. Omwonenden verhaalden tijdens de zitting hoezeer zij stankoverlast ondervonden als gevolg van het slachten van ‘bokken en bunzings in het achterhuis’.186 [186. Hinderwetdossier 1880 nr. 086.])

Ook in gevallen, dat er door omwonenden geen bezwaren werden ingebracht, konden B. en W. op grond van ‘vrees voor walgelijke uitdampingen’ besluiten geen hinderwetvergunning te verlenen. Het advies van de Directeur Gemeentewerken kon de besluitvorming beïnvloeden.187 [187. Hinderwetdossiers 1907 nr. 010; 1908 nr. 005; 1908 nr. 012; 1914 nr. 017.])

Het afvoeren of bewaren van slachtafval werd door omwonenden van een slagerij als zeer hinderlijk ervaren. Aanvankelijk voerden

|pag. 50|

slagers het slachtafval via goten naar de IJssel en Burgel af. In 1880 verzocht een aantal bezwaarmakers, op grond van de overlast die hierdoor ondervonden zou worden, geen hinderwetvergunning te verlenen voor de oprichting van een slagerij in de Broederstraat.188 [188. Hinderwetdossier 1880 nr. 077.])
In 1883 vaardigde het gemeentebestuur een verbod uit op het afvoeren van bloed en afval via goten of riolen naar waterlopen.
Dit verbod werd herhaaldelijk overtreden. In 1891 werd Rotman, spekslager in de Buiten Nieuwstraat, door de politie aangehouden.
Rotman had bloed vanuit zijn slachtplaats via een goot afgevoerd naar de openbare weg. Deze overtreding leverde hem een procesverbaal op.189 [189. Nieuw Archief Gemeente Kampen, Archief Diensten en Bedrijven; 2. Politie; 138; Register van processen-verbaal, 1889-1891.])
In 1904 liet de buurman van slager Van Schellen de burgemeester weten dat zijn meid ‘een paar darmen’ had aangetroffen in een put op zijn erf. Regelmatig klommen omwonenden van Van Schellen in de pen om hun ongenoegen over zulke misstanden kenbaar te maken. Dit is opmerkelijk omdat toch van slagers verwacht kan worden dat ze, met oog op hun klandizie, zich wel enige rekenschap gaven van hun directe omgeving.190 [190. Hinderwetdossier 1904 nr. 012.])

Sinds 1883 moest het slachtafval van slagers in privé-tonnen verzameld worden, die ter plaatse door de Gemeentelijke Reinigingsdienst in open wagens geleegd werden.
Een veel hygiënischer methode was het wisseltonnenstelsel, dat voor het eerst in 1871 in Delft werd ingevoerd en daarom ook wel het ‘Delftse stelsel’ werd genoemd. Het tonnenstelsel werd gebruikt voor zowel de afvoer van menselijke faecaliën als voor slagersafval. De tonnen werden van gemeentewege verstrekt en om hygiënische redenen dagelijks omgeruild. Het schoonhouden en onderhoud van de tonnen viel hiermee onder verantwoording van de gemeente. Bovendien was een belangrijk voordeel van dit systeem dat de tonnen niet langer ter plaatse geleegd hoefden te worden.
In de laatste decennia van de vorige eeuw is het Delftse stelsel in vele tientallen gemeenten in Nederland ingevoerd.
In Kampen werden eerst in 1923 wisseltonnen, ook ‘slagerstonnen’ genaamd, aan slagers verstrekt. Alhoewel de ‘Slagersvereeniging’ van Kampen verzocht om de tonnen gratis te doen omwisselen, ontkwamen de slagers niet aan het betalen van Fl. 12,50 per ton per jaar. De slager met het omvangrijkste bedrijf had tien tonnen tegelijk staan. Met een speciaal geconstrueerde één—assige wagen werden de tonnen opgehaald, waarna de inhoud tot compost werd verwerkt. Het beleid van het gemeentebestuur was er echter op gericht om zo min mogelijk afval te composteren. Enkele jaren later prees men zich gelukkig dat de faecaliën en het slagersafval zonder meer gestort konden worden.191 [191. Daru, Myriam en Henk van Zon, ‘Afval en milieu in de negentiende eeuw’ in: ‘De Ingenieur 99’ (1987) nr. 5 blz. 55-61, aldaar blz. 61. Meteren, J. van, Een honderdjarige geschiedenis van de reinigingsdienst der gemeente Kampen (Kampen 1982). (Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, C 1527], blz. 13-15.])

Het stallen van vee door slagers veroorzaakte bodemverontreiniging door faecaliën en urine.
In 1879 vroeg Helfenrath om een hinderwetvergunning voor zijn slagerij in de Voorstraat. Hij was van plan een varkenshok te bouwen naast het privaat van Wed. Huisman. De buurvrouw maakte

|pag. 51|

van de mogelijkheid gebruik om bezwaren naar voren te brengen:
          ‘…dat het privé sedert geruimen tijd stoffen laat uitvloeijen,
          hetgeen een ondragelijken stank verspreidt; dat, zoo
          het voornemen des adressants werd verwezenlijkt, de onreine
          stoffen der varkens dezen toestand verergeren en de lucht
          zeer zouden verpesten; dat bovendien in de nabijheid van het
          te maken varkenshok zich een regenbak bevindt waarvan het
          water zoude worden bedorven, aangezien de vuile stoffen der
          varkens in den grond doordringen.’

Helfenrath bood aan om de bodem van het varkenshok dicht te metselen. Wed. Huisman verwachtte echter dat de varkensurine dan door de muur zou gaan sijpelen.192 [192. Hinderwetdossier 1879 nr. 069.]) In een ander geval werd het stallen van vee ‘schadelijk voor den tuin’ genoemd.193 [193. Hinderwetdossier 1904 nr. 007.])

De aanwezigheid van varkens en ander vee in de binnenstad (niet alleen bij slagers, ook bij stadsboeren) heeft voor het leefklimaat verscheidene nadelige gevolgen gehad.
De uitwerpselen van de dieren werden ingezameld en naar de bollenvelden getransporteerd. Bij het inzamelen werd aan het begin van de avond werd een mestschuit in de Burgel gelegd. De mest werd in kruiwagens geschept en onder toezicht van de politie konden veehouders deze in de schuit legen.
Desondanks heeft de mest op verscheidene plaatsen in de stad de bodem vervuild. Door een overbemeste bodem raakte het drinkwater verontreinigd. Op het einde van de negentiende eeuw werd het grondwater namelijk nog vaak als drinkwater gebruikt.
De plaatselijke gezondheidscommissie onderzocht in 1883 de kwaliteit van het water uit de openbare pompen. Uit 21 van de 24 pompen in Kampen kwam water met een concentratie ammoniak die varieerde van ‘vrij veel’ tot ‘buitengewoon veel’ en ‘ver boven het maximum’. De kleur van het pompwater uit sommige pompen werd omschreven als ‘geel’ en ‘zeer donker geelgroen’. De pomp bij de Botermarkt gaf water ‘…dat verbazend sterk rook als bedorven eieren…’.194 [194. Zie noot 182. 1883 [B 367].])
De kwaliteit van het pompwater was volgens Boele Sr., sigarenfabrikant en lid van de gemeenteraad, ver beneden peil:
          ‘De grond in Kampen is geheel gevuld met koemest, ’t is
          gemeene grond en ’t water er uit lijkt wel koffie, koffie
          van heerlijke koemest, ik wil ze niet drinken.’195 [195. Kummer, J., Willem Gerrit Boele, raadslid van het zuiverste water (Kampen 1981), blz. 10.])

Waren in andere plaatsen veelal beerputten verantwoordelijk voor grondwatervervui1ing, in Kampen lijkt dit niet het geval te zijn geweest.196 [196. Daru en Van Zon (zie noot 191), blz. 85. Zie noot 93, blz. 40.])

Omwonenden van een slagerij met veestalling ondervonden regelmatig geluidshinder. Het vee werd enige tijd voor de slacht nuchter gehouden en werd in de buurt van de slachtplaats onrustig. De geluidoverlast bestond dan uit ‘…het geschreeuw der hongerig wachtende en geslacht wordende dieren…’.197 [197. Hinderwetdossier 1904 nr. 007.])
Het kwam voor dat joodse slagers op vrijdag van de veemarkt in

|pag. 52|

Zwolle vee betrokken en dit tot zondag op hun erf lieten staan omdat op Sabbath niet geslacht mocht worden. Het vee werd dan niet gevoed maar enkel voorzien van water.198 [198. Schriftelijke mededeling van Dhr. H.W. van den Hoven d.d. 17 april 1991.])

In 1878 had een aantal omwonenden bezwaar tegen een veestalling in verband met het ‘…onuitstaanbaar geloei en geblaat…’. De bezwaarmakers verzochten B. en W. te bepalen, dat het vee onmiddellijk na te zijn aangevoerd diende te worden geslacht.199 [199. Hinderwetdossier 1878 nr. 054.])
Toen na 1900 het stellen van voorwaarden bij het verlenen van een hinderwetvergunning meer gebruikelijk werd, eisten diverse bezwaarmakers dat B. en W. de uren waarop er geslacht mocht worden vaststelden, teneinde de overlast zoveel mogelijk te beperken.
Reeds verleende hinderwetvergunningen werden gewijzigd en aangevuld met de bepaling ‘…dat geen levend vee in de slachtplaats aanwezig mag zijn, dan hoogstens één uur voor den tijd van slachten.’. Zo leidde een klacht van de buurman van slager Van Schellen tot het herzien van de voorwaarden waaronder een vergunning was verleend:
          ‘Nu ten derde male moet ik u lastig vallen over die varkens-
          kwestie met Van Schellen. Sedert gisteren middag ligt er weder
          een varken in de slachtplaats, dat ons een slapelooze nacht
          kostte, den ganschen dag door snorkt, en als het morgen geslacht
          wordt natuurlijk de gewone liefelijke geuren
          verspreiden zal …’

Van Schellen werd bij B. en W. ontboden om de aanvullende bepaling met betrekking tot de stalling van vee persoonlijk meegedeeld te krijgen.200 [200. Hinderwetdossier 1904 nr. 012.])
Wanneer verscheidene stuks vee tegelijkertijd aangevoerd werden kon het voorkomen dat de dieren wegens ruimtegebrek op de openbare weg werd gestald. Twee leden van de Kerkeraad der Nederlandse Israëlitische Gemeente vroegen in 1898 aan B. en W. om dit niet toe te staan. De aanwezigheid van varkens in de nabijheid van de synagoge omschreven zij als ‘…hinderlijk voor den dienst …’.201 [201. Hinderwetdossier 1898 nr. 023.])

Men moet hierbij natuurlijk bedenken dat varkens door joden als onreine dieren werden beschouwd. Vervolgens, dat de veemarkt in Zwolle op vrijdag gehouden werd zodat door niet-joodse slagers veel dieren op zaterdag, de Sabbath, geslacht werden.

In 1923 deed de Openbare Gezondheidscommissie een ‘omvangrijk onderzoek’ naar de toestand van slagerijen in Kampen. Uitgangspunt waren de eisen die in het Koninklijk Besluit (1922) ter uitvoering van de Vleeskeuringswet waren vastgelegd.
Volgens de Gezondheidscommissie diende het college van B. en W. de Hinderwet te hanteren om in het belang van de volksgezondheid aan slagerijen nadere voorwaarden te stellen. De Commissie wees negen slagerijen aan die voor het stellen van nadere voorwaarden in aanmerking kwamen. Enkele slagerijen zouden geheel verboden moeten worden, zo liet de Gezondheidscommissie B. en W. weten.
Daaronder bevond zich de slagerij van Goudsmit in de Boven Nieuwstraat, omdat hij runderen en schapen slachtte in zijn slaapkamer.202 [202. Nieuw Archief Gemeente Kampen, Archief van het stadsbestuur 1813-1933; 822; Dossier 822; Verslag van de Gezondheidscommissie.])

|pag. 53|

          In 1896 wilde Van den Berg een gangetje van 1.30 bij 7.50
          meter gebruiken als slachtplaats.203 [203. Hinderwetdossier 1896 nr. 076.])
          Eerst in het kader van de Vleeskeuringswet (1919) werden aan
          de grootte van een slachtplaats eisen gesteld.

Het hanteren van de Hinderwet om aan slagers nadere voorwaarden op te leggen om de kwaliteit van het vlees te waarborgen duidt op oneigenlijk gebruik van de wet. De Hinderwet beoogde overlast voor de omgeving van een inrichting te beperken. Het eten van onhygiënisch behandeld vlees kon natuurlijk heel wat overlast veroorzaken en ook de gezondheid schaden, maar het lijkt er niet op dat maatregelen hiertegen genomen in het kader van de Hinderwet enige samenhang vertonen met de bedoeling van de wetgever.
Wat hieruit duidelijk naar voren komt is de behoefte van de overheid om ten aanzien van hygiënische misstanden regulerend op te treden door het ontbreken van een geschikt juridisch instrumentarium.

|pag. 54|

Van oneigenlijk gebruik van de Hinderwet was ook sprake toen het gemeentebestuur in de voorwaarden waaronder een vergunning werd verleend bepalingen opnam omtrent het doden van de dieren. Zij liet zich hierbij adviseren door de Directeur Gemeentewerken. Hij sprak zijn voorkeur uit voor het gebruik van een nieuw model pistool waarmee de dieren in één schot werden gedood. De directeur Gemeentewerken vond dat B. en W. het gebruik van dit pistool moesten verplichten omdat de gebruikelijke wijze van slachten (een klap met een voorhamer) op een kleine slachtplaats tot levensgevaarlijke situaties kon leiden. Dat de dieren pijnloos werden afgemaakt vond hij een bijkomend voordeel.
Ook hier zien we dat de overheid het noodzakelijk vond om in te grijpen en regulerend op te treden en in het kader van de Hinderwet maatregelen nam die met de doelstelling van de wet niets te maken hadden.

De Hinderwet was door haar vage normstelling in artikel 11 voor vele doeleinden te gebruiken. De interpretatie van de woorden ‘gevaar, schade en hinder’ maakte in dit verband een grote ontwikkeling door, die samenhing met hetgeen door verschillende generaties als toelaatbaar werd geaccepteerd.204 [204. Zie noot 64, artikel 11.])

Aan het einde van de negentiende eeuw gingen verscheidene gemeenten in Nederland over tot de bouw van een gemeentelijk slachthuis.
In 1900 kregen gemeenteraden de bevoegdheid om het slachten van vee alleen toe te staan in een daarvoor aangewezen inrichting.
Met deze zogenaamde abattoirverordening werd het mogelijk om aan het slachten van vee in de binnenstad een einde te maken.205 [205. Zie noot 64, blz. 7. Zie noot 63, blz. 18.])

Omtrent de oprichting van een abattoir werd door de Gemeenteraad van Kampen jarenlang gediscussieerd en eerst een besluit genomen nadat de situatie in andere steden grondig geanalyseerd was.
Delegaties van raadsleden hebben diverse abattoirs in Nederland bezocht en hun bevindingen gerapporteerd.
Centraal in de discussie in de raad stond de vraag waar het slachten uit hygiënisch oogpunt het beste kon plaatshebben. De zorg strekte zich daarbij vooral uit naar de hygiënische behandeling van het vlees.
Door het slachten op één centrale plaats zou controle op de kwaliteit van het vlees voor keurmeesters eenvoudiger worden.
Wethouder Kruithof was de enige die in de discussie over het abattoir de overlast van slagerijen voor de omgeving betrok.
Hij beschouwde de slagerijen in de binnenstad als ‘30 stankverwekkende bronnen’:
          ‘Heeft men 30 slachtplaatsen dan ondervinden op 30 plaatsen
          de omwonenden den last van zulk een slachtplaats. Men denke
          b.v. aan de rattenplaag; door het bloed in de riolen worden
          de ratten aangetrokken en in de omringende huizen treft men
          ze vaak aan. Op 30 plaatsen heeft men verzamelingen van
          vliegen. Men moet maar eens aan de buren van slagers vragen
          wat dit betekent.’

|pag. 55|

Om deze stellingname werd de wethouder uitgelachen. Er bevonden zich immers nog andere ‘stankverwekkende bronnen’ in de binnenstad: de stadsboerderijen. Maar Kruithof verdedigde zich met de opmerking dat de overlast door ratten en vliegen bij een slachtplaats groter was dan in de buurt van een boerderij.206 [206. Kamper Courant, 7 juli 1937. Handelingen van de raad der gemeente Kampen, 1931 (Kampen 1932), blz. 338-339.])
De overlast van ratten werd veroorzaakt doordat riolen uitmondden in de Burgel. Ratten uit de Burgel konden via de riolering huizen binnendringen. In 1950 zag een door B. en W. in het leven geroepen commissie de ratten in de Burgel als grootste probleem ten aanzien van de openbare hygiëne. De rat, en met name de Grote bruine rat, was volgens de Commissie een belangrijke ziek-teverspreider, die uit oogpunt van hygiëne uit de binnenstad geweerd diende te worden. Het bestrijden van ratten kon gebeuren als men kon voorkomen dat riolen op de Burgel uitkwamen. Hygiënische bezwaren tegen de Burgel werden weggenomen doordat aan weerszijde van de Burgel rioleringsleidingen aangelegd werden.207 [207. Nieuw Archief Gemeente Kampen, Stedelijke commissies; X; Burgelcommissie; Commissie ingesteld bij besluit van B. en W. van 24 jan. 1950 om te adviseren over het al dan niet dempen van de Burgel.])

De gemeenteraad sprak uiteindelijk haar voorkeur uit voor het slachten op één centrale plaats. Met 9 stemmen voor en 8 tegen besloot men op de Greente een abattoir te bouwen. De tegenstemmers meenden dat de bouw van een abattoir een ontwikkeling richting staatssocialisme versterkte.
De bouw van het abattoir aan de Beltweg kwam enkele malen stil te liggen omdat Kampen de kosten ‘wegens ongunstige tijdsomstandigheden’ niet kon opbrengen. Er werd zelfs over gesproken het hele project te staken. Enkele slagers namen een voorschot op een voor hen gunstige afloop van de beraadslagingen in de gemeenteraad en lieten de wanden van hun slachtplaats alvast betegelen.208 [208. Kamper Courant, 7 juni 1932.])

De Minister van Volksgezondheid bemoeide zich hoogstpersoonlijk met deze zaak. Zodoende kreeg Kampen toch een abattoir, maar wel veel later dan elders in Nederland. Zij werd in gebruik genomen op 6 maart 1935. Vanaf deze datum gold een verbod op het slachten van vee in de binnenstad.209 [209. Kamper Courant, 26 februari 1935.])

3.2.6. Bewaarplaatsen van lompen en beenderen

In de Boven Nieuwstraat bevond zich een bergplaats van beenderen, vellen en lompen, die eigendom was van Vegt. De bergplaats dateerde van vóór de invoering van de Hinderwet. Jarenlang hebben omwonenden van de bergplaats overlast ondervonden. In 1869 ontstond door het broeien van lompen een brand, die net op tijd door de brandweer kon worden bedwongen.
Vegt had ingevolge het KB van 1824 een vergunning voor de bergplaats gekregen maar moest na de invoering van de Hinderwet een nieuwe vergunning aanvragen. Wat hiervan de reden was is niet bekend. Normaal gesproken hoefde er geen nieuwe vergunning aangevraagd te worden als men ingevolge het KB van 1824 al een vergunning had.210 [210. Zie noot 64, artikel 29.])

|pag. 56|

Van de gelegenheid om bezwaar te maken werd door vijftien buurtbewoners gebruik gemaakt. Omwonenden lieten de burgemeester weten:
          ‘…dat dergelijke inrigtingen, die tot verzamelplaats van
          lompen en beenderen enz. moeten dienen, eenen verpestenden en
          ondragelijken stank veroorzaken en de ondervinding heeft
          geleerd dat zij het brandpunt zijn van epidemische ziekten die
          zeker toch in het belang van de volksgezondheid dienen te
          worden geweerd…’

Men verwachtte ook, dat er schade zou worden geleden als gevolg van waardevermindering van de woning, die men als eigenaar of als huurder in gebruik had. Op de zitting onstond een ruzieachtige sfeer. Vegt vermoedde dat de bezwaarmakers tegen hem waren opgehitst maar de Commissaris van Politie vond het niet aannemelijk om dit te veronderstellen. Door naaste buren was bij hem herhaaldelijk geklaagd over de manier waarop Vegt zijn bedrijf uitoefende.

De Openbare Gezondheidscommissie werd geraadpleegd. De Commissie wees op het gevaar voor de volksgezondheid, zeker omdat de bergplaats van Vegt in een dichtbebouwde buurt lag. Volgens deze commissie waren de ‘gassen’ die door een verzameling lompen en beenderen werd verspreid ‘schadelijk’ voor de gezondheid van omwonenden.

In de negentiende eeuw werd in het algemeen verondersteld dat gassen en dampen (miasma’s) die vrijkwamen bij rotting en bederf, als ziekteverwekkers verantwoordelijk waren voor tal van epidemieën. De reukzintuigelijke tolerantie nam als gevolg van het aanvaarden van deze miasmatische theorie sterk af.211 [211. Corbin, A., Pestdamp en bloesemgeur. Een geschiedenis van de reuk (Nijmegen 1986), blz. 38.])
Diederiks en Jeurgens merken op dat de extreme geurgevoeligheid en de angst voor miasma’s een rol speelde bij het weigeren van een hinderwetvergunning voor diverse inrichtingen.212 [212. Diederiks en Jeurgens (zie noot 68), blz. 431-432.])
Dat men in stank het grootste gevaar zag, blijkt uit de mondelinge toelichting van de bezwaren tijdens de zitting. Regelmatig lagen op het dak van de bergplaats van Vegt kadavers te drogen van nuchtere kalveren (dieren die na de geboorte direct waren gestorven). Eén dag voor de zitting had Vegt nog op een open wagen het geraamte van een paard mee naar huis genomen waardoor ‘…een verpestende en voor de gezondheid der bewoners … nadeeligen stank werd verspreidt…’. De vergunning werd niet verleend en de belanghebbende ging tevergeefs in hoger beroep bij de Koning.213 [213. Hinderwetdossier 1877 nr. 044.])

In het verslag van de Openbare Gezondheidscommissie over de jaren 1880 en 1881 werd nader ingegaan op ziekteverwekkers die in verband stonden met rotting en bederf en via de lucht verspreid werden:
          ‘In den laatsten tijd is de aandacht van vele deskundigen
          gevestigd geworden op het voorkomen van levende wezens onder
          allerlei omstandigheden in de lucht, in tal van stoffen en

|pag. 57|

          ook in het menselijk lichaam, wezentjes van uiterst geringe
          grootte en buitengewone fijnheid van bewerktuiging, die
          vooral bij ontbinding en rotting een voorname rol vervullen.
          Meer en meer bleek er een zeer eng verband te bestaan tusschen
          verschillende ziekteprocessen zowel bij menschen als bij
          dieren en de ontwikkeling en verspreiding dezer wezentjes,
          die veelal onder de naam van Bacteriën samengevat worden.’214 [214. Zie noot 182, 1882 [B 366].])

Een jaar later stelde de Gezondheidscommissie voor, de handel in lompen en vodden te verbieden, zodra zich in Nederland een geval van ‘Cholera aziatica’ voordeed.215 [215. Zie noot 182, 1883 [B 367].])
In 1883 ontdekte Koch de oorzaak van deze ziekte: het gebruik van drinkwater waarin de ‘vibrio cholerae’ voorkwam. Alhoewel Kochs bevindingen in wetenschappelijke kringen werden betwist werd op den duur steeds minder in de stank die bij rotting en bederf vrijkwam de oorzaak van epidemische ziekten gezocht. Het heeft echter lange tijd geduurd voordat dit wetenschappelijk inzicht onder de bevolking algemeen geaccepteerd werd.216 [216. Zie noot 93, blz. 42.])

Toen Klaver in 1915 een bergplaats voor lompen wilde oprichten in de Schapensteeg waren er opnieuw diverse bezwaarmakers. Men was beducht voor het aantrekken van ratten en muizen maar ook voor stank. De ‘onaangename lucht’ werd hier niet in verband gebracht met direct gevaar voor de gezondheid: zij werd als ‘hinderlijk’ omschreven.217 [217. Hinderwetdossier 1915 nr. 007.])

De Openbare Gezondheidscommissie adviseerde B. en W. in 1926 opnieuw geen hinderwetvergunning voor een lompenbergplaats te verlenen. Omwonenden verwachtten dat door stank en stof hun huizen in waarde zouden dalen. B. en W. vonden de overlast eveneens onacceptabel. Een vergunning werd dan ook niet verleend.218 [218. Hinderwetdossier 1926 nr. 007.])

3.2.7. Diverse middenstandsbedrijven

Aanvankelijk koelden Kamper slagers het vlees met in de winter gewonnen natuurijs dat in de noordtoren van de Broederpoort opgeslagen werd.
Wanneer natuurijs niet voorhanden was werd ijs uit de ijsfabriek van Amsterdam overgebracht. Later werd ook uit Zwolle ijs betrokken. Deze transporten gingen -vooral in de zomer- met belangrijke verliezen gepaard. Terwijl na 1900 luchtkoeling door middel van ammoniak, koolzuur of zwaveligzuur steeds meer in gebruik kwam bleef men in Kampen vasthouden aan het principe van ijskoeling.219 [219. Nieuwkoop, J.A.W., Bedrijfsactiviteiten en bodemverontreiniging in het verleden in Noord-Brabant (Eindhoven 1989), blz. 20-21.])
De produktie van ijs in Kampen leek een haalbare zaak en in 1912 werd door verscheidene slagers de Coöperatieve IJsfabriek ‘De Eendracht’ opgericht. De ijsfabriek stond in de Klokkensteeg.
In de fabriek werd gebruik gemaakt van de eigenschap dat een stof bij de overgang van de vloeibare naar de gasvormige fase warmte aan de omgeving onttrekt. De stof die hiertoe gebruikt werd was

|pag. 58|

zwaveligzuur. De fabriek produceerde ijsstaven van 12,5 en 25 kg.220 [220. Kamper Courant, 30 juni 1912.])
Na de oprichting van de ijsfabriek werd door Van Ommeren en 39 andere omwonenden geklaagd over geluid- en stankoverlast. De klachten golden:
          ‘…het leven dat de machine en pomp maken, vooral omdat de
          inrichting gedurende de geheelen nacht ook in gebruik is.’
          ‘…de ondragelijken stank die door de petroleum-motor in den
          omtrek verspreid wordt, alsmede van het neervallen van het
          roet, komende uit de uitlaatbuis van de afgewerkte gassen,
          waardoor de omwonenden verplicht zijn zoowel des daags als
          des nachts hunne ramen gesloten te houden.’

De Klokkensteeg was zo smal dat de petroleumlucht bleef hangen en het geluid tegen de gevels weerkaatste.
B. en W. veranderden de voorwaarden waaronder de vergunning was verleend. Zo moest het bedrijf zich aan bepaalde arbeidstijden houden en knalpotten installeren.
De Coöperatieve IJsfabriek kende vooral in de zomer capaciteitsproblemen, waardoor ook ’s nachts gewerkt moest worden om aan de vraag naar ijs te kunnen voldoen. In 1924 bleek dat de omwonenden nog steeds geluidshinder van de nachtarbeid ondervonden. Ook werd geklaagd over roetuitstoot, trillingen en het versperren van de straat. B. en W. stelden nieuwe voorwaarden, waartegen de ijsfabrikanten in hoger beroep gingen (hetgeen ze verloren).221 [221. Hinderwetdossier 1924 nr. 016.])

De straat werd versperd door karren van slagers die de ijsstaven kwamen afhalen. Het versperren van de straat gold echter niet als geldig bezwaar in het kader van de Hinderwet. Het was de taak van de Commissaris van Politie om bij deze vorm van overlast regulerend op te treden. Voor het plaatsen van karren op de openbare weg had men op grond van de plaatselijke politieverordening een vergunning nodig. Deze vergunning kon door de Commissaris van Politie worden verleend nadat hij de situatie ter plekke had geanalyseerd.222 [222. Nieuw Archief Gemeente Kampen, Archief Diensten en Bedrijven; 2. Politie; 153; Register van aangevraagde ontheffingen van art. 49 der politieverordening (in gebruikneming der openbare straat), 1927-1929.])

In Kampen stonden verder nog een roomijsmakerij en een pepermuntfabriek. Tegen het voornemen van Kraal om in de Oudestraat een pepermuntfabriek in werking te stellen werden bezwaren aangevoerd die verband hielden met de ‘onaangename lucht’ die bij het maken van pepermunten vrij zou komen.223 [223. Hinderwetdossiers 1921 nr. 003 en 1920 nr. 006.])

|pag. 59|

3.3. Ambachten

De gegevens uit het ‘Inspectierapport Hinderwet’ van 1905 (zie bijlage 8) en de gegevens over de gehele onderzoeksperiode (zie bijlage 9) vertonen eenzelfde beeld: sigarenfabrieken en sigarendrogerijen vormden de meest talrijke groep hinderwetplichtige ambachten in Kampen, gevolgd door smederijen en koper- en blikslagerijen.

3.3.1. Smederijen

Tegen het oprichten van smederijen werden op grond van diverse overwegingen bezwaren aangevoerd. In de meeste gevallen betrof het de vrees voor overlast door rook en vuur en daarmee samenhangend angst voor groter brandgevaar.
Toen Meulenbroek in een pand in de Voorstraat een smederij wilde oprichten, maakte de eigenaar van het pand hiertegen bezwaar. Hij verklaarde dat hij het perceel als woonhuis had verhuurd en in geen geval zou toelaten, dat daarin een smederij werd uitgeoefend. Vervolgens:
          ‘… heeft adressant H.W. Meulenbroek zonder zijne toestemming
          het daarvoor reeds ingericht door het maken eener smidse, waar
          vroeger eene bedstede was en het veranderen van den schoorsteen,
          maar hij kan daarin niet berusten, omdat hij zich overtuigd
          houdt dat door de inrichting van dien schoorsteen te
          eeniger tijd brand ontstaan moet, wijl de binnenruimte er van
          niet veel groter is dan die van een kachelpijp’.224 [224. Hinderwetdossier 1893 nr. 026.])

Het was een algemeen voorkomend verschijnsel dat men bedrijven vestigde in woonhuizen. Het ruimtegebrek in de binnenstad maakte dit noodzakelijk. Het blijkt dat de huisvesting van bedrijven in sommige gevallen te wensen overliet. In het algemeen heeft een rol gespeeld dat bedrijven konden worden gevestigd in onbewoonbaar verklaarde woningen. Delen van het pand konden hun woonfunctie soms behouden. Wanneer de eigenaar van een bedrijf er zelf niet wilde wonen, kon hij het verhuren. Men kan van zulke huurders, die wel het meest met overlast geconfronteerd zijn geraakt, echter geen klachten en bezwaren tegen een bedrijf verwachten.

Rookoverlast werd vaak veroorzaakt door ondeugdelijk geconstrueerde schoorstenen waardoor het voorkwam dat ‘… rook, walm en vonken hun uitweg zoeken door gebroken ruiten’.225 [225. Hinderwetdossier 1894 nr. 054.])
De aanvrager kon natuurlijk aan zulke bezwaren tegemoet komen.
Zo beloofde de smid Belle dat hij de schoorsteenpijp zou verhogen, mocht hij een vergunning van het gemeentebestuur krijgen.226 [226. Hinderwetdossier 1884 nr. 010.])

Hogere schoorstenen waren vooral daar van belang waar rook anders door hoge bebouwing in de omgeving zou blijven hangen. Rookoverlast werd echter betrekkelijk weinig als bezwaar naar voren ge-

|pag. 60|

bracht wanneer men bedenkt dat in bijna elk bedrijf een vuurplaats aanwezig was. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat ook bij de verwarming van woningen rook vrijkwam door het gebruik van steenkool en cokes. Men kon moeilijk de buurman rookoverlast verwijten terwijl men zelf ook een bijdrage leverde aan luchtverontreiniging.
Het tegengaan van rookoverlast die door particulieren werd veroorzaakt gebeurde niet in het kader van de Hinderwet. In 1880 kregen B. en W. de bevoegdheid om bij het voorkomen van rookoverlast de eigenaar van de schoorsteen te gelasten de schoorsteen te verhogen.227 [227. Algemeene verordenining (zie noot 157), artikel 8.])

Vergeleken met andere plaatsen kon vervuilde lucht in Kampen sneller worden afgevoerd. Kampen had een uitgestrekte vorm en lag niet beschut. De wind had op de Zuiderzee vrij spel en de directe omgeving van de stad bestond uit weilanden en biesvelden.

Het groter wordende brandgevaar door de vestiging van een smederij had in enkele gevallen te maken met hetgeen in de directe omgeving aan materialen opgeslagen was. Een smid mocht zich volgens bezwaarmakers niet vestigen in de nabijheid van zolders waar stro en twijgen waren opgeslagen, bij boerenbedrijven met hooizolders of naast een winkel waarin verfwaren stonden.228 [228. Hinderwetdossiers 1891 nr. 002 en 1894 nr. 054.])

Het brandgevaar, waarvoor men beducht was, werd klaarblijkelijk ook door verzekeraars gesignaleerd. In twee gevallen werd erop gewezen dat men met een smid als buurman een hogere brandassurantiepremie zou moeten betalen.229 [229. Hinderwetdossiers 1876 nr. 036 en 1893 nr. 026.])
Na 1900 werd groter brandgevaar nauwelijks meer genoemd als bezwaar tegen de oprichting van een smederij. Het is goed mogelijk dat het na verloop van tijd een minder grote rol ging spelen.
B. en W. gingen namelijk na 1875 steeds meer voorwaarden met betrekking tot brandpreventie opleggen bij het verlenen van hinderwetvergunningen aan smeden. Wellicht is de effectiviteit hiervan reeds na enige tijd gebleken.

In vele gevallen vermoedde men van een smederij geluidshinder te zullen ondervinden.230 [230. Hinderwetdossiers 1886 nr. 028; 1891 nr. 002; 1899 nr. 031; 1909 nr. 010; 1920 nr. 004; 1920 nr. 029; 1925 nr. 024.]) Daarbij kon door bezwaarmakers worden gewezen op de gezondheidssituatie van hen, die omwille van hun gestel niet veel lawaai verdragen konden. De geluidshinder kon tot overlast zijn van een bewoner die geplaagd werd door ‘zwakte in het hoofd’231 [231. Hinderwetdossier 1894 nr. 052.]) maar ook van een ‘…vader die den ouderdom van 84 jaren heeft bereikt en die zijn zit- en slaapkamer juist tegenover het bedoelde perceel heeft…’.232 [232. Hinderwetdossier 1886 nr. 028.])

Naar aanleiding van klachten werden niet zonder meer maatregelen genomen. Eerst werd een onderzoek ingesteld. De noodzaak hiervan bleek in 1932. Renes klaagde over het ‘brullend geluid’ van een oliebrander in de smederij van Hammers en Co. aan de Bovenhavenstraat. De klacht werd door de Directeur Gemeentewerken beoordeeld. Het bleek dat Renes werkzaam was bij de machinefabriek van Snoep, een concurrent van Hammers en Co.. De woning van Renes was

|pag. 61|

bovendien eigendom van Snoep en lag tussen beide bedrijven in. De Directeur Gemeentewerken constateerde dat ‘… ook bij Fa. Snoep wel eens geraasmakende werkzaamheden worden verricht’. Het verplaatsen van een oliebrander zou een kostbare aangelegenheid worden voor Hammers en Co.. Volgens de Directeur Gemeentewerken speelden daarom bij deze klacht vooral concurrentieoverwegingen een rol.233 [233. Hinderwetdossier 1932 nr. 024.])

Naar werd verwacht, was de herrie uit een smederij van dien aard dat huurders konden besluiten om van kosthuis te veranderen. Het waren meestal studenten die in dit verband genoemd werden, zoals de ‘commensaals, die zich voor de Godgeleerdheid bekwamen’.234 [234. Hinderwetdossiers 1886 nr. 028; 1876 nr. 036; 1891 nr. 002])
De geluidoverlast zal zeker het studeren onmogelijk hebben gemaakt, wanneer men bedenkt dat smeden op het einde van de negentiende eeuw gemiddeld 69 uren per week werkten.235 [235. Zie noot 26, blz. 112.])
In de beginjaren van de toepassing van de Hinderwet werd slechts zelden voorwaarden gesteld aan arbeidstijden. Kennelijk durfde het gemeentebestuur het nog niet aan om op zo’n ingrijpende wijze de vrijheid van ondernemers en ambachtslieden te beperken.
Rond 1900 begonnen B. en W. door middel van voorwaarden aan de arbeidstijden van de smid beperkingen te stellen. Bezwaarmakers vroegen soms om maatregelen in dit verband. Bij de uitbreiding van een smederij in de Voorstraat werd door twee bezwaarmakers geluidoverlast gemeld door het werken van een stoomhamer na zes uur ’s avonds.236 [236. Hinderwetdossier 1920 nr. 029.]) Bij een smederij in de Oudestraat verlangde Van den Noort dat zijn buurman niet tussen tien uur ’s avonds en zes uur ’s ochtends zou werken.237 [237. Hinderwetdossier 1909 nr. 010. Vergelijk met 1920 nr. 004.])

Het vertrek van huurders door het oprichten van een smederij in de buurt had voor de eigenaar van een woning financiële gevolgen die als schade werden aangevoerd.238 [238. Hinderwetdossiers 1876 nr. 036; 1886 nr. 028; 1894 nr. 052.]) Daarnaast werd waardevermindering van de woning als bezwaar naar voren gebracht.239 [239. Hinderwetdossier 1891 nr. 002.])

In 1893 wilde Hansma een smederij oprichten in de buurt van het gebouw van de ‘Hoofdcursus’ (een opleidingsinstituut voor onderofficieren dat later naar Breda verhuisde). Luitenant Kolonel Wierts, directeur van de Hoofdcursus, vond het ‘aanhoudend leven’ uit de smederij ‘voor het leeren hinderlijk’. Hansma voerde aan, dat hij alleen hoef- en rijtuigsmid was, zodat men niet verwachten kon ‘dat het geluid altijd voortduurde’. De burgemeester toonde zijn kennis van de Hinderwet met de opmerking dat de wet dit onderscheid niet kent en alleen spreekt van ‘smederij’, zodat door de aanvrager of rechtverkrijgenden ooit ook andere smidswerkzaamheden konden worden verricht.240 [240. Hinderwetdossier 1893 nr. 036.])

Door ruimtegebrek in de werkplaatsen zagen wagenmakers en rijtuigsmeden zich genoodzaakt om een aantal werkzaamheden op straat te verrichten. Zij moesten een aparte vergunning op grond van de politieverordening aanvragen om de openbare weg te gebruiken.
Wagenmakers gebruikten de straat om wagenonderdelen, die in de werkplaats waren gemaakt, in elkaar te passen.

|pag. 62|

Rijtuigsmeden hadden er vooral belang bij om een hoepelstel op de openbare weg te kunnen plaatsen. Een hoepelstel was een constructie waarop een houten wiel horizontaal kon rusten waardoor de velg kon worden voorzien van een ijzeren band.
Het beslaan van paarden door hoefsmeden gebeurde ook op de openbare weg. Hiervoor was geen aparte vergunning vereist.

Een soortgelijke geval als dat van Hansma deed zich voor in 1905.
Het Departement van Oorlog vroeg een hinderwetvergunning aan voor het oprichten van een hoefsmederij. Het perceel lag aan de IJsseldijk nabij de Bovenhaven, dicht bij het perceel van wasbleker Reijnders. Reijnders vermoedde dat hij zijn was niet meer kon drogen, aangezien het door ‘stof en vuil’ uit de smederij besmeurd zou worden.
Tegen het verlenen van een vergunning door B. en W. ging Reijnders in beroep bij de Kroon. Koningin Wilhelmina verleende echter haar goedkeuring aan de voorgenomen oprichting. Volgens haar kon van overlast nauwelijks sprake zijn, aangezien er niet gedurende de hele dag en alleen in de wintermaanden in de smederij gewerkt zou worden. De smid diende de paarden van het garnizoen te beslaan en het garnizoen was alleen gedurende de wintermaanden in Kampen gelegerd.
Dit argument is echter erg zwak en lijkt aanvechtbaar te zijn geweest, ware het niet dat de hoogste beroepsmogelijkheid reeds benut was. De Hinderwet maakte geen onderscheid tussen de verschillende smidswerkzaamheden en kende de mogelijkheid een vergunning over te dragen. Een eventuele nieuwe vergunninghouder zou daardoor dagelijks en meer hinderlijke werkzaamheden kunnen verrichten.241 [241. Hinderwetdossier 1905 nr. 003.])

Ook meende men dat de oprichting van een smederij schadelijk voor de gezondheid en hygiëne was.242 [242. Hinderwetdossiers 1894 nr. 052 en 1899 nr. 031.]) In 1899 wilde Rietberg naast de zuivelfabriek aan de Graafschap een smederij oprichten.
Bolleman, directeur van de zuivelfabriek, liet de burgemeester weten:
          ‘…dat de zaak der zuivelbereiding door deze smederij zeer zal
          lijden. Thans ondervindt reclamant reeds veel last van zijn
          overbuurman J.A. van Wilsem, die op 50 meter afstand van zijn
          fabriek eene smederij uitoefent, ten bewijze waarvan reclamant
          eene overeenkomst met Van Wilsem overlegt, waarbij hij
          zich verbindt om niet te zullen werken wanneer de wind ongunstig
          is voor de zuivelbereiding, daar den lucht in den
          omtrek eener smederij totaal wordt bedorven door den rook en
          de daarmee gepaard gaande gassen en dampen en vooral door de
          vallende asch-sinteltjes, hetgeen inzonderheid voor de zuivelbereiding,
          waar reinheid en frische lucht eene eerste
          vereiste zijn, hoogst schadelijk is. Daar de smederij van
          Rietberg op een afstand van niet meer dan 10 à 15 meter van
          zijne fabriek zal komen, ziet reclamant den hinder van deze
          smederij met groote bezorgdheid tegemoet en vreest, dat de
          rook en damp van de steenkolen aan zijne zaak groote schade
          zullen berokkenen.’243 [243. Hinderwetdossier 1899 nr. 031.])

|pag. 63|

Uit de brief van Bolleman blijkt dat smederijen niet alleen overlast veroorzaakte voor bewoners van belendende percelen, maar dat de hinder zich verder kon uitstrekken en tenminste plaatshad binnen een straal van 50 meter.
In één geval wezen de bezwaarmakers erop dat er reeds drie smederijen op korte afstand van elkaar lagen en dat de omgeving er ‘…met nog eene smederij er niet beter op zal worden…’. De collectieve overlast kon echter door middel van de Hinderwet niet gereguleerd worden. De Hinderwet was immers een een ‘individuele’ wet. Het gemeentebestuur mocht geen rekening houden met de aanwezigheid van andere smederijen.244 [244. Leenen (zie noot 81), blz. 45. Zie noot 59, blz. 65.])
De bezwaarmakers waren overigens geen eigenaar van één der bestaande smederijen. Concurrentieoverwegingen speelden in dit geval geen rol.245 [245. Hinderwetdossier 1891 nr. 002.])
De drie smederijen lagen aan het einde van de Oudestraat, vlak bij de Hagenpoort die al in de 15e eeuw werd genoemd. De Hagenpoort werd in 1893 afgebroken omdat men de poort als een verkeersobstakel beschouwde.246 [246. Jappe Alberts, W., en C.N. Fehrmann, 150 Jaar Nutsspaarbank Kampen (Kampen z.jr. (1970)), blz. 91.])

[afbeelding Hagenpoort]

          ‘…dat de straat hier erg smal is en tevens een druk verkeer
          waar aanhoudend de karren der gemeentereiniging moeten passeren
          en de straat hier meest altijd bezet is van karren en
          vaten en des Vrijdags hier altoos nog op de straat in zulk
          een druk verkeer wordt gestookt door den kuiper Westerhof…’

|pag. 64|

          De witte gevel links op de foto is die van smederij Bosch;
          verder naar de poort woonden nog bakker Bleijenburg en sigarenmaker
          Van der Snee. Rechts een fragment van bakkerij De
          Boer; vervolgens een kerk, waarna de kuiperij van Westerhof.247 [247. Hinderwetdossier 1891 nr. 002. Foto; Hoven, H.W. van den. Kampen toen en nu (Zaltbommel 1984), blz. 3.])

3.3.2. Kuiperijen

Kuiperijen vormden een eeuwenoud ambacht. In kuiperijen werden karn-, melk- en botertonnen, vaten en wastobben gemaakt. Aan het einde van de negentiende eeuw hebben geëmailleerde en ijzeren produkten deze houten voorwerpen geleidelijk vervangen, waardoor veel kuipers hun omzet zagen dalen.
Van de vier tot vijf kuiperijen die Kampen rond de eeuwwisseling kende was er in 1939 slechts één overgebleven. Deze bevond zich in de Oudestraat, in de buurt van de Buitenkerk;
          ‘…waar ons oog al spoedig valt op een werkplaats aan de overzijde.
          Een bordje op de ruiten vertelt met welk bedrijf we
          hier van doen hebben: ‘Kuiperij van H.J. Loos’ staat er. Geen
          gesnor van machines klinkt hier, maar het metaalgeluid van
          hamerslagen.’

Geprefabriceerde duigen en bodems werden door Loos gevat in ambachtelijk gemaakte gegalvaniseerde hoepels. Loos had zich toegelegd op het maken van botertonnetjes voor de export van boter naar Engeland. De export van boter was lange tijd vrijwel geheel op Engeland gericht. In verband met de buitenlandse concurrentie hadden de Nederlandse boterfabrikanten, waaronder die die te Kampen gevestigd waren, er baat bij een naam hoog te houden. Aan het verpakkingsmateriaal werden dan ook hoge eisen gesteld.248 [248. Kamper Nieuwsblad, 22 juli 1939. Zie noot 138, blz. 22.])
Aan het einde van de negentiende eeuw werkten kuipers nog gemiddeld 84 uur per week.249 [249. Zie noot 26, blz. 112.]) Alleen met lange arbeidsdagen kon iets verdiend worden, daarom begon men om zes uur ’s ochtends.250 [250. Kamper Nieuwsblad, 22 juli 1939.]])

Kuipers zagen zich genoodzaakt om een deel van hun werkzaamheden op straat te verrichten. Dit betrof dan het ‘…branden en droogen der tonnen door middel van vuur…’. Op grond van de plaatselijke politieverordening diende het gemeentebestuur hiervoor een vergunning te verlenen.251 [251. Algemene verordening van politie voor de gemeente Kampen (Kampen 1902) [Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, B 358].])
Het werken op straat was alleen toegestaan van zonsopgang tot zonsondergang. Wanneer de wind te sterk was kon de politie het stoken van vuurtjes op de openbare weg geheel verbieden.252 [252. Algemeene verordening (zie noot 157), artikel 16 en 56.])
Van overlast door het stoken op straat zal niet dagelijks sprake zijn geweest. Kuiper Westerhof bijvoorbeeld, die aan de Oudestraat werkte, stookte alleen op vrijdag op de openbare weg. Dit had dan ‘…eene erge rookerij … tot grooten overlast van de buren…’ tot gevolg.253 [253. Hinderwetdossier 1891 nr. 002.])
Als bezwaar tegen de oprichting van een kuiperij werd in een enkel geval een groter brandgevaar genoemd.254 [254. Hinderwetdossier 1889 nr. 068.]) Waarschijnlijk speelde hierbij ook een rol hoe groot het brandrisico in de omgeving was.

|pag. 65|

3.3.3. Koper-, lood-, zink- en blikslagerijen, loodgieterijen, en emaillefabrieken.

In de Middeleeuwen werd al melding gemaakt van koperslagerijen.
Koper- en blikslagers waren meestal kleine zelfstandigen en vormden in 1859 het overgrote deel van de metaalwarensector.255 [255. Zie noot 138, blz. 186.])
Aan het einde van de negentiende eeuw waren er nog tal van koperslagerijen. Door langdurig kloppen met verschillende hamers werden uit een plaat koper voorwerpen gevormd. Om te voorkomen dat door het slaan het koper broos zou worden, moest het voorwerp regelmatig uitgegloeid (verhit) worden.


Ambachtelijke produktie van koperen gebruiksvoorwerpen door kopers lagers.256 [256. Honderd jaren Berk in Kampen, 1851-1951 (Kampen 1951) [Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, B 326].])

Na 1900 werd steeds meer ‘huishoud-koper’ machinaal vervaardigd, waardoor het handwerk van de ambachtsman naar de achtergrond gedrongen werd. In de huishouding maakte werd langzaam overgegaan op vertind en geëmailleerd keukengerei. In de loop van de twintigste eeuw zijn de ambachtelijke koperslagerijen dan ook geleidelijk verdwenen.257 [257. Zie noot 138, blz. 186. Zie noot 219, blz. 293-294.]) De laatste koper- en blikslagerij in Kampen werd in 1928 opgericht.258 [258. Hinderwetdossier 1928 nr. 008.])
Koper- en blikslagers in Kampen waren voor een groot deel van hun inkomen afhankelijk van het succes van de sigarenfabrikanten. Pijptabak, sigaren en sigaretten werden niet alleen in kistjes en papier, maar ook in’blik verpakt.259 [259. Hartman (zie noot 18), blz. 201.])
De bewerking van blik in Kampen heeft voornamelijk bestaan uit het produceren van blikken verpakkingsmateriaal voor tabaksprodukten. Er kan ook blik ten behoeve van de conservering van voe-

|pag. 66|

dingsmiddelen zijn geproduceerd. Voedingsmiddelen werden reeds aan het einde van de negentiende eeuw in blik verpakt. In Kampen is van een belangrijke voedingsmiddelenindustrie geen sprake, anders dan van een aantal zuivelfabrieken, waaronder Van Heel’s Condensed Milk Cy. Ltd. aan de IJsseldijk. Wellicht heeft deze fabriek voor het verpakken van melkpoeder blikwerk gebruikt.260 [260. Zie noot 138, blz. 186. Alta (zie noot 40), blz. 118, 120.])
De bezwaren die tegen koper- en blikslagerijen werden ingebracht golden vooral geluidoverlast. Twee bezwaarmakers, wier echtgenotes regelmatig ziek waren, protesteerden tegen het ‘gedurig kloppen’ en ‘voortdurend geraas’. Eén van hen verscheen zelfs met een verklaring van zijn huisarts op de zitting, om zijn betoog over het zwakke zenuwgestel van zijn vrouw te verantwoorden.261 [261. Hinderwetdossiers 1878 nr. 056 en 1883 nr. 128])
Op het einde van de negentiende eeuw werkten koperslagers gemiddeld 63 uur per week, zodat van geluidshinder gedurende een groot deel van de dag sprake moet zijn geweest.262 [262. Zie noot 26, blz. 112.])

Ook waren omwonenden bang voor brandgevaar. In 1878 wilde Jansen, wonende aan de Oudestraat, een vuurplaats maken in een gangetje ‘waar geen man rechtop kon staan’. Zozeer was buurman Hoorn tegen Jansens voornemen gekeerd, dat hij er een ordonnantie uit 1535 bij haalde. Het Middeleeuwse stadsbestuur bepaalde toen dat op de Oudestraat geen koper- en blikslagers mochten werken. Volgens Hoorn diende deze ordonnantie door het gemeentebestuur te worden nageleefd, omdat ze nooit was ingetrokken.263 [263. Hinderwetdossiers 1878 nr. 056 en 1883 nr. 128])

Het stoken van vuur en verhitten van koper is onvermijdelijk met stank gepaard gegaan. Bij het maken van bezwaren is dit aspect echter niet naar voren gebracht.264 [264. Zie noot 3, blz. 77.])

Het gieten van lood is net als het bewerken van koper en blik een zeer oude bezigheid. Loodgieters maakten gietvormen en gietkernen, waarna er gegoten kon worden. De gietstukken diende men tenslotte nog af te werken. Niet alleen het gieten van lood maar ook het bewerken van plaatlood werd door een loodgieter verricht.265 [265. Zie noot 219, blz. 287.]) De meeste loodgieterijen hebben als zelfstandig bedrijf gefunctioneerd. Enkele loodgieterijen in Kampen waren ook als koperslagerij ingericht.
Loodgieters werkten niet alleen in hun werkplaats maar ook op lokatie. Dit laatste was vooral het geval bij de aanleg, aan het einde van de negentiende eeuw, van waterleidingen, rioleringen en stadsgasleidingen.266 [266. Zie noot 138, blz. 186. Zie noot 219, blz. 353.]) Loodgieters kenden aan het einde van de negentiende eeuw een 50—80 urige werkweek.267 [267. Zie noot 26, blz. 112.])

Gezien de aard van de werkzaamheden zou men tegen de oprichting van loodgieterijen bezwaren verwachten die te maken hadden met brandgevaar, luchtverontreiniging en geluidoverlast. In Kampen is tegen het verlenen van een vergunning aan loodgieters, in de dertien voorkomende gevallen, geen enkel bezwaar aangevoerd. Wellicht speelde een rol dat loodgieters op lokatie hebben gewerkt, dan wel dat hun werkzaamheden ten dienste stonden van het algemeen nut.

|pag. 67|

In 1851 werd door Berk een fabriek van vertind ijzerwerk in de Boven Nieuwstraat opgericht. Dertig jaar daarna is Berk zich gaan toeleggen op de fabricage van emailleprodukten. Het industriële emailleren geschiedde voor het eerst in Engeland rond 1840. Berk heeft zich bij het ontwikkelen van zijn bedrijf echter meer gericht op de technieken zoals deze in de tweede helft van de negentiende eeuw in Duitsland gangbaar waren.268 [268. Zie noot 256.])

Emailleren is het aanbrengen van een glanzende, glasachtige deklaag op metalen voorwerpen. Het email werd in twee lagen opgebracht: de grondlaag en de deklaag. Het voorwerp werd daarna in een oven verhit zodat het email smolt en zich goed met het metaal verbond. De grondstoffen voor de bereiding van email waren borax, kwarts en veldspaat.269 [269. Zie noot 37, blz. 193.])
Aanvankelijk werden alleen gietijzeren voorwerpen geëmailleerd, later werd deze techniek ook op staal en aluminium toegepast.
Email werd vooral gebruikt voor keukengerei zoals pannen, ketels en kachels. ‘Verglaasde’ artikelen vonden gretig aftrek en vervingen op den duur hout- en koperprodukten. Kuipers en koperslagers zagen hun omzet snel dalen toen de produktie van emaille grootschalig werd aangepakt.270 [270. Zie noot 219, blz. 313-314.])

In 1880 vroeg Berk een vergunning aan voor het uitbreiden van zijn emaillefabriek met een tweede oven. Bastiaans, de bewoner van het belendende perceel, tekende bezwaar aan. Hij deelde het gemeentebestuur mee reeds veel last te ondervinden van de bestaande gloeioven en de daaruit komende rook en dampen.
De rook uit de emaillefabriek tastte het schilderwerk van Bastiaans’ woning aan. Bastiaans liet de burgemeester weten, dat als hij zijn woning op de dag van de zitting nog zou hebben geverfd ‘…het over zes weken onooglijk is en opnieuw moest worden geverfd…’.271 [271. Hinderwetdossier 1880 nr. 087.])

Vermoedelijk kende de fabriek van Berk een uitstoot van grote hoeveelheden zwavelwaterstof. Vroeger gebruikte men voor het schilderen verf waarin zinkwit was verwerkt. Zwavelwaterstof reageert snel met zinkwit. Zwavelwaterstof tastte bovendien diverse metalen aan en was bij inademing gevaarlijk voor de gezondheid. Voor de plantengroei was dit gas minder schadelijk.272 [272. Zie noot 5, blz. 353.])

Wethouder Top nam de klacht van Bastiaans serieus en vroeg aan Berk:
          ‘…of er door de wijze van bewerking ook schadelijke dampen
          kunnen ontwikkeld worden, nadeelig voor de omwoners en de
          gewassen in de belendende tuinen.’

Berk antwoordde dat de stof waarmee werd gewerkt niets bevatte wat voor de gezondheid schadelijk zou kunnen zijn en dat alle rook en damp door verhitting zouden verteren. Verder deelde hij het gemeentebestuur mee dat in zijn fabriek werd gewerkt met een geheim procedé, zodat hij zich met oog op de concurrentie niet

|pag. 68|

kon uitlaten over de bewerkingen die in de fabriek plaatshadden.
Het gemeentebestuur nam hiermee genoegen en besloot een vergunning te verlenen omdat de nieuw op te richten oven geen gloeioven zou zijn maar een droogoven voor geëmailleerde voorwerpen.273 [273. Hinderwetdossier 1880 nr. 087.])
Bij de uitbreiding van de emaillefabriek in 1881 door middel van een stoommachine werd, na bezwaren van winkelier Schinkel, bepaald dat Berk alleen op cokes mocht stoken of rookverbranding moest toepassen. Cokes kwamen van de gasfabriek waar de steenkool reeds was ‘ontgast’. Door een lager teergehalte zorgden ze bij verbranding voor veel minder roetoverlast dan steenkolen.274 [274. Hinderwetdossier 1881 nr. 103.])

In 1889 werd door twee heren uit Den Haag onderzoek gedaan naar de arbeidsomstandigheden in diverse werkplaatsen. Zij rapporteerden dat het perceel van de emaillefabriek door de werkzaamheden van Berk ‘sterk vervuild’ was geraakt.275 [275. Nijverheidsstatistiek (zie noot 44).])
In de buurtschap Brunnepe bij Kampen werd door Berk op het einde van de negentiende eeuw een geheel nieuw fabriekcomplex gebouwd.
Het emailleren in de Boven Nieuwstraat duurde nog enige tijd voort en werd eerst in 1914 gestaakt.276 [276. Kamper Courant, 9 april 1914.])

3.3.4. Steenhouwerijen

In 1899 maakte burgemeester Van Blommenstein steenhouwer Keikes attent op zijn verzuim een vergunning aan te vragen voor de uitbreiding van zijn steenhouwerij. Keikes, die bekendheid genoot vanwege zijn portland-cementstenen, bood zijn excuses aan en verzocht B. en W. hem voor deze uitbreiding alsnog een vergunning te verlenen.
De buurvrouw van Keikes, maakte toen van de mogelijkheid gebruik om bezwaar te maken:
          ‘…genoemde steenhouwerij grenst onmiddelijk aan haar woon-
          huis en is zonder tusschenruimte, ja zelfs zonder tusschenmuur
          daar tegen aangebouwd;
          dat het gevolg hiervan is, dat het bonzen, hakken en tikken,
          dat den ganschen dag in genoemde steenhouwerij plaats heeft,
          haar en haar huisgenooten van den morgen tot den avond dag aan
          dag in de ooren klinkt en zelfs zulke proportiëen aanneemt,
          dat haar huis, dat toch zeer soliede gebouwd is er van dreunt
          en de voorwerpen in de huiskamer, die nog wel door een breede
          gang van de steenhouwerij gescheiden is, er van rammelen;
          dat dit alles zeer nadeelig is voor haar woonhuis, dat door
          dit gebons en gedreun in eene voortdurende trilling verkeert;
          dat eindelijk haar gezondheid er noodzakelijk onder moet
          lijden, en zij nu reeds ondervindt dat haar zenuwgestel er al
          het schadelijke van ondervindt -om nog niet te spreken van de
          noodlottige gevolgen, die bij voorkomende ziekten aan verbonden
     zouden kunnen zijn …’
Ze zag graag zulke voorwaarden gesteld dat de hinder werd weggenomen. De vergunning hoefde wat haar betreft dan niet geweigerd te worden.277 [277. Hinderwetdossier 1899 nr. 032.])

|pag. 69|

In 1906 werd aan Bouhuijs een vergunning om een steenhouwerij in werking te brengen geweigerd. Bouhuijs was van plan zijn werkzaamheden te verrichten naast het Stadsziekenhuis, toen nog gelegen op de hoek van de Vloeddijk en Molenstraat. De Graaf, regent van het Stadsziekenhuis, maakte hiertegen bezwaar. Het ‘kloppen der hamers’ zou hinderlijk zijn voor de patiënten.
B. en W. hanteerden dezelfde overweging bij het weigeren van de vergunning. De tekst van het bezwaar werd zelfs letterlijk overgenomen in het besluit.278 [278. Hinderwetdossier 1906 nr. 010.])
Geluidoverlast was ook het belangrijkste bezwaar van Messcher tegen het verlenen van een hinderwetvergunning aan steenhouwer De Weert. Het werd De Weert verboden om te werken tussen ’s avonds negen uur en ’s ochtends zeven uur. De vergunning werd verleend met de proeftijd van één jaar.279 [279. Hinderwetdossier 1909 nr. 009.])
Toen De Weert in 1910 om een definitieve vergunning vroeg, bracht Messcher ook andere bezwaren naar voren: overlast door stof en splinters en het dreunen en trillen als gevolg van het storten van stenen, waardoor scheuren in de muren ontstonden. Niettemin kreeg De Weert van B. en W. toch de gevraagde vergunning.280 [280. Hinderwetdossier 1910 nr. 011.])

De overlast die steenhouwers veroorzaakten diende aanvankelijk door middel van de Hinderwet beperkt te worden. Met betrekking tot overlast door steenhouwerijen kwam de wetgever met aparte wetgeving: de Steenhouwerswet van 1913. Vermoedelijk speelde hierbij een rol dat steenhouwerijen voor de omgeving zeer hinderlijk waren. De verantwoordelijke minister wilde sinds 1913 bij elke oprichting van een steenhouwerij betrokken worden. Een paar jaar later bleek dat de minister hiermee erg veel werk had aangehaald. Zijn taak werd daarom aan diverse inspecteuren van de Volksgezondheid gedelegeerd.
Vanaf 1913 werden in het kader van de Hinderwet alleen nog voorwaarden opgenomen die betrekking hadden op de arbeidstijden van steenhouwers. Belanghebbenden konden echter nog steeds bezwaren naar voren brengen.281 [281. Zie noot 64, blz. 223.])

Een bezwaarmaker verwachtte in 1937 dat hij het perceel dat hij in eigendom had niet meer zou kunnen verhuren wanneer een steenhouwerij in de buurt zou worden opgericht. Ook vond hij ‘…het steenhouwersstof voor de wasch en het gevelwerk nadelig…’.282 [282. Hinderwetdossier 1937 nr. 003.])

3.3.5. Kalkblusserijen

Voor de bereiding van metselspecie had men ‘ongebluste kalk’ (calciumoxide) nodig. In kalkbranderijen werd ongebluste kalk uit schelpen gewonnen. In kalkblusserijen werd hiervan cement gemaakt door water en zand toe te voegen.283 [283. Bijdragen uit het land van IJssel en Vecht. 1e Bundel IJsselakademie (Zwolle 1977), blz. 53.])
Tegen het oprichten van kalkblusserijen werden voornamelijk bezwaren aangevoerd die te maken hadden met de verwachte verontreiniging van de lucht door stofdeeltjes. Aan het einde van de achttiende eeuw werd verondersteld dat kalkstof de hersenen kon beschadigen.284 [284. Zie noot 3, blz. 82.])

|pag. 70|

In 1880 wilde Ras een kalkblusserij oprichten in de buurt van de ‘Bewaarschool en Kostelooze School’. Allirol, die behalve directeur van de gasfabriek ook bij de school betrokken was, bracht als bezwaar naar voren:
          ‘…dat blusschen verspreidt in den omtrek massa’s fijne kalk-
          deeltjes, die noodlottig kunnen werken op de oogen der kinderen.
          Ook het indragen der ongebluschte kalk en het leggen der
          zakken, vol of ledig in de nabijheid der school, kan aanleiding
          geven tot ongelukken…’

Net als Allirol noemde Bovens, gepensioneerd majoor en buurman van Ras, tijdens de zitting het gevaar van de kalkstof voor de gezondheid. Hij verwachtte ook dat het stof in zijn tuin zou terechtkomen en volgens hem was dit ‘schadelijk voor de groei der planten’.285 [285. Hinderwetdossier 1880 nr. 083.])
In een ander geval liet Tennekes weten schade te zullen lijden doordat hij met een kalkblusserij in de buurt zijn huis moeilijker kon verhuren. Hij wilde dat er de nodige voorzorgsmaatregelen werden genomen om de verspreiding van stof tegen te gaan:
          ‘…omdat de groote hoeveelheid dampen, die ten gevolge van
          het kalkblusschen naar boven stijgen, zeer hinderlijk voor de
          bewoners zullen zijn en veel vocht veroorzaken.’

De voorzorgsmaatregelen die Tennekes op het oog had bestonden uit het repareren van het dak, het dichtstoppen van kieren en het gesloten houden van ramen. De loods waarin Ras een kalkblusserij wilde oprichten had veel weg van een bouwval.286 [286. Hinderwetdossier 1881 nr. 106.])

3.3.6. Houtzagerijen
In 1923 werd door Schipper een hinderwetvergunning aangevraagd voor het installeren van een schaafmachine in een loods in de Graafschap. In de buurt van de loods, op de hoek van de Vloeddijk en de Molenstraat, stond het voormalige Stadsziekenhuis, dat na 1916 fungeerde als dependance van het ziekenhuis ‘De Engelenbergstichting’.
De regenten van het Stadsziekenhuis verschenen op de zitting met ‘ernstige bezwaren’. Zij wezen erop dat in de buurt van de loods lighallen stonden waarin t.b.c.-patiënten verpleegd werden en vonden de motor en het stof voor hen hinderlijk. De rust die deze patiënten nodig hadden zou verstoord worden door het in werking stellen van een schaafmachine met ‘…een doordringend en onaangenaam geluid…’.
De Directeur Gemeentewerken vond het installeren van een schaafmachine om dezelfde redenen onacceptabel. Vervolgens meldde hij de burgemeester:
          ‘Daarbij komt nog, dat mij ter oore is gekomen, dat het de bedoeling
          van adressant is om in de loods eene machinale timmerwerkplaats
          in te richten, waarvoor verschillende machines
          benoodigd zijn. Adressant begint nu alleen vergunning te

|pag. 71|

          vragen voor de schaafmachine, met de bedoeling dan later
          uitbreiding aan te vragen, hopende op die wijze eerder kans
          van slagen te hebben.’

De aanpak van Schipper was zeer doordacht. Wanneer hem eenmaal voor de schaafmachine een vergunning was verleend zou hij een vergunning tot uitbreiding kunnen aanvragen. Dan gold des te meer bedrijfsbelang en overlast van de schaafmachine telde immers niet als bezwaar tegen de plaatsing van andere machines. Het gemeentebestuur liet zich echter niet misleiden en weigerde een vergunning te verlenen.287 [287. Hinderwetdossier 1923 nr. 034.])

In twee andere gevallen vormde geluidsoverlast ook het belangrijkste bezwaar. Een predikant van de Dortsch-Gereformeerde Kerk aan de Burgwal was bang dat de motor voor aandrijving van de cirkelzaag ‘…gedurende de dienst de aandacht zal afleiden…’.288 [288. Hinderwetdossier 1905 nr. 011.])
Lubach, advocaat en voorzitter van de Gezondheidscommissie, bracht als bezwaar tegen het oprichten van een houtzagerij naar voren
          ‘…dat hierdoor het door hem bewoonde perceel zoo niet geheel
          dan toch ten dele onbewoonbaar zal worden; dat zijne slaapkamer
          onmiddellijk gelegen is bij de plaats waar adressant
          voornemens is de zagerij op te richten.’289 [289. Hinderwetdossier 1881 nr. 109.])

Behalve deze machinale houtzagerijen kende Kampen nog enkele kleinere zagerijen. De werkzaamheden betroffen vooral de produktie van sigarenkistjes ten behoeve van de sigarenindustrie. Dit kon in een afzonderlijke inrichting of in een gedeelte van een sigarenfabriek gebeuren.290 [290. Hinderwetdossiers 1929 nr. 001 en 1932 nr. 025.])

3.3.7. Sigarenfabrieken, siqarendroqerijen en tabakskerverijen

In sigarenfabrieken werden de geïmporteerde tabaksbladeren vochtig gemaakt en gestript: de steel en hoofdnerf werden uit het blad verwijderd. De beste bladeren werden in de juiste vorm gesneden en gebruikt voor het dekblad. De bladeren van mindere kwaliteit werden gebruikt voor het binnengoed. Om dit binnengoed werd eerst een omblad en daarna het dekblad gerold.

Voor het modelleren van het binnengoed en omblad (een ‘bosje’) werd vanaf ± 1880 een houten persvorm gebruikt. Rond 1920 kon men de bosjes geheel automatisch produceren. Het uitsnijden van de dekbladeren en het rollen van de dekbladeren om het bosje was tot na de Tweede Wereldoorlog nog handwerk.
De sigaren werden tenslotte in drogerijen gedroogd, voorzien van een sigarenbandje en meestal verpakt in kistjes.291 [291. Zie noot 219, blz. 50-51.])

Gedurende de onderzoeksperiode was het grootste deel van de beroepsbevolking van Kampen werkzaam in de sigarenindustrie. Sigaren werden geproduceerd door thuiswerkers, fabrikanten en groot-

|pag. 72|

industriëlen. Op zeer veel lokaties in de binnenstad konden fabrieken en sigarenmakerijen aangetroffen worden (zie bijlage 17).
De produktie van sigaren had door het vele handwerk een typisch ambachtelijk karakter.292 [292. Fehrmann (zie noot 18), blz. 183.]) Daar waar vele sigarenmakers gezamenlijk hun werkzaamheden uitoefenden zou men echter ook kunnen spreken van industriële produktie. Aangezien slechts weinig bezwaren tegen sigarenfabrieken en -drogerijen werden ingebracht is in het kader van dit onderzoek geen onderscheid gemaakt tussen de ambachtelijke en industriële produktie van sigaren.

Boele Sr. was aan het einde van de negentiende eeuw eigenaar van de grootste sigarenfabriek die Kampen kende. In Boeles fabriek fabriceerde men sigaren met de modernste middelen. In de sigarenfabriek stonden enkele stoommachines. Bovendien had Boele een eigen gasfabriek. Het drukken van etiketten en reclame-omslagen voor spoorboekjes had plaats in Boeles steendrukkerij. In Boeles zagerij werden sigarenkistjes geproduceerd.293 [293. Hartman (zie noot 18), blz. 192.])
Tegen het verlenen van een hinderwetvergunning voor het uitbreiden of wijzigen van Boeles fabriek zijn geen bezwaren ingebracht.

Hoogenkamp was in 1878 van plan om een sigarenfabriek op te richten in de Broederstraat, in de nabijheid van de Broederkerk.
Dit voornemen stuitte op grote weerstand van de Kerkeraad van de Hervormde Gemeente. Predikant en kerkvoogd Van Anrooij had bezwaren tegen de oprichting van een sigarenfabriek in een dichtbebouwde gemeente als Kampen. Het ging Van Anrooij uiteindelijk toch vooral om de belangen van de kerk. De predikant verwachtte dat de fabriek ‘voor godsdienstoefeningen en huwelijksinzegeningen’ hinderlijk zou zijn.
          ‘Immers het vuur en licht dat in dergelijke inrichtingen gebezigd
          wordt, de groote onreinheid en ’t gedruisch dat daarmee
          onvermijdelijk gepaard gaat, dat veel personen in een
          lokaal verenigd zijn, de walgelijke uitdampingen, die daarvan
          ’t gevolg zijn, moeten naar des kerkeraads oordeel allernadeeligst
          geacht worden voor de rust en stilte, evenals
          voor de betamelijke reinheid van het gebouw, die bij
          Godsdienstoefeningen onmisbaar moeten worden geacht.’

Het lijkt erop dat tijdens de zitting de gemoederen hoog opgelopen zijn. Toen Hoogenkamp aan Van Anrooij vroeg wat de bezwaren nu werkelijk waren kwam de predikant met een aantal opmerkingen over het gedrag van de werklieden:
          ‘…dat het geheele zijn eener fabriek in de nabijheid der
          kerk, vooral met het oog op de naauwe Broederstraat, voor
          de eerste hinderlijk is; dat zoals bekend is; het arbeiders—
          personeel (Sigarenmakers) meestal op klompen loopt hetgeen
          een zeer storend gedruisch moet veroorzaken; dat bij het
          verlaten der fabriek het urineren tegen de kerk wel regel zal
          worden; dat van de preekstoel af het gezigt in en op het
          gebouw is en dat in een woord de bestemming van beide
          gebouwen lijnrecht tegenover elkander staat.’294 [294. Hinderwetdossier 1878 nr. 049.])

|pag. 73|

Van Anrooijs schets van het aanstootgevende gedrag van sigarenmakers was zeker niet overdreven. Een gepensioneerd sigarenmaker zei over het slopende werk in de fabriek:
          ‘Het plassen werd vaak opgehouden om geen tijd te verliezen.
          Als het sein: stoppen met werken werd gegeven, stoven de
          mannen naar de waterplaats, waar ze trappelend stonden te
          verdringen…’295 [295. Keuter, J.B., Verhalen van een oude Hanzestad. Kamper auteurs schrijven over vroeger. (Kampen z.j.), blz. 52.])

De Hinderwet was echter niet bedoeld om overlast in deze vorm te voorkomen. Bovendien was het urineren tegen een kerk, of waar dan ook op de openbare weg, reeds door middel van een plaatselijke politieverordening verboden.296 [296. Zie noot 157.])

Als tegen de oprichting van sigarendrogerijen bezwaren werden aangevoerd, dan hadden deze meestal te maken met de verwachting dat het brandgevaar door de vestiging van een drogerij in de buurt zou toenemen.297 [297. Hinderwetdossiers 1883 nr. 127; 1896 nr. 081; 1898 nr. 017 1921 nr. 028; 1932 nr. 020.])
Net als bij de smederijen speelde dan tevens een rol hoe brandgevaarlijk de directe omgeving van een sigarendrogerij was. Veehouders met hooizolders zagen liever geen drogerij in hun buurt ‘…blijkens menigvuldige branden die in sigarendrogerijen uitbarsten…’. In een ander geval werd verwezen naar het naburige Genemuiden waar het tweemaal was voorgekomen dat een brand de hele buurt in gevaar bracht.298 [298. Hinderwetdossier 1883 nr. 127.])

Plattegrond van de woning aan het Oorgat waarin Van ’t Veen een sigarendrogerij wilde oprichten en waartegen Brune bezwaren had. Een van de muren werd gevormd door de stadsmuur, terwijl in de werkplaats tevens een bedstede aanwezig was. Een andere bedstede zou als droogkamer worden ingericht.299 [299. Hinderwetdossier 1898 nr. 017.])

|pag. 74|

Wensma, die aan de Hofstraat buskruit verkocht en in de regel 2 à 3 vaten petroleum in de kelder had staan, vond een sigarendrogerij naast zijn winkel onverantwoord. 300 [300. Hinderwetdossier 1896 nr. 081.])
Ook notaris Brune, die al eerder bezwaren had tegen een mattendrogerij, wilde vanwege het grote brandrisico voor zijn archieven de vestiging van een sigarendrogerij in de buurt van zijn woning voorkomen.301 [301. Hinderwetdossier 1898 nr. 017.])

De vestiging van een sigarendrogerij vergrootte zeker het brandgevaar in de buurt. In de periode 1920-1933 woedde in maar liefst zeven sigarendrogerijen een zodanige brand, dat de brandweer er aan te pas moest komen. In één geval was de oorzaak niet meer na te gaan, aangezien de hele inrichting door de brand werd verwoest. In twee andere gevallen was de oorzaak van de brand een partij sigaren die vlam vatte, omdat ze te dicht bij een kachel te drogen waren gezet.302 [302. Zie noot 145.])

Bij het drogen van tabak ontstond stof. In fabrieken werd daarom enkele malen per dag een stoomluchtzuiger gehanteerd om de lucht te verversen.303 [303. Hartman (zie noot 18), blz. 193.]) In enkele gevallen vermoedden omwonenden hinder te zullen ondervinden van ‘damp en stof’ en het neerslaan van rook.304 [304. Hinderwetdossiers 1904 nr. 011 en 1913 nr. 010.]) Ook werd de tabakslucht uit de droogkamer door sommige bezwaarmakers als ‘hinderlijk’ omschreven.305 [305. Hinderwetdossier 1921 nr. 008.])

3.3.8. Mattendrogerijen

De mondingen van de IJssel aan de west- en noordkust van het Kampereiland waren zeer geschikt voor de groei van biezen en riet. In 1925 besloegen de biesvelden een oppervlakte van ongeveer 270 hectare. De aanplanting van biesvelden door de gemeente vergrootte het veld en diende een tweeledig doel. Enerzijds vormde de biezencultuur een belangrijke bron van inkomsten, anderzijds werd door de biesaanplanting landaanwinning door aanslibbing in de hand gewerkt.306 [306. Alta (zie noot 40), blz. 57.])
Biezen werden onder anderen gebruikt voor het maken van matten.
Biezenmatten kon men, net als sigaren en tabak, met hete lucht uit een bakkersoven drogen. Er hebben echter ook afzonderlijke mattendrogerijen bestaan. Veehouder Van Dijk stelde als bezwaar tegen de oprichting van een mattendrogerij dat de stank, die bij het drogen van biezen vrijkwam, zijn hooi op een nabij gelegen hooizolder bederven zou.307 [307. Hinderwetdossier 1880 nr. 093.])
De stankoverlast van mattendrogerijen was zo groot dat huurders konden besluiten te vertrekken en belendende gebouwen in waarde zouden verminderen.308 [308. Hinderwetdossier 1888 nr. 054.])

Brandgevaar speelde ook een rol bij bezwaarmakers.309 [309. Hinderwetdossier 1894 nr. 059.]) Dat daar goede redenen voor waren bleek in 1899 toen brand uitbrak in de mattendrogerij van Kalff in de Burgwalstraat. Kalff had de droogoven te heet gestookt.310 [310. Kamper Courant. 15 januari 1899.])

|pag. 75|

3.3.9. Drukkerijen

De grafische nijverheid heeft aan het einde van de negentiende eeuw een enorme groei gekend.
Naarmate het analfabetisme effectiever werd bestreden groeide de belangstelling voor kranten en boeken. De afschaffing van het dagbladzegel (een belasting op de krant) resulteerde in een enorme prijsverlaging van kranten. Met een goedkopere krant kon een groter lezerspubliek bereikt worden. Tussen 1872 en 1890 verzesvoudigde het aantal dag- en nieuwsbladen in Nederland. De belangstelling voor het gedrukte woord kwam ook ten goede aan boekdrukkerijen.
De meeste machines in drukkerijen werden met de hand bediend, ook nadat stoommachines hun intrede deden. Een stoommachine liet zich niet snel aan- en uitschakelen en was hierdoor voor het drukkersbedrijf niet erg geschikt. Een gasmotor kende deze handicap niet en betekende een belangrijke stimulans voor de mechanisatie van vele drukkerijen.311 [311. Zie noot 138. blz. 225.])

De meeste bezwaren tegen de oprichting van een drukkerij betroffen de geluidoverlast en ‘…het ondervinden van hinderlijke trillingen.’ De Directeur Gemeentewerken constateerde, na een klacht van Wieringa, dat de drukkerij van De Jong in de Morrensteeg ‘vrij veel leven’ veroorzaakte. Maar, zo voegde hij hieraan toe ‘…eene drukkerij maakt nu eenmaal vrij veel geraas.’ De Directeur Gemeentewerken gaf wel toe dat er zeker sprake zou zijn van overlast, indien de drukkerij elke dag zou gaan werken, hetgeen tot dan toe niet het geval was. Klaarblijkelijk zag de Directeur Gemeentewerken geen kans om door middel van het stellen van nadere voorwaarden de geluidoverlast van de drukkerij te beperken. Wieringa moest er maar mee leren leven.
Omtrent de ‘trillingen’ die door de drukkerij van De Jong veroorzaakt werden liet de Directeur Gemeentewerken de burgemeester weten:
          ‘…dat het moeilijk met juistheid is uit te maken, of eene
          trilling hinderlijk is of niet.’

Hieruit blijkt dat ‘hinder’ als een vage norm werd ervaren, waardoor bij de uitvoering van de Hinderwet onenigheid over de mate van overlast kon ontstaan. In dit geval vond de Directeur Gemeentewerken -net als Wieringa- de trillingen zelf ook hinderlijk. De Jong moest binnen één maand maatregelen nemen om direct contact tussen de machines en balken en spanten te voorkomen.312 [312. Hinderwetdossier 1923 nr. 059.])

In één geval werd overlast door rook als bezwaar tegen de oprichting van een drukkerij genoemd. De drukker, Van Hulst, verzekerde de bezwaarmaker echter dat van rookoverlast van zijn drukkerij geen sprake kon zijn.313 [313. Hinderwetdossier 1881 nr. 111.])
Bij de drukkerij van Van Hulst kon op straat wel de geur van drukinkt en terpentine waargenomen worden.314 [314. Zie noot 37. blz. 97.])

|pag. 76|

3.3.10. Garages en benzinepompen

Al voordat de Hinderwet in werking trad werd het opslaan en bewaren van petroleum in de gemeente Kampen door middel van politieverordeningen geregeld. De verordeningen verloren hun betekenis door de Hinderwet en door het feit dat een andere brandstof voorhanden kwam: benzine, dat eerder bij de produktie van petroleum als afvalstof werd verbrand.315 [315. Verordening op het bewaren van petroleum in de gemeente Kampen (Kampen 1864) [Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, B 427]. Verordening op het hebben en bewaren van petroleum in de gemeente Kampen (Kampen 1874) [Bibliotheek Gemeentearchief Kampen, B 428]. Zie noot 15, blz. 200-201. Bergplaatsen voor petroleum en benzine werden door Lintsen gerekend tot de middenstand. Gelet op de samenhang van deze inrichtingen met benzinepompen en garagebedrijven worden deze door mij liever bij de ambachten betrokken.])

Vanaf 1896 reden de eerste benzine-auto’s op de Nederlandse wegen. Het wagenpark groeide in de jaren hierna slechts langzaam.
Alleen rijke hobbyisten konden zich een automobiel veroorloven.
Tussen 1920 en 1930 maakte men steeds meer gebruik van het automobiel. Het aantal auto’s in Nederland nam toe van 11.000 in 1920 tot 113.000 in 1930.316 [316. Zie noot 219, blz. 375. Segers, J. ‘Benzinestations: Een geschiedenis van de benzinedistributie in Nederland’ in: Industriële Archeologie 4 (1984) blz. 164-180, aldaar 165-166.])
In de beginjaren van het automobilisme werd benzine via een drogist, kruidenier, rijwielhersteller of hotelhouder gedistribueerd.317 [317. Segers (zie noot 316), blz. 167.])

In 1908 vroeg de Maatschappij ‘De Automaat’ een hinderwetvergunning aan voor de oprichting van een benzinebewaarplaats aan het Oorgat. Door drie bezwaarmakers werd gewezen op brandgevaar. Het gebouw waarin de benzine bewaard zou moeten worden verkeerde in slechte staat, zo werd door een omwonende gemeld. Men vermoedde ook schade te zullen lijden door waardevermindering van de woning en het moeten betalen van een hogere brandassurantiepremie. B. en W. verleenden geen hinderwetvergunning:
          ‘…de benzinebewaarplaats ligt aan een slop in een dicht
     bebouwde en dicht bevolkte buurt.’318 [318. Hinderwetdossier 1908 nr. 011.])

Een paar jaar later probeerde dezelfde maatschappij een benzinebewaarplaats op te richten in de Buiten Nieuwstraat. Acht omwonenden verschenen met bezwaren op de zitting. Brandgevaar was weer het belangrijkste argument om de vergunning niet te verlenen. Waardedaling van eigendom en een 75% hogere brandassurantiepremie werden ook als bezwaren genoemd.
Toch werd door B. en W. een vergunning verleend, die door omwonenden in hoger beroep werd aangevochten. Bij het aantekenen van hoger beroep verzuimden de bezwaarmakers echter de Maatschappij ‘De Automaat’ hiervan in kennis te stellen waardoor het bezwaar niet ontvankelijk werd verklaard. De benzinebewaarplaats werd kort daarna opgericht.319 [319. Hinderwetdossier 1915 nr. 003.])

Stankoverlast werd in bijna alle gevallen als bezwaar tegen de oprichting van een benzine- of petroleumbewaarplaats genoemd.
Een groentehandelaar was bang dat zijn ingemaakte groenten door de olielucht bedorven zouden worden.320 [320. Hinderwetdossier 1922 nr. 022.]) Een sigarenfabrikant vermoedde dat de tabak die hij in een aangrenzend pakhuis had opgeslagen door de petroleumlucht ‘ongeschikt voor de bewerking’ zou worden. Hij noemde:
          ‘…de onaangename lucht, die de petroleum verspreidt en dat
          bovendien de straat aldaar steeds zeer vuil zal zijn.’321 [321. Hinderwetdossier 1922 nr. 015.])

|pag. 77|

De opmerking van de sigarenfabrikant toont aan dat al in de beginjaren van het automobilisme bodemverontreiniging door olieprodukten bij benzine- en petroleumbewaarplaatsen geconstateerd kon worden.
Na 1920 werden benzinetanks in de bodem aangebracht in verband met het toenemende brandgevaar door de steeds groter wordende hoeveelheden benzine die moesten worden opgeslagen.322 [322. Segers (zie noot 316), blz. 169.])
Diegenen die in Kampen een benzinetank in de bodem wilden aanbrengen kon op medewerking rekenen van het gemeentebestuur.
Benzinetanks mochten worden ingegraven onder stoepen waarvan de gemeente de eigendomsrechten had.323 [323. Hinderwetdossiers 1931 nr. 025 en 1932 nr. 027.])
In andere gevallen werd de benzine- of petroleumtank in de bodem onder de vloer van de garage aangebracht.

Reparatie van auto’s heeft in de bestaande smederijen (wagenmakerijen) plaatsgehad, die zich later gingen specialiseren tot autoreparatiebedrijven. Dat garages brandgevaarlijk waren bleek al snel. In 1928 brak brand uit in de garage van de Firma Stutvoeten Van Dooren in de Graafschap. Een jaar later ontstond brand in de garage van Jonkers in de Hofstraat.324 [324. Zie noot 145.])

Geluid- en stankoverlast werden enkele malen genoemd als bezwaren tegen de oprichting van een autoreparatiebedrijf. In 1930 schreef de Directeur Gemeentewerken in een rapport aan B. en W.:
          ‘Het is natuurlijk niet prettig, als men naast zijn woning een
          garage krijgt, dit vooral vanwege het lawaai en de lucht van
          benzine en afgewerkte gassen.’325 [325. Hinderwetdossier 1930 nr. 005.])

3.3.11. Diverse ambachten.

Rauw dierlijk vet afkomstig uit slagerijen werd verwerkt in een vetsmelterij. Het vet werd in grote ketels gesmolten en diende als grondstof bij de produktie van kaarsen.326 [326. Zie noot 3, blz. 105-106.])
In 1905 werd er in de Olieslagersteeg een vetsmelterij opgericht.
Door vijf bezwaarmakers werd echter gewezen op het ‘…(brand)gevaar waartoe het vetsmelten aanleiding geeft…’. Men verwachtte ook ‘walgelijke uitdampingen’ die huizen in de buurt onbewoonbaar zouden maken. De Olieslagersteeg was zo nauw dat de vetlucht gemakkelijk tussen de huizen kon blijven hangen.327 [327. Hinderwetdossier 1905 nr. 028.])

Huiden werden ter conservering gezouten en in leerlooierijen verder bewerkt. Veel huiden werden via Zwolle naar het buitenland verhandeld.328 [328. Zie noot 138, blz. 68-69.])
In één geval werd bezwaar aangetekend tegen de oprichting van een huidenzouterij. Omwonenden verwachtten hinder van de stank te zullen ondervinden en schade aan de gezondheid doordat ‘vliegen, muggen, ratten en muizen’ allerlei bacteriën zouden overbrengen.
Ook waardevermindering van de woning werd als bezwaar genoemd.329 [329. Hinderwetdossier 1931 nr. 016.])

|pag. 78|

Tegen de oprichting van een verfmalerij in de Oudestraat door Poortenaar had Kolleman bezwaren. Hij verwachtte een groter brandgevaar en overlast door verflucht.330 [330. Hinderwetdossier 1930 nr. 031.])

In twee trijpfabrieken werden door Groebitz en Gallé velours gefabriceerd. De trijpfabriek van Gallé was tevens ingericht als weverij, kerverij, drukkerij en volmolen. Kampen kende aan het einde van de negentiende eeuw ook nog twee touwslagerijen, die van Wed. Assen en Buisman. Deze vier inrichtingen hadden een vergunning ingevolge het KB van 1824. Bij het inwerking treden van de Hinderwet hoefden de eigenaars geen nieuwe vergunning aan te vragen. Welke vormen van overlast deze inrichtingen veroorzaakten is niet bekend. In 1889 werd alleen door Gallé van stoomkracht gebruik gemaakt.331 [331. Nijverheidsstatistiek (zie noot 44). Zie noot 64, artikel 29.])

Drie bezwaarmakers probeerden de oprichting van een confectiefabriek in de Boven Nieuwstraat te voorkomen. Men vermoedde overlast te zullen ondervinden door ‘lawaai, stinkende dampen en trillingen’. Brandgevaar en schade door een hogere assurantiepremie werden ook als bezwaren genoemd.332 [332. Hinderwetdossiers 1908 nr. 005 en 1921 nr. 034.])
Kampen kende tenslotte nog vier andere inrichtingen waartegen geen klachten en bezwaren werden geuit: een chemische stoffenververij, een porceleinfabriek, een papierwarenfabriek en een schoenmakerswerkplaats.

|pag. 79|

3.4. Industrieën

Er zijn 59 hinderwetdossiers die betrekking hebben op industriële inrichtingen in de binnenstad van Kampen gedurende de onderzoeksperiode. De meeste dossiers betreffen de Zuivelfabriek in de Graafschap (zie bijlage 10).

3.4.1. Zuivelindustrie

Met de intrede van de fabriekmatige bereiding van zuivelprodukten kwam een einde aan de verwerking van melk tot boter en kaas op de boerderij.

Voor de oprichting van een zuivelfabriek was op grond van de Hinderwet aanvankelijk geen vergunning vereist. Ten tijde van de invoering van de Hinderwet in 1875 bestonden er in Nederland nog geen zuivelfabrieken. Eerst nadat zuivelfabrieken werden opgericht kwam de wetgever met maatregelen.
Rond de eeuwwisseling stelden diverse inspecteurs van het Geneeskundig Staatstoezicht de Minister van Binnenlandse Zaken voor om zuivelfabrieken onder de bepalingen van de Hinderwet te brengen.
De inspecteurs constateerden bij deze fabrieken water- en luchtverontreiniging.333 [333. Zie noot 14, blz. 131.])

In 1890 verlangde Kuperus van B. en W. een hinderwetvergunning voor het oprichten van een zuivelfabriek in de Graafschap.
Omwonenden eisten dat op de schoorsteen een rookverbrandingsinstallatie zou worden aangebracht. Kuperus vond dit te kostbaar en voorzag geen problemen als de schoorsteen 20 meter zou worden.
De omwonenden waren tevens beducht voor de ‘…hoogst onaangenaam riekende dampen van de kaas…’, maar Kuperus verzekerde dat deze angst ongegrond was.334 [334. Hinderwetdossier 1890 nr. 076.])
De zuivelfabriek werd in 1892 met een tweede stoomketel uitgebreid.335 [335. Hinderwetdossier 1892 nr. 016.]) Bolleman werd directeur van de fabriek, die hij later overdeed aan een veehoudersvereniging. De zuivelfabriek kreeg toen de naam: ‘De Nederlandsche Zuivelfabriek ‘De IJssel’’.
In mei 1918 ging de zuivelfabriek in vlammen op. Artikel 14 lid 3 van de Hinderwet bepaalde dat na verwoesting van een inrichting als gevolg van de aard of het gebruik maken van die inrichting, voor herbouw een nieuwe vergunning moest worden aangevraagd.
Dit artikel was echter op de zuivelfabriek niet van toepassing.
De Commissaris van Politie zag namelijk geen aanleiding te veronderstellen dat de brand het gevolg was van de aard of het gebruik van de fabriek. Een paar bosjes heide, die als aanmaakmiddel dienden, lagen te dicht bij de oven en hadden ’s nachts vlam gevat. Niettemin werd in 1920 voor de herbouw van de verbrande fabriek een nieuwe hinderwetvergunning aangevraagd.336 [336. Hinderwetdossier 1920 nr. 001. Zie noot 64, artikel 14 lid 3.])

De ‘nieuwe’ zuivelfabriek bracht voor buurtbewoners jarenlang overlast teweeg. In 1923 schreven 52 omwonenden een brief aan B.

|pag. 80|

en W. met het verzoek maatregelen te nemen om de overlast door roetuitstoot weg te nemen. Eén van deze omwonenden was Bolleman, de voormalige directeur van de fabriek. Bolleman benutte elke mogelijkheid om aan te tonen dat de zuivelfabriek overlast veroorzaakte. Volgens hem diende men regelmatiger de schoorsteen te vegen.
Ook de Directeur Gemeentewerken meende dat roetoverlast veroorzaakt werd door vuile rookkanalen. Het gemeentebestuur verzocht de directie van de zuivelfabriek de schoorsteen regelmatiger te laten reinigen.337 [337. Hinderwetdossier 1923 nr. 018.])
De directie van de zuivelfabriek liet de schoorsteen verhogen tot 40 meter, mede omdat een hogere schoorsteen vier- tot vijfduizend gulden per jaar zou besparen op het kolenverbruik.338 [338. Hinderwetdossier 1923 nr. 050.])
Ondanks de hogere schoorsteen bleef overlast door de uitstoot van roet bestaan. De zaak kwam daardoor onder de aandacht van de Openbare Gezondheidscommissie. In 1926 vermoedde de Gezondheidscommissie dat er sprake was van ‘onoordeelkundig stoken’.339 [339. Zie noot 202, Verslag over 1926.])
De directie van de zuivelfabriek liet een onderzoek naar de roetoverlast instellen. De directe aanleiding was een klacht van 37 omwonenden over ‘scherpe cokes- en aschdeeltjes’ die neervielen op huizen in de De la Sablonièrekade en de Molenstraat.
Het onderzoek naar de roetoverlast werd uitgevoerd door de ‘Vereeniging van gebruikers van Stoomketels’ te Amsterdam. Deze kwam tot de conclusie dat de roetoverlast niet door de schoorsteen van de zuivelfabriek maar door andere schoorstenen in de omgeving werd veroorzaakt.
De Openbare Gezondheidscommissie liet zich hiermee niet overtuigen, en pleitte voor het monteren van een ‘vliegaschvonkenvanger’ op de schoorsteen. Een vliegasvonkenvanger diende om asdeeltjes af te vangen voordat deze door de schoorsteen verdwenen. Het was een constructie die onder aan een schoorsteenpijp werd gemetseld. Met diverse folders probeerde de fabrikant de Gezondheidscommissie van het nut van de vonkenvanger te overtuigen. In wetenschappelijke kringen werd de waarde ervan echter betwijfeld.340 [340. Zie noot 202, Verslag over 1927.])

In 1929 stuurde één van de omwonenden van de zuivelfabriek, tevens lid van de Gezondheidscommissie, een doosje met vliegas naar de Inspecteur van de Volksgezondheid. Hij had dit vliegas op zijn zolderkamer verzameld en wilde de Inspecteur nogmaals wijzen op de roetoverlast die de zuivelfabriek teweeg bracht. Totdat de fabriek in 1933 in verband met uitbreiding verhuisde naar de IJsseldijk bleef deze kwestie een rol spelen.341 [341. Zie noot 202, Verslag over 1929.])

Een ander punt, dat door de Openbare Gezondheidscommissie werd bestudeerd, was de stankoverlast die de zuivelfabriek veroorzaakte en die het gevolg was van het verrotten van melkprodukten in te nauwe riolen.342 [342. Hinderwetdossiers 1920 nr. 001 en 1929 nr. 012.])
In 1926 schreef de Gezondheidscommissie in haar verslag:
          ‘Sedert enkele jaren loost deze fabriek haar afvalwater op den
          Burgel. Dezen toestand achten wij minder gewenscht, vooral
          wanneer de sluizen van den Burgel gesloten zijn. Aan B. en W.
          is geadviseerd, zoo mogelijk, dezen toestand te verbeteren.’343 [343. Zie noot 202, Verslag over 1926.])

|pag. 81|

Een jaar later bleek dat er geen maatregelen op dit terrein waren genomen:
          ‘…wordt de Burgel in ernstige mate door het afvalwater dezer
          fabriek verontreinigd, zoodat het spoedig gaat stinken…’344 [344. Zie noot 202, Verslag over 1927.])

Het water uit de Burgel werd via een rioleringsgemaal aan het Bolwerk geloosd op de IJssel. Het afvalwater van de zuivelfabriek legde een lange weg door de stad af voordat het in de IJssel terecht kwam.
De directie van de zuivelfabriek schreef de stank in de Burgel echter niet toe aan het afvalwater van de fabriek, maar aan de ‘closets’ die erin geleegd werden. B. en W. lieten zich niet overtuigen en verzochten de fabriek het lozen op de Burgel te staken en het afvalwater en de niet benutte melkbestanddelen via een riool in de Molenstraat rechtstreeks op de IJssel te lozen.345 [345. Hinderwetdossier 1929 nr. 012.])

In 1950 waren de kademuren van de Burgel zodanig in verval geraakt dat B. en W. een commissie benoemden die moest onderzoeken of het gezien de kosten nog wel verantwoord was om de muren te herstellen, of dat men beter tot demping over kon gaan. Een aantal leden van de Burgelcommissie nam zitting in een subcommissie die zich speciaal met hygiënische kwesties rond de Burgel ging bezighouden.
De Burgelkwestie genoot bij de bevolking veel belangstelling.
Het Kamper Nieuwsblad vroeg haar lezers om hun mening omtrent het eventueel dempen van de Burgel. Voorstanders van demping wezen op de ‘vieze lucht’ die uit de Burgel kwam. Een tegenstander, die al 25 jaar aan de Burgel woonde, verklaarde echter: ‘Rieken doet de Burgel sinds lang niet meer’.
De subcommissie Hygiëne sloot zich bij het laatste aan en vond het stankprobleem van de Burgel achterhaald. Het geeft echter te denken dat zij in een vrij beknopt verslag zeer uitgebreid stilstond bij de manier waarop stank ervaren kon worden:
          ‘Rottingslucht kan zich voordoen, b.v. ten gevolge van een
          rottend cadaver. Dit kan gevaar opleveren, en we komen daarop
          nader terug. Maar men vergist zich wanneer men meent dat de
          daarvan uitgaande vieze lucht als zodanig ziekte kan veroorzaken.
          Wij hebben hier van doen met de vrees voor de zogenaamde kwade
          dampen, waarvan nog vele mensen menen dat zij zeer schadelijk
          zijn voor de gezondheid. Deze opvatting, die voor plm. 100
          jaar ook onder de toenmaals deskundigen heerste, bestaat nog
          bij een aanzienlijk deel van de bevolking.
          Men meende dat allerlei ziekten, waarvan men de eigenlijke
          oorzaak niet doorgrondde, veroorzaakt werden door dampen die
          uit aarde en water opstegen. Het waren de destijds zeer
          beruchte en gevreesde miasmatische en tellurische invloeden,
          die men aansprakelijk stelde voor typhus, cholera, griep en
          nog andere aandoeningen.

|pag. 82|

          Een verder doordringen in het wezen dier ziekten heeft echter
          andere oorzaken aan het licht gebracht, en onder de huidige
          deskundigen is er wel niemand meer die aanneemt dat zij door
          inademing vanuit de dampkring ontstaan.346 [346. Zie noot 207.])

Of het gemeentebestuur in de jaren twintig maatregelen heeft genomen om vervuiling van het IJsselwater door de zuivelfabriek tegen te gaan, is niet direct aan te tonen.
De nationale overheid toonde toen wel aandacht voor de verontreiniging van oppervlaktewater. In 1920 werd het Rijksinstituut voor Zuivering van het Afvalwater opgericht. Dit gebeurde nadat gebleken was dat het oppervlaktewater ernstig verontreinigd werd door afvalwater van fabrieken. De inspecteuren van de Volksgezondheid, die belast waren met de hygiëne van water, bodem en lucht, constateerden dat deze verontreiniging gevaren opleverde voor de gezondheid en schadelijk was voor de visserij. Vooral dit laatste argument speelde een rol bij de oprichting van het Instituut.
Het was dan ook de Minister van Arbeid die in 1921 per brief de gemeentebesturen verzocht om in het kader van de Hinderwet maatregelen te nemen om de verontreiniging van het oppervlaktewater tegen te gaan. De minister verzocht de gemeentebesturen om advies in te winnen bij de Inspecteur van de Volksgezondheid, voordat een hinderwetvergunning werd verstrekt aan een aantal met name genoemde inrichtingen. Zuivelfabrieken kwamen ook op dit lijstje voor.
Het nemen van maatregelen in het kader van de Hinderwet om de lozing van afvalwater te reguleren was een belangrijke stap op weg naar milieuwetgeving. Het besef drong door dat de vervuiling van industriële ondernemingen niet alleen de directe omgeving van een inrichting betrof.
De benadering van de wetgever was nog strikt vanuit menselijke belangen gericht. De aandacht van de overheid ging uit naar de inkomsten van vissers en de gezondheid van de mens. Van maatregelen die werden genomen om deze belangen te beschermen ging echter wel een belangrijke milieubeschermende werking uit.

Het gemeentebestuur van Kampen heeft van het verzoek van de minister kennis genomen. De originele brief werd tussen de dossiers aangetroffen (zie bijlage 11) en in de marge stond genoteerd: ‘opleggen nieuwe voorwaarden bestaande vergunning’.347 [347. Zie noot 64, blz. 233—234.])

Rondom de zuivelfabriek werd vooral gedurende de zomer door buurtbewoners stank waargenomen. De stank werd veroorzaakt door tonnen met wei (een zoet bijprodukt van de kaasbereiding) als deze tonnen niet met deksels werden afgesloten. Omwonenden ondervonden niet alleen overlast van stinkende weitonnen maar werden tevens geconfronteerd met een ‘vliegenplaag’.
Stank ontstond ook doordat met melkprodukten werd gemorst. Volgens Bolleman kon men niet volstaan met het afspoelen van de fabrieksvloer met water. Hijzelf had, toen hij nog directeur was, iedere zaterdag de fabriek en de terreinen laten boenen met

|pag. 83|

chloorkalk, volgens zijn zeggen een ‘uitstekende kiemendoder’.
Chloorkalk had een sterk prikkelende geur en tastte metalen aan, maar het was een goedkoop ontsmettingsmiddel dat niet schadelijk was gebleken voor planten.348 [348. Hinderwetdossier 1923 nr. 018. Zie noot 93, blz. 37.])

Tenslotte wezen bezwaarmakers nog op het ‘geraas en gedreun’ als gevolg van de stoommachine, die de fabriek in werking had. De bewoners brachten in 1920 naar voren dat hun woningen door de oude fabriek ‘vrijwel onbewoonbaar’ waren geworden. Door de trillingen van de stoommachine zouden reeds enkele muren zijn gescheurd en verzakt. Bolleman voorzag hierdoor problemen met zijn huurders. Het bleek moeilijk vast te stellen of de scheuren in de muren het directe gevolg was van het trillen van de stoommachine.
Na inspectie bleek dat sommige muren ook door ouderdom gescheurd konden zijn.349 [349. Hinderwetdossiers 1920 nr. 001; 1920 nr. 032; 1922 nr. 023; 1923 nr. 035; 1923 nr. 044.])
Aan de overlast van de zuivelfabriek voor bewoners van de Molenstraat en De la Sablonièrekade kwam eerst een einde toen de fabriek verhuisde naar de IJsseldijk.350 [350. Don, J., Kampen in oude ansichten (Zaltbommel 1967), blz. 23.])

3.4.2. Chemische Industrie

Aan het einde van de negentiende eeuw bouwde men chemische fabrieken bij voorkeur in verlaten gebieden. Meestal kon een industrieel zich zo’n lokatie niet veroorloven.351 [351. Zie noot 5, blz. 350.])
In 1905 nam Roelofsz de gebouwen van de stoomstroopapierfabriek aan de IJsselkade van Kalff over en vestigde hierin een magnesiumfabriek. De N.V. Chemische Fabriek ‘Kampen’ produceerde magnesia carbonica, magnesia usta, carbonas natricas (dubbele koolzure soda) en ook gegolfd karton. De grondstoffen werden door Roelofsz geïmporteerd uit de Balkanlanden, terwijl het grootste deel van de produktie voor de export was bestemd. De chemische stoffen werden gebruikt in de geneesmiddelenindustrie en voor de fabricage van drukinkt.

     Advertentie van de N.V. Chemische Fabriek Kampen uit 1925.352 [352. Alta (zie noot 40), blz. 110.])

|pag. 84|

In 1907 ontstond brand op de zoldervloer boven de stoomketel waardoor belangrijke bedrijfsschade werd veroorzaakt.353 [353. Kamper Courant, 3 maart 1907.])
Bij de herbouw van de fabriek stemden B. en W. ermee in dat de schoorsteen 10,5 meter hoog zou worden in plaats van de aanvankelijk vastgestelde 20 meter. Voor Roelofsz betekende dit een belangrijke kostenbesparing.354 [354. Hinderwetdossier 1907 nr. 011.])
Herhaaldelijk klaagden omwonenden van de magnesiumfabriek over het ‘neervallend gruis’ uit de schoorsteen van de fabriek. De mondelinge klachten werden geuit zowel aan het adres van de directie van de fabriek als ten overstaan van B. en W..
In 1927 ontvingen B. en W. een schriftelijke klacht, ondertekend door 76 omwonenden van de chemische fabriek:

Aan Den Weledele Heeren
Burgemeester en Wethouders
der Gemeente Kampen
 
Onder geteekenden verklaren allen veel Hinder te hebben van het Magnesia fabriek gelegen IJsselkade 88.
 
Omreden er met fijne soort kolen gestookt word met aanjagen er onder zoodat dat fijne goed allemaal uit de schoorsteen komt en hier de heele buurt en de straten er mede bedekt zijn er kan geen melk genomen worden of Brood gehaalt worden of het zit vol en veel last met de oogen en geen raam hopende kunnen zetten om eens te luchten of alles zit in huis vol en er al vaak over geklagt te hebben aan de fabriek maar er word niets aan gedaan.
 
Zo doende vragen wij allen beleeft of daar geen verandering in kan komen omreden het geen doen meer is om in deze buurt te Wonen.
 
Hoogachtend
 
w.g. P. Reumer en 75 anderen

De Directeur Gemeentewerken vond deze klacht gegrond. Hij zag de oorzaak in het gebruik van andere brandstoffen dan de voorgeschreven cokes, en het feit dat de schoorsteen van de Chemische Fabriek te laag was.
Een onderzoek werd ingesteld naar het teergehalte van de brandstof die gebruikt werd. Daarop besloot het gemeentebestuur de bepaling dat alleen op cokes gestookt mocht worden te handhaven.
Roelofsz werd verzocht zich voortaan aan de voorwaarden te houden. Dat de schoorsteen te laag bleek, kon het gemeentebestuur alleen zichzelf verwijten.355 [355. Hinderwetdossier 1927 nr. 019.])

|pag. 85|

3.4.3. Meubelindustrie

In meubelindustrieën onderging ruw hout diverse fysische en chemische bewerkingen. Het hout werd geschild, gedroogd en eventueel door middel van impregnatie geconserveerd. Verdere bewerking bestond uit zagen, schaven, frezen, lijmen, beitsen, logen en lakken. Na de Eerste Wereldoorlog werd de meubelindustrie op grote schaal gemechaniseerd.356 [356. Zie noot 219, blz. 123.])
Kampen kende verscheidene meubelfabrieken. Door de Firma Engelen werden in de Blauwehandsteeg (hoek Oudestraat) aan het einde van de negentiende eeuw al meubels gefabriceerd. In 1912 vroeg de bedrijfsleider van de naam NV Kamper Stoommeubelfabriek een vergunning aan voor uitbreiding van de fabriek. Vijf bezwaarmakers verschenen op de zitting om tegen de uitbreiding te protesteren.
          ‘…veel hinder en tevens schade wordt ondervonden door het gedreun
          en geraas, veroorzaakt door de zaagmachine, dit gedreun
          is zoo erg, dat de gloeikousjes in hunne woningen aanhoudend
          stuk zijn, en enkele zelfs hun gaslamp hebben moeten vastbinden,
          dikwijls toch wordt tot 9, ja zelfs tot 10 uur
          ‘s avonds gewerkt. Door de uitbreiding met een paar arbeids-
          werktuigen zal het geraas en gedreun wederom verergerd worden.
          Buitendien is de inrichting, waarin … 50 man werken,
          gelegen aan de 2 meter breede Blauwehandsteeg waardoor al het
          te verwerken hout moet vervoerd worden.’

De vergunning werd wel verleend, maar met een proeftijd van één maand. Wanneer een proeftijd werd verleend betrof deze meestal de periode van een half of één jaar. De korte proeftijd duidt erop dat het gemeentebestuur er niet helemaal zeker van was dat door het stellen van voorwaarden de overlast tot een aanvaardbaar niveau beperkt kon worden.357 [357. Hinderwetdossier 1912 nr. 011.])
Een andere meubelfabriek, die van Fa. Biesterbos en Van Dijk, lag op de hoek van de Kerksteeg en de Boven Nieuwstraat. Rond 1925 kreeg deze fabriek de naam ‘NV Kamper Electrische Meubelfabriek’.
Zij brandde in december 1926 geheel af. Grote voorraden hout zorgden voor een ‘ernstigen uitslaanden brand’ waarbij ook belendende woningen (water)schade opliepen.358 [358. Zie noot 145.])
Omwonenden probeerden de wederopbouw van de fabriek te verhinderen, zo blijkt uit de volgende aantekening van een journalist:
          ‘Ook in het voorjaar van 1925 … is in deze fabriek al een
          brandje geweest. Ook daarom is er enige onrust in de buurt en
          wil men trachtten een heropbouwen, mocht daartoe op dezelfde
          plek worden besloten, op grond van de Hinderwet tegen te
          houden. Wat dus te meer ten nadele zou komen van hen die hun
          werk en hun geld aan deze onderneeming hebben gegeven.’359 [359. Kamper Courant, 29 december 1926.])

De journalist signaleerde hiermee een probleem waarvan B. en W. zich ook bij de besluitvorming rekenschap moesten geven. Enerzijds waren er de belangen van omwonenden, die zich onveilig zouden voelen wanneer de meubelfabriek werd herbouwd. Anderzijds waren er de belangen van de meubelfabrikant die aan een aantal

|pag. 86|

kostwinners werk kon garanderen in een tijd van werkloosheid.
Op de zitting verschenen vijf bezwaarmakers. Behalve een groter brandgevaar werden nog als bezwaren genoemd: geluidsoverlast door de cirkelzaag, overlast van stof, een hogere brandassurantiepremie, waardedaling van de woning en het scheuren van muren door trillingen.360 [360. Hinderwetdossier 1928 nr. 011.])
Biesterbos en Van Dijk kregen toch een hinderwetvergunning. Uiteindelijk speelden industriële belangen in verband met werkgelegenheid voor het gemeentebestuur van Kampen een grotere rol dan het welzijn van een aantal stedelingen. Dit geldt in zijn algemeenheid voor de hele onderzoeksperiode. Zo werden in de periode 1904-1933 door het gemeentebestuur 434 hinderwetvergunningen verleend, terwijl er slechts 15 werden geweigerd.361 [361. Nieuw Archief Gemeente Kampen, Archief van het stadsbestuur 1813-1933; 2882-2888; Agenda met klapper op de hinderwetvergunningen 1904-1933.])

Dat er in de krant aandacht werd besteed aan onrust onder de bevolking in verband met de werderopbouw van de meubelfabriek is een opmerkelijk gegeven. Slechts sporadisch werd er geschreven over overlast door economische bedrijvigheid. Men kan hieruit echter niet de conclusie trekken dat verstoring van het leefklimaat door economische bedrijvigheid in de belevingswereld van tijdgenoten geen grote rol speelde. Er werd eenvoudig niet over dit thema geschreven.
In een besloten gemeenschap als dat van Kampen van vóór de Tweede Wereldoorlog was de krant niet de belangrijkste bron van nieuwsfeiten. Volgens het rapport van de opperbrandmeester was ‘half Kampen’ getuige van de brand bij Biesterbos en Van Dijk. Toch werd aan de brand van december 1926 met slechts enkele regels aandacht besteed. Wat in het dagelijks leven werd meegemaakt hoefde niet gepubliceerd te worden.
Kranten werden voornamelijk gevuld met buitenlands nieuws, handelsberichten, feuilletons, advertenties en later ook sport.
Naarmate de beslotenheid van de gemeenschap afneemt ziet men in nieuwsbladen een toename aan plaatselijke nieuwsberichten.

In 1932 was Meulenbelt van plan op de hoek van de Marktgang en de IJsselkade een meubelfabriek op te richten. De gebruikelijke bezwaren werden naar voren gebracht. Een nieuw bezwaar was dat de electromotor de radio-ontvangst zou verstoren.
Omwonenden wezen er op dat Meulenbelt al enige malen brand had op andere lokaties. Volgens de Directeur Gemeentewerken mocht dit geen reden zijn om een vergunning te weigeren. Meulenbelts fabriek ‘De Eendracht’ kwam er toch, ondanks het feit dat de Directeur Gemeentewerken niet gelukkig was met de lokatie.362 [362. Hinderwetdossier 1932 nr. 007.])

3.4.4. Machinefabrieken

Aan de Bovenhavenstraat stond de Machinefabriek ‘De IJssel’, gespecialiseerd in de produktie van smeedijzeren riemschijven. In de fabriek werden ook constructiewerken en reparaties aan stoommachines verricht. Klandizie had men in het gehele land. Men vierde in 1926 het 25-jarig bestaan van ‘De IJssel’, maar de

|pag. 87|

eerste hinderwetvergunning die op deze fabriek betrekking had dateert al van 1885.
Tegen de uitbreidingen van de fabriek met stoommachines, een ijzergieterij en dergelijke werden geen bezwaren ingebracht. In 1910 werd de vergunning om een stoomfluit te gebruiken door B. en W. ingetrokken.
Een stoomfluit diende om aan te geven dat de druk in de ketel te hoog was opgelopen. Omwonenden hadden over het ‘gillende geluid’ geklaagd. Vermoedelijk speelde bij de klachten een rol dat het geluid zeer onverwacht en zonder regelmaat kwam. Buurtbewoners werden op verschillende momenten van de dag door de fluit opgeschrikt. Meer nog dan omwonenden zullen ruiters, koetsiers en de cavallerie de fluit verwenst hebben aangezien het gegil van de fluit paarden op hol deed slaan.
Opmerkelijk is dat eerst na 25 jaar klachten van omwonenden over de stoomfluit hebben geleid tot het verbieden van de fluit. Dit gegeven kan wijzen op een aanpassing van de tolerantiegrenzen, een bijstelling van de norm ‘hinder’ uit artikel 11 van de Hinderwet. Mogelijk is het gemeentebestuur eerst aan de wensen van omwonenden tegemoet gekomen nadat een minder hinderlijk alternatief voor de stoomfluit voorhanden gekomen was.363 [363. Hinderwetdossier 1910 nr…… Vergelijk met Petersen (zie noot 135), blz. 70).])

3.4.5. Scheepswerven

Kampen kende in 1889 drie scheepswerven. De scheepswerf van Van Goor aan de Buitenkade bij de Buitenhaven was tevens een mastenmakerij.364 [364. Nijverheidsstatistiek (zie noot 44).])
Het voornemen van Van Goor om zijn scheepswerf met een stoomketel uit te breiden stuitte op grote weerstand bij omwonenden. Diverse bezwaarmakers verwachtten geconfronteerd te worden met gevaar, schade en hinder als gevolg van de uitbreiding.
Het gevaar, dat men verwachtte, betrof de rookdamp die schadelijk werd geacht voor de gezondheid. Vooral bij zuidwestelijke winden zou smook het regenwater kunnen bederven dat ‘…zoo al niet door allen, dan toch door sommige gezinnen wordt gedronken, wijl het welwater onbruikbaar is’. De rookdamp zou neerslaan op de daken van belendende gebouwen om aan de dakpannen te blijven kleven. De dakpannen hadden van de roetaanslag zwaar te lijden.
De eerstvolgende regenbui spoelde weliswaar de daken weer schoon, maar het regenwater dat in tonnen werd verzameld zou door het meegespoelde roet ondrinkbaar worden.

Door de ‘benaauwende lucht’ zou men de kamers niet meer kunnen luchten, waardoor delen van de woning ongeschikt konden worden voor bewoning. Het luchten van kamers was van groot belang.
Bedompte lucht en geuren in huis werden in verband gebracht met ziekte. Frisse lucht associeerde men met zedelijkheid en fatsoen.
Men moest daarom voorkomen dat er in huis stank ontstond of de lucht lange tijd niet werd ververst.365 [365. Zie noot 211, blz. 207-224. Zie noot 108, blz. 581.])

|pag. 88|

Omwonenden ondervonden hinder als gevolg van de bestaande stoomketel:
          ‘…wanneer de tegenwoordige ketel werkt, de uitwerking daarvan
          op een afstand van zes meter wordt waargenomen, zoodat het
          op dien afstand staande hek aan de wegzijde schudt’.366 [366. Hinderwetdossier 1885 nr. 021.])

Tegen andere uitbreidingen van de scheepswerf (onder anderen met een scheepsdwarshe11ing en een smederij) werden geen bezwaren ingebracht.

3.4.6. Gasfabrieken

Vanaf ongeveer 1850 werden in verscheidene gemeenten in Nederland gasfabrieken gebouwd. In gasfabrieken werd lichtgas gewonnen door zonder toevoeging van lucht steenkool te verhitten.
Door verhitting van steenkool (distillatie) ontstonden gassen en dampen, terwijl cokes en grafiet als vaste stoffen overbleven.
Deze gassen en dampen konden niet zonder meer als lichtgas gebruikt worden. Ze moesten eerst gezuiverd worden van zwavelwaterstof en waterstofcyanide, die bij verbranding giftige stoffen opleverden. Daarnaast kwam er watergas, teer en naftaleen vrij.
Teer en naftaleen werden uit het ruwe gas gehaald omdat de gasleidingen er door verstopt zouden raken.
Uiteindelijk bleef lichtgas over, een mengsel van waterstof, methaan, ethaan, ethyleen, acetyleen, benzeendamp en koolstofmonoxide. Het gas werd in gashouders bewaard en via een buizennet gedistribueerd.367 [367. Zie noot 219, blz. 345-347.])
Steenkool en cokes waren vóórdat stadsgas werd geproduceerd de belangrijkste energiebronnen voor industriële inrichtingen. Rond 1889 gebruikten tien bedrijven in Kampen deze brandstoffen om stoomkracht op te wekken. ‘Zwaveligzuur’ (zwaveldioxine) dat bij de verbranding van steenkool en cokes vrijkwam had een nadeling effect op de plantengroei.368 [368. Zie noot 5, blz. 352.])

Bedrijf eigenaar aantal stoomketels totaal aantal pk
Drukkerij Van Hulst 1 1,8
Houtzagerij Erven Zwart 1 20
Gieterij Engelmann 1 4
Emaillefabriek Berk 1 5
Stroopapierfabriek Kalff 2 54
Fabriek voor Stoom- en andere werktuigen Penning 1 31
Trijpfabriek Gallé 1 5
Gasfabriek Gemeente Kampen 2 5,5
Sigarenfabriek Boele Jr. 1 9
Sigarenfabriek Hendriks 1 4.5
13 139,8

Inrichtingen in de binnenstad van Kampen die in 1889 gebruik maakten van stoomkracht.369 [369. Nijverheidsstatistiek (zie noot 44).])

|pag. 89|

De eerste gasfabriek in Kampen werd in 1854 op particulier initiatief opgericht aan De la Sablonièrekade, nabij de Koornmarktspoort. B. en W. verleenden een concessie voor 20 jaar. Er kwamen veel klachten over de gasfabriek, met name over de lage calorische waarde van het gas. De gemeenteraad besloot in 1871 zelf gas te gaan maken en te distribueren. De gasfabriek nabij de De la Sablonièrekade werd in 1874 gesloten. In datzelfde jaar begon de gemeente met de produktie van stadsgas in een fabriek aan het Bolwerk. De fabriek had een te geringe capaciteit om aan de steeds toenemende vraag naar gas te voldoen (zie bijlage 12).370 [370. Vlis, D. van der. Te gast bij gas. 100 jaar gemeentelijk gasbedrijf Kampen (Kampen 1974).])

De cijfers met betrekking tot de verkochte hoeveelheden gas per aansluiting laten zien dat de consumptie per aansluiting tussen 1875 en 1885 sterk is gestegen om daarna tot 1920 belangrijk te dalen. Deze ontwikkeling wijst er op dat bedrijven, toen stadsgas beschikbar kwam, gasmotors zijn gaan installeren en deze met de komst van electriciteit hebben vervangen door electromotoren; een ontwikkeling die ook aan de hand van het verlenen van hinderwetvergunningen gesignaleerd kan worden.
In 1906 verkreeg de gemeente van de provincie Overijssel een hinderwetvergunning voor het oprichten van een nieuwe gasfabriek aan het Bolwerk. Tegen het verlenen van de vergunning werden geen bezwaren ingebracht, terwijl toch duidelijk is dat men in de omgeving van een gasfabriek hinder ondervond van de constant aanwezige stank.371 [371. Hinderwetdossier 1906 nr. 013. Zie noot 5, blz. 353. Zie noot 295, blz. 31. ‘de altijd geurende gasfabriek’. Selles, A. Kampen in vroegere tijden (Kampen 1990), blz. 31, ‘De gasfabriek en de hele omgeving stonken geducht en er werd continu gewerkt’.]) De ‘Nieuwe Gasfabriek’ kwam in 1907 in bedrijf, maar kon na verloop van tijd slechts met moeite aan de opnieuw sterk gestegen vraag naar gas voldoen. In 1927 werd de fabriek uitgebreid en verbouwd. De nieuwe fabriek kreeg een schoorsteen van 45 meter.372 [372. Hinderwetdossier 1927 nr. 005. Selles (zie noot 371), blz. 31.])
De bouw van een nieuwe gasfabriek in 1907 heeft het invoeren van electriciteit in Kampen vertraagd. Van de bouw van een electriciteitscentrale werd afgezien. B. en W. hadden tonnen uitgegeven om de gasfabriek te moderniseren en waren bang dat de fabriek verliesgevend zou worden met de aanleg van een electriciteitsnet. Kampen kreeg eerst in 1920, via Zwolle, aansluiting op het electriciteitsnet.373 [373. Zie noot 370.])
De rol van stadsgas als energiebron voor licht en kracht nam na 1920 af maar stadsgas werd nog tot in de zestiger jaren in het huishouden gebruikt. Na de aanboring van het aardgasveld in 1959 en de aanleg van een aardgasnet werd van stadsgas op aardgas overgegaan.374 [374. Zie noot 219, blz. 353-354 en 371.])

|pag. 90|

3.5. Samenvatting en conclusies

Volgens artikel 11 van de Hinderwet konden alleen bezwaren ontleend aan vrees voor gevaar, schade of hinder tot het weigeren van een vergunning leiden.

Gevaarlijke situaties ontstonden daar waar de oprichting, uitbreiding of wijziging van een inrichting het brandgevaar in de buurt vergrootte of schadelijk was voor de gezondheid van omwonenden.
In hoge mate brandgevaarlijk waren meubelfabrieken, bakkerijen, sigaren- en mattendrogerijen, smederijen en garagebedrijven (zie bijlage 13). Tegen deze bedrijven werd verscheidene malen brandgevaar als bezwaar aangevoerd. Het brandrisico was vooral groot als de bedrijven slecht gehuisvest waren en in een brandgevaarlijke en dichtbevolkte buurt lagen. Een slechte huisvesting kwam geregeld voor bij bakkerijen en betrof vooral de bakkersovens, wanneer deze door generaties lang gebruik slijtage vertoonden.
Een groter brandrisico kende een omgeving als er opslagplaatsen van brandgevaarlijke stoffen en hooibergen van stadsboeren in de buurt voorkwamen. Een aantal keren brak ook werkelijk brand uit in de genoemde inrichtingen, zodat bezwaarmakers in hun vermoedens omtrent het gevaar bevestigd werden.
Vanwege gevaar voor de gezondheid kwamen omwonenden in opstand bij het oprichten van inrichtingen die men als ‘ziekteverwekkend’ omschreef. Bewaarplaatsen van lompen en beenderen vond men vanuit hygiënische overwegingen in een woonbuurt ontoelaatbaar. Dit speelde vooral aan het einde van de negentiende eeuw, toen men aan stank, die deze bewaarplaatsen veroorzaakten, het ontstaan van allerlei epidemische ziekten toeschreef.
Afgezien van het verspreiden van stank werden bewaarplaatsen van lompen en beenderen ook vanwege het aantrekken van ongedierte gevaarlijk gevonden. Ongedierte kon tevens worden aangetroffen bij slagerijen, waar omwonenden last hadden van ratten en vliegen die afkwamen op het slachtafval, waarmee door slagers niet altijd zorgvuldig werd omgegaan. Het gevaar school volgens bezwaarmakers in ziekteverwekkende bacterieën, die door dit ongedierte werd overgebracht.
Rook en roet van slagerijen, smederijen en de zuivelfabriek vervuilden de lucht zodanig dat het volgens omwonenden ongezond was deze in te ademen. Met rook en roet vervuilde lucht bedierf daarbij ook nog het regenwater dat aan het begin van de onderzoeksperiode nog als drinkwater werd gebruikt. De problemen ten aanzien van de gezondheid namen toe als omwonenden door neerslaande rook uit zulke bedrijven hun kamers niet meer konden luchten.
Kalkblusserijen en azijnfabrieken waren volgens bezwaarmakers gevaarlijk vanwege de kalk- en azijndampen die bij het blussen van kalk en de produktie van azijn vrijkwamen.
Geluidoverlast en trillingen, zoals bij smederijen, steenhouwerijen en houtzagerijen het geval kon zijn, vond men gevaarlijk wanneer ouden van dagen en personen met een zwak zenuwgestel hieraan blootgesteld zouden worden. Het gemeentebestuur heeft

|pag. 91|

enkele malen afwijzend beschikt op een verzoek in de buurt van het Stadsziekenhuis een bedrijf te mogen oprichten.

Schade werd geleden wanneer de oprichting, uitbreiding of wijziging van een inrichting voor omwonenden financiële gevolgen had, onroerend goed beschadigd werd, of opgeslagen goederen werden bedorven.
Financiële gevolgen ondervond men door waardevermindering van het onroerend goed en het vertrek van huurders. In de buurt van bewaarplaatsen voor lompen en beenderen, grutterijen, smederijen, garagebedrijven, meubelfabrieken en zuivelfabrieken noteerden woningen een lagere waarde. Luchtverontreiniging en geluidshinder van zulke bedrijven lieten omliggende panden in waarde dalen. De overlast kon van dien aard zijn dat huurders overwogen de huur op te zeggen wanneer zo’n bedrijf zich in hun buurt zou vestigen.
Schade aan onroerend goed ontstond veelal door trillingen waardoor muren verzakten en scheurden, zoals het geval was in de directe omgeving van steenhouwerijen, meubelfabrieken, een mineraalwaterfabriek en daar waar stoommachines waren geplaatst.
Naast trillingen kon schade aan onroerend goed plaatshebben door de uitstoot van roet, rook en stof. Luchtverontreiniging in deze vorm heeft dakpannen en het schilderwerk van woningen aangetast.
Een rooklucht kon opgeslagen goederen als hooi, papier en brood bederven. Partijen sigaren, tabak en ingemaakte groenten waren net zo kwetsbaar, maar dan in verband met petroleum- en benzinedampen. Roet en stof kon de schone was bederven, niet alleen van particulieren maar ook die van een wasbleker, die bang was voor inkomstenderving. Kalkstof en de uitstoot van rook uit een gloeioven werden schadelijk geacht voor planten.

Veruit de meeste bezwaren tegen het verlenen van hinderwetvergunningen golden bedrijven die voor de omgeving ‘hinderlijk’ waren. Hinder kon worden ondervonden door lucht- en bodemverontreiniging, trillingen, geluidoverlast, hitte en het aantrekken van ongedierte.
Luchtverontreiniging door rook, roet, stof, kwalijke dampen en stank werd bij bijna alle soorten inrichtingen als bezwaar naar voren gebracht. De grootste rook- en roetuitstoot had plaats bij de zuivelfabriek en de chemische fabriek, maar ook de vele vleesrokerijen hebben in belangrijke mate aan luchtverontreiniging bijgedragen.
Steenhouwerijen, kalkblusserijen, houtzagerijen en sigarenfabrieken waren verantwoordelijk voor overlast door stof. Stank -anders dan stank van rook- werd op de eerste plaats veroorzaakt door bergplaatsen van lompen en beenderen, gevolgd door slagerijen, de zuivelfabriek. In de buurt van deze inrichtingen kon -vooral in de zomer- een hinderlijke rottingslucht worden waargenomen. Bij gasfabrieken en azijnfabrieken zorgden diverse vrijgekomen gassen en dampen voor een speciale geur in de omgeving.
Bodemverontreiniging werd vooral door omwonenden van slagers als bezwaar naar voren gebracht. De verontreiniging bestond uit

|pag. 92|

faecale stoffen en urine van vee dat in de tuin van de slager werd gestald. Het grondwater raakte met meststoffen verontreinigd waardoor het pompwater ondrinkbaar werd. Planten wilden op een te sterk bemestte bodem niet meer groeien. Vervolgens werd bodemverontreiniging, in de vorm van petroleum en benzine, gesignaleerd bij garagebedrijven en tenslotte, in de vorm van kalkstof en rottende melkprodukten, bij kalkblusserijen en de zuivelfabriek.
Net als luchtverontreiniging werd geluidoverlast tegen bijna alle soorten inrichtingen als bezwaar naar voren gebracht. Veel geluidshinder werd veroorzaakt door houtzagerijen, meubelfabrieken en steenhouwerijen. Het moet, gezien de bezwaren tegen het verlenen van vergunningen, zeer onaangenaam zijn geweest om in de buurt van zulke bedrijven te wonen.
Ernstige geluidshinder deed zich ook voor bij grutterijen, smederijen en koperslagerijen. Lange werkdagen in zulke inrichtingen betekenden dat omwonenden slechts gedurende korte tijd van hun nachtrust konden genieten en overdag heel wat te verduren hadden.
Bij drukkerijen en stokerijen was de geluidshinder minder hevig maar voldoende reden voor omwonenden om bij vestiging, uitbreiding en wijziging bezwaren te maken. In diverse andere inrichtingen werd ook geluidoverlast veroorzaakt, zij het veelal niet bij voortduring. Bij slagers bestond de geluidshinder uit het loeien, blaten en knorren van vee. Bij bakkers werden omwonenden in de vroege ochtend geconfronteerd met het geluid van motors en machines die brooddeeg kneedden.
Hinderlijke trillingen deden zich voor bij steenhouwerijen, meubelfabrieken, drukkerijen en grutterijen en verder overal waar stoommachines geïnstalleerd stonden. De plaatsing van motors en machines speelde een grote rol. Trillingen werden vooral daar ondervonden waar machines op een verdieping waren geplaatst of verbonden waren met dragende constructies.

Het gebruik van stoommachines bezorgde omwonenden van een inrichting overlast in de vorm van rook en roet, lawaai en trillingen. Het maakte nog verschil waarmee gestookt werd: bij verbranding van steenkolen kwam veel meer roetoverlast vrij dan bij cokes, die een lager teergehalte hadden en reeds ‘ontgast’ waren. Om de overlast te beperken bepaalde het gemeentebestuur in enkele gevallen dat alleen cokes gestookt mochten worden. Het lawaai en getril van de stoommachine hebben omwonenden van een met stoomkracht gemechaniseerd bedrijf in tal van situaties als zeer hinderlijk ervaren.
Aan de groei van het stoomwerktuigenbestand kwam rond 1885 een einde door het in gebruik nemen van petroleum- en gasmotors.
Petroleummotors vond men voornamelijk bezwaarlijk vanwege de petroleumstank die deze motors verspreidden. Gasmotors veroorzaakten veel minder overlast voor omwonenden. In enkele gevallen werd het trillen van de motor en geluidoverlast als bezwaar aangevoerd. De plaatsing van gasmotors, daar waar voorheen stoommachines hadden gestaan, betekende dan ook een belangrijke verbetering van het leefklimaat in de buurt.

|pag. 93|

Met de gasmotor kwam een eenvoudig te bedienen krachtsbron beschikbaar, waardoor bedrijven, zoals drukkerijen, die niet konden functioneren met stoomwerktuigen, ineens wel de mogelijkheid hadden zich te mechaniseren. Het gunstige effect van de beschikbaarheid van gasmotoren op het leefklimaat werd door ruimere toepassingsmogelijkheden ten dele teniet gedaan. Daar waar ondernemers in staat waren met behulp van gasmotoren hun bedrijf te mechaniseren, heeft dit tot meerder (geluid)overlast geleid.
Toen in 1920 electriciteit als energiebron beschikbaar kwam werden op grote schaal gasmotors in bedrijven vervangen door electromotoren, die voor omwonenden nauwelijks hinderlijk waren.
Tegen de plaatsing van electromotoren bij bedrijven zijn zelden bezwaren naar voren gebracht.
De overlast die omwonenden van economische bedrijvigheid ondervonden stond dus in nauw verband met de soort energiebron die werd gebruikt. De vervanging van stoommachines door gas- en petroleummotors, die op hun beurt werden vervangen door electromotoren, heeft het leefklimaat in de buurt van bedrijven aanzienlijk verbeterd.

Hoe gevaarlijk, schadelijk en hinderlijk men bepaalde inrichtingen vond kan gemeten worden aan het aantal keren dat er bezwaren tegen het verlenen van een hinderwetvergunning naar voren werd gebracht (zie bijlage 14).
Het blijkt dat men de zuivelfabriek het meest bezwaarlijk vond.
In bijna alle gevallen protesteerden omwonenden tegen het verlenen van een vergunning voor uitbreiding van de zuivelfabriek.
Eveneens zeer bezwaarlijk vond men steenhouwerijen en bergplaatsen voor lompen en beenderen. Tegen het verlenen van een vergunning aan zulke inrichtingen werden bijna driemaal zovaak bezwaren naar voren gebracht als gemiddeld. Tegen vergunningen voor houtzagerijen, meubelfabrieken en azijnfabrieken en stokerijen werd ook vaker geprotesteerd dan bij andere soorten bedrijvigheid.
Opvallend is dat naar verhouding zeer weinig bezwaren werden geuit tegen het verlenen van hinderwetvergunningen voor sigarenfabrieken en drogerijen. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat zovelen voor hun werkgelegenheid van deze nijverheid afhankelijk waren.

Het ‘Inspectierapport Hinderwet’ van 1905 levert ons een compleet overzicht van het aantal inrichtingen met een hinderwetvergunning op één bepaald moment. Uit het rapport blijkt dat in 1905 101 hinderwetplichtige inrichtingen in de binnenstad gelegen waren.
De binnenstad telde toen 23 slagerijen, 20 sigarenfabrieken, 16 bakkerijen en 12 smederijen. Diverse andere inrichtingen kwamen in kleinere aantallen voor.
Gedurende de onderzoeksperiode veranderde de samenstelling van de hinderwetplichtige bedrijvigheid, waardoor veranderingen optraden in het leefklimaat in de binnenstad.
Zo nam het aantal koffiebranderijen na 1875 met enkele stuks toe, nadat het succes van enkele koffiebranders gebleken was.

|pag. 94|

Sigarenfabrieken, sigarendrogerijen en tabakskerverijen namen sinds 1875 sterk in aantal toe, samenhangend met gunstige afzetmogelijkheden. Drukkerijen profiteerden van de steeds grotere belangstelling voor het geschreven woord en groeiden eveneens in aantal. Garages werden eerst na 1920, nadat het autogebruik aan populariteit gewonnen had, in de binnenstad aangetroffen.
De toename in aantal van deze soorten bedrijvigheid had een nadelig effect op het leefklimaat in de binnenstad. Vooral de gevolgen van de opkomst van het automobilisme brachten meerder overlast teweeg. De toename van het aantal bedrijven had echter geen evenredige vergroting van overlast tot gevolg. In verband met de toepassing van nieuwe produktietechnieken en het in gebruik nemen van nieuwe energiebronnen waren diverse soorten bedrijvigheid aan het einde van de onderzoeksperiode veel minder hinderlijk voor omwonenden dan aan het begin.
Bij enkele soorten bedrijvigheid ziet men gedurende de onderzoeksperiode een afname in aantal. Mattendrogerijen treft men vooral aan het begin van de onderzoeksperiode aan. Van de 4-5 kuiperijen die Kampen rond de eeuwwisseling kende bleef er aan het einde van de onderzoeksperiode nog één over. De oorzaak van het verdwijnen van een aantal kuiperijen lag in de populariteit die vertind ijzerwerk en produkten van emaille genoten. Dit gold ook voor koper- en blikslagerijen, die eveneens gedurende de onderzoeksperiode in aantal afnamen.
In 1933 verdween door de realisatie van uitbreidingsplannen de zuivelfabriek ‘De IJssel’ uit het stadscentrum. Het leefklimaat in het zuidelijk deel van de stad werd hierdoor aanzienlijk verbeterd. Toen in 1935 een gemeentelijk slachthuis in gebruik genomen werd en de ruim dertig slagerijen in winkels veranderden, kwam dit ten goede aan het woongenot van tal van binnenstadbewoners.

|pag. 95|

CONCLUSIE

De doelstelling van deze scriptie was een bijdrage te leveren aan de kennis van het leefmilieu van onze voorouders. Momenteel verschijnen er tal van studies die te maken hebben met de geschiedenis van hygiëne en milieu. Aan de gevolgen van economische bedrijvigheid voor het milieu in het verleden is door historici nog niet veel aandacht besteed.
Lang vóór ons huidig milieubesef en zelfs lang vóór het industrialisatieproces hebben mensen overlast ondervonden van economische bedrijvigheid. Dit blijkt zowel uit klachten van tijdgenoten als uit maatregelen die de overheid tengevolge van deze klachten nam.
Gedurende de negentiende eeuw heeft een toename van overheidsbemoeienis plaats om de overlast die men van economische bedrijvigheid ondervond onder contrôle te houden. Reeds de naamgeving van de opeenvolgende wetgeving op dit terrein toont dit aan.
Deze betrokkenheid bij de bescherming van het leefklimaat tegen diverse vormen van overlast resulteerde uiteindelijk in 1875 in de inwerkingtreding van de Hinderwet. De wetgever beoogde door middel van een preventief vergunningstelsel de overlast van diverse bedrijven tegen te gaan.
Overlast van economische bedrijvigheid werd het sterkst ervaren in steden omdat daar het werken en wonen in ruimtelijke zin sterk verweven waren.

In Kampen speelde deze verwevenheid van werken en wonen te meer aangezien de stad tot na de Tweede Wereldoorlog nauwelijks mogelijkheden kende om zich buiten het eigenlijke stadscentrum uit te breiden en de binnenstad daardoor zowel een belangrijke woonfunctie als industriële functie bezat. Ik heb mij toen afgevraagd wat de aanwezigheid van diverse vormen van economische bedrijvigheid in de binnenstad van Kampen betekende voor het leefklimaat aldaar in de periode 1875-1940.

Allereerst heb ik voor een beter begrip van de situatie ter plaatse in Hoofdstuk 1 een schets gegeven van de sociaal-economische ontwikkeling van Kampen in deze periode. Aan de volgende punten die in het kader van het onderzoek van belang waren heb ik aandacht besteed:

  • de geografische ligging;
    omdat van het geografisch isolement waarin Kampen gedurende de onderzoeksperiode verkeerde nauwelijks aantrekkingskracht uitging naar ondernemers die een bedrijf wilden opzetten.
  • de bevolking;
    omdat de bevolking van Kampen gedurende de onderzoeksperiode slechts langzaam in omvang toenam en een groot vertrekoverschot er op wijst dat de situatie met betrekking tot het vinden van werk en geschikte woonruimte niet erg gunstig was en omdat de lage scholing van de Kamper arbeiders en hun mentaliteit slechts bedrijvigheid aantrok met een typisch ambachtelijk karakter.

  • |pag. 96|

  • de industriële ontwikkeling;
    omdat voor de werkgelegenheid de sigaren- en emailleindustrie gedurende de onderzoeksperiode van het grootste belang was terwijl ook andere vormen van bedrijvigheid in de binnenstad konden worden aangetroffen.
  • de ruimtelijke ontwikkeling;
    omdat Kampen zich gedurende de onderzoeksperiode niet op grote schaal buiten de stadswallen heeft uitgebreid waardoor men in de stad diverse vormen van economische bedrijvigheid moest toestaan zodat binnenstadbewoners met overlastveroorzakende bedrijven te maken kregen.

Vervolgens heb in in Hoofdstuk 2 aandacht besteed aan de administratieve ontstaansgeschiedenis van hinderwetbescheiden en de vraag of de Hinderwet een milieuwet genoemd mag worden.
Gezien de doelstelling van de wetgever kan de Hinderwet niet als milieuwet worden aangemerkt. De visie van Lintsen op dit vraagstuk is juist. Gelet op de effecten die de Hinderwet op het milieu had, zou men de Hinderwet het beste als proto-milieuwet kunnen omschrijven.
De effectiviteit van de Hinderwet, toegespitst op het toezicht van het gemeentebestuur op hinderwetplichtige bedrijven, kwam daarna aan de orde. Aalders en diverse andere auteurs gingen er van uit dat het met de uitvoering van de Hinderwet in de periode 1875-1952 slecht gesteld was, terwijl de werking en invloed van de Hinderwet in deze periode nog nooit is onderzocht.
Een onderzoek naar de hinderwetbescheiden in Kampen wees uit dat de wijze waarop het gemeentebestuur van Kampen toezicht hield op hinderwetplichtige bedrijven veel efficiënter is dan men op grond van uitspraken van Aalders en anderen zou vermoeden. Het toezicht was, zeker na 1904, naar behoren, getuige de maatregelen die het gemeentebestuur nam om de illegale oprichting van hinderwetplichtige bedrijven te achterhalen en naleving van de voorwaarden door vergunninghouders te controleren. Een comperatief onderzoek zou wellicht de rol van de specifieke lokale geaardheid in dit verband kunnen aantonen. Vast staat dat de gangbare mening omtrent de toepassing van de Hinderwet enige nuancering behoeft.
Aan het einde van Hoofdstuk 2 stelde ik de vraag of men op grond van de bewaard gebleven hinderwetvergunningen een bijdrage kan leveren aan de geschiedenis van (diverse vormen van) economische bedrijvigheid en haar gevolgen voor het leefklimaat, en zo ja, hoe.
Mijn aandacht ging vooral uit naar de opgetekende bezwaren, die omwonenden hadden tegen het verlenen van hinderwetvergunningen aan diverse inrichtingen. Er zijn argumenten aan te voeren voor zowel het objectieve als subjectieve karakter van de geuite bezwaren. De informatie uit de bezwaren is dan ook eerst bruikbaar, wanneer we bij onderzoek een kritische houding aannemen.
De bezwaren die tegen het verlenen van hinderwetvergunningen werden ingebracht geven een fragmentarisch beeld van het spanningsveld tussen economische bedrijvigheid en het welzijn van omwonenden. Wanneer de bezwaren gerangschikt worden naar soort

|pag. 97|

bedrijvigheid ontstaat in diverse gebeurtenissen een samenhang.

In Hoofstuk 3 zijn de diverse inrichtingen die in de onderzoeksperiode in de binnenstad van Kampen voorkwamen op deze manier behandeld. De vraagstelling hierbij luidde: Wat betekende de aanwezigheid van diverse vormen van economische bedrijvigheid voor het leefklimaat in de binnenstad van Kampen?

Ondanks het feit dat Kampen gedurende de onderzoeksperiode voor ondernemers niet erg aantrekkelijk was om een bedrijf te vestigen treft men in deze jaren in de binnenstad tal van soorten bedrijvigheid aan. Vooral de sigarenindustrie was van betekenis, maar ook andere bedrijvigheid maakten de binnenstad tot een plek waar het -gelet onze maatstaven- niet erg aangenaam wonen moet zijn geweest.
De bezwaren die tegen het verlenen van hinderwetvergunningen naar voren gebracht werden, hebben geleid tot meerder inzicht in het specifieke karakter van de overlast die onderscheiden bedrijven voor omwonenden teweeg gebracht hebben.
Hieruit blijkt dat lucht- en bodemverontreiniging, stank en geluidshinder door economische bedrijvigheid ruim honderd jaar geleden een negatieve uitwerking hadden op het leefklimaat in de stad.
Het leefklimaat verbeterde door de toepassing van andere energiebronnen binnen bedrijven, wijzigingen in de samenstelling van de bedrijvigheid in het stadscentrum en maatregelen van het gemeentebestuur. Gedurende de onderzoeksperiode heeft men de grenzen van het toelaatbare steeds bijgesteld en aangescherpt. Gelet op het belang van economische bedrijvigheid zag het gemeentebestuur bij het verlenen van hinderwetvergunningen zich keer op keer voor moeilijke keuzen geplaatst. Doordat eerst na de Tweede Wereldoorlog buiten de binnenstad een industrieterrein beschikbaar kwam hebben te Kampen, in vergelijking met andere steden, ten aanzien van de overlast van economische bedrijvigheid, lange tijd achterlijke toestanden bestaan.

|pag. 98|

BIJLAGEN

Bijlage 1.

Ontwikkeling van het aantal inwoners in de gemeente Kampen, 1851-1940.375 [375. Van Lanen (zie noot 18), blz. 165.])

Bijlage 2.
Overzicht van de ‘inrigtingen of fabrieken’ die worden genoemd in het ‘Verslag van den toestand der gemeente Kampen over het jaar 1875’.376 [376. Nieuw Archief Gemeente Kampen, Archief van het stadsbestuur 1813-1933; 855; Verslag omtrent de toestand der gemeente, 1855.]):

soort inrichting aantal arbeiders toestand
mannen vrouwen
Fabriek van stoom en andere werktuigen, basculen en kachel fabriek, fabriek van vertind keukengereedschap en spijkerfabriek 68 zeer gunstig
Gasfabriek (gemeentelijke) 12 matig vooruitgaande
Koperslagerij en fabriek van vertind ijzerwerk 32 5 voldoende
Smederij – grof en fijn 9 bloeiend
idem 7 idem
idem 6 idem
Fabriek van grof aardewerk 10 matig
Stoomgrutterij 4 voldoende
idem 3 idem

 

|pag. 99|

soort inrichting aantal arbeiders toestand
mannen vrouwen
Steenhouwerij 5 redelijk
idem 4 gunstig
Steenbakkerij 24 3 bloeiend
Steenbakkerij en kalkbranderij 16 5 gunstig
idem 3 idem
Touwslagerij 20 bloeiend
idem 20 idem
idem 5 gunstig
Trijpfabriek en volmolen 49 idem
idem 48 vooruitgaande
Koninklijke Likeurfabriek 8 idem
Zeepziederij van zachte zeep 4 behoorlijk goed
Houtzaagmolen gedreven door wind en idem door stoom 20 voldoende
Houtzaagmolen gedreven door wind 6 gunstig
Pomp-, boom-, blok- en mastenmakerij 5 bloeiend
idem 10 idem
Scheepstimmerwerf 13 gunstig
idem 10 idem
idem 8 idem
Stoomstroopapierfabriek 32 idem
Koninklijke Sigarenfabriek 467 vooruitgaande
Sigarenfabriek 270 voldoende
idem 120 15 gunstig
idem 150 idem
idem 39 idem
idem 18 idem
idem 14 gewone toestand
idem 14 idem
idem 2 idem
idem 39 7 gunstig
39 fabrieken 1594 35


|pag. 100|

Bijlage 3.

Aantal bedrijven en arbeiders per klasse volgens de bedrijfstelling van 1930 in de gemeente Kampen.377 [377. Zie noot 19, blz. 19.])

Bedrijfsklasse bedrijven met 1-10 arbeiders bedrijven met 11-50 arbeiders bedrijven met 51-200 arbeiders bedrijven met > 200 arbeiders
TAB TAA TAB TAA TAB TAA TAB TAA
Aardewerk 1 15
Grafische nijverheid 7 34 1 20 1 77
Bouwnijverheid 95 257 4 71
Chemische nijverheid 3 21 1 32
Hout, kurk, stro 29 65
Kleding, reiniging 83 182 2 28
Leder, wasdoek 37 72
Steenkool 1 3
Metaalnijverheid 62 162 3 55 1 656
Papiernijverheid 2 13
Textielnijverheid 2 5
Gas, electr., water 1 30
Voedings- en genotm. 102 324 18 344 5 393 4 1173
Totaal 423 1142 31 595 6 470 5 1829

 
TAB = Totaal Aantal Bedrijven TAA= Totaal Aantal Arbeiders

N.B. De sigarenproductie vormde het grootste deel van de voedings- en genotmiddelenindustrie.

|pag. 101|

Bijlage 4.

Brief van burgemeester Van Blommenstein d.d. 19 april 1906, gericht aan de Commissaris van Politie omtrent de controle op naleving van de Hinderwet door vergunninghouders.378 [378. Hinderwetdossier 1906 nr. 008.])

Kampen 19 april 1906

     Uit de Inspectierapporten door de Politie ingediend inzake gehouden contrôle over de naleving van de voorwaarden op welke door Burgemeester en Wethouders alhier vergunning is verleend krachtens de Hinderwet blijkt dat in ruim één jaar tijd lang niet alle inrichtingen hier bedoeld zijn gecontroleerd.
Aangezien ik het wenschelijk acht, dat in deze nog wat meer activiteit blijke en dat alle vergunningen krachtens de Hinderwet voorwaardelijk verleend minstens driemaal per jaar worden gecontroleerd noodig ik u uit zorg te dragen:

  1. dat alle voorwaardelijk door Burgemeester en Wethouders krachtens de Hinderwet verleende vergunningen, voor zoveel van die vergunning wordt gebruik gemaakt, door de Politie minstens driemaal ’s jaars worden bezocht.
  2. dat bij dat bezoek telkens nauwkeurig worde nagegaan of aan alle gestelde voorwaarden stipt wordt voldaan.
  3. dat, bij aldien bij dat onderzoek blijkt dat aan een of meer der gestelde voorwaarden niet wordt -of is voldaan, van de overtreding proces-verbaal moet worden opgemaakt.
  4. dat, wanneer bij dat onderzoek blijkt, dat het gewenscht of noodig is dat nieuwe -of verscherpte voorwaarden worden opgelegd, daarvan melding moet worden gemaakt in het rapport, evenals van het sub 3 genoemde, van het hier sub 4 bedoelde moet tevens onverwijld aan mij worden kennis gegeven.

Ik acht het gewenscht dat het hier bedoelde onderzoek blijft opgedragen aan de beide Heeren Inspecteurs, terwijl ik gaarne maandelijks, op de 2e van iederen maand, een rapport van de gehouden onderzoekingen zal ontvangen. Het eerste rapport zal verschijnen 2 Mei a.s. en zal hebben te bevatten al de gedane contrôles over Jan., Febr., Maart en April van dit jaar. Het rapport zal ik gaarne zien in den vorm als hier bij gaat.

Den Heer Commissaris                                             De Burgemeester
van Politie                                                                     w.g. Van Blommenstein

|pag. 102|

[deze scriptie is in bewerking]

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.