Wij hebben somtijds droevig geleden

BEROEPSGERICHTE AFSTUDEEROPDRACHT PABO-4

‘Wij hebben somtijds
droevig geleden’

 
Archiefonderzoek naar de sociaal-economische
situatie van Staphorst in 1813-1830
 
door Jan Hulst, p3e-p4e
ter beoordeling aan drs. A.A. van der Schans


|pag. 1|

[blanco]


|pag. 2|

BEROEPSGERICHTE AFSTUDEEROPDRACHT PABO-4

‘Wij hebben somtijds
droevig geleden’

 
Archiefonderzoek naar de sociaal-economische
situatie van Staphorst in 1813-1830

INHOUD
5 Probleemstelling
7 Inleiding
11 De boer, z’n grond en z’n koeien
15 Om een vergaard stuivertje te bekomen
21 Rangen en standen
27 De omvang van de armoede
29 De aard en de beleving van de armoede
33 De omgang met de armen
41 Het heilrijkste middel
49 Oorzaken van de armoede
61 Conclusies
65 Gebruikte literatuur en overige bronnen
69 Bijlage I: brief van Roelof Thijs Wolf

 

|pag. 3|

[Blanco]


|pag. 4|

____Probleemstelling

Ik ben wat uitvoeriger geweest in de beschrijving van deze plaats
etc., omdat ze in veel opzichten afwijkt (en in enkele uitblinkt) en
ook omdat ik me aangetrokken voel tot de Zeden van het land.1 [1. Uitspraak van de reiziger Peter Mundy in zijn beschrijving van twintig pagina’s over zijn verblijf in Holland in 1640.]

Op ‘den 10 December 1830’ schrijft de schutter Roelof Thijs Wolf vanuit ‘Bredaal’ een brief aan zijn ouders in Staphorst. Hij laat weten dat zijn gedachten heel wat ‘gezwarfd’ hebben over de thuissituatie. Verder deelt hij mee dat hij en zijn dienstplichtige lotgenoten voortdurend hebben moeten ‘masseren’. Zij zijn namelijk betrokken bij de opstanden in de zuidelijke Nederlanden voor een zelfstandig België. Tussen beide gegevens staat opeens de intrigerende zin ‘wij hebben somtijds droevig geleden’. Wat bedoelt Roelof Thijs Wolf hiermee?
Bedoelt hij de lange reis? Op het eerste gezicht is hier veel voor te zeggen. De langdurige marsen waren dermate zwaar dat het geweer vaak nat van het zweet was, schrijft hij elders. Ze waren dan zelfs blij als ze ‘s nachts de ransel onder het hoofd konden leggen om onder de blote hemel te kunnen slapen.
Een tweede mogelijkheid die zich voordoet is de oorlog. Roelof Thijs en zijn makkers blijken uit de brief al drie keer in het volle gevecht te zijn geweest.
Hijzelf ligt nu in het hospitaal, maar daar hoeven zijn ouders zich verder geen zorgen over te maken, want het betreft alleen zijn been en hij is verder goed gezond.
Een derde mogelijkheid, die op het eerste gezicht niet meteen duidelijk uit de brief naar voren komt, is een heel andere. Misschien bedoelt hij wel de toestand thuis. Hadden ze het thuis soms niet al te best?
Herlezen van de brief lost het raadsel niet op. De hak~op~de~tak~stijl van Roelof Thijs laat eigenlijk alle mogelijkheden open. Zeker voor de eerste twee mogelijkheden laat de brief voldoende ruimte. Toch blijft in mijn hoofd de vraag haken of Roelof Thijs het thuis mogelijk niet al te breed heeft gehad. Zou dat kunnen? Is dat waarschijnlijk? Hoe was het eigenlijk in die tijd in Staphorst? Waren er eigenlijk wel armen? Of kon iedereen als boer gemakkelijk rondkomen?
Allemaal vragen die opborrelen bij de laatste mogelijkheid. De vragen heb ik samengevat in één enkele vraag. Daarbij heb ik de onderzochte periode afgebakend van 1813, als het einde van de Franse Tijd, tot 1830, als het jaar waarin Roelof Thijs Wolf zijn brief schrijft.

De probleemstelling voor deze scriptie luidt:

Hoe kun je de sociaal-economische toestand van de Staphorster bevolking en
met name die van het armoedige bevolkingsdeel in Staphorst
gedurende de periode 1813-1830 typeren?

De scriptie is opgezet in negen hoofdstukken, waarbij ieder hoofdstuk eigenlijk het antwoord levert op een vraag en een volgende vraag oproept. Het betreft de volgende vragen voor de periode 1813-1830:

1. Hoe is de algemene toestand in de gemeente Staphorst?
2. Hoe is de algemene toestand in de landbouw en vormen de boeren een gelijkwaardige groep in de gemeente?
3. Hebben de boeren naast hun vee nog andere inkomstenbronnen?

|pag. 5|

4. Hoe is de werkelijke indeling van en verdeling tussen de boeren?
5. Welke bevolkingsgroep is arm en hoe groot is deze groep?
6. Hoe moet je je de armoede van deze groep voorstellen?
7. Wat doet het gemeentebestuur voor de armen?
8. Wat ziet het gemeentebestuur als oorzaken van de armoede en wat zij om de armoede te voorkomen?
9. Wat zijn de werkelijke oorzaken van de armoede?

Als resultaat van archiefonderzoek draagt deze scriptie duidelijk een zoekend karakter. Ieder hoofdstuk eindigt met een vervolgvraag. De lezer neem ik zodoende mee op mijn speurtocht door het ‘stof der eeuwen’ en langzaam, maar zeker trekt zo de mist van het verleden op en verschijnt het beeld van een dorpsgemeenschap uit vervlogen tijden voor onze ogen. De volgorde van deze vragen is door deze werkwijze niet chronologisch, omdat ik juist steeds verder terugduik in het verleden. Als je naar de resten van een huis zoekt, stuit je immers ook eerst op de muren en pas na verder speuren op het fundament?
De raad om het ‘short en simple’ te houden heb ik slechts gedeeltelijk opgevolgd. Hopelijk is het wel ‘simple’, maar het onderwerp was te boeiend om het ‘short’ te houden. Daarbij heb ik de grote historicus Bakhuizen van den Brink (1810-1865) als voorbeeld voor ogen gehad. ‘Nadat ik mijn tegenstander meende verslagen te hebben, heb ik hem nog eens overeind gezet, omgekeerd en aan de haren getrokken om te zien of hij wel goed dood was.’2 [2. Geschiedenis van Nederland, Gerlof Verwey, pag. 735.]

Deze scriptie zou niet geworden zijn wat zij nu is zonder de hulp en belangstelling van velen. Enkelen van hen wil ik met name bedanken en de overigen niet minder van harte.
Klaas Tippe bedank ik voor zijn bondige uitleg van het archief en het gebruik mogen maken van zijn boekencollectie. Van het personeel van het gemeentehuis van de gemeente Staphorst bedank ik met name John Pattiwaël voor het flexibel openstellen van het archief, de gemeentevoorlichter Auke Faber voor het openstellen van de gemeentebibliotheek, de afdeling Milieu voor de behulpzaamheid bij mijn zoektocht naar een geschikte bodemkaart en met hen ook de overigen voor hun warme belangstelling, koffie en thee.
Naast hen bedank ik ook mijn 83-jarige oudoom Roelof Buiter voor al zijn belangstelling, aanvullingen en verduidelijkingen over het boerenleven op Staphorst, kortom voor al zijn tekst en uutleg’.
Verder bedank ik iedereen die zo geduldig is geweest om alle verhalen over het onderwerp aan te horen, hopelijk vonden jullie het allemaal tot het eind interessant, al zal ik het je beslist niet kwalijk nemen als je het dat na een kwartier of een half uur niet meer vond.
Ten slotte: u als lezer bent van harte uitgenodigd om met mij het duister van het verleden in te duiken op zoek naar antwoorden, die nieuwe vragen oproepen. Hopelijk verschaft u deze speurtocht veel leesplezier.

Jan Hulst p3e
mei 1995-februari 1996

|pag. 6|

____Inleiding

HOOFDSTUK I

Op 21 oktober 1811 wordt Staphorst bij decreet van Napoleon als ‘de maire Hasselterambt’ ingesteld. Dit ambt omvat het grondgebied van de voormalige schoutambten Staphorst, Rouveen en IJhorst. Bij de gemeentelijke herindeling in 1818 wordt de naam Hasselterambt gewijzigd in gemeente Staphorst. De drie kerkdorpen zelf zijn in een veel verder verleden ontstaan. Ze worden voor het eerst genoemd in stukken uit de 13e eeuw.3 [3. Staphorst, Rouveen en IJhorst worden voor het eerst genoemd in stukken die dateren van respectievelijk 1217, 1282 en 1293.]
Frederik Allard Ebbinge Wubben is een overgangsfiguur tussen het ambt van schout en burgemeester. In 1810, hij is dan nog maar negentien jaar oud, wordt hij aangesteld als verwalterscholtus en in 1811 wordt hij maire (burgemeester) van Staphorst. Na de bevrijding in 1813 blijft hij het hoofd van het plaatselijk bestuur in de functie van scholtus.

____Plaatsbeschrijving der gemeente Staphorst

In 1835 beschrijft Ebbinbe Wubben de ligging van de gemeente in zijn Plaatsbeschrijving der gemeente Staphorst als volgt. ‘De gemeente Staphorst is gelegen in de Provincie Overijssel, aan den grooten weg van Zwolle naar Groningen en Leeuwarden. Zij wordt ten Noorden begrensd door de gemeenten Kolder- en Nijeveen, Meppel en de Wijk, en dus door de provincie Drenthe, waarvan zij door de rivier de Reest en het zoogenaamde Meppelerdiep gescheiden wordt. Ten Oosten paalt 4 [4. Grenst.] zij aan de gemeente Avereest, ten Zuiden aan Nieuw-Leussen en ten Westen aan Zwoller-Kerspel en Zwartsluis. (…) De Noordelijke grenzen worden besproeid door het bovengemelde Meppelerdiep, een van ouds reeds bekend vaarwater, dienende tot verbinding van Drenthe met de Zuider Zee. (…) Verder is de rivier de Reest, met een gedeelte van de in 1810 aangelegde Dedemsvaart, het eenige water, dat de gemeente besproeit’.
Hij vervolgt deze aanduiding van de ligging met een beschrijving van de drie kerkdorpen. ‘De Gemeente is samengesteld uit drie Kerkdorpen, als Staphorst in het midden, Rouveen aan het westelijk en Yhorst aan het oostelijk einde.
Staphorst is vanouds verdeeld in vier slagen 5 [5. Delen.], als: Wester-, Middenwolden-, Achthoeven-, Berger-, en Bullinge-slag. Het heeft eene oppervlakte van 4200 bunderen of 700 akkers en is thans bezet met bijna 300 huizen, die allen langs den grooten weg staan.
Rouveen heeft eene oppervlakte van ongeveer 6000 bunders land of 900 akkers, waaronder omstreeks 1000 bunders, die tot hooiing en weiding van jongvee, door aangrenzende gemeenten gebruikt worden, of waarvan het gras wordt verkocht. Rouveen is in ligging gelijk aan Staphorst, en dus over het geheel zeer laag. De bouwlanden zijn ver van de woningen; de grond is meest veenachtig en daardoor slechts met de uiterste vlijt voor de bebouwing bekwaam te houden, schoon jaarlijks grond wordt uitgebouwd. De hooi- en weidelanden, aan weerszijden van den straatweg gelegen, zijn van beteren aard, dan te Staphorst, ‘t welk in koopwaarde overmerkbaar is. Er zijn ongeveer 270 huizen, aan den straatweg gelegen.


|pag. 7|

Yhorst, eene oppervlakte van 3750 bunders bevattende, is vanouds in 16 regelmatige hoeven of volle erven, langs het riviertje de Reest, aangelegd, waarvan zich nog eenigen, als de Rustede, ter Haar, Hoogenkamp, Schot, enz. in hunne oorspronkelijke grootte bevinden: anderen zijn in twee, drie of meerdere onderdelen gesplitst. Naderhand zijn hier en daar ook op de heide of woeste gronden hoeven aangelegd, welker getal aldus tot over de 70 is geklommen, waardoor de ontginning nog al aanmerkelijke vorderingen heeft gemaakt, terwijl er thans nog omstreeks 2500 bunderen aan woeste heide- en veengronden gevonden worden.

Met dank aan antiquariaat J. Poutsman – Kampen

Ill. I:Kaart van de gemeente Staphorst

Daarna volgt een beschrijving van de gronden en het gebruik van deze gronden. ‘Behalve eene kleine strook lands, langs het Meppelerdiep en de Reest gelegen, is de grond schraal. De bouwlanden en tuinen, die een zevende deel van de oppervlakte uitmaken, worden goed bemest en goed bebouwd; de hooi- en weidelanden in een vierzevende gedeelte bestaande, worden meest aan de natuur overgelaten en leveren een vrij goed voedsel voor het vee op. Een tweeëntwintigste gedeelte is met onregelmatig geplante en in ‘t wild opgeschoten boomen en hakhout bezet; terwijl een vijfde deel woest liggenden heidegrond bevat, die gedeeltelijk door sterke bemesting tot ontginning gebragt en verbeterd zou kunnen worden. Te Yhorst leveren deze heidevelden eenige veen-boekweite op: overigens bestaat dezelve uit zandstuiven en moerassen, die voor geene ontginning vatbaar zijn.
De voortbrengselen bestaan grotendeels in overvloed van weide en van hooi in drooge jaargetijden; voorts in rogge, boekweit, aardappelen, een weinig garst en haver. Te Hamingen, een buurt onder deeze gemeente, legt men zich toe op hennipteelt
.6 [6. Saillant detail, anno 1995 is in deze buurtschap een afkickcentrum voor drugsverslaafden gevestigd, ‘t Kan verkeren.]

Kortom, hier wordt het beeld geschetst van een streekdorp in een nog niet volledig ontgonnen hoogveengebied, waarvan alle inwoners in hun onderhoud voorzien door landbouw en veeteelt, met de nadruk op het laatste.7 [7. Landbouwkundig gezien valt Overijssel in twee geheel verschillende gebieden uiteen schrijft prof. dr. Slicher van Bath in Landbouw, textiel en turf. Twente en de zandgronden van Salland zijn voornamelijk een akkerbouwgebied, het Land van Vollenhove en de lage delen van Salland (waarin Staphorst ligt) zijn een veeteeltgebied met weilanden.
Dr. Sj. Groenman schrijft in het Onderzoek naar de levensomstandigheden der bevolking van plattelandsgemeenten; deel 1: Staphorst, dat de Staphorster in zijn hart in de eerste plaats veehouder is.]
De onder-

|pag. 8|

staande tabel verduidelijkt dit en het — uit een archiefstuk van 1814 blijkend — gegeven dat ‘de Klasfen zijn verdeeld in twee ten aanzien van het Bouwland, Wey en Hooiland vijf Klasfen en Heideveld in Eenen Klasfen onderstreept het.
De laaggelegen laagveen- en humeuze zandgronden lenen zich in doorsnee het beste voor grasland.

Deel Percentage Categorie
4/7 57% Hooi- en weidelanden
1/7 14% Bouwland en tuinen
1/22 5% Bomen en hakhout
1/5 20% Woest liggende heidevelden
4% Overig
Totaal 100% Alle categorieën

Tabel I: Gebruik van de grond in 1835

Deze beschrijvingen geven de indruk van een groep financieel gelijkwaardige veeboeren op veengronden. Maar wat leert een reconstructie aan de hand van de schadeopgaven uit de watersnoodramp in 1825 in combinatie met een bodemkaart?

|pag. 9|

[Blanco]


|pag. 10|

___De boer, z’n grond en z’n koeien

___HOOFDSTUK II

De ondergrond van de hele gemeente wordt gevormd door grindvrije stuifzanden. Vanuit het westen wordt deze zandlaag in oostelijke richting steeds dikker en ruwweg halverwege de gemeente komt dit zand aan de oppervlakte. De laag blijft oplopen tot ruim drie meter boven de zeespiegel en in het meest oostelijk gedeelte van de gemeente komen zelfs zandverstuivingen met een hoogte van vijf meter boven zeeniveau voor.
In het lagergelegen westelijk gedeelte ligt laagveen met daarboven een laag hoogveen die gedeeltelijk doorloopt over de zandlaag. Deze hoogveenlaag wordt in westelijke richting steeds dikker. Op de onderstaande schets is dit — sterk vereenvoudigd — te zien.

Ill. II: Schetsmatige dwarsdoorsnede van de bodem

Op deze grote lijn, veen in het westen en zand in het oosten, moeten in ieder geval vier belangrijke aanvullingen gemaakt worden.
Ten eerste is in het uiterste westen door overstromingen van de Zuiderzee over een beperkte oppervlakte (Olde Maten) zware klei over het veen afgezet.
Daarnaast duiken in het noordwesten enkele zandopduikingen (Olde Staphorst, Baarloo, Hamingen en Hesselingen) onder het veen vandaan.
Ten derde zijn de oostelijke zandgronden bij de Punthorst en het Zwarteveen bedekt met hoogveen.
Tenslotte wordt het riviertje de Reest begeleidt door moerasveen met een uitloper in de Vledders en de Leijer hooilanden.

Waterhuishouding
De geschiktheid van de bodem voor de verschillende vormen van landbouwkundig gebruik wordt echter niet alleen bepaald door de bodemsamenstelling.
De waterhuishouding is ook van groot van belang.
Hierbij moet je enerzijds bedenken dat de gemeente als geheel een vrij vlak landschap heeft, hoewel er toch ook behoorlijke hoogteverschillen voorkomen.
Het gebied loopt van het westen naar het oosten op van een halve meter beneden de zeespiegel tot ruim drie meter daar boven. De westelijke veengronden liggen, zoals gezegd, lager en zijn dus natter en de oostelijk zandgronden liggen hoger en zijn daarmee droger.
Anderzijds, het westelijk veengebied is grotendeels een kwelgebied 8 [8. Een gebied waarin ondergronds water, vooral door dijken, binnendringt.], terwijl het oostelijk gebied juist water opneemt. Een bijzonder verschijnsel hierbij is dat bij

|pag. 11|

de overgang van zand naar veen kwelwater aan de oppervlakte komt. Dit water is afkomstig uit het oosten van de streek en komt door de lagere ligging in het westen weer aan de oppervlakte als kwelwater.

Geschiktheid van de verschillende gronden
De sponzige laagveengronden zijn in feite alleen geschikt voor graslandgebruik. Maar ook hierbij hebben ze hun beperkingen: vooral op plaatsen waar de zode dun en venig is, is de beweidbaarheid beperkt doordat het vee de weilanden kan vertrappen. Daarom worden deze gronden grotendeels als hooiland gebruikt.
Veengronden met een ondiepe zandondergrond en veengronden met een kleidek zijn goed geschikt voor grasland en bij een goede afwatering kunnen ze zelfs als bouwland gebruikt worden.
De bodemgeschiktheid van zandgronden is sterk afhankelijk van de hoeveelheid water en daarmee dus van de hoogteligging. De lage zandgronden zijn redelijk goede tot goede graslanden. Op de verhoudingsgewijs hoog gelegen delen hiervan kan ook verbouwd worden.
De middelhoge zandgronden zijn zowel geschikt voor grasland als voor akkerbouw, maar de hooggelegen zandgronden hebben een zodanig slechte vruchtbaarheid en zijn dusdanig droogtegevoelig dat ze voor landbouwkundig gebruik nauwelijks geschikt zijn.
De moerasveengronden, die binnen de gemeente voorkomen in het Reestdal, in de Vledders en in Leijer hooilanden, zijn door hun ligging alleen geschikt voor graslandgebruik. Over dit aardrijkskundige verhaal komt nu een wiskundig sausje.

De boer, z’n koeien en z’n grond
Na de watersnoodramp van 1825, waarover later nqg meer, zijn bij de schadeopgaven het aantal veehouders en het aantal koeien in de verschillende slagen en buitenkwartieren van de gemeente opgetekend. Met behulp van de getallen 9 [9. Hiervoor zijn de aantallen verdronken en behouden runderen bij elkaar opgeteld, zodat je een beeld hebt van de toestand net voor de watersnoodramp in 1825.] in de hiernaast afgebeelde tabel II: Gemiddeld aantal koeien per boer per gebied kun je je een goed beeld van de veeteelt in dit jaar vormen. Een gemiddelde boer in de gemeente blijkt een zevental 10 [10. Dit getal is een beetje moeilijk te vergelijken met de andere gemeenten in Overijssel rond deze tijd, omdat er vrij grote verschillen tussen de diverse gebieden in Overijssel bestaan. Het gemiddelde voor heel Overijssel ligt in 1807 op 5.4, maar dit getal is sterk vervormd door de vele akkerbouwgebieden. In de weidegebieden ligt het op bijna tien. In de IJsselstreek en in het gebied van de Vecht met daarbij Staphorst en Rouveen daartegenover bezit een doorsnee veeboer tussen de 4.5 en 7.5 koeien. Waar wil je het mee vergelijken? Hoe waar zijn de woorden van de — in deze tijd levende — Engelse staatsman Disraeli (1804-1881): ‘Er zijn drie soorten leugens: leugens, vervloekte leugens en statistiek.’] koeien te bezitten: twee beesten beneden de twee jaar en vijf beesten daarboven.11 [11. De onafgeronde gemiddeldes zijn respectievelijk 2.2 en 4.9.] Het aantal boeren in Rouveen en in Staphorst met hun bijbehorende veestapels is nagenoeg gelijk.12 [12. Dat is niet altijd zo geweest; bij de ramp in 1714 bedroeg het aantal koeien in Stap~horst 839, terwijl dat aantal in Rouveen op 2062 lag.]
De boeren in de buitenkwartieren hebben — door de bank genomen — ieder zeker een koe meer.
De getallen uit tabel II heb ik gecombineerd met een bodemkaart, waardoor je je ook een aardig beeld kunt vormen van de nauwe samenhang tussen de soorten gronden en het gemiddelde aantal koeien op deze gronden. De cijfers lopen nu opvallend ver uit elkaar. De afgeronde gemiddeldes 13 [13. De onafgeronde gemiddeldes zijn respectievelijk 12.85, 7.36, 7.23, 5.72, 4.08 en 3.17.] zijn weergegeven in de onderstaande tabel.

Grondsoort Aantal koeien
Zandopduikingen bij veen 13
Laagveen 7
Middelhoge zandgronden 7
Lage zandgronden 6
Moerasveen 4
Hoge zandgronden 3

Tabel III: Gemiddeld aantal koeien per boer per grondsoort


|pag. 12|

Gebied Grondsoort Boeren Koeien Gemiddeld
ROUVEEN
Zuideindiger-Slag laagveen 81 693 8.3
Munniken-Slag laagveen 49 352 7.1
Bisschops-Slag lage zandgronden 66 392 5.9
Ooster-Slag lage zandgronden 39 217 5.5
Totaal 235 1634 7.0
STAPHORST
Westmid.woldinger-Slag laagveen 70 438 6.2
Achthoeve-Slag laagveen 39 276 7.0
Berger-Slag middelhoge zandgronden 67 453 6.7
Bullinger-Slag middelhoge zandgronden 60 463 7.7
Totaal 236 1632 6.9
ZUID. BUITENKWARTIEREN
Over-Lankhorst lage zandgronden 13 66 5.0
De-Leijen moerasveengronden 12 49 4.0
Beneden-Lankhorst hoge zandgronden 6 19 3.1
Totaal 31 134 4.3
NOORD. BUITENKWARTIEREN
Lankhorst lage zandopduiking bij veen 7 94 13.4
Hesselingen lage zandopduiking bij veen 10 167 16.7
Hamingen lage zandopduiking bij veen 9 73 8.1
Totaal 26 334 12.9
Eindtotaal 528 3754 7.1

Tabel II: Gemiddeld aantal koeien per boer per gebied

Overduidelijk blijkt dat op zandopduikingen in de buitenkwartieren in of bij veengebieden verhoudingsgewijs de meeste koeien leven. Zijn de weilanden rond deze heuvels met een dunne laag veen op zand het meest geschikt voor veeteelt? Het lijkt er veel op. Helaas ontbreken oppervlaktegevens. Het is goed mogelijk dat de veehouders in deze gebieden — tevens — relatief meer hectares weiland tot hun beschikking hebben. Het moerasveen en de hoge zandgronden blijken, zoals op grond van de bodemkwaliteit te verwachten was, wel heel ongeschikt voor veeteelt. Ook de lage zandgronden blijven onder het gemiddelde steken. De middelhoge zandgronden en het laagveen komen hier weer net iets boven uit.
Combineer je de gegevens over het gemiddelde aantal koeien per boer per grondsoort weer met de gebieden dan zijn er vier verschillende hoofdgebieden te onderscheiden: Rouveen, Staphorst, de Zuidelijke buitenkwartieren (op moerasveen en zandgronden) en de Noordelijke buitenkwartieren (op zandopduikingen bij veen). De verschillen tussen de veestapels van de boeren in deze vier hoofdgebieden lopen enorm uit elkaar. Dat blijkt duidelijk uit de afgeronde gemiddeldes 14 [14. De onafgeronde gemiddeldes zijn respectievelijk 6.92, 7.04, 4.32, 12.85 en 7.11.] in tabel IV: Gemiddeld aantal koeien per boer per hoofdgebied.

|pag. 13|

Gebied Grondsoorten Aantal koeien
Rouveen Laagveen en lage zandgronden 7
Staphorst Laagveen en middelhoge zandgr. 7
Zuid.Buitenkwartieren Moerasveen en zandgronden 4
Noord. Buitenkwartieren Zandopduikingen bij veen 13
Gehele gemeente Diverse gronden 7

Tabel IV: Gemiddeld aantal koeien per boer per hoofdgebied

Uit de getallen volgt — als we uitgaan van de betrouwbaarheid van de statistiek — een duidelijke conclusie: van een evenredige verdeling over de gronden is beslist geen sprake. Integendeel, het maakt nogal wat uit waar je boer bent. Dit gegeven (en daarmee dit aardrijkskundige en wiskundige intermezzo) is onmisbaar om enkele andere historische verschillen te kunnen begrijpen. Geen gelijkwaardige groep veeboeren op enkel en alleen veen dus. Zijn het trouwens alleen veeboeren? Of hebben de boeren ook nog andere inkomsten? In het volgende hoofdstuk volgt eerst een beschrijving van de diverse neveninkomsten van de boeren. Eigenlijk één grote kanttekening bij het begrip ‘veeboeren’. Vervolgens neem ik de draad weer op wat betreft de verschillen tussen de boeren in de verschillende gebieden.

|pag. 14|

____Om een vergaard stuivertje te bekomen

HOOFDSTUK III

Er zijn vele bedrijven, welke de geringe bevolking der groote gemeente van Staphorst — die met uitzondering van eenigen, onder de kleine boerenstand moet worden beschouwd te behoren — bij de hand nemen, om in hun anders sober bestaan te voorzien en om een vergaard stuivertje te bekomen.
Die bedrijven zijn bij de winterdag het klompenmaken; vervaardigen van houten schoppen en harken; bij besloten 15 [15. Dichtgevroren.] water vracht te rijden van goederen naar Holland, enz.; des ‘s zomers bijenteelt, het turftrekken in de lage veenderijen, waarin alle knechten en verdere manlijke bevolking in de kracht des levens — trots den besten bovenlander 16 [16. Bewoner van het bovenland (vnl. Westfalen en Oost-Friesland). Dit verwijst naar het gebruik in de landbouw om voor zwaar seizoenswerk buitenlandse krachten aan te trekken.] — zevenwekenlang deelnemen; alle zoo vele bedrijven — die elders onder de eigenlijke boerenstand en in welvarender streken — nauwlijks met name bekend zijn, ik bedoel de vangst van vogels op eendekooijen en van ganzen onder de vreemdsoortigen naam van Toukeren bekend
.17 [17. Eendekooien in de gemeente Staphorst omstreeks 1850, Ebbinge Wubben, pag. 1]
In 1850 leidt Ebbinge Wubben met deze woorden een artikel over eendenkooien in de gemeente in. Naast de zeven koeien voorzien de boeren met verschillende andere soorten vee en bezigheden in hun behoeften. Akkerbouw, turfsteken, het houden van paarden, varkens, pluimvee, schapen, bijen en eendenkooien zijn hiervan wel de belangrijkste bronnen voor neveninkomsten.

Rogge en boekweit
Een zevende deel van de grond in gemeente bestaat uit bouwland en tuinen.
Hierop wordt — evenals elders in Overijssel — voornamelijk rogge en boekweit verbouwd. Al in de achttiende eeuw zijn de landbouwkundige verschillen tussen de verschillende provincies groter geworden. In Holland, Zeeland en Friesland legden de boeren zich toe op specialisatie, zoals de verbouw van handelsgewassen, tuinbouw en boomkwekerijen. In Overijssel hielden de boeren daarentegen vast aan de roggebouw. De onvruchtbaarheid van de bodem, het grote gebrek aan mest, de grote afstand van de dichte bevolkingsgebieden in Holland, de geringe afzetmogelijkheden in het eigen gewest en het lagere welvaartspeil ziet Slicher van Bath als mogelijke oorzaken.
In de zomer ziet men in Rouveen uit op uitgestrekte boekweitvelden in de richting van de latere Dedemsvaart. In Staphorst de verbouwen de boeren naast boekweit veel rogge. In 1850 noteert Ebbinge Wubben de volgende verdeling van de verschillende gewassen over de gronden:

Graansoort Hectares Opbrengst per ha.
Rogge 845 ha. ±15 liter
Zandboekweit 675 ha. ±30 liter
Veenboekweit 35 ha.
Gerst 15 ha.
Haver 125 ha. ±25 liter
Aardappelen 250 ha. ±50 liter

Tabel V: Gemiddelde opbrengsten van de verschillende gewassen


|pag. 15|

Rogge en boekweit maken duidelijk de hoofdmoot uit. De meeste boekweit groeit op het zand, maar een klein deel wordt nog volgens de brandcultuur op veen geteeld. Voor men in mei gaat zaaien, strooit men op het perceel uit een vuurpot aan een lange steel stukjes brandende turf over het veld om de hei en de scherpe randen van de veenkluiten af te branden, wat tranende ogen en hoestbuien veroorzaakt. Daarbij vormt er zich maar een dunne aslaag, want door het vocht dooft het vuur al snel. Vervolgens wordt er gezaaid en bij uitblijven van nachtvorst, te felle zon of te veel regen kan er dan in september worden geoogst.18 [18. Bewerkt overgenomen uit Boekweitepap in Drents Californië in Spectrum Atlas van historische plaatsen in de Lage Landen, prof. dr. A.F. Manning, pag. 199.]
Een klein deel van de grond is in gebruik voor het verbouwen van haver en aardappelen voor verbruik door eigen paarden en mensen. In april ploegt de boer zijn aardappelland met een houten ploeg en poot hij de aardappelen. In september of oktober rooit hij de nieuwe aardappels uit de grond. Ook de kinderen helpen hierbij; rooien is voor hen te zwaar, maar aardappelen oprapen en in manden gooien kunnen ze wel. De school is in deze tijd een poosje gesloten. De aardappelen worden bij elkaar op een hoop gegooid om te drogen. Deze hoop haalt de boer op als de aardappelen goed droog zijn om ze te bewaren in een gat in de voortuin. Soms worden ze ook wel in een kelder onder de bedstede opgeborgen.
Ook de rogge en boekweit gebruikt de boer voor het grootste deel zelf.19 [19. Het verbruik is ongeveer ‘een half mud per ziel’. Slicher van Bath rekent voor dat een herenmud 0,5322 ha groot is. In 1835 wordt volgens Ebbinbe Wubben op bijna 1500 ha rogge en boekweit verbouwd. Projecteer je deze gegevens op een bevolking van ‘vierduizend zielen’, dan blijkt ruim 1000 ha (23 deel) nodig om brood te bakken.] In de zomer maait hij de halmen af en bindt ze in ‘garven’ 20 [20. Schoven.] bij elkaar. Daarna moet het graan nog een poosje op de akker drogen. Als het droog is, wordt het op een — met houten jukken verbrede — wagen naar huis gebracht en opgeslagen op de ‘slieten’ boven de potstal. Wanneer het graan nodig is, worden er een paar bossen naar beneden gegooid en — meestal op de lemen vloer — gedorst met een dorsstok.
Het gedorste graan wordt, nadat er een duidelijke afspraak gemaakt en op papier gesteld is, in — met olieverf gemerkte — zakken naar de molenaar gebracht. Er zijn drie korenmolens, te De Leyen, Staphorst en Rouveen, waar de molenaars zowel het graan malen als de accijnzen innen. Sinds 1821 wordt er namelijk accijns op het gemaal en geslacht geheven, daarvoor echter al impost.
Van het rogge- en boekweitmeel is pap en pannekoeken te maken en het is ook geschikt als veevoeder, maar het grootste is bestemd om er brood van te bakken. Nog geen twintig personen gebruiken in hun brood rogge en tarwe. Niet verwonderlijk als je bedenkt dat op roggebrood een accijns van zestig cent per honderd pond rust, tegen twee gulden op tarwe. Een vijfcents tarwebrood weegt in 1828 slechts één ons en zes lood, terwijl een vijfcents roggebrood wel drie ons en vier lood weegt. Tarwebrood is slechts weggelegd voor de rijken.

Turfsteken
De turf of brandstoffen die den opgezeten gebruikt voor zijn eigen gerijf word gestoken van een hooge streek heideveld agter de akkers, genaamd zijn het zelve eigenaardig gezegd noch hooge noch lage veenen, maar eenvoudig veenachtig heideveld, waar men zeer onderscheiden dikte veenlagen aantreft, gemiddelijk vier turven diep. Zijn dus zodanig dat den ondergrond des verkiezende zonder eenige kunstbewerking tot vruchtgevend land kan gecultiveerd worden’, meldt Ebbinge Wubben in 1820 in antwoord op een aantal vragen aan de Gedeputeerde Staten van Overijssel. Hunne Edele Grootachtbare Heren zijn waarschijnlijk bevreesd voor schade aan wegen en dijken. Ebbinge Wubben stelt ze echter gerust. De heide of veenachtige gronden (…) zijn van rondom door bouwland omringd en kunnen nimmer eenige schade aanbrengen. Dit geldt ook voor het stuk veen van de stad Hasselt. Het stuk lage veen van de Stad Hasfelt leverd sponturf op van goede kwaliteit en ligt — zoals de geheele uitgestrektheid van de overige Rouveensche veenlanden — te midden in groen-

|pag. 16|

land, vergenoeg van de dijken, kunnende zoo voor het algemeen als aan bijzondere eigendommen geen schade toebrengen.
De bouwlanden in het zuiden van Staphorst worden dus begrensd door uitgestrekte, niet gebruikte heidevelden. Hierop steken, zoals gezegd, alle mannen in het voorjaar zeven weken lang turf voor eigen gebruik. Zogenaamde ‘Hollandsgänger’ komen voor dit zware werk niet in de gemeente, echte veenderijen zijn er ook niet. De natte blokjes veengrond worden zelf met een scherpe, smalle spade schop gestoken en vervolgens in ‘dijken’ te drogen gelegd. Na drie weken worden ze gekeerd en weer drie weken later stapelt en verzamelt men de turf in bulten of hopen. Zeven weken na het steken is de geslonken turf gereed voor gebruik en vervoer naar huis. Op deze wijze verzamelen de inwoners zelf hun stookmateriaal, waarvoor echter nog wel accijns betaald moet worden.21 [21. Pas in 1863 is de accijns opgeheven, tot die tijd zijn er in Staphorst meerdere malen rellen om geweest.] Daarnaast wordt er in de winter ook hout gehakt. Verder steken de boeren op deze gronden in het voorjaar ook plaggen voor de potstallen, waarin de paarden, koeien en varkens staan. De — tot mest geworden — oude plaggen halen ze uit de stallen en spreiden ze over hun akkers en in de lege stallen komen weer verse plaggen.

Paarden, bijen, pluimvee, varkens en schapen
Naast de koeien, de akkerbouw en het turfsteken zorgen paarden, varkens, pluimvee,22 [22. Van het aanwezige pluimvee zijn geen cijfers beschikbaar.] bijen en soms wat schapen voor (neven)inkomsten. Daarbij zijn er enkele eendenkooien in de gemeente. Met behulp van de schadeopgaven bij de watersnoodramp in 1825 kun je je een beeld van de toestand in de hele gemeente vormen.

Veesoort Aantal stuks vee Aantal boeren Gemiddeld aantal stuks Staphorst: Overijssel
Koeien 2568 526 4.9 7:10 23 [23. Inclusief jongvee, vergeleken met het gemiddelde in Overijsselse weidegebieden, zie hierbij echter wel mijn eerdere opmerkingen over de moeilijke interpretatie van deze getallen vanwege de diversiteit van de Overijsselse landbouwgebieden.] per veehouder
Paarden 720 533 1.4 10:19 per 100 ha cultuurgrond
Varkens 898 237 3.8 10:25 per 100 ha cultuurgrond
Schapen 538 24 [24. Van deze groep worden er 433 (80%) gehouden in de buurtschappen De Leyen, Beneden- Lankhorst en Lankhorst.] 28 19 20:27 per 100 ha woeste gr.
Bijen 1462 25 [25. Aantal korven met bijen] 59 26 [26. Bijenkorven staan voornamelijk in De Leyen, Lankhorst, Hamingen, Hesselingen en Bullingerslag. Op veen~ en lage zandgronden komen ze dus nauwelijks voor.] 25
Eendenkooien 14 27 [27. Aantal uit 1850]

Tabel VI: Aantal stuks vee en boeren in de gemeente in 1825

Opvallend is het grote aantal boeren met paarden, het komt zelfs boven het aantal boeren met koeien uit. Paarden zijn echter onmisbaar: zonder plaggemest kun je geen akkerbouw bedrijven en om de plaggen te kunnen rijden moet je een paard hebben. Volgens Slicher van Bath is naast de noodzaak misschien ook het sociale prestige gekomen. Een tweepaardsboer geldt meer dan een éénpaardsboer, die beschouwd kan worden als een man met maar één arm.
Zelfs voor keuterboeren geldt de regel: twee paarden of geen paarden
.28 [28. Samenleving onderspanning, Dr. B.H. Slicher van Bath, pag. 538. Deze “twee~paarden~regel’ kan in Staphorst — gezien het gemiddeld aantal paarden per boer — nooit zo gelden, maar sociale prestige kan wel degelijk een rol spelen.] Daarnaast zijn er op het dorp ook nog pure paardehouders. In 1818 zijn er alleen aan hengstehouders al zes personen op het dorp te vinden.
Veel boeren houden een paar varkens. Deze worden voornamelijk gehouden om ze zelf te (laten) slachten. Ebbinge Wubben bericht in 1828 naar aanleiding van de invoering van ‘den principalen Rijks-accijns’ aan zijn autoriteiten ‘dat van elders in deze gemeente bijna niets van vleesch of spek wordt ingevoerd als wordende het geconsumeerde alhier geslagt’. Een eigen belasting acht hij daarom ‘van geene of weinig importancie’. Veel van deze beesten lopen los rond de boerderijen te wroeten, want in 1822 besluit het gemeentebestuur ‘overwegende dat het losloopen der varkens op de algemeenen weg zeer nade~

|pag. 17|

lig voor denzelven is, en somtijds de pasfage belemmert’ het volgende: Het is bij boete van vijftig Centen verboden om varkens op den algemeenen weg te laten losloopen, welke boete voor een oud varken geheel en voor een jong — niet ouder zijnde dan een halfjaar— half zal betaald worden. Het boetegeld zal overigens eerlijk verdeeld worden over de aanbrenger en de gemeentekas. Ook de kippen scharrelen overdag meestal los rond de boerderijen. In veel boerderijen is boven de paardestal een kippenzoldertje gemaakt.
Loslopend vee is trouwens sowieso geen onbekend verschijnsel gezien de ‘keure’ die het gemeentebestuur ontwerpt ‘om de overtredingen wegens beschadingen toegebragt door het willekeurig en heerloos laten losloopen van vee op de aardebaan (…) dienende tot bestrating van de weg’ te kunnen bestraffen.
Het eerste artikel luidt ‘Alle runderen, paarden, schapen en varkens zullen niet vermogen los te lopen op de aardebaan deze gemeente toebehoorende’ en het tweede artikel meldt ‘Voor elke overtreding ten dezen zal gehouden worden het op de gemelde baan loopend vee, dat niet door geleide — om in en uit het land van de huizen te worden gebracht — behoorlijk is vergezeld.’ De veldwachters zullen dit om de dag controleren en loslopend vee zonder pardon in de nabijgelegen schutstal brengen.
De kleine schaapskudden en — van ongedorst roggestro of buntgras gemaakte — bijenkorven komen vooral voor in het oostelijk deel van de gemeente Staphorst. Op deze hoge zandgronden is heide en woeste grond genoeg. De bijen leveren de was voor kaarsen en de honing wordt gebruikt als zoetmiddel. Verder hangt het grote aantal imkers samen met het grote areaal boekweit. De roze en witte bloemtrossen zijn namelijk rijk aan honing. De wol van de schapen wordt door de vrouwen gesponnen en naar Meppeler wevers gebracht.
Aan de westkant, in de lage landen. vangen kooikers ‘veugels’ (voornamelijk eenden en ganzen) in eendenkooien of hutten. Deze inkomstenbron brengt goed geld in het laatje. In goede jaren wordt hiermee zelfs meer verdiend dan met de beste boerderij.

Al deze nevengebieden zijn echter geen aanduiding van weelde. Dat blijkt ook al duidelijk uit de inleidende woorden van scholtus Ebbinge Wubben waarin hij spreekt over een aanvulling op een sober bestaan. Ook Slicher van Bath ziet deze gebieden als broodnodige aanvulling. Vaak ziet men, dat de arme, die geen paard kan houden, wel een of twee varkens opfokt en bovendien nog enige bijenkorven bezit.
Hier is het beeld geschetst van een dorp dat op de belangrijkste gebieden in haar eigen behoeften voorziet. In vergelijking met Overijssel blijft Staphorst echter op alle fronten achter. Duidt dit op een arme gemeenschap? Ebbinge Wubbens woorden wijzen wel in die richting. In het volgende hoofdstuk licht ik de verschillen tussen de leden van de gemeenschap en het verband met de bodemverschillen nader toe.

|pag. 18|

De noten 21 t/m 28 zijn in de tekst opgenomen als zijnoten.


|pag. 19|

[Blanco]


|pag. 20|

____Rangen en standen

HOOFDSTUK IV

Uit de gemiddelde aantallen koeien per boer in de verschillende gebieden is al gebleken dat er behoorlijke verschillen zijn. Deze verschillen worden nog sprekender als je de hele groep veeboeren verdeelt in grote boeren, kleine boeren en arbeiders. Grote boeren zijn zij die meer dan vijf melkkoeien, kleine boeren zij die drie tot vijf melkkoeien en arbeiders zij die één of twee melkkoeien houden. Uit de gegevens van de watersnoodramp in 1825 is de volgende verdeling op te maken over de vier verschillende hoofdgebieden.

Verdeling Grote boeren Kleine boeren Arbeiders Totaal
Rouveen 80 34% 84 6% 70 30% 234 44%
Staphorst 89 38% 81 34% 66 28% 236 45%
Zuid. buitenkw. 4 13% 15 48% 12 39% 31 6%
Noord. buitenkw. 16 64% 8 32% 1 4% 25 5%
Totaal 189 36% 188 36% 149 28% 526 100%

Tabel VII: Verdeling van de boerenklassen per gebied

De drie groepen blijken vrijwel evenredig verdeeld over het totale aantal boeren. Dat gaat ook op voor de grote deelgebieden Staphorst en Rouveen. Tussen de boeren in de buitenkwartieren, die bij elkaar slechts een tiende van het totale aantal uitmaken, zijn echter in het oog springende verschillen op te merken.
 

Grafiek I: Procentuele verdeling van de bevolkingsgroepen per grondsoort


|pag. 21|

In de bovenstaande grafiek is deze scheve verdeling samengevat. In de zuidelijke buitenkwartieren is het percentage kleine boeren veel groter ten koste van het deel grote boeren, dat aanmerkelijk laag te noemen is. In de noordelijke buitenkwartieren treedt de opbouw helemaal buiten de normale proporties. Het percentage arbeiders is bijna te verwaarlozen, het percentage kleine boeren blijft achter bij het gemiddelde en het percentage grote boeren gaat hier ver over de helft! Het gemiddelde aantal koeien staat in nauw verband met de grondsoort, dat is al duidelijk gebleken in hoofdstuk 2. Ook hier heb ik de getallen gecombineerd met een bodemkaart en in een grafiek weergegeven. Duidelijk blijkt nu de nauwe samenhang tussen de bevolkingsopbouw en de grondsoort: naarmate de grondsoort zich beter leent voor veeteelt neemt het percentage arbeiders af en het percentage grote boeren toe.
 

Grafiek II: Gemiddeld aantal koeien per boer per hoofdgebied

Dit verklaart de op het eerste gezicht vreemde opbouw in de vier verschillende hoofdgebieden. Staphorst en Rouveen schommelen rond de gemiddeldes, omdat deze gebieden bestaan uit lage zandgronden, middelhoge zandgronden en laagveen. Het lage percentage grote boeren in de zuidelijke buitenkwartieren is te verklaren door de onvruchtbaarheid van de hoge zandgronden en het moerasveen in deze buurten, terwijl het vrijwel ontbreken van arbeiders en het enorm hoge percentage grote boeren in de noordelijke buitenkwartieren zich laat verklaren door de vruchtbare zandgronden met een dunne laag veen aldaar.

____Verschillen in huizen en schoolgeld
Om deze bewijsvoering te completeren richten we onze blik van de weilanden naar de huizen. Zijn hier dezelfde verschillen te onderscheiden? Naast het aantal verdronken runderen is in 1825 ook de schade aan huisraad (meubelen, kleding en dergelijke), turf, hooi en zaadgewassen genoteerd. Projecteer je de gemiddelde schade per huis over de verschillende grondsoorten dan vormt zich vrijwel hetzelfde beeld. In de onderstaande grafiek staan de gemiddelde schadebedragen per grondsoort weergegeven.

|pag. 22|
 

Grafiek III: Gemiddelde schadebedragen per grondsoort

Alleen de middelhoge zandgronden blijven nu opeens merkwaardig ver achter.
Is de schade van de ramp niet representatief 29 [29. De schadeopgaven betreffen 131 woningen op middelhoge zandgronden.] of komen de middelhoge zandgronden eigenlijk op een lagere plaats? Staphorst bestaat voor de helft uit middelhoog zand en trek je de cijfers door als representatief dan ontstaat de volgende gemiddelde schadeverdeling over de vier hoofdgebieden.

Gebied Huisraad Turf Hooi/zaaigoed Totaal
Rouveen 42 10 75 132
Staphorst 6 6 52 64
Zuid. buitenkw. 3 3 38 47
Noord. buitenkw. 32 32 108 152
Totaal gemiddelde 30 8 65 99

Tabel VIII: Gemiddelde schadebedragen per gebied

Rouveen schiet nu Staphorst opeens ver voorbij en benadert zelfs de toestand van de rijke buitenkwartieren in het noorden! Het verschil zit voornamelijk in de schade van het huisraad. Leven de boeren er in Rouveen soms beter van, hebben ze soms meer neveninkomsten of gaat hier gewoon de uitspraak van Disraëli 30 [30. Zie eindnoot 10.] op? De andere genoemde gegevens wijzen tot nu toe op een gelijke verhouding tussen Staphorst en Rouveen, maar al deze gegevens zijn gebaseerd op het aantal koeien per boer in een bepaald gebied. Echter, er wordt ook veel land verhuurd en hooi verkocht. Neem je daarbij het gegeven dat de hooi- en weilanden in Rouveen volgens Ebbinge Wubben aanzienlijk meer waard zijn, dan wordt duidelijk dat de Rouveense boer rijker is dan de Staphorster boer. De gemeente is volgens mij dus op te delen in vier hoofdgebieden die wezenlijk van elkaar verschillen in rijkdom.
Allereerst zijn er de arme zuidelijke buitenkwartieren, op de tweede plaats komt Staphorst, vervolgens komt het rijkere Rouveen en de noordelijke buiten-

|pag. 23|

kwartieren steken boven alles uit. Deze theorie verklaart ook de — op het eerste gezicht onbegrijpelijke — verschillen in de schoolgelden, die de ouders in de vier onderscheiden gebieden moeten betalen. De groep ouders is verdeeld in klassen, die verschillende tarieven betalen. In de rijkere gebieden worden hogere tarieven geheven in vergelijking met de armere. De onderstaande grafiek geeft dit duidelijk weer.
 

Grafiek IV: Schoolgelden in guldens per klasse per school

Uit dit alles blijkt dat er sprake is van een ongelijke verdeling van de goederen tussen de verschillende gebieden. De noordelijke buitenkwartieren springen er hierbij telkens met kop en schouders boven uit.

____Het maakt van zoo te spreken de Rijkdom uit dezer gemeente
We duiken nu aan de hand van archiefstukken verder in het verleden en proberen wat meer licht te krijgen op de rijke buitenkwartieren in het noorden. Hesselingen springt hierbij het meest in het oog met een gemiddelde van bijna twaalf koeien per veehouder. In 1820 bestaat de buurtschap uit elf huizen met vijftig à zestig inwoners en een school. Voor deze school worden dus de hoogste schoolgelden betaald.
Vijfjaar later zijn er in ieder geval al weer twee huizen meer en woont hier de grootste boer van het hele dorp. Deze Klaas Hilligjes verliest tijdens de watersnood maar liefst 15 stuks jongvee en 23 koeien! Verder zijn er nog negen andere boeren: zeven dikke boeren en twee kleine boeren. Arbeiders ontbreken volledig in deze gemeenschap.
Uit alles spreekt weelde: in onderstaande tabel blijkt bijvoorbeeld ook de gemiddelde schade van de dertien getroffen woningen ver boven die van de gemiddelde schade van alle woningen in de hele gemeente uit te steken. De inwoners van Hesselingen lijden door de watersnood gemiddeld zelfs ruim dubbel zoveel schade aan en in hun woningen vergeleken met de doorsneeinwoner van het dorp.

|pag. 24|

Schadecategorie Staphorst Hesselingen Indices
Huisraad ƒ30,- ƒ45 150
Turf ƒ8,- ƒ16 200
Hooi en zaaigoed ƒ65,- ƒ183 282
Totaal ƒ99,- ƒ245 247

Tabel IX: Staphorst en Hesselingen vergeleken

Vier jaar na de watersnoodramp is het gehucht weer even welvarend als tevoren. In 1829 schrijft Ebbinge Wubben in zijn fijne handschrift twee lange brieven aan de gouverneur. Zeven kantjes lang spuit hij zijn verontwaardiging over het feit dat, hoewel niet ‘onvernuftig uitgedacht’, de aangrenzende Meppel aanspraak durft te maken op de buurt Hesselingen. Uit beide brieven blijkt duidelijk dat in deze — inmiddels zelfs tot zeventien gezinnen uitgegroeide — buurt de elite van het dorp woont. Meppel vlast volgens de raad al sinds lange tijd op deze buurt en dat is ‘geen wonder, al is dezelve klein in vergelijk van het overige deel dezer gemeente, het is eene notabele buurt van zeventien huisgezinnen, het maakt van zoo te spreken de Rijkdom uit dezer gemeente, de bewoners zijn de welvarenste lieden dezer gemeente, zij dragen een niet onbeduidend deel in de plaatselijke belasting. De landen in dien kring gelegen zijn behoorende tot de hoogste klasfe, dien omtrek is zeker thans bij den aanleg der nieuwe straatweg van zeer veel importantie.’

____Dikke boeren en hoge heren
Uit al deze gegevens wordt duidelijk dat er een toplaag van dikke boeren in de gemeente te onderscheiden is. Boven deze groep staan vier personen buiten de boerenstand, namelijk de scholtus en de predikanten van de drie kerkdorpen.
De dokter ontbreekt in de gemeente en de scholtus is tevens notaris, om de traditionele vierslag dominee, dokter, burgemeester en notaris vol te maken.
Het aanzien dat deze personen genieten is een dubieuze zaak. Aan de ene kant blijkt uit verschillende archiefstukken wel een zekere hoogachting, maar er zijn evengoed archiefstukken waarin sprake is van — soms breed gedragen — verzet tegen hen. Hun macht is echter wel aanzienlijk en hun jaarinkomen steekt boven alle andere uit. Voor de beeldvorming volgt eerst het arbeidscontract van een meesterknecht in 1825.

Hendrik Martens uit De Wijk heeft zich van 1 november 1825 tot 1 november 1826 als ‘boerenopperknegt’ verhuurd bij Jan Pouwels Inberg, die boer is in de IJhorst. Overeengekomen is, dat Inberg kost en inwoning zal verschaffen en hem 55 gulden aan loon uit- betalen. Daarboven worden bedongen drie hemden, twee linnen broeken, een linnen borstrok en twee paar schoenen, die met elkaar op 15 gulden worden gewaardeerd,31 [31. Jan Pouwels Inberg ontslaat zijn knecht, ir. J.H. Baarslag in ’t Olde Stappest, 13e jaargang, no.3, pag. 35]

Vergelijk je bovengenoemde getallen met de jaarwedde van de dominee in IJhorst, die in 1818 ‘min of meer ƒ700, behalven vrije woning, vrije turf en hout, en eene ruime tuin’ verdient, en die van de scholtus op de Staat van inkomsten en uitgaven van 1825 dan is duidelijk dat deze personen bij de top behoren. Ter vergelijking zijn ook de jaarwedden van verschillende anderen, die eveneens op de loonlijst van de gemeente voorkomen, overgenomen.

Posten op de Staat van inkomsten en uitgaven in 1825
N6. Jaarwedde van het plaatselijk bestuur 32 [32. Hoogstwaarschijnlijk betreft dit grotendeels de jaarwedde van de scholtus.] ƒ675__
N7. Idem van den plaatselijken ontvanger ad 3 procent 57:13½__
N14. Jaarwedde der veldwachters 225__
N17. Jaarwedde van den postbode van hier op Meppel 60__
N19. jaarwedde van de vroedvrouw 60__
N24. Subsidie aan onderwijzers 80__

 

|pag. 25|

Pas in 1828 duikt voor het eerst een post à ƒ300,— voor een dokter op. De gemeentekas, gevuld met belastingen uit hoofdelijke omslagen, laat eigenlijk geen geneesheer toe.33 [33. In 1829 is deze dokter alweer verdwenen, pas in 1837 komt de volgende dokter op het dorp.] Uit de briefwisseling rond zijn aanstelling blijkt een groot deel van de bevolking in behoeftige omstandigheden te leven. Wat voor bevolkingsgroep betreft dit en hoe groot is ze?

|pag. 26|

____De omvang van de armoede

HOOFDSTUK V

Armoede is een moeilijk te definiëren begrip. Het is immers gebonden aan tijd, plaats en gehanteerde maatstaf. Binnen het kader van dit hoofdstuk is armoede te omschrijven als een situatie van barre materiële problemen, te weten onvoldoende voeding, huisvesting, verwarming en kleding om in ieder geval ‘gezond’ te kunnen leven.34 [34. Arm in Nederland, 1815-1990, F.L. van Loo, pag. 12]
Om de omvang van de armoede op een bepaald moment vast te kunnen stellen moet er een armoede-grens bepaald worden. Dat is een gewaagde zaak, omdat die grens altijd kunstmatig is en daardoor iets willekeurigs heeft, schrijft dr. L.F. van Loo in zijn Arm in Nederland, 1815-1990. Voor de negentiende eeuw laat hij zich leiden door eerdere studies, die de armoede-grens trekken op het niveau van de belastingvrije voet van de plaatselijke belastingen. Iedere vrijgestelde van belasting wordt, door de meer gegoede tijdgenoten die de grens bepalen, geacht eigenlijk niet voldoende inkomsten te hebben om in de als (meest) noodzakelijk beschouwde levensbehoeften te kunnen voorzien, zo motiveert Van Loo deze keuze. Daarbij onderscheidt hij ook de groep laagst aangeslagenen. Deze laatsten omvatten volgens het commentaar van de provinciale gouverneurs veelal ook arbeiders en (zeer) kleine zelfstandigen, van wie velen analfabeet en doorgaans behoeftig of in ieder geval minvermogend zijn. Bij deze indeling sluit ik mij aan.

____Verdeling van de hoofdelijke omslag
In juli 1819 maakt het gemeentebestuur van Staphorst haar ingezetenen bekend hoe de hoofdelijke omslag, de belangrijkste belastingvorm, verdeeld is. De lijst geeft een goede indruk van de rijkdom van de bevolking.
 

Belastingklasse Aantal contribualen Belastingbedrag
1ste Klasse 3 Contribualen per hoofd ƒ9—
2de 21 ƒ7—
3de 28 ƒ6—
4de 52 ƒ5—
5de 79 ƒ3—25
6de 87 ƒ2—50
7de 80 ƒ1—45
8ste 77 ƒ—75

Tabel X: Verdeling van de hoofdelijke omslag

In totaal zijn er 427 belastingplichtigen. Zetje dit aantal tegenover een geschat aantal van 544 35 [35. Berekeningswijze helaas verloren.] huisgezinnen, dan zijn er dus zeker 117 gezinnen als arm te beschouwen. Dat is maar liefst 22%. Ebbinge Wubben zelf schat in 1819 dat een kwart van de bevolking niets kan bijdragen en dus behoeftig is; zo’n honderd huisgezinnen zijn minvermogend. Plaats je de 427 belastingplichtigen tegen de achtergrond van een gemeenschap met zeker 526 boeren, dan is meteen duidelijk dat de groep armen (vrijwel) geheel gevormd moet worden door arbeiders. De getallen in de onderstaande tabel verduidelijken dit.

|pag. 27|

Bevolkingsklasse Belastingklasse
Grote boeren 189 (35%) Hoog aangeslagenen36 [36. Meer dan gemiddeld aangeslagen personen.] 183 (34%)
Kleine boeren 188 (35%) Laag aangeslagenen37 [37. Minder dan gemiddeld aangeslagen personen.] 244 (44%)
Arbeiders en overig 167 (31%) Niet belastingplichtig 117 (22%)

 

Tabel XI: Bevolkings- en belastingklassen vergeleken

De grote boeren en de hoog aangeslagenen vormen één en dezelfde groep, die ongeveer een derde deel van de bevolking vormt. De kleine boeren worden allemaal beneden gemiddeld aangeslagen, terwijl de groep arbeiders voor een deel laag aangeslagen wordt, maar voor het grootste deel helemaal geen belasting hoeft te betalen. De verklaring ligt in het simpele feit dat de arbeider te weinig verdient. Hij kan gewoon geen belasting betalen. Dr. I.J. Brugmans stelt dat de arbeider, gezien zijn lage loon, gevoeglijk tot de armen gerekend kan worden. Men ziet de arbeider niet als een afgebeulde werker maar als een behoeftige gebruiker. De loonarbeider gaat volgens hem daardoor schuil in de grotere groep, die de naam van ‘de armen’ of ‘het volk’ draagt. Hiertoe behoort ook de armlastige, die door bedeling of bedelarij in leven blijft.38 [38. Paardenkracht en mensenmacht, dr. I.J. van Bruggen, pag. 190] Ook Van Hogendorp noemt in 1816 het werkloon van de arbeider onvoldoende om een talrijk gezin te onderhouden.
Tweederde deel van de bevolking wordt beneden gemiddeld of helemaal niet aangeslagen, terwijl een derde deel van deze risicogroep met zekerheid tot de armen gerekend kan worden. De omvang van het aantal armen is hiermee globaal aangegeven, maar hoe moet je je deze armoede voorstellen?

|pag. 28|

____De aard en de beleving van de armoede

HOOFDSTUK VI

Armoede komt allereerst tot uitdrukking in de mate waarin de eerste levensbehoeften vervuld kunnen worden, dus de kwantiteit en kwaliteit van eten, drinken, kleding, woningen, verwarming en dergelijke, en de manier waarop in deze behoeften wordt voorzien, dus het werk. Al de genoemde zaken worden in dit hoofdstuk achtereenvolgens kort belicht. De gegevens zijn voornamelijk afkomstig uit algemene bronnen, soms aangevuld met gegevens over de situatie in de gemeente Staphorst. Uit de archiefstukken komt namelijk niet meteen het dagelijkse leven van de inwoners en zeker niet van de armen duidelijk tot uiting.

____Eten en drinken
In de negentiende eeuw komt iemands stand wel heel duidelijk tot uiting in het voedsel dat iemand gebruikt. ‘Zegt mij wat u eet en drinkt en ik zal u zeggen wie gij zijt.’ De Bosch Kemper verklaart dat het voeding van de armen ‘zeer armoedig’ is, maar hij vindt het wel nodig om bij wijze van geruststelling te verzekeren, dat sterven van de honger zeer zelden voorkomt.
Aangezien het tarwebrood door de accijns op het gemaal naar verhouding erg duur is, eten de armen voornamelijk roggebrood of brood uit gort~ of aardappelmeel. De ingezetenen bakken bijna allemaal zelf het brood of ze laten het bakken bij één van de vier in het dorp gevestigde bakkers, schrijft Ebbinge Wubben in 1826 en hij vervolgt ‘dat nog geen Zestiende deel der ingezetenen alhier doorgaans hun brood koopen.’ Het gemeentelijk bestuur houdt hierbij met Middeleeuwse nauwgezetheid en maatregelen toezicht op de hele gang van koren naar brood.
Aardappelen, helemaal onbelast, worden aanvankelijk alleen als veevoeder gebruikt, maar nemen in de loop van de eeuw steeds meer de hoofdplaats in. Ze worden gewoonlijk met wat mosterd en azijn naar binnen gewerkt in grote hoeveelheden. Ook jonge kinderen krijgen al vroeg aardappelen te eten, die daardoor vaak harde, opgezette buiken krijgen. Alleen op bijzondere dagen wordt er op de aardappelen wat olie of vet gesmeerd. Zo is tenminste de algemene situatie. In Staphorst worden de aardappelen juist volop in het vet gedoopt. Er vertrekt zelfs een jong schoolmeestertje omdat zijn zwak ‘gestel de zware kost’ niet verdragen kan. De eigen produktie van boter en het zelf slachten van vee hangt hiermee waarschijnlijk samen.
Vlees is voor verreweg de meeste arbeiders een artikel dat nooit op tafel komt.
In Staphorst is ook wat dit betreft de situatie hoogstwaarschijnlijk wel anders.
Daar kunnen ook de armen nog een biggetje opfokken tot een slachtvarken.
Wild en gevogelte zijn wel onbereikbare luxe-artikelen, al zal er wel eens een haas of konijn gestroopt worden.
Als gewone volksdrank geldt koffie of althans een vocht dat daarvoor door moet gaan. In de steden moeten deze voor een deel het drinkwater vervangen, omdat de putten in de morsige volksbuurten gewoonlijk verontreinigd zijn.
Bier, de volksdrank uit vroeger eeuwen, is een weeldeartikel geworden. Het gebruik van jenever is daartegenover juist erg hoog. De klachten over drankmisbruik zijn luid en veelvuldig. Zelfs de vrouwelijke arbeiders zijn van een stevige dronk niet afkerig. ‘De steenen~ en turfdraagsters drinken jenever tegen de mans aan.’ Ook in Staphorst klaagt de scholtus over hen die zich ‘tot brakens

|pag. 29|

toe van dat sterke vogt voorzien’. Het misbruik is verklaarbaar: het lege gevoel in de maag door onvoldoende voeding, de slechte woningtoestanden, de afwezigheid van de mogelijkheden om zich te ontspannen — alles drijft de arbeider naar de kroeg. De prikkeling verdrijft het holle gevoel in de maag. Dat dit overmatig gebruik van drank, waaraan soms ook de vrouwen meedoen, de arbeider nog verder verzwakt ligt voor de hand. Het grote gebruik zal ook wel samenhangen met de opkomst van de aardappelen, waaruit aardappeljenever te stoken is. Nog in een omstreeks 1830 gedrukte prent wordt gewaarschuwd:
Verlaat de aardappelen! Zij brengen gebreken en kwalen, luiheid, drinkzucht en misdaad aan.’
De hier geschetste voedingstoestand geldt niet alleen voor de bijzonder misdeelden onder de arbeiders. Integendeel, alle gebruikte bronnen wijzen op het voedsel van de doorsnee-arbeider.

____Kleding en woningen
Over de kleding van de arbeiders valt weinig wetenswaardigs mee te delen.
Volgens De Bosch Kemper komt gebrek hieraan zelden voor. Men staat, zegt hij, ‘dikwijls verwonderd over de goede kleeding der schamele gemeente’.
Met de huisvesting is het echter als met de voeding; droevig gesteld. Hierbij moet je wel een scheiding maken tussen de steden en het platteland. In de steden zijn de arbeiders gewoonlijk gehuisvest in percelen, die door de burgerklasse uitgewoond en daarom verlaten zijn. Voor bewoning door talrijke arbeidersgezinnen zijn deze huizen dus niet bestemd en evenmin geschikt. In 1820 spreekt Van den Bosch over de lagere volksklasse, die ‘in kelders en holen opgestapeld’ ligt. Vaak wordt op een gezin van acht leden slechts één bedstede aangetroffen.
Op het platteland zijn de verhoudingen van andere aard. De kwaliteit van de woningen is hier zeer uiteenlopend. Groot verschil is er bijvoorbeeld in Friesland tussen de arbeiderswoningen in de gemeenten Menaldumadeel en Barradeel, ‘die bijna paleizen zijn’ en de half onderaardse hutten te Rottevalle, Surhuisterveen en elders. De landbewoners wonen soms in zeer armoedige behuizingen. Ook de Staphorster boerderijen komen er bekaaid of bij een beoordeling. ‘Wanneer men eene reine Hollandsche hofstede met een boerenhuis te Staphorst, of wel eene boerenwoning in Groningen met die in Limburg en Noord-Brabant vergelijkt, zoude men haast niet gelooven willen, dat zij in hetzelfde land en dat nog wel tusschen zoo enge grenzen beperkt, gevonden worden.’39 [39. Paardenkracht en mensenmacht, dr. I.J. Brugmans, pag. 166] De wevers te Oldebroek bezitten bijna niets anders dan een ruimte, zeven passen lang en vijf passen breed, die in twee stukken is verdeeld. Het grootste is voor het huishouden, het kleinste voor het weefgetouw. De ledikanten zijn gevlochten van teen en hebben onderlagen van takkenbossen. Daar bovenop komt dan een strozak. Te Warfum is de enige kamer van de arbeiderswoningen zo klein, dat men er nauwelijks een tafel, enige stoelen en een kist in kan zetten. De zoldering is zo laag, dat men er niet rechtop kan staan. Maar aan de andere kant zijn ook de armste landarbeiders nog beter gehuisvest dan de meeste stedelijke werklui. ‘De onreinheid, de stank en de mensopeenhoping met haar zedelijke en fysieke gevolgen’ ontbreken hier.
De boerderijen in Staphorst vormen hierop, zoals gezegd, geen gunstige uitzondering. Scholtus Ebbinge Wubben schrijft zelf dat de leefregel van de inwoners eenvoudig is. Het behoort volgens hem niet tot de zeldzaamheden ‘dat menig huis van welvarende landsheden te Staphorst en Rouveen, doch niet te Yhorst, niet anders dan één vertrek bevat zonder schoorsteen.’ Vrijwel iedere boerderij is een zogenaamd lös hoes. In een lös hoes leven mens en dier in één onverdeelde ruimte. Ook de oogst is in deze ruimte opgeslagen. De woningen zijn over het algemeen ook niet veel waard. De scholtus schrijft zelf naar aan-

|pag. 30|

leiding van de schattingen van de huiswaarde door belastingambtenaren ‘dat voor het algemeen de woonhuizen in deze gemeente van weinig waarde zijn in vergelijking van aangrenzenden gemeenten.’ De schatters hebben van de meer dan vierhonderd huizen in de gemeente slechts drie à vier woningen waard geacht om meer dan twintig gulden aan huur per jaar op te kunnen leveren.

____Werken
Dat de arbeidstijden in de landbouw vaak zeer lang zijn, ligt voor de hand. In het agrarische bedrijf is men nu eenmaal sterk aan seizoen en weersgesteldheid gebonden, zodat op gunstige zomerdagen van zonsopgang tot zonsondergang de arbeid wordt voortgezet. De Utrechtse landarbeider gaat dan ook ‘s ochtends om drie uur van huis, om daar niet voor zeven uur ‘s avonds terug te komen. In het Gooi werkt een niet-inwonende bouwknecht van vier uur ‘s morgens tot acht uur ‘s avonds. De dagloners in Salland verrichten hun dienst van zes uur voormiddag tot zes uur namiddag, maar ze werken daarbij meestal wel vóór zes uur al op hun eigen erfje.
Veel dagloners in Staphorst vinden een bijbestaan in het verbouwen van veenboekweit. Zij moeten het vooral hebben van het werk in de zomer. Terwijl de inwonende arbeider vaak wel het hele jaar voldoende krijgt, moet de dagloner in de winter meestal zijn inkomen gedeeltelijk of geheel missen. De zomerlonen zijn ook in Staphorst het dubbele van de winterlonen en aangezien de inkomsten in de zomer niets gespaard kan worden, geldt iedere winter voor hen de vraag ‘Hoe komt Jan Splinter weer door de winter?’
Sommige van deze arbeiders kunnen een ‘carrière’ maken van arbeider naar kleine boer. Dat kost dan echter wel een leven van lang en hard werken. Een overheidspublicatie van 1808 geeft een beeld van een dergelijk leven. ‘Een arbeider die pasgetrouwd is en zogoed als niets bezit, begint gewoonlijk met één of twee geiten, waarvan hij de melk geniet en waarvan hij de mest op z’n akkertje brengt en wat kippen. Gaandeweg komen er een paar biggen bij en vervolgens een mestkalf. Eindelijk is hij zover, dat het kalf kan worden aangehouden, zodat er melk verkocht kan worden. Van het melkafval, kleine aardappels en roggemeel van zelf verbouwde rogge wordt de varkensstapel wat uitgebreid, wat weer extra geld binnenbrengt. Met de meerdere mest kan hij weer wat heidegrond tot bouwland ontginnen. Als het de landarbeider meezit, gaat hij van lieverlede minder uit daghuren en blijft hij meer thuis werken. Vooral als er volwassen kinderen zijn, die al wat verdienen.’
Echter, dit lukt slechts een enkeling en daarbij leidt ook een kleine boer nog geen onbekommerd leven.

Uit dit — grotendeels globale — verhaal komt de vraag op hoe de ‘meergegoeden’ met deze toestanden omgaan. Wat doet het gemeentebestuur in Staphorst met zijn vele kleine boeren en dagloners?

|pag. 31|
[Blanco]

|pag. 32|

____De omgang met de armen

HOOFDSTUK XI

Uit de — in hoofdstuk 9 genoemde – belastingopgave van juli 1814 blijkt dat de verschillende klassen beslist niet naar evenredigheid bijdragen.
Dat wordt duidelijk als je het belastingpercentage dat een bepaalde klasse bijdraagt, vergelijkt met het percentage dat deze klasse van het totale aantal belastingplichtigen uitmaakt.
 

Klasse Percentage personen Percentage geld Indices
1ste 0,7% 2.2% 307
2de 4,9% 11.8% 239
3de 6.7% 13.4 205
4de 12.2 20.8% 171
5de 18.5% 20.5% 111
6de 20.4% 17.4% 85
7de 18.7% 9.3% 50
8ste 18.0% 4.6% 26

Tabel XII: Verdeling van de belastingdruk over de verschillende klassen

De indices bewijzen onmiskenbaar dat de hogere klassen niet alleen absoluut, maar ook relatief veel meer belasting betalen dan de lagere klassen. Bij het vaststellen van de tarieven wordt er dus heel goed rekening gehouden met de draagkracht van iedere klasse. Uit de belastingopgave volgt al meteen een globale aanduiding van de wijze waarop het gemeentebestuur met de groep armen omgaat. Dit wordt nog duidelijker aan de hand van de ‘kwestie Mos’, zoals die zich gaandeweg vanuit een serie archiefstukken voor mijn ogen ontvouwde.

____Die volstreks alles in de volsten nadruk ontberen
Op 23 april 1814 schrijft scholtus Ebbinge Wubben aan de dominee over een zekere Willem Willems Mos, een arme dagloner ‘met en benevens een vrouw en talrijk kroost van agt kinderen, die volstreks alles — [voor] ‘s levens onderhoud nodig — in de volsten nadruk ontberen.’ Oorspronkelijk komt Mos uit Koekange, maar hij is verhuisd naar Staphorst. In 1814 woont hij in de buurtschap De Leyen. Als dagloner vormt hij een goede representant van de bevolkingsgroep aldaar. In dit onvruchtbare moerasveengebied wonen namelijk voor het grootste deel dagloners.
Nu is er al eeuwenlang de regel dat nieuwe bewoners een garantie moeten meebrengen, dat de diaconie uit de plaats van herkomst zich verplicht om gedurende zes jaar voor hen te zorgen in het geval dat zij in onverhoopte armoede komen te vervallen. De kerken zien hier nauwlettend op toe en ook voor Mos is er een Acte van Indemniteit door de diaconie van Koekange afgegeven.
In de gemeente zelf zijn de voorzorgsmaatregelen nog verder doorgevoerd door te bepalen, dat niemand een woning mag bouwen of betrekken als er niet minstens vier akkers land bij behoren. Aan deze regel wordt ook daadwerkelijk de

|pag. 33|

hand gehouden; in datzelfde jaar geeft Ebbinge Wubben aan Hendrik Jans Klomp ‘genaamd Pral’ en Peter Koops Timmerman het bevel hun huizen ‘daadlijk te remoiveren en aftebrekena’ omdat beiden ‘tegen de duidelijke letter deser Wet komen handelen door huizen te bouwen waar geen vier akkeren lands bijgelegen en gebruikt worden’.

____Het willekeurig gedrag van de armstaat van Koekange
In het geval van Willem Mos is er echter door het ‘willekeurig gedrag van de armstaat of diaconie van Koekange’ een moeilijkheid ontstaan. Deze man, ‘die altoos in een zeer armoedige toestand heeft verkeerd en nog bij aanhoudendheid is’, is vanaf het begin dat hij in het dorp kwam wonen door deze diaconie in zijn levensonderhoud voorzien. Het probleem voor Ebbinge Wubben is nu dat de diaconie van Koekange ‘tot wier laste dit huisgezin is’, weigert om dit armoedige gezin verder te ondersteunen. ‘Een gedrag ‘t welk strijd tegen alle menschelijkheid en dat geen diaconie van een Christelijk kerkgemeente betaamd’, oordeelt de scholtus. De diaconie in dit Drentse dorp heeft wel meer dergelijk gedrag vertoond. Eind februari van hetzelfde jaar is de scholtus bijvoorbeeld al een keer in de pen geklommen, omdat zij een zekere Aaltje Pouwels Huls op een avond naar Staphorst hebben ‘gedreven’. Deze arme vrouw werd door de diaconie niet in haar eigen woonplaats geduld.
Ook in de zaak Mos hebben ze zich al onbehoorlijk gedragen. Willem Mos is door deze diaconie onder druk gezet om hen te bedanken met het dreigement dat ze anders zijn zoon naar de kweekschool zullen sturen. Op het eerste gezicht lijkt dit een onbegrijpelijk dreigement. Dit moet echter gezien worden tegen de achtergrond van een regelgeving, waarbij alleen hele gezinnen bedeeld worden. Alle leden van zo’n gezin vallen daarbij toe aan de diaconie. Een bedeelde wordt dus dienstbaar aan de diaconie en daarmee belet om iets voor zichzelf te verdienen. Hij of zij krijgt alleen een armenhuisje toegewezen en daarbij een wekelijkse toelage om in het onderhoud van het gezin te voorzien.
De diaconie besteedt de bedeelde vervolgens uit ‘op zodanige wijze en gelegenheid als de armenvoogden komen goed te vinden’. Meestal gebeurt dit door publieke besteding, waarbij de arme wordt verhuurd aan de minst eisende of aan de meest biedende. Deze regels blijken uit een brief rond Lijsje Wobben, die eigenlijk alleen steun voor haar kind wil ontvangen. Mos is dus voor de keus gesteld: òf hij bedankt voor de steun òf hij laat zijn zoon in volledige dienst van de diaconie terechtkomen. Mos heeft hierop de diaconie ‘onder schijn bedank[t], egter onder belofte, dat hij altoos aanspraak op haar onderstand had’. Even zo goed moet hij die bijstand toch missen, want de diakenen van Koekange weigeren verdere steun te verlenen aan Willem Mos.

____Willem Mos die in waarheid armoedig is
De diepte van de armoede van het gezin blijkt griezelig duidelijk uit het feit dat het gezin nog geen twee maanden voor de brief aan de dominee nog tien kinderen telt. Op 8 maart beschrijft Ebbinge Wubben Willem Mos namelijk als een man ‘die in waarheid armoedig is en volstrekt onderstand voor hem en zijn tien kinderen behoeft’, terwijl hij op 23 april, nog geen twee maanden later, over ‘agt kinderen’ spreekt. Een aanmaning in augustus van de belastingambtenaar in Zwolle geeft de huiveringwekkende verklaring voor zeker één kind als hij aandringt op de aangave van ‘wijlen Hendrica Willems Mos, overleden te Leyen (…), den 30 maart 11’. Een speurtocht door de registers van overledenen maakt duidelijk dat Hendrika op die dag in de achternamiddag om vier uur op de leeftijd van net één jaar overleden is. Een verklaring voor het ontbreken van een tweede kind geven de registers echter niet. Een ander kind

|pag. 34|

met de achternaam Mos overlijdt er in deze periode namelijk niet. Een jaar later sterft er wel een zekere Hendrik Willems Mos in de Leyen op de prille leeftijd van slechts twee jaar.

____Over zodanige kunstgrepen en slinkse wegen
De brieven van Ebbinge Wubben rond deze kwestie geven een goed beeld van de manier waarop hij probeert dit probleem op te lossen en daarmee van de omgang met de armen in de gemeente. Ebbinge Wubben richt zich allereerst aan de commissaris te Assen, aangezien Koekange als deel van gemeente De Wijk in Drenthe ligt, met het verzoek om de diaconie van Koekange tot haar plicht te brengen. De commissaris wijst dit verzoek van de hand, nadat hij advies heeft ingewonnen van de scholtus van De Wijk. Deze Jan Nijsingh, een schoonzoon van de rijkste boer en ouderling in De Wijk 40 [40. De lokale bestuurselite in Drenthe, 1780-1820, J. Folkerts in Nieuwe Drentse volksalmanak, pag. 16, 17 en 18], moet volgens Ebbinge Wubben echter als ‘zeer partijdig’ worden beschouwd. Hij licht dan ook heftig verontwaardigd over ‘zodanige kunstgrepen en slinkse wegen’ zijn eigen commissaris van het arrondissement Zwolle, de heer Sandberg, in. Deze neemt daarop de goedheid op zich om ‘zig omtrent deze zaak te verleedigen’. Zelf kan hij echter niet over Koekange beslissen, omdat het in Drenthe ligt. Hij bericht Ebbinge Wubben binnen een week terug dat hij zijn collega in Assen heeft geschreven. Aangezien hij nog geen antwoord ontvangen heeft, geeft hij de scholtus tevens de opdracht om — hangende de zaak — de nodige maatregelen te nemen, ‘opdat dien man van het onontbeerlijke voorzien worde’.
Om dus in de nood van dit huisgezin te voorzien schrijft Ebbinge Wubben op zaterdag 23 april een brief aan de dominee, waarin hij deze vraagt om de volgende dag in zijn gemeente in de ‘voor de Middaags Godsdienstoevening’ af te kondigen, dat er bij het einde van de ‘na de Middaags Godsdienstoevening’ bij het uitgaan aan de kerkdeuren door de diaconie zal worden gecollecteerd voor het gezin Mos. Aan dit verzoek annex opdracht voldoet niet alleen de kerk van Staphorst, maar ook die van Rouveen en IJhorst. Op dinsdag schrijft Ebbinge Wubben een korte brief aan Jacob Ubak, een landbouwer uit IJhorst en notabele aldaar, een lid van het college van toezicht op de kerkvoogdij dus.

De Scholtus van Staphorst                                                  Staphorst, den 26 April 1814

Aan Jacob Ubak

De collecte, op 11 zondag voor Willem Mos en zijn huisgezin gedaan, heeft opgebragt
te IJhorst ƒ5———”——”
Staphorst 5——18——2
Rouveen 4——18——4
te zamen ƒ15——16——6

Deze penningen zende [ik] bij dezen aan uw met verzoek om daar van Willem Mos daadlijk uitbetalen ƒ1——16——6 en vervolgens alle week ƒ1——”——”

De Scholtus voornoemd
(is getekend) Fr.A. Ebbinge Wubben

De collecte brengt vijftien guldens, zestien stuivers en zes centen op. Van dit bedrag krijgt de dagloner iedere week een gulden uitgereikt. Hoewel daarmee dus tot midden september de kwestie geregeld is, is de zaak vanzelfsprekend nog niet opgelost. De heren blijven dan ook corresponderen.

____Naar de letter van de wet
Begin mei laat de commissaris Sandberg weten dat hij bericht heeft ontvangen van zijn collega uit Assen. Hij stuurt een kopie van de brief aan de scholtus met het verzoek daarop te willen reageren. In een lange brief legt de scholtus een week later de commissaris te Zwolle uitgebreid uit dat de argumenten van de diaconie te Koekange ongegrond zijn. Deze beweert namelijk dat volgens arti~

|pag. 35|

kel 4 van de wet een arme niet langer meer dan één jaar onderhouden hoeft te worden. Koekange volgt hier de — in de Franse tijd ingevoerde — nieuwe wet.
Nu vindt Ebbinge Wubben voor zichzelf ten eerste dat zoiets alleen in de zin van burgerlijke rechten van pas komt en nimmer geldt voor particuliere weldadigheidsinstellingen, waaronder de diaconie begrepen moet worden. Maar zelfs als de wet voor die instellingen aannemelijk kan worden gemaakt, dan kan ze niet op het onderhavige geval toegepast worden. Om dat duidelijk te bewijzen zet hij zijn betoog in drie punten op.
Ten eerste wijst de scholtus er op dat reeds lang voor de introductie van de wet 41 [41. Wellicht betreft dit uitwerkingen van de nieuwe grondwet van 1814.] volgens de Bijzondere Departementale Reglementen der Gemeenten een dorp of stad verplicht was, om iemand die vertrok voor de plaats van vestiging een Acte van Indemniteit af te geven. Wat dit inhoudt is voor u als lezer inmiddels al duidelijk.
Ten tweede is voor Willem Mos een dergelijke akte ook verkregen en is deze al voor de invoering van de wet tot armoede vervallen, betoogt hij verder.
Aangezien de wetten geen terugwerkende kracht hebben moeten dus de genoemde bepalingen gevolgd worden en niet een — met de oude regelingen in tegenspraak zijnde — wet waarvan men nog niet eens bewust was.
Hiermee meent hij voldoende betoogd te hebben dat het voorgeven van de diaconie van Koekange in dit geval ongegrond is, besluit de scholtus, overigens natuurlijk wel met alle verschuldigde hoogachting als onderdanige en gehoorzame dienaar van de Hoogedele Gestrenge Heer.
Begin augustus verkeert Willem Mos met zijn gezin nog steeds in een volslagen armoedige toestand terwijl de diaconie van Koekange nog niet de minste gedachten heeft om het gezin naar behoren te onderhouden. De bodem van het diaconiepotje voor Mos komt allicht ook al in zicht en daarom heeft het Ebbinge Wubben — vermoedelijk ten einde raad — nodig geoordeeld Zijne Hoogedele Gestrenge Heer met de gepaste eerbied te verzoeken om de bevoegdheid het gemelde huisgezin ‘van hier te doen delogeeren’. Oftewel, hij vraagt in nette bewoordingen het gezin Mos over de grenzen van de gemeente te mogen zetten.
Hoogstwaarschijnlijk is dit verzoek afgewezen, want begin september maakt commissaris Sandberg aan alle gemeenten en armbesturen de besluiten van Koning Willem I bekend. Zijne Koninklijke Hoogheid wil ervoor zorgen dat er, in afwachting van de definitieve bepalingen rond de verplichting van het onderhoud, geen armen tussen de wal en het schip terecht zullen komen door de verschillende denkbeelden die hierover bestaan. De kwestie Mos staat dus duidelijk niet op zichzelf. Koning Willem I beveelt daarom dat in de behoeften van iedere arme, die aanspraak kan maken op ondersteuning, onmiddellijk voorzien moet worden overeenkomstig de staat van de fondsen en de bedeling aan andere behoeftigen in de gemeente. Naar het al of niet verplicht zijn mag dan ook geen onderzoek ingesteld worden en nog veel minder mag de ondersteuning worden geweigerd of vertraagd op grond van deze vraag.
In het geval dat een behoeftige minder dan een jaar in de gemeente gevestigd is, wordt aan de besturen evenwel de bevoegdheid toegekend om de gemaakte onkosten van ondersteuning van de vorige gemeente terug te vorderen. Deze laatste moet namelijk het meest verplicht worden geacht tot het onderhoud van de armen. In zo’n geval zal ‘de Provinciale Autoriteit’, als het gemeenten van dezelfde provincie betreft en anders ‘den heer Secretaris van Staat voor de binnenlandse zaken’, uitspraak doen bij een eventueel verschil. De hele regeling heeft veel weg van een noodmaatregel vanwege de grote verwarring op dit gebied. Bij de wet van 28 november 1818 wordt bepaald dat de gemeente waarin iemand gedurende vier achtereenvolgende jaren al de hem opgelegde belastingen heeft voldaan tevens de plaats van onderstand zal zijn.

|pag. 36|

Hoe het verder met Willem Mos, zijn vrouw en acht kinderen is afgelopen is mij onbekend, maar de kwestie geeft wel een duidelijk beeld van de omgang en de daarbij geldende regels van de diaconie en het gemeentebestuur met de aan haar zorgen toevertrouwde armen en zelfs met degenen die dat eigenlijk niet zijn.

____Om het gedugte kwaad in de grond aan te tasten 42 [42. De achteigrondinformatie in deze en de volgende paragraaf is overgenomen uit het opstel Waren de Drenten achterlijk? Het Verlichtingsdenken en veranderingen in de Nederlandse armenzorg in Nederland en het Noorden, H. Gras, pag. 81~99]
Opmerkelijk is dat de scholtus zijn maatregelen neemt via de diaconie. Een bericht uit 1823 van het gemeentebestuur aan de Gedeputeerde Staten maakt duidelijk dat er ook helemaal geen andere instellingen, die tot doel hebben om de behoeftigen in de gemeente te onderhouden, bestaan, dan alleen de ‘armenstaten’ van de drie verschillende kerken. Traditioneel valt de taak van het lenigen van de armoede toe aan de liefdadigheid van de enkele persoon, op wie de christelijke plicht rust de arme, lijdende of invalide naaste barmhartigheid te vertonen. De kerk en dan met name de diaconie is hierbij de bemiddelende instelling.
Al even opmerkelijk is hiertegenover het besluit van Willem I. Hij ziet het gemeentelijk en niet het kerkelijk bestuur het meest verplicht tot het armenonderhoud. Deze gedachte vloeit voort uit het Verlichtingsdenken dat armoede eigenlijk niet thuishoort in de samenleving en moet worden uitgebannen door de overheid. Eeuwenlang is de arme uit liefdadigheid ondersteund, vanuit de gedachte dat God voor eeuwig arm en rijk geschapen heeft.
Armoede wordt hierbinnen gezien als een gegeven, dat niet kan worden uitgeroeid, hooguit gelenigd. Moreel is dat laatste een taak van de meergegoede christen.
Het Verlichtingsdenken gaat met betrekking tot armoede van een heel ander standpunt uit. Uitgaande van de maakbaarheid van de samenleving en de mogelijkheden van de redelijke mens menen de aanhangers ervan dat armoede niet thuishoort in de maatschappij en moet kunnen worden uitgebannen. Alle mensen behoren nuttige burgers van de maatschappij te zijn en kunnen zich dus niet onttrekken van de plicht tot arbeid. Onderwijs en opvoeding van kinderen en heropvoeding van volwassenen door middel van werkverschaffing worden zodoende de middelen om de behoeftige mens uit het slop te verheffen.
Het meest kenmerkende voor deze visie is de opvatting dat de zorg voor gezonde behoeftigen niet door kritiekloze ondersteuning, maar door arbeid moet gebeuren om op deze wijze de armoede met wortel en tak uit te roeien.
Een gemeentelijk armbestuur naast de armenstaten acht de gemeenteraad in 1823 echter nog steeds overbodig. De armenbedeling is zo dat niemand tekort komt, oordeelt de raad. De gedachtenwereld van de Verlichting is ook niet volledig nieuw. De armenzorg door de diaconie is geen ongeorganiseerde bende zonder wet of regel, waarbinnen wordt gegeven aan wie maar voor steun aan komt kloppen. Integendeel, het is een goed geordend stelsel, waarbinnen de diakenen in belangrijke mate een duidelijk beleid voeren om de armoede zo beperkt mogelijk te houden en als het even kan zelfs te verminderen. Het streven van de diakenen is weliswaar niet gericht op het uitbannen, in dat opzicht brengt het Verlichtingsdenken wel iets nieuws, maar op het zo gering mogelijk houden ervan. Armoede is hun ogen inderdaad van alle tijden, sinds de dag dat God arm en rijk geschapen heeft, maar de armen moeten zo mogelijk wel in staat worden gesteld om in hun eigen onderhoud te voorzien. Misschien is deze visie wel realistischer dan het idee om de armoede uit te roeien.
Daarbij blijkt uit de zaak Mos dat er een nauwe samenwerking tussen het gemeentebestuur en de diaconie bestaat. Het geld dat de scholtus voor Mos op tafel moet krijgen komt er via de diaconie. Andersom bijvoorbeeld maant de scholtus op zijn beurt alle ingezetenen van Rouveen ernstig en met nadruk aan

|pag. 37|

om in ruime mate naar vermogen hun plicht van christelijke mededeelzaamheid uit te oefenen als in 1818 de armstaat van Rouveen zich zelf in behoeftige omstandigheden gesteld vind. Gezien het gebrek aan contant geld om de armenzorg voort te zetten hebben de bestuurders namelijk om een buitengewone collecte verzocht. Op een dinsdag zal er daarom ‘met opene schalen’ langs alle huizen worden gecollecteerd. Door deze werkwijze is een armbestuur naast de diaconie wellicht ook overbodig.

____Buitengewone uitgaven op de Staat van begrooting
Een wezenlijk verschil ligt wel in de financieringsbron en daarmee ook in de denkwereld. Bedoelt Willem I de armoede ook met gemeentelijke gelden te bestrijden, waar iedereen wettelijk toe verplicht is, in de gemeente wordt het geld om de nood van de armen te lenigen opgebracht door middel van collectes, waar iedereen uit naastenliefde toe geboden is. Op de Staat van begrooting voor 1830 komen maar drie posten voor, die bedoeld zijn om de nood van armen te lenigen. Onder post 24 wordt voor geneeskundige hulp aan minvermogenden evenals in het voorgaande jaar tien gulden uitgetrokken, evenwel met de vermelding dat dit niet toereikend is en het hulp aan ‘niet bedeelden’ betreft. Onder de volgende post wordt zes gulden gereserveerd voor transport aan arme zieke reizigers. Maar deze posten moet je wel zien tegen de achtergrond van een gemeente waar geen dokter gevestigd is. Zelfs de betaling van de kosten van ‘het onderhoud van de krankzinnige Harmpje Troost’ à ƒ110,— onder post 34 valt onder de Buitengewone uitgaven, al moet het geld ieder jaar weer op tafel komen. En deze forse post is ook al met succes aangevochten, want vier jaar eerder moest hierbij nog honderd gulden kostgeld voor haar betaald worden.
Hieruit is de gevolgtrekking te maken dat de enkele betalingen vanuit de gemeentekas aan armen uitzonderingen betreffen. Het gemeentebestuur laat de armenzorg in goed overleg in handen van de diaconie en grijpt alleen in noodgevallen in. In zulke gevallen betreft het meestal arme niet-bedeelden. Dergelijke ingrepen worden niet zomaar vanuit de gemeentekas betaald, maar het geld wordt door middel van collectes ingezameld.

____Collecte voor de ongelukkige ingezetenen
Het is de lezer nu duidelijk waarom juist de scholtus eind april 1824 wil overgaan tot ‘de verdeeling en uitbetaling der gelden binnen deze gemeente gecollecteerd ten behoeve van de door den brand op den 16 April 11 ongelukkig gewordende ingezetenen alhier.’ De vier getroffenen verdelen in onderling overleg de som van ƒ 157——86.

Albert Hulst 43 [43. De man wordt ook wel ‘Albert Huls’ genoemd in het desbetreffende en door hemzelf ondertekende archiefstuk, maar dat zal hem wel niet opgevallen zijn met bijna een jaarloon in z’n broekzak.]……………..ƒ63———
Klaas Kiers Bouwman………………44——86
Jan Klaas Engel 25———
Grietje Harke 25———

Welke penningen de belanghebbenden bekennen ontvangen te Staphorst, 18 October 1824

Dergelijke collectes worden zelfs voor rampen buiten de gemeente gehouden.
In hetzelfde jaar wordt gecollecteerd voor een brand in Waalwijk en verzoekt de scholtus van zijn meerdere om bekendmaking van de bedragen die ‘de Collecte voor de ongelukkige ingezetenen der Provincie Luxemburg’ zijn binnengebracht. Hoewel dit landelijk bevolen collectes betreffen, wordt dit niet als een formaliteit afgedaan, want drie jaar later, twee jaar na de overstroming van Staphorst zelf, erkent de gouverneur van de provincie Overijssel bij het gemeentebestuur van Staphorst de som van ƒ106——77½ ontvangen te hebben.

|pag. 38|

Dit bedrag is opbrengst van een collecte voor de ongelukkig geworden ingezetenen van Gelderland ten gevolge van dijkdoorbraken bij Ochten.44 [44. Saillant detail: begin februari van dit jaar dreigde de Waaldijk hier opnieuw door te breken.]
Het zou dus een onheuse bejegening tegenover de gemeenteraad zijn om te beweren dat ze zich van het armoedeprobleem niets aantrekken. Zij proberen wel degelijk de armenzorg in goede banen te leiden. Ook scholtus Ebbinge Wubben blijkt uit diverse archiefstukken zich wel terdege met het noodlijdende deel van de bevolking bezig te houden. Zijn zorg beperkt zich hierbij niet tot de eigen gemeente en is zelfs bedoeld om armoede te voorkomen.

____Tot een edel en groots doel verenigd
Op 3 april 1818 schrijft Ebbinge Wubben — weliswaar in zijn functie als scholtus, maar daarom niet minder hartstochtelijk — ‘aan ‘s Heeren Predikanten binnen deze gemeente’ dat een aantal mensenvrienden zich tot een edel en groots doel heeft verenigd. Aangespoord door de erbarmelijke toestand van de vele behoeftige landgenoten willen zij, zoveel als in hun vermogen ligt, de toestand van deze ongelukkigen verbeteren door hen tot arbeidzaamheid naar de mate van hun lichaamskrachten en het bijzonder tot zedelijkheid op te leiden. Zodoende denken zij de armen uit hun toestand van diepe ellende, waarin zij door hun armoede en de daaruit spruitende zedelijke verbastering gedompeld zijn, op te beuren.
Aan dit edele doel heeft Zijne Majesteit de Koning speciale goedkeuring gegeven. Zijn zoon, Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Frederik der Nederlanden, heeft zelfs de bescherming van de vereniging op zich genomen, die onder de naam van Maatschappij van Weldadigheid door het leven zal gaan.
Het doel van de Maatschappij zal hoofdzakelijk zijn om de toestand van de armen en lagere volksklassen te verbeteren ‘door zodanige ontwerpen die voor dezelve dienstig geoordeeld worden ter uitvoering te brengen’, Deze vage formulering wordt toegespitst met de welklinkende woorden ‘inzonderheid door aan dezelven arbeid, onderhoud en onderwijs te verschaffen, waartoe deze voorwerpen [I] bij menigvuldige getalen in het algemeen vervallen zijn, op te beuren en tot een hoger beschaving, verlichting en werkdadigheid op te leiden.’ De Maatschappij zal zich hierbij bedienen van middelen die binnen de Wetten van het Rijk en het bereik van bijzondere personen vallen, het moet immers mogen èn kunnen.
Om de algemene vrees dat armenzorg de armen wel eens zou kunnen stijven in hun luiheid weg te nemen, stelt de scholtus duidelijk dat het onderhoud dat aan de armen gegeven wordt, alleen gegeven zal worden in vergelding van arbeid en dat men nooit zal proberen om dit doel door liefdegiften te bereiken.
Het godsdienstig en zedelijk onderwijs aan de armen zal evenwel ‘dat algemeen en groot gebod: Liefde tot God, Liefde tot den Naasten’ ten grondslag hebben. Dit is immers de algemene leer die bij elke godsdienstige gezindheid geëerbiedigd en geleerd wordt. Het zal overigens ook het enige onderwerp van het zedelijk onderwijs vormen. Gezien de bijdragen van leden van allerlei gezindheden kan één bepaalde overtuiging namelijk niet aangenomen worden. Echter, het zal de onderwezenen wel vrijstaan om ‘tot den vereischten ouderdom gekomen zijnde, zodanig bijzonder leerstelsel te omhelzen, als zij zullen goedvinden.’ Na deze uitleg van de redenen waarom de Maatschappij is opgericht, roept Ebbinge Wubben de predikanten krachtig op hun steun aan deze zaak te verlenen. Hij wijst hierbij nog eens nadrukkelijk op de noodzaak van hun steun.
Dat dan verstandige menschenliefde allen den hand doe leenen om het gedugte kwaad van verbastering in de arbeidzaamheid en beschaving van de gemenen volksklasfe en hunne aanvanglijke zedeloosheid, het welke voortgaande eindelijk op eene volkomene vernieling zoude moeten uitlopen, in de grond aan

|pag. 39|

te tasten en de Maatschappij kragtiglijk te helpen verbeteren, ja veredelen!’ De scholtus ziet luiheid en verloedering dus als de oorzaken van de armoede.
Ook de welwillendheid van ‘s Konings jongste Zoon, de bij de hele natie zo terecht beminde Prins Frederik, moet de landgenoten volgens de scholtus opwekken om deel te nemen aan een verbroedering waarvan het doel zo edel en plichtmatig is.
En daarom zendt hij de intekenlijst voor het lidmaatschap in deze Maatschappij, die de gouverneur van de provincie hem toegezonden heeft, door aan de predikanten. Tevens verzoekt hij hen de lijst ook aan ‘de overige meest verligte leeden uwer gemeente, van welken Uwe Eerwaarde de eer heeft als Leraar van den Godsdienst te zijn toegevoegd’ aan te bieden, waarbij hij er niet aan twijfelt of de intekening van de predikanten als lid van deze edele instelling zal vele navolgers vinden. Ook al omdat de bijdrage zo gering is dat die per week niet boven de stuiver zal uitkomen. Een geringe opoffering.
De scholtus spreekt de wens uit dat er dus maar veel deelgenoten gevonden mogen worden die door hun bijdragen de instelling in werking houden. Dan zullen ze na verloop van tijd ‘gewisselijk de beste vrugten tot heel der lijdende Menschheid zien uitspruiten’ en iedereen die met liefde tot zijn naaste bezield is, moet dan ook niet aarzelen om het zijne hiertoe bij te dragen. ‘Het loon daarvoor zij dat men ondervinde dat weldoen vrolijkheid en vergenoeging baard.’
Na al deze uitleg en aansporingen deelt de scholtus nog mee dat hij de intekenlijst voor het midden van de maand, dus binnen twee weken, terug verwacht. De verdere opbouw van de Maatschappij valt buiten het kader van deze scriptie en hoe de predikanten op deze breedvoerige, met typische staaltjes van Verlichtingsdenken getinte brief hebben gereageerd is mij onbekend 45 [45. De dichter-predikant Da Costa brieste in 1823 over Van den Bosch en de door hem opgerichte Maatschappij: ‘Hij verdient, dat men hem den kop voor den voeten legt, die generaal Van den Bosch! Want zij is uit den Duivel, de Maatschappij van Weldadigheid. De Armoede te willen opheffen! Het ontwerp is boven het bereik der menschen. Zij willen een toren van Babel bouwen!’], maar er komt duidelijk uit naar voren dat de scholtus zijn verantwoordelijkheid tegen over de armen niet alleen zuiver ambtelijk opvat. Tevens spreekt er evenwel het, in het eerste deel al genoemde, enigszins vanuit de hoogte weldoen aan de lagere klasse uit en tenslotte blijkt het ook, zoals gezegd, vermengd met het Verlichtingsdenken.

Ebbinge Wubben ziet ‘het gedugte kwaad van verbastering in de arbeidzaamheid en beschaving van de gemenen volksklasfe en hunne aanvanglijke zedeloosheid’ als oorzaken van de armoede. De middelen om armoede te voorkomen zijn volgens hem opvoeding en onderwijs. Hoe is het met de twee laatstgenoemde zaken gesteld in de eigen gemeente?

|pag. 40|

____Het heilrijkste middel

HOOFDSTUK VIII

Al in 1650 is er één schooltje voor de buurtschappen Baarlo, Hamingen, Olde Staphorst en Hesselingen. De inwoners van deze buurten klaagden namelijk over het feit dat in de winter, de enige tijd van het jaar dat er school gehouden werd, deze voor veel kinderen onbereikbaar was ‘zonder een groot gevaar en perikel des levens, dewijle daar alleene is een smal stoutjen 46 [46. Een smalle stouw of dijk.], ‘t welk des winters dicwijls doorloopt ofte door gladdigheid onbruikbaar is voor de kinderen en hoe dien vol hagel, sneeuw en stormwind ligtelijk als kind konden afschieten in het water, ‘t welk des winters meest aan de stouwe staat’. In 1810 waren er al zes scholen in de gemeente.

____Met enige kennis van geschiedenis voor de tweede rang
In de Franse tijd is het hele onderwijsstelsel gereglementeerd. In de persoon van de schoolopziener krijgen de onderwijzers te maken met de nieuwe wetgeving. Deze heeft toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en de opdracht het te verbeteren. Daartoe dienen de examens die de onderwijzers moeten afleggen, willen ze hun functie blijven uitoefenen. Op grond van afgelegde examens worden ze in vier rangen ingedeeld. Wie blijk geeft van enige kennis van en vaardigheid in rekenen, schrijven en lezen kan worden toegelaten als onderwijzer van de vierde rang. Tot de derde rang behoren de meesters die daarbij kennis van de ‘Neder-duitsche’ taal hebben en met breuken kunnen rekenen.
Onderwijzers van de tweede rang moeten een groter inzicht in de genoemde leerstof en bovendien enige kennis van aardrijkskunde en geschiedenis hebben.
Slechts buitengewoon bekwame onderwijzers krijgen de eerste rang.

____Bij aanhoudentheid ter school te zenden
Hoewel pas in 1900 de landelijke schoolplicht ingevoerd zal worden, zijn in Staphorst in ieder geval al in de eerste helft van de 19e eeuw de kinderen van acht tot twaalf jaar verplicht om naar school te gaan. In de praktijk willen de ouders de kinderen echter nog al eens thuishouden om ze allerlei werk te laten verrichten of om het schoolgeld, dat voor ieder kind afzonderlijk moet worden afgedragen, niet te hoeven betalen. Beide zaken blijken ontegenzeglijk uit een bekendmaking van de scholtus in mei 1817.

De Scholtus der gemeente Staphorst,

van tijd tot tijd ondervindende dat verscheidene lieden nalatig zijn om hunne kinderen geregeld ter school te zenden, waardoor dus het zoo hoog nodig onderwijs der jeugd maar al te schandelijk verwaarloosd word,
overwegend dat bij de onderscheidene verordeningen is bepaald dat de ouders verpligt en gehouden zijn om hunne kinderen tusschen de jaren van acht tot twaalf aanhoudend ter school te zenden, zonder in het minste daarvan aftewijken en zulks bij een bepaalde boete,
wil bij dezen de nalatige ouders en andere verzorgers van kinderen bij vernieuwing aan dezen bepalingen erinneren met ernstige last om in dezen aan hunne verpligting te beantwoorden door de kinderen behoorlijk en bij aanhoudentheid ter school te zenden. Bij foute van dien zullen de zodanigen in de boete worden gecondemneerd.
En om zoo veel mooglijk is dat hieraan stiptelijk worde voldaan zullen de onderwijzers verplicht zijn om van de kinderen die uitblijven onmiddelijk kennis te geven aan de gecommiteerden tot de schoolzaken.

Staphorst, den 10 Mei 1817


|pag. 41|

Alle scholen hebben slechts één lokaal, waarin de onderwijzer klassikaal les geeft aan drie klassen, waarover de leerlingen op grond van leeftijd en leerprestaties verdeeld zijn. In de hoofdscholen zitten ruim tweehonderd, soms zelfs ver over de driehonderd leerlingen! Voor de aanstelling van hulponderwijzers of ingrijpende verbouwing ontbreekt het geld. In 1810 doet Jan Crull, de laatste schout, verslag van de staat van het onderwijs in het schoutambt. In Staphorst, Rouveen, IJhorst, De Leyen/Overlankhorst, Hesselingen en Hamingen/Baarlo staan samen zes scholen. In Staphorst en Rouveen wordt er les gegeven in hoofdscholen, wat betekent dat er niet alleen in de winter, maar ook in de zomer les wordt gegeven. Deze gehuchten en IJhorst hebben bijscholen, waar de kinderen alleen in de winter naar school komen. Drie van de genoemde scholen zijn in zeer slechte staat. Een rondblik in enkele van deze zes scholen maakt duidelijk dat vele varkens de spoeling in dit geval wel erg dun maken. De school in De Leyen slaat wat dit betreft alles.

____Het timmeren van nieuwe scholen
Al in 1807 was er een voorstel gedaan om het bouwvallige schooltje in de Leyen en Overlankhorst, ‘die midden in de heide staat’m> te sluiten, het gebouw in IJhorst te vernieuwen en in het oosten van de gemeente een nieuwe school op te trekken. De plannen voor IJhorst waren in 1810 verwezenlijkt, maar de school in De Leyen kon nog niet gesloten worden, omdat de nieuwbouw nog niet was gerealiseerd. De schoolopziener wou desondanks de kwaliteit van het onderwijs in de buurtschappen De Leyen en Overlankhorst verbeterd zien. Daartoe moest dan eerst het salaris van de onderwijzer worden verhoogd, zodat er ook in de zomermaanden les gegeven kon worden en verder moesten er schuine schrijftafels worden geplaatst. In 1812 nam meester Kuyers ontslag en werd een zekere Hendrik Balder aangesteld als ‘provisioneel onderwijzer’ om te voorkomen dat het schooltje gesloten moest worden.
In 1814 rakelt Ebbinge Wubben de oude plannen weer op en in 1817 is hij dicht bij de verwezenlijking. Het gemeentebestuur stelt voor de nieuwe school op de grens tussen Staphorst en Rouveen te bouwen en tevens de school in De Leyen te vernieuwen. De raad voelt het meeste voor het laatste, twee scholen zullen wel ƒ2500,- moeten kosten en dat is in deze slechte tijden te veel.
Alles wordt aangenomen en goedgekeurd door de gouverneur en Gedeputeerde Staten. Maar dan komt de tegenstand van de bevolking over dit financiële beleid tot uiting. De tijd is ‘geldeloos’en dan zulke uitgaven? De reactie op de plannen komt voor de raadsvergadering van 25 februari 1818. Op zondag en op woensdag krijgen zes raadsleden ‘pamfletten en libellen’ met waarschuwingen en zware bedreigingen wegens het ‘timmeren van nieuwe scholen’ in verband met de buitengewoon slechte tijden. De raad trekt daarop geschrokken het besluit in en vraagt de provincie dit eveneens te doen met de goedkeuring.
De raadsleden geven toe dat de vlugschriften juiste informatie bevatten en dat er geen mogelijkheid is om de kosten bij omslag op de bevolking te verhalen.
Het geld is er eenvoudigweg niet en de raad wil zich ook niet aan langdurige verwijten blootstellen.
Als in Zwolle tenslotte wordt besloten dat er op de grens tussen Staphorst en Rouveen een nieuwe school moet worden gebouwd en de school in De Leyen gehandhaafd moet blijven, geeft de gemeenteraad de voorkeur aan zijn oude plan. Men is echter genoodzaakt het besluit van de Staten uit te voeren, iets dat de raad niet eenvoudig valt want begin mei 1818 laat Ebbinge Wubben weten nog niet geslaagd te zijn in de aankoop van het land, omdat ‘de heerschenden geest alhier over het algemeen bij voortduuring eenen afkeer tegen deze onderneming betoond, zoo dat zulks den aankoop minder doenlijk maakt’. On-

|pag. 42|

danks alle strubbelingen wordt in 1819 echter de zevende school in de gemeente geopend.
Hendrik Balder, de ‘provisionele’ onderwijzer in De Leyen, neemt in 1818 al ontslag. Roelof Jans Bijker, een onderwijzer in de derde rang, wordt in zijn plaats benoemd. De scholtus noemt zijn onderwijs in 1820 ‘zeer gebrekkig’ en hij ziet geen reden om op verbetering te hopen. Evenmin als bij andere scholen in Staphorst is de school in De Leyen rijk voorzien van materialen. Tussen alle andere vormt het wel een dieptepunt. Het meubilair is beperkt tot één zitbank en twee schrijftafels! Boeken ontbreken zelfs volledig! Jarenlang blijft de kwestie zich voortslepen en pas in 1827 komt er meer westelijk een nieuwe school, die in tegenstelling tot de oude het gehele jaar geopend is.

____Omtrent alles negatief
De nieuwe school te Rouveen is de enige school waarover de schoolopziener in 1820 werkelijk tevreden is. De school wordt door ongeveer honderd leerlingen bezocht. Alle kinderen hebben een lei en er wordt ruimschoots aandacht besteed aan het nieuwe metrieke stelsel. Dat dit stelsel zelfs in de aardrijkskundelessen functioneert verheugt hem zeer.
Het onderwijs op de school van meester Venema in Staphorst geeft de burgemeester geen reden om trots te zijn. De school is aan het huis van de meester vastgebouwd en slechts bereikbaar via een modderig pad, langs een mestvaalt.
Naast lesgeven vervult de meester Venema, zoals alle andere onderwijzers verschillende bijbaantjes, waaronder die van boer. Sommigen zien het schoolgebeuren zelfs juist als een bijbaantje. Bovendien wordt het licht weggenomen door het huis en de stal van de meester aan de ene en de bomen van de pastorietuin aan de andere zijde. Het onderwijs erbinnen is ronduit slecht en de oorzaak ligt evenzeer in het conservatisme van ‘stijfhoofdige ouders’ als in ‘het gebrek van weinig kunde’ bij meester Venema. Aan het nieuwe metrieke stelsel wordt geen aandacht besteed. Nog in 1825 schrijft de scholtus in een opgave over de toestand in de gemeente: ‘De Geest die bij de ingezetenen heerscht, werk[t] tegen het geregeld gebruik maken van de nieuwe maten en gewigten, zoo zelfs dat er over het algemeen weinig kinderen gevonden worden die het onderwijs in de rekenkunde willen aannemen.’ Wel heeft zich enkele jaren voor 1820 een belangrijke verbetering in het rekenonderwijs voltrokken. Het ‘ongeschikte honderdjarige oude leerboek van eenen Willem Bartjens’ is vervangen door een nieuwe methode. Enkele ouders nemen dan echter hun kinderen van school.
In de school staan 34 zitbanken en 44 schrijftafels, deze zijn bestemd voor maar liefst een slordige 150 leerlingen terwijl de school, volgens de berekening van de schoolgelden, waarschijnlijk zelfs door 295 kinderen in de winterperiode en door 200 in de zomerperiode wordt bezocht! De meester beschikt niet over wandkaarten, niet over een boekenkast, zelfs niet over een lessenaar. Het totale boekenbezit bestaat uit een ‘Geschiedenis van Noach’ een ‘Aardrijkskundige beschrijving van deze provincie’, een rekenboekje en een ‘boek voor bevordering’. Alleen het eerstgenoemde is een voor kinderen geschreven leesboekje. Is het nog nodig om verder te gaan met dergelijke beschrijvingen? Uit alles schreeuwt de armoede je tegemoet. De schoolmeester van de school in Hamingen moet bij een inventarisopgave in 1820 ‘omtrent alles negatief’ invullen en zelfs in de rijke buurt Hesselingen is het nauwelijks beter gesteld. Kachels zijn toch in alle scholen aanwezig, maar ze worden wel gehuurd en de kinderen moeten zelf turf en denneappels meebrengen. Op de klachten van de schoolopziener werpt de raad in 1828 nog tegen dat ‘in een tijdvak van tien jaren welligt geene zoo armoedige gemeente als deze zoo veel uit eigene middelen heeft bijgedragen, tot herstel of vestiging van nieuwe scholen’. Ze willen

|pag. 43|

zelf ook nog wel beter, maar het geld ontbreekt en ze laten daarom weten ‘dat wij dus volkomen instemmen met het berigt van den Heer Schoolopziener en ons den wil zoo zeer niet als de middelen ontbreken om dienovereenkomstig te werk te gaan’.

____Vlijtig schoolgaan als het heilrijkste middel
Een oproep van begin 1821 maakt duidelijk waarom de raad het toch zo nodig acht dat de kinderen naar school gaan. Dit zoetsappige bericht moet je zien tegen de achtergrond van zomer- en winterscholen.

De scholtus van de gemeente Staphorst,

brengt bij dezen ter kennis van de daarbij belanghebbenden dat op morgen dingsdag den 2 dezer in alle de scholen binnen deze Gemeente het onderwijs wederom een aanvang zal nemen, waartoe een ieder word opgewekt de kinderen een behoorlijk en aanhoudend schoolgaan te doen genieten en dat inzonderheid nu, terwijl men er in huis of op het land geen arbeid voorheeft, en zijn in school onderrigt ontvangen en goed bewaard zijn.

Staphorst, den 1 January 1821

De kinderen zijn dus van de straat, hetgeen natuurlijk ‘verbastering van den arbeidszineenigen op weg zijn om in de handen van den Criminelen Regter te vervallen’. Het lijkt wel, zo tiert hij, dat men meer te midden van een bende booswichten, dan in een geordende maatschappij van mensen verkeert. Met name op zondag hangen de inwoners de beest uit. ‘Dat inzonderheid den dag des Heeren tot allerlei ondeugden in plaats van na de zedeleer en het Evangelie der Christenen te hooren en te leven wordt doorgebragt en men in kroegen en herbergen onder het genot van sterke drank en het uitslaan van veel vuige en onbetamelijke taal dien dag liever wel doorbrengen, dan den openbaren Godsdienst bij te wonen, ja dat veelen tot die diepe verdorventheid zin gevallen om tot brakens toe van dat sterke vogt voorzien in de kerk te komen en aldaar tot ergernis van den goeden en ter ontheiliging van den Godsdienst zich te vervoegen en om dan vervolgens buiten op het kerkhof — eene plaats die ons met de sombre gedachten des doods moeste levendig houden — een alleronbetamelijkst gedrag bot te vieren en de uit de kerk komende op ongemanierde wijze te beledigen, waarin dan ook de op den weg voorbijgaande, zowel vreemdelingen als ingezetenen, niet ongemoeid worden gelaten, zoo dat men van elders ons toeroept: hoe droevig is het te Staphorst en Rouveen niet gesteld, er kan geen mensch den algemeenen weg op de zondag vredig pasfeeren.’ De scholtus wijt dit liederlijk gedrag aan het verzuim van de ouders om hun kinderen op te voeden, zo blijkt uit de zinsnede ‘overwegende dat de bron van alle deze onbetamelijke gedragingen daar in te vinden zij: in het gemis van eene goede opvoeding die de ouders zoo pligtverzuimend verwaarloosd hebben hunne kinderen te geven’. Aan de oudere kinderen is weinig meer te doen. Hun opvoeding is immers verwaarloosd en zijn opgegroeid tussen alle ondeugden. De scholtus merkt dan ook op ‘dat het nu moeilijk valt om door kragt van woorden deze als ‘t ware grijs geworden ondeugden uit de een, twee en meer tientalige jeugd te verbannen, dat dus ten aanzien van die in jaren gevorderden andere middelen tot te regtbrenging van hunnen pligt en gehoorzaamheid aan de wet ten opzigte der storenis van het

|pag. 44|

maatschappelijk leven moeten bij de hand genomen worden’. In het verdere dreigt de scholtus met verstrekkende maatregelen, maar voordat hij in deze kwestie de sterke arm in zal roepen, een maatregel die tot weinig roem is tegenover degenen die buiten de gemeente wonen, heeft het hem goed gedacht om een ieder — en mogt deze ernstige waarschuwing de gewenschte uitwerking hebben ~ te vermanen alle gemelde ondeugden uit hun midden te verbannen en daardoor de — anderszins onvermijdelijke — gevolgen van deze lichtzinnigheid te voorkomen. Bij nalatigheid van deze vermaning wordt de gemeente aangekondigd, dat er anders ‘ter handhaving van goede order en gepaste viering van den openbaren Godsdienst, waarop onze deugdzame Koning zoo zeer gesteld is’ om het nodige getal soldaten of andere manschappen zal worden gevraagd. Deze zullen ook zeker gezonden worden en ten koste van de gemeente alhier verblijven, zo dreigt de scholtus, ‘tot er tijd toe’ dat de beterschap zal blijken. Iedereen kan er van verzekerd zijn dat er verder geen zachte middelen — zo als nu nog deze waarschuwing — meer aan deze maatregel zullen voorafgaan, omdat men anders hiermee ‘toch van gek begint te scheeren’ en dit dus weinig baat, maar daarentegen door enkele ‘overgegeven kwaadwilligen’ onmiddellijk zal worden veracht.
Voor de jongere jeugd daartegenover ziet de scholtus nog wel mogelijkheden.
‘En dat ten aanzien van de kleindere jeugd alleen het vlijtig onafgebroken schoolgaan het heilrijkste middel zijn zal om deze voor die verderfelijke ondeugden te bewaren en alzoo als stille en brave jongelingen te doen opgroeien tot nut der maatschappij en dus van land en kerk.’ Ouders die zich niet aan deze maatregel houden en hun kinderen van het nuttig onderwijs onttrekken geven hun kinderen aan de ‘schadelijke domheid ten prooi’, iets dat in volle tegenstrijd is met hun plicht en ook ingaat tegen de heilzame wetten van de overheid, zo houdt de scholtus de ouders voor. Hij wekt dan ook iedereen op om hun kinderen aanhoudend naar school te zenden, ‘alwaar zij nuttige wetenschappen leren, beter dan in het wilde te lopen’. Na al deze argumenten volgt nog een laatste dreigement. Meteen na het afkondigen van deze maatregel zal er volgens de scholtus namelijk een begin worden gemaakt met het beboeten van degenen die nalatig blijven.
Uit alle argumenten, dreigementen en redeneringen van Ebbinge Wubben blijkt dat hij de verloedering die hij om zich heen ziet grijpen, wijt aan een verwaarloosde opvoeding en dat hij daartegenover scholing ziet als het middel bij uitstek om deze ontwikkeling terug te dringen. En aangezien verloedering als één van de belangrijkste oorzaken van armoede gezien wordt is het ook niet verwonderlijk dat de raad in 1820 een regeling treft om het onderwijs aan bedeelde kinderen, die vanwege de uitbesteding door de verschillende diaconieën meestal verstoken blijven van alle onderwijs, te regelen.

____De armenschool
De raad heeft in overweging genomen dat het er bij het onderwijs aan bedeelde kinderen zo onregelmatig aan toegaat, dat veel kinderen of helemaal niet of in ieder geval weinig en gebrekkig onderwijs ontvangen. Dit is vooral te wijten aan regelingen van de diaconieën wat deze kinderen betreft. Ze worden namelijk uitbesteed aan de meestbiedende, zonder dat er bij bedongen wordt dat men de kinderen ook naar school moet zenden, de kleinste kinderen waar men nog geen nut van kan hebben uitgezonderd dan. Hierdoor wordt wel de financiële zijde heel goed in het oog gehouden, maar niet aan de zedelijke gevolgen van een dergelijke handelwijze gedacht, oordeelt de raad. Op deze wijze ontbreekt het de kinderen aan middelen om ooit fortuin te kunnen maken. Om dit gebrek weg te nemen en deze kinderen ook zo veel mogelijk verbeterd onderwijs te doen genieten, een maatregel waar men vervolgens de vruchten van

|pag. 45|

zal mogen inoogsten, trekt de raad ƒ35,- uit om de pleegkinderen van zestien 47 [47. Een wonderlijk hoge leeftijd, de andere kinderen behoeven slechts tot hun twaalfde naar school te komen.] jaar en daarbeneden gratis onderwijs te laten volgen. Dit aan de ene kant om de armenkassen niet verder te bezwaren en aan de andere kant om degenen die zouden willen klagen over lastenverhoging het gras voor de voeten weg te maaien. Het getal van bedeelden dat van deze regeling gebruik kan maken beloopt 25 tot 30 personen. Het plan wordt verder uitgewerkt in het onderstaande reglement.

Reglement voor de armavondschool in de gemeente Staphorst
daargesteld bij Besluit van Hun EdGr Achtbare Gedep. Staten

Art:l
In dezen avondschool zal den onderwijzer lesgeven aan zodanige kinderen, als waar van hem eene lijst zal worden ter hand gesteld en die telkens zal worden aangevuld.

Art:2
Gedurende vier avonden in de week, als: maandag, dingsdag, donderdag en vrijdag, zal telkens met het onderwijs precies om half zes uur een begin worden gemaakt, het welke een-een-tweede uur duren zal, indien het getal der kinderen niet buitengewoon groot is en anders twee volle uren.

Art:3
Hier voor zal aan den onderwijzer worden goedgedaan vijf Centen voor ieder kind in de week behalven kaarsen en schoolbehoeften.

Art:4
Den onderwijzer zal deze kinderen in het eerste onderwijs leeren schrijven en rekenen moeten onderwijzen en hun in alles met een zedelijke opvoeding dienen bekend te maken, hen ook in de beginselen van den Godsdienst onderrigten, waartoe hem de nodige handleidingen zullen worden gegeven.

Art:5
Ieder vrijdagavond zal hij aan elken leerling moeten ter hand stellen een bewijs dat zich die week goed hebben gedragen en vlijtig de school bezogt hebben.

Predikanten, kerkeraadsleden, armenbezorgers, ouders van de kinderen alsmede de hoofden van de huisgezinnen waar sommige kinderen bij besteed zijn, ze zijn allemaal geïnformeerd en dringend aangemaand om ieder in zijn plaats zijn medewerking te verlenen. Het project gaat op 22 november 1820 van start in de school op de grens tussen Staphorst en Rouveen waar Francois van Bruggen lesgeeft. Aanvankelijk lijkt het een daverend succes te worden. In de eerste week komen de kinderen nauwgezet het onderwijs bijwonen, vervolgens wordt dit geleidelijk minder, op de in artikel 5 genoemde kaartjes geeft al snel niemand meer acht en anderen die wegblijven worden niet aangezet om toch het onderwijs te volgen. Kortom, er is al spoedig de klad in het hele mooie systeem gekomen en het hele onderwijs dreigt te worden gestaakt. Het bekende beginnersenthousiasme is dus geluwd. Ebbinge Wubben wendt al zijn krachten aan om de zaak nieuw vuur in te blazen. Hij verzoekt de predikanten vriendelijk om er op toe zien dat de kinderen het onderwijs beter bijwonen, maar het is alles vruchteloos. Integendeel, het is zelfs zo dat de armvoogden zichzelf bevoegd hebben verklaard om te bepalen wie van hun kinderen er al of niet naar school behoeft te komen, zodat zijn inzichten tot hersenschimmen worden gemaakt, zo klaagt Ebbinge Wubben bij de Gedeputeerde Staten om daar steun te krijgen. Overigens is dit een onheuse klacht, want zo was het ook afgesproken.
Hoe het verder afloopt met dit prachtige project is mij onbekend, op de Staat van begroting in 1825 is het in ieder geval niet terug te vinden.

Het onderwijs, ook al steekt de kwaliteit van het onderwijs en de scholen schril af bij de kwantiteit, wordt dus gezien als het middel bij uitstek om de verloedering een halt toe te roepen en daarmee in de toekomst ook de armoede. De achtergrond hiervan is dus, zoals in het voorgaande hoofdstuk al naar voren is

|pag. 46|

gekomen, dat het gebrekkige onderwijs en de gebrekkige opvoeding als oorzaken van de armoede worden gezien. Is dat in overeenstemming met de werkelijkheid of zijn er andere oorzaken aan te wijzen?

|pag. 47|

[Blanco]


|pag. 48|

____Oorzaken van de armoede

HOOFDSTUK XIII

De Franschen vlugten aan alle kanten’, schrijft Van Hogendorp in zijn proclamatie van 1813. Het leed voor de gewone man is hier echter beslist nog niet mee geleden. De startpositie — een van de oorzaken van armoede — van de gemeente voor de nieuwe tijd is karig. Nog een stapje dieper in het verleden stuiten we op één van de fundamenten van de armoede.

____Kaarsen en jenever, paarden en zonen voor Napoleon
Het Franse bestuur had de — toch al arme — gemeente nog verder op kosten gejaagd met zaken als bijvoorbeeld verplichte feesten ter ere van Keizer Napoleon. Op zulke feesten moesten ook in Staphorst ‘vrijwillig’ alle personen met een openbare functie verschijnen. Daarvoor werd vijfenveertig gulden uitgetrokken, echter met de opmerking dat er voor het feest bij de geboorte van Napoleons zoon, de koning van Rome, ook al dertig gulden was besteed aan ‘verversingen aan de klokluiders en verder voor ‘t gene bij de maire, de gemeenteraden en verdere personen van distinctie 48 [48. Aanzienlijke personen.] op de avond van de heuglijke dag is genuttigd’. Daarnaast werd er maar liefst voor ƒ34,13 aan vlaggen gekocht.
En dat terwijl de helft van de scholen in de gemeente als ‘bouwvallig’ omschreven werden, de reparaties aan gemeentelijke eigendommen zo lang mogelijk waren uitgesteld, de pachten in natura aan de predikanten en schoolmeesters werden uitgekeerd bij wijze van bijverdiensten, het gemeentebestuur zelf niet over eigendommen beschikte, al het openbare hout al verkocht was en — om toch nog enige inkomsten binnen te krijgen — ‘van iedere ziel’ vijf stuiver was gevraagd. Dat laatste was eigenlijk wel niet voldoende, maar omdat de maire zijn eigen post als sluitpost gebruikte kon het net. Hij verdiende zodoende nog niet de helft van de gemeentesecretaris, maar dat zou later wel rechtgetrokken worden.
De vijf stuivers vormden een nieuwe en belangrijke inkomstenbron. Vroeger kwam het meeste geld uit de ‘verponding der Landerijen’, maar de Fransen hadden een andere vorm van gemeente~inkomsten ingevoerd: de hoofdelijke omslag naar de welstand van de inwoners. Enkele inkomsten en uitgaven in 1812 zijn tekenend voor de situatie. Per inwoner moest 53 centimes — ongeveer een kwartje — aan belasting betaald worden. Het totale belastingbedrag was frs. 2748,40 waarvan de ontvanger 5% kreeg, evenals de prefect te Zwolle en 5% als legerbijdrage voor de reservecompagnie werd afgedragen. Voor de invaliden moest 1% worden bijgedragen. Verder waren er de al genoemde publieke feesten ter ere van de verjaardag van de Keizer. Dat kostte in 1812 bijna 100 francs 49 [49. In totaal werd er frs. 93,— uitgegeven.]. Het meeste geld ging op aan wijn, een luxeartikel. Jan Blom te Meppel leverde een anker wijn voor frs. 43,25—. Voor het gewone volk was er de volksdrank jenever bij het luiden van het klokken, hieraan werd frs. 11,80 besteed. Een zekere Wobben leverde voor frs. 16,79 kaarsen voor de feestverlichting. Uit deze bedragen spreken ook duidelijk de standsverschillen.
Hiernaast vorderen de Fransen van alles voor hun troepen, met name paarden.
Per Keizerlijk Decreet was op 4 januari 1814 nog bekendgemaakt, dat er een lichting van 15000 paarden voor Napoleon moest komen opdraven. Vanuit de gemeente Staphorst werden er in ieder geval twintig paarden naar de keuring gezonden. Twaalf hiervan werden goedgekeurd voor dienst in het leger. Wel-

|pag. 49|

licht waren dit niet de enige gevorderde paarden. Tenslotte werden ook Staphorster jongens door de conscriptie, het lotingstelsel, gedwongen om dienst te nemen in het Franse leger. Met geen andere maatregel als deze maakte het Franse bestuur zich — zelfs in eigen land — meer gehaat. De jongens waren in de eerste plaats als persoon, maar daarbij ook als werkkracht immers onmisbaar.

____Na de Fransen komen de Pruisen en de Russen
Ondanks dergelijke aderlatingen is er op de rekening van 1813 nog frs. 1379,40 overschot, een slordige zevenhonderd gulden. De toekomst is echter ook voor Staphorst beslist niet in goud gehuld. De troepenbewegingen, de Fransen trekken nu immers weg, vragen maar liefst frs. 921,—!
Maandenlang trekken Pruisische en Russische troepen door het land en het onderhoud van deze geallieerde troepen moet opgebracht worden door de bevolking. Op 16 februari 1814 maakt de commissaris Sandberg aan alle burgemeesters en schouten van zijn arrondissement Zwolle bekend dat er twee heren zijn aangesteld om deze zaken in goede orde te laten verlopen. Overal waar de troepen passeren of kamperen moet voor hun onderhoud gezorgd worden.
Ebbinge Wubben is dan al begonnen met het schrijven van declaraties. Op 7 januari maakt hij de volgende opgave van ‘het gerekwireerde 50 [50. Gevorderde.] voor dienst der Troupen’.

181 den 6 January
Een schepel haver ƒ1 ——8 ——
Voor verversing aan 4 man van de Zwarte Husaaren 4 —— 10 ——
Dezelve een paard gerekwireerd hetwelk mede hebben genomen
in waarde gesteld op
175 ———”——
Op order van Heeren Commisfarisfen Generaal geleverd aan
het magazijn ten Herdenbergh 51 [51. Hardenberg.]
Drie beesten
174———”—
100 kan jenever 63 ——10 ——
voor kosten van Transport na den Herdenbergh 15 ———”—
te zamen ƒ 433 ——— 8 ——
Aldus naar waarheid opgegeven door den Scholtus van Staphorst
Staphorst, 7 Jannuary 1814
Fr. A. Ebbinge Wubben

Een typische voorbeeld van de kosten van doortrekkende troepen, je ziet de huzaren als het ware uit de rekening opdraven: een viertal Zwarte Huzaren komen de — door varkens omgewroete — gemeenteweg overrijden, veel bekijks van de goegemeente natuurlijk. Ze stoppen bij de herberg, laten eerst zichzelf en hun paarden met veel bombarie van het nodige voorzien en vorderen vervolgens het een na het ander. De jenever in de herberg heeft goed gesmaakt en de beste man moet er meteen honderd kan van afstaan. Vervolgens trekken ze het dorp in en eisen drie beesten voor de slacht. Er wordt wel gesputterd, maar de huzaren halen een brief van de ‘Heeren Commisfarisfen Generaal’ tevoorschijn, waardoor alle tegenspraak verder verstomt. Een schitterend paard dat ze bij deze strooptocht ontdekken wordt ook meteen gevorderd. Het staat wel niet op de lijst, maar de heren commissarissen zullen het wel in orde maken.
De huzaren hebben zelf geen wagen bij zich om alles te vervoeren, enkele boeren krijgen daarom de opdracht om het gevorderde naar Hardenberg te brengen. De volgende dag komen zij met de brief bij de scholtus, die hun verhalen aanhoort en naast de andere posten ook nauwgezet de kosten van het paarde-

|pag. 50|

voer en de verversingen voor de huzaren noteert. Ja, zo’n beeld duikt toch zeker uit zo’n rekening op?

____Staphorster wagens tot achter Utrecht
Naast de vele paarden, die de boeren slechts gedeeltelijk vergoed krijgen, worden diverse wagens door de troepen gevorderd. Drie dagen na de genoemde declaratie vraagt Ebbinge Wubben aan de heren commissarissen van het departement der monden van den IJssel of hij nog steeds verplicht is om alle dagen 23 wagens van Staphorst naar Zwolle te zenden ter beschikking van de burgemeester aldaar. In de volgende zinnen wordt de vraag tot een klacht. De scholtus meldt namelijk zonder het antwoord af te wachten maar vast dat het voor hem ondoenlijk is om dag na dag zoveel wagens te kunnen bezorgen. Dagelijks komen er immers troepen door de gemeente, die ook wagens vorderen.
Er zijn genoeg dagen dat er over de dertig wagens in dienst zijn voor militair transport! 52 [52. Ter vergelijking: in oktober 1814, na de meeste vorderingen, meldt de scholtus, dat er nog 126 boerenwagens in de gemeente over zijn.] Een derde deel van de paarden, zo klaagt de scholtus verder, zijn voor dergelijke reizen onbekwaam geworden.
Een maand later beklaagt Ebbinge Wubben zich opnieuw en in nog heftiger bewoordingen bij de commissaris. Het is onmogelijk om dagelijks een getal van twintig wagens naar Zwolle te zenden en hij kan ten stelligste verzekeren dat er in de gemeente op verre na geen honderd paarden worden gevonden die geschikt zijn om militaire spandiensten te kunnen verrichten.53 [53. Ter vergelijking: in oktober 1814, na de meeste vorderingen, meldt de scholtus, dat er nog 216 paarden boven de twee jaar in de gemeente over zijn.] Meer dan dertig paarden zijn volgens de scholtus reeds gestorven aan de gevolgen van de barre reizen en over de honderd paarden zijn dusdanig afgejakkerd dat ze nooit, ten minste niet voor het tegenwoordige, meer van nut kunnen zijn. Dit zal volgens de scholtus niemand vreemd voorkomen, omdat alle paardenhouders al dertien tot veertien maal hun diensten hebben verleend.
Sedert 6 december van het vorige jaar tot eind januari zijn er onophoudelijk zestien tot zeventien span paarden in dienst geweest. De getekende en afgegeven stukken bewijzen dit. Van februari tot heden, zo vervolgt hij, zijn er voortdurend, de ene dag door de andere gerekend, gemiddeld dus, tien wagens in dienst geweest. ‘Ik geloof niet dat er eene gemeente is die zoveel wagendiensten heeft gepresteerd dan deze’. De wagenmenners werden gedwongen om tot achter Utrecht, ja zelfs tot achter Leerdam door te rijden. Ook hiervan kunnen de bewijzen op tafel komen. Te Leerdam, zo gaat de treurzang over in regelrechte aanklacht aan het adres van de troepen, zijn de wagens van de voerlieden voor spotprijzen van tien tot twintig gulden verkocht door de soldaten. Uit een in december opgemaakte declaratie blijken de wagens stuk voor stuk ruim het dubbele waard. Aangezien de voerlieden geen geld bij zich hadden, op zo’n lange reis was natuurlijk niet gerekend, hebben ze hun wagens niet terug kunnen krijgen en waren ze dus gedwongen om met enkel de losse paarden weer terug te keren. Een reis van maar liefst veertien dagen, die ze, het ontbrak hen immers aan geld, al bedelend langs de weg — een streng verboden zaak — hebben moeten volbrengen.
Dergelijke praktijken zijn nog steeds niet afgelopen. Te Kampen worden tot op dit ogenblik, zo klaagt Ebbinge Wubben, de wagens aangehouden en verder doorgezonden. Hij verzoekt dan ook ‘zeer ootmoedig’ aan de commissaris om aan de ‘Heeren Commissarissen Generaal’ een gunstig verslag van al het verrichte werk te doen, zodat het deze heren behagen moge om terug te berichten dat er in plaats van twintig wagens een verminderd aantal naar Zwolle opgezonden hoeft te worden. Er zal dan voor gezorgd worden dat alle wagens — ‘zo veele er kunnen geleverd worden’ staat er heel diplomatiek tussen — op de bepaalde tijd zullen arriveren, belooft de scholtus.
Een week later meldt hij alweer een klacht. Deze keer betreft het gedrag van een zekere C.A. Brand, een geallieerde militair. Over deze kwestie heeft hij de

|pag. 51|

commissaris al eerder geschreven, maar na ingewonnen informatie is hem gebleken dat de gemelde C.A. Brand ‘of zijne bij zig hebbende manschappen’ de eerste aanleiding tot een conflict zijn geweest. Ze hebben een weduwe eerst met het geweer en vervolgens met de sabel geslagen, omdat ze protesteerde toen de manschappen al haar eieren uit de schuur haalden. Ze had weliswaar een tang bij zich, maar die heeft ze slechts gebruikt om de slag — waar ze de littekens nog van draagt — af te weren. Beide kwesties maken duidelijk dat het ook met de nieuwe heren kwaad kersen eten is, zo niet nog erger.

____Agtergebleeven paardehouders
Op 1 april 1814 — en hij maakt dan echt geen grapjes ~ windt de commissaris er geen doekjes om. ‘Mijne Heeren, geen enkel poinct 54 [54. Punt.] is er waaromtrent dit Arrondissement zo agterlijk is geweest, dan omtrent de militaire transporten en het in regten betrekken 55 [55. Tot de orde roepen.] der agtergebleeven paardehouders’, zo valt hij met de deur in huis bij al zijn burgemeesters en schouten. Het gevolg is volgens hem dat er al wekenlang slechts zelden een wagen van de andere gemeenten binnenkomt, terwijl het Zwollerkerspel vrijwel iedere dag twintig wagens levert.
Hij beveelt zijn ondergeschikten dus om het — weliswaar opnieuw te bepalen — getal prompt te zenden en omdat alle voorschriften over deze kwestie niets hebben geholpen waarschuwt hij dat, als het bestelde getal wagens er niet is, hij de paarden, onmiddellijk uit posterijen of van elders zal bestellen. De betaling van het verzuim en de geleden schade zal hij meteen daarna van de gemeente invorderen. Het eigenlijke verzuim ziet de commissaris toch bij de paardehouders, want hij vervolgt dat dat bedrag door inkwartiering bij de onwillige paardehouders verkregen kan worden. Uit het vervolg blijkt hij tussen twee vuren te staan. ‘Het is met weerzin dat ik zodan[ig]e strenge maatregelen neeme, dog de hogere Civiele en Militaire Autoriteiten geeven mij hun zeer gegrond ongenoegen daar over telkens te kennen.’ De billijkheid vordert, zo oordeelt de commissaris, dat de weinige ingezetenen in de gemeenten, die steeds bereidwillig aan hun verplichting hebben voldaan in het vervolg zo veel mogelijk verschoond moeten blijven en de onwilligen daarentegen zonder onderscheid de last zullen dragen.
De briefwisseling begint uit te lopen in een regelrechte pennestrijd als Ebbinge Wubben stug blijft klagen over het hoge aantal wagens. De scholtus kleedt de brief echter zeer diplomatiek in, met name het begin. Hij concludeert uit de brief van de commissaris gewoonweg enkel de eer te hebben dat er dus geen gemeente in het Arrondissement is die zoveel wagendiensten voor het vervoer van militaire transporten in deze winter gedaan heeft dan zijn eigen! Daarom gebruikt hij dan ook de vrijheid om een lijst van verleende diensten en de geleden schade, die de paardehouders hebben geleden, te zenden. Deze beloopt zonder meer ruim ƒ3500,~. Meer dan twintig wagens zijn de troepen afgenomen en voor spotprijzen verkocht, zowel te Zwolle als elders en wel voornamelijk in Leerdam. En wat voor vertogen men ook doet om deze wagens terug te krijgen tegen betaling van de daarvoor uitgetrokken penningen, alles is vruchteloos. Na deze tactisch ingeleide klacht, heft de scholtus zijn loftuiting over zijn eigen gemeente weer op. Deze keer om de boeteregeling van de commissaris te ontlopen. Nooit is hij immers in gebreke gebleven om de gevorderde wagens te zenden. Een enkele keer is het wel eens gebeurd dat niet alle wagens van het gevorderde aantal zijn gekomen, maar hieraan was dan ook onmogelijk te voldoen, omdat het merendeel van het gevorderde aantal wagens en paarden op dat moment ongeschikt was of al dienst deed. Het laatste deel van de brief ontbreekt mij, maar waarschijnlijk verzoekt hij hierin om kwijtschelding van de boete en protesteert hij tevens tegens het transport van trommels.

|pag. 52|

De commissaris reageert schappelijk. Hoewel hij wat de klachten wat de wagendiensten betreft zeer ongelovig is geworden, blijkbaar is dus Ebbinge Wubben niet de enige met klachten, wil hij wel geloven dat de ingezetenen van Staphorst veel hebben geleden. Alhoewel beslist niet zoveel als die van Ommen, Zwollerkerspel en anderen, voegt hij daar nog wel aan toe. Hij zal om de toewijding van Ebbinge Wubben de reeds uitgeschreven boete uit de registers doen schrappen en de wagens die Zwollekerspel heeft geleverd op een andere rekening stellen. Meteen na deze gunst krijgt Ebbinge Wubben echter lik op stuk. ‘UwEdeles is zeer kwalijk in het denkbeeld dat zodanige trommels niet tot militaire transporten behoren.’ Ook vanuit Zwolle gaat immers het transport van ‘allerley aart’ monsteringsstukken onophoudelijk door. Iedereen danst dus volledig naar de pijpen van de geallieerde troepen.

____Declaratie voor de administrateur Generaal
In december maakt de burgemeester een staat van ontvreemde goederen op voor een bezoekende bediende van de commissaris voor de geallieerde troepen.
Naast een zevental wagens somt de scholtus elf paarden op. Hij noteert hierbij telkens twee getuigen, de geschatte waarde van het paard en of het door Russische Keizerlijke Kozakken dan wel door Koninklijke Pruisische Troepen is gevorderd. Dat er tussen de paarden en wagens ook een ‘horologie’ en ‘een paar schoengespen’ vermeld staan, zal u als lezer na dit hele relaas nauwelijks meer kunnen verbazen.
In maart 1815 maakt Ebbinge Wubben een declaratie voor de ‘administrateur Generaal der vivres en fourages in deze provincie’ voor gedane diensten aan de geallieerde troepen. Hij noteert het kolossale bedrag van ƒ5932,36, dat hij toelicht met het volgende staatje.
 

1813 van 16 Nov. tot 30 dito Aan geleverde vivres en fourages ter somma van 107 10 11
1813 en 1814 de Staaten der Transporten idem 4004 ,, ,,
Dienst 1813 Declaratien van Arbeidsloonen 6 13 ,,
1813 en 1814 Idem van Schadevergoedingen 1814 ,, ,,
Totaal
ƒ5932 3 11

 

Tabel XIII: Declaratie voor de ‘administrateur Generaal der vivres en fourages’

Verder declareert hij ƒ26,10 voor ‘reisbureaukosten, paardehuur en appointementen 56 [56. Afspraken.] der geëmployeerden’ in de periode van maart 1814 tot eind januari 1815. Jarenlang sleept de kwestie van terugbetaling zich voort. Uit een brief van eind 1828 blijkt dat de gemeente in 1825 het luttele bedrag van ƒ6,65 aan terugbetaling voor leveranties aan de geallieerde troepen heeft ontvangen. Tevens blijkt dat de gemeente zich in 1814 uit de problemen heeft gered door een buitengewone hoofdelijke omslag van ƒ2260,- in te stellen, een bedrag dat volledig opging aan de kosten van de Landmilitie. Naast alle hulp aan de Russische en Pruisische troepen moest er namelijk in de beginjaren na de Franse tijd een eigen leger uit de grond gestampt worden. De opbouw van dit leger, hoe interessant ook, valt verder buiten het bestek van deze scriptie. Naast de ramp die het dorp van buitenaf treft in de vorm van plunderingen en vorderingen wordt de gemeente van buitenaf ook getroffen door water.

|pag. 53|

____Hoog water en overstromingen 57 [57. Met name voor het tweede deel van deze paragraaf is veel informatie bewerkt overgenomen uit het artikel Groningers helpen Staphorsters, ir. J.H. Baarslag in ‘t Olde Stapperst, 10e jaargang, no.3, pag. 62-71]
Telkens weer wordt de gemeente getroffen door de slechte waterafvoer en het hoge water. Vanaf de zeventiende eeuw zijn de heidevelden in Drenthe met goed gevolg voor een groot deel begreppeld en in cultuur gebracht. Daardoor vloeit het overtollige regenwater sneller naar de randen weg. Ook de veenafgravingen in het westen en het zuiden van Drenthe dragen hieraan bij. Vooral de stromen en stroompjes die naar het zuidwesten lopen krijgen in neerslagrijke perioden veel water te verwerken. Bij Meppel beginnen de moeilijkheden.
Het Meppeler Diep is weliswaar zo nu en dan verbreed en uitgediept, maar kan het water vaak niet verwerken. Als het peil van het Zwartewater daarbij zo hoog komt dat de stuw in het Meppeler Diep gesloten moet worden, dan lopen zelfs de weilanden in de wijde omgeving onder. Deze blijven dan geruime tijd onder water staan, omdat de akkers niet voldoende kunnen uitlozen onder de straatweg door. In 1816 komt het water weer over de dijken.

____De natte zomer van 1816
De zomer van dit jaar is door langdurige en hevige regenval erg nat. Drents water zoekt zijn weg over de hooi- en weilanden rondom Meppel en over die ten zuiden van het Meppeler Diep in de gemeente Staphorst. Het water komt zo vroeg dat de boeren geen hooi kunnen winnen en het vee niet langer op het land kan verkeren. Op 17 augustus schrijft Ebbinge Wubben aan de gouverneur over de toestand. De landbouw in de gemeente heeft door de overstroming van de lage landen en de daarbij komende zware regens een zeer geduchte ramp ondergaan, meldt de scholtus. In een zestal punten licht hij de schade toe.
De hooibouw is onvoordelig en zelfs in die mate dat ‘verscheiden, ja verreweg de meeste landslieden’ van hun landen geen vrucht kunnen verlangen. De landen zijn namelijk voor het grootste gedeelte ondergestroomd en daarmee is boeren de hoop ontnomen ook maar iets te zullen inoogsten. Zeker omdat het gras op het punt staat te verrotten en dat het ‘weinige, ja zelfs niet noemenswaardige’ dat nog met veel moeite uit het water is opgevist, zelfs niet als veevoer geschikt is. Het ziet er dus allerakeligst uit en de verwachting voor de toekomst is nog treuriger. De behoefte aan hooi is berekend op meer dan tienduizend wagenvrachten, een hoeveelheid die in de omstreken niet verkregen kan worden.
De weilanden voor de beesten zijn voor dit seizoen reeds verloren gegaan, vervolgt de scholtus, omdat ook die ondergestroomd zijn. Hiervoor is een gedeeltelijke oplossing gevonden, want al meer dan duizend stuks vee zijn naar de Groninger Ommelanden gebracht en deze transporten gaan nog dagelijks door.
Voor de boeren betekent het evenwel een enorme schade, want voor ieder beest moet vier à vijf gulden opgebracht worden. En dat terwijl ‘bij gewone droogte58 [58. Spreekt de burgemeester hier wellicht bewust niet van ‘normale jaren’? In het vervolg zal blijken dat natte jaren bijna evengoed regel waren als droge jaren.] boeren uit naburige gemeenten hun vee naar de Staphorster weilanden zenden voor acht à tien gulden. Een dubbele slag dus. Voeg je de bekommering voor het hooi en ander voer bij deze omstandigheden, dan is het niet verwonderlijk dat er boeren gevonden worden die hun vee voor de helft elders uitbesteden, ook voor de winter.
De rogge staat volgens Ebbinge Wubben tamelijk goed. Als de zon verder genoeg blijft schijnen dan belooft de rogge over het algemeen wel hoop, alhoewel het op sommige langstrekken streken schade lijdt.
De boekweit, een produkt dat het meest verbouwd wordt, heeft evenzoveel geleden door het water en door de wind. Verder meldt de scholtus dat het stro klein en het zaad niet zwaar is. Haver en gerst dat op het lichtste of laagste land verbouwd wordt is grotendeels verwaterd. Dit is ook het geval met de aardap-

|pag. 54|

pelen. Wat de turf betreft, deze is door het regenwater onder het water bedolven. Er worden streken gevonden waar men het diep uit het water heeft moeten halen. Zo is het tevens gesteld met de veenboekweit. ‘Een bestaan van den armen daglooner, die nu wegens stilstand van arbeid zijne nooddruft ontbeerd en welker daardoor het bar saisoen nog kommerlijker tegemoet ziet.’
Als men ook de armoedige situatie van de gemeente in overweging neemt dan kan men uit het geheel naar het oordeel van Ebbinge Wubben ‘met reden’ besluiten dat de ramp de ‘landman gedugt treft en indien er geene middelen ter uitkomst zig voordoen, bij veele tot eene totale ruïne van hun beroep zig zal komen uit te strekken’.
De vooruitzichten voor de herfst en de winter zijn dus zeer somber. De toestand is zo kritiek, dat het gemeentebestuur van Staphorst zich tot de gouverneur van Groningen richt met de vraag of er uit die provincie hulp geboden zou kunnen worden. Ook deze noodkreet geeft een duidelijk beeld van de alarmerende toestand en vertoont treffende overeenkomsten met die aan de gouverneur van Overijssel.

Aan Zijne Excellentie den Heer Gouverneur van de provincie Groningen

Het gemeentebestuur van Staphorst in de provincie Overijssel neemt de vrijheid Uwe Excellentie met behoorlijke submissie 59 [59. Onderdanigheid.] voor te dragen dat deze gemeente door de geduurigen regens en overstroming der rivieren een gedugte ramp heeft ondergaan doordien de landen onder water zijn bedolven en alzoo de hooijoogst niet heeft kunnen geëffectueerd worden, waardoor dit gemis algemeen is.
Daar te boven zijn de weilanden mede geïnundeerd 60 [60. Onder water gestroomd.] en de runderen en ander vee uit de landen na elders moeten gebragt worden, daar bij gewone droogtens van elders hier runderen ter weide wierden gezonden.
Zo is de ramp dus dubbeld en den toestand allertreurigst, hetwelk in de toekomst neg droeviger vooruitzigt oplevert zoodat het zelve tot eene totale ruïne voor den landman — indien er geene spoedige uitkomst zig voordoet — zoude kunnen uitstrekken.
Men is dus noodgedwongen de hulp van andere gemeenten in te roepen en van hunne christelijke mededogentheid en bereidvaardigheid te verwagten dat de zodanige, die van alle rampen gelukkig zijn verschoond gebleven — eene gemeente van meer dan drie duizend zielen in een omstandigheid als deze — in de berging van het vee dat andersins van honger verkommeren moet, zal helpen gelieven voorzien, daar de nood dringend is.

Het gemeentebestuur verzoekt de gouverneur eraan mee te werken om boeren in de provincie op te roepen voor de herfst en de komende stalperiode vee op te nemen. De raad spreekt de hoop uit dat het vee ‘aldaar bij de landlieden moge worden aangenomen, pro deo voor diegenen die in armoede verkeren en anders onmagtig zijn om hun vee over te brengen en van de overige voor een middelmatige prijs te worden besteed, heen en ter tijd het jaargetijde zulks toelaat…
De gouverneur voldoet aan het verzoek. Hij schrijft op 27 augustus 1816 dat enkele ingezetenen van Woldijk en van Haren al bereid gevonden zijn om beesten te weiden. Andere gemeenten volgen vrij snel. Boeren uit de hele provincie willen wel voor één koe zorgen en een enkeling voor twee of drie koeien.
In Friesland wordt een collecte gehouden om veevoer en hooi te kunnen kopen voor dat wie dat nodig heeft.
In een reactie op de brief van de gouverneur benadrukt de scholtus op 2 september diverse zaken nog eens. ‘De behoefte is algemeen en laat zig beter gevoelen dan beschrijven, mogte dan de Voorzienigheid, dien de lotgevallen der Menschen bestierd, de harten der meer gegoeden bewegen, tot een wezentlijke deelneming in het ongeluk hunner evenmenschen, waardoor de ramp gelenigd en de nijpenden nood alhier eenigermate zoude verzagt worden.
Dat het niet om een ramp gaat die alleen Staphorst treft, blijkt uit het feit dat Koning Willem I al op 29 juli 1816 het besluit neemt dat aan eigenaren of vruchtgebruikers van land in de provincies Overijssel, Noord- en Zuid-Holland en Gelderland, die door de regenval, kwelwater of een hoge stand van de zee

|pag. 55|

niet of aanmerkelijk minder dan in normale jaren hadden kunnen oogsten vermindering of vrijstelling van grondbelasting kan worden gegeven. De gouverneur van Overijssel gaf dit besluit vertrouwelijk door aan de schout van Staphorst. ‘Ten einde dezelve in staat te stellen aan de respectieve belanghebbenden opening te geven van zijner Majesteits weldadige bedoeling met gepast voorzichtigheid, en zonder daaraan algemeene publiciteit te geven, om te voorkomen het misbruik dat er zoude kunnen gemaakt worden ten nadeele van ‘s Lands Schatkist of vermenigvuldiging van vruchteloze reclamatiën door dezulke die niet in de termen vallen van het opgedachte Koninklijk Besluit.

____Den landbouwer een gevoelige slag toegebracht
Ook in veel andere jaren staat er hoog water en in 1825 wordt de gemeente zelfs getroffen door een watersnood. ‘De oppervlakte van den grond is vrij gelijk en meerendeels laag, zoodat bij natte saisoenen een groot gedeelte niet alleen des winters, maar ook des zomers, onder water komt, hetwelk de landlieden telkens noodzaakt, hun vee, uit gebrek aan weide en hooi te verkoopen, waardoor in de jaren 1816, 1817, 1825, 1828, 1829 en 1830 den landbouwer een gevoelige slag is toegebrag’, zal Ebbinge Wubben later vermelden.
Deze volstaat hierbij echter niet met het meewerken aan een tijdelijke oplossing, hij wendt ook pogingen aan om moeilijkheden in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen. Zo attendeert hij de Commissie van Landbouw in Overijssel, een adviesinstelling van Gedeputeerde Staten voor de landbouw, halverwege 1817 op de oorzaken van de overstroming in het voorgaande jaar. Niet zozeer de ter plaatse gevallen neerslag heeft voor de overlast gezorgd, maar veel meer het water dat uit Drenthe kwam. In zijn brief aan de gouverneur van Groningen wijst hij ook al op het feit dat de weilanden ‘door de geduurige regens en opstopping der rivieren’ zijn overstroomd. Deze overlast zal groter worden naarmate de ontginning en veenafgraving in Drenthe vordert. Hij dringt er bij de provincie dan ook op aan de afwatering van het gebied te verbeteren. Hoewel dit niet de enige klacht tegenover het provinciaal bestuur betreft, zal de oplossing echter tot in de volgende eeuw op zich laten wachten. In droge jaren ligt overigens het gevaar van een muizenplaag weer op de loer…

____Watersnood 1825
In de winter van 1825 wordt de gemeente wel zeer zwaar getroffen door het water. Op 4 februari breken door een Noordwesterstorm verschillende dijken in Nederland door en het water bruist met name het Zuiderzeegebied binnen.
Alleen in Staphorst verdrinken er al 21 mensen, 1775 koeien, 120 paarden en 470 varkens. Vijf gebouwen spoelen weg, 86 raken er verwoest en 122 zwaar beschadigd. Deze ramp licht ik verder alleen toe met een brief van Ebbinge Wubben, omdat ten eerste, hoewel de ramp tussen alle andere ellende wel een heel triest dieptepunt vormt, in verschillende andere werken, zoals Ter Pelkwijks Beschrijving van Overijssels Watersnood in Februari 1825, uitvoerig is belicht en omdat ten tweede uit deze enkele brief al een duidelijk beeld van de ramp oprijst.

Staphorst, 23 february 1825

De SubCommisfie 61 [61. Het hele Zuiderzeegebied overstroomde in 1825.] waarvan melding word gemaakt in den aanschrijving van Zijne Edele den Heere Gouverneur van den 19 dezer 1 divisie no 1. bij mij opheden ontvangen nog niet zijnde ingesteld zoo neem ik de vrijheid bij dezen den beantwoording van Zijne Edeles uitnodiging op mij te nemen ten einde alle vertraging te voorkomen.

  1. Ik had mij gevleid dat over het algemeen genoomen na de eerste kommervolle dagen den levensbehoeften die zich, na het water in den gemeente, bevonden, toereikend zouden zijn geweest om den ongelukkigen het noodige voedsel te verschaffen, dan den uitkomst leert mij het

    |pag. 56|

    tegendeel. Het overgebleven koorn is alle nat geworden en groeit door elkanderen. Zoo dat hetzelven tot beestevoeder niet meer dienstig is, het weinigen ongedorschten graan kan door gebrek aan gelegendheid vooreerst noch niet gedorscht worden, den aardappelen zijn voor gedeelte weggespoeld, ik kan derhalve het getal dergeene die hieraan ogenblikkenlijken behoefte hebben niet wel minder dan 200 opgeven.

  2. Het dorp Rouveen bestaat uit 240 huizen en deze zijn alle beschadigd, niet veel onder de helft [daarvan] zijn bewoonbaar, de bewoners hebben dezelve betrokken en zitten tusfchen eenigen te zamen geslagen planken onder het overgebleven dak.
    Voor zoo ver ik in den eerste dagen daartoe in staat ben geweest, heb ik aan den noodlijdende bedeeling van brood, olie, zout enz. gedaan.
  3. Voeding geschied er bijna niet meer, alsoo den voorraad ten einde loopt.
  4. Geheel weggespoelde huizen zijn er maar drie, maar van een zeer groot getal staat niet meer dan de daken en [zijn] dus even min geschikt tot bewoning.
  5. Veele huizen kunnen met eene som van honderd gulden voor ieder zoo ver hersteld worden, dat de bewoonders daar in kunnen verkeeren. Bouwmaterialen zijn daartoe in deze gemeente niet te bekoomen, maar kunnen uit Meppel worden aangevoerd.
  6. Mijnes gedachten zijn er volstrekt benoodigd: 25 manshemden, 25 vrouwen dito, 20 jongens en 20 meisjes dito, 20 vr.borstrokken, 20 dito mans, 10 broeken, 30 stuks halsdoeken.
  7. 25 hoofdmatrasfen en 25 dekens, beter dan Contanten daartoe te besteden.

De Scholtus der Gemeente Staphorst

Aan de HoofdCommisfie
te Zwolle

Nog in juni van hetzelfde jaar schaft het gemeentebestuur een punter aan. Tien jaar daarvoor had de burgemeester nog opgegeven, dat er geen enkel vervoermiddel ter water in de gemeente te vinden was…62 [62. Dit kan nooit helemaal waar zijn, want later in dit jaar maakt Ebbinge Wubben een procesverbaal op als Klaas Hilligjes, de rijkste boer van het dorp, opgeeft dat zijn punter is gestolen.]
De totale schade die door de verwoesting is aangebracht, meldt de scholtus in een voorlopige opgave, beloopt het astronomische bedrag van ƒ187201,~. De scholtus vraagt dan ook om volledige vrijstelling van belasting…

____Epidemieën
Begin juni 1814 meldt dat scholtus dat er al drie personen zijn overleden aan febris catharalisbiliosa, een koorts ten gevolge van ontsteking van de galwegen. Het is niet de enige keer dat er mensen aan een epidemie overlijden. Zoals overal elders op het platteland is de geneeskundige verzorging in de gemeente slecht. Klaas Kiers Brouwer werkt jarenlang als ‘plaatselijke heelmeester ten plattelande’. Daarnaast is er een vroedvrouw, maar als die in 1822 vertrekt, ontbreekt het aan deskundige hulp bij bevallingen. Zelfs in dit opzicht redden de inwoners zichzelf. Bij bevallingen roepen de vrouwen de hulp in van buurvrouwen. Officieel is deze hulp weliswaar verboden, maar bij afwezigheid van een vroedvrouw valt het onder nooddrang en is het dus geoorloofd. Vaak wordt ook een ‘stille’ vroedvrouw ingeroepen. Meestal zijn dit ervaren vrouwen. De voor hun werk benodigde kennis wordt deels in de praktijk opgedaan en deels overgedragen van oude, bekwame vroedvrouwen op jongeren. Langzamerhand maakte zo’n jonge vrouw dan van het begeleiden van barende vrouwen haar beroep. De stille vroedvrouwen zijn plaatselijk bekend, werken tot tevredenheid van de bevolking en genieten het algemene vertrouwen. In Staphorst werken in 1828 twee ‘stille’ vroedvrouwen: Elsje Berends Hesselink en Jentje Troost. Na jarenlange rechtszaken om haar praktijken te stoppen, wordt de eerste in 1829 63 [63. Na het vertrek van dokter Zegers.] opeens officieel aangesteld. Ook een manier om een probleem op te lossen.
De gemeentekas is niet toereikend om deze toestand te verbeteren. ‘We weten wel, dat het geringe salaris de oorzaak is, dat we geen regeling kunnen treffen, zoals gewenst zou zijn.’ Dus wordt op de begroting ƒ44,~ beschikbaar gesteld, te betalen in vier termijnen. Dat is al een ander geluid dan in 1816. In dat jaar

|pag. 57|

wil men een salaris van dertig gulden geven, terwijl de Gedeputeerde Staten menen dat het wel het vijfdubbele zal moeten zijn, wil men een bevoegd en bekwaam iemand krijgen. Vier leden van de raad zijn hiervoor, vijf willen er echter niets van weten en wil geen nieuwe chirurgijn, noch vroedvrouw, terwijl één het ‘bij het oude wil laten’. Aldus de notulen van de raadsvergadering.
Sommige leden waarschuwen nadrukkelijk dat dit mensenlevens zal kunnen kosten.

____Een medische doctor, heel~ en vroedmeester
Op het moment dat dit inderdaad het geval wordt, begrijpt iedereen dat er iets moet gebeuren. Zeker als Brouwer zo oud wordt, dat hij geen praktijk meer kan doen. In mei 1828 blijkt er zich een geneesheer uit Texel, de medicus Zegers, in Staphorst te willen vestigen voor een traktement van vierhonderd gulden of voor driehonderd gulden en de kosten van onderhoud van een paard.
Omdat de man ook thuis is in de vroedkunde, besluit de raad hem als ‘medische doctor, heel~ en vroedmeester’ voor te dragen op een traktement van vierhonderd gulden ‘of zoveel men in nadere onderhandeling onderhandeling met denzelven tredende zal kunnen bedingen’. Uit de jaarbegroting van dat jaar blijkt hij aangesteld te zijn met een jaarwedde van ƒ300. Een forse hap uit het budget, maar even goed bedankt in maart 1829 de heer Georgius Zegers voor zijn post. Het resterende geld — een zekere logica ontbreekt niet — wordt dan maar gebruikt voor het uitbreiden van begraafplaatsen…
Het vertrek van Zegers heeft ongetwijfeld te maken met de gang van zaken bij de roodvonkepidemie. In het najaar van 1828 gaat een roodvonkepidemie gepaard met een buitengewone keelontsteking. Om ingelicht te worden over de aard en voortgang van deze ziekte nodigt de burgemeester dokter Zegers uit voor een gesprek. Tijdens dit onderhoud blijkt dat de dokter hoegenaamd geen zieken onder behandeling heeft. Bijna iedereen die aan roodvonk lijdt, maakt gebruik van de vertrouwde hulp van de oude heelmeester Brouwer. Volgens Zegers is de ziekte, waaraan een jongen van veertien jaar al is gestorven, nog in de beginfase. Voor de keelontsteking schreef de dokter een gewone gorgeldrank voor, bestaande uit azijn, honing en vlier met wat salie. Verder geeft hij de om de ziekte te bestrijden het advies kinderen uit besmette huizen niet op school toe te laten.
De scholtus meldt de korte inhoud van het gesprek aan de provinciale geneeskundige commissie met daarbij het verzoek of de commissie er niet voor kan zorgen dat de lijders aan de roodvonk verplicht worden om zich onder behandeling van dokter Zegers te stellen.
Eind december 1828 worden er zeven slachtoffers gemeld, hieronder bevinden zich vier volwassenen. Bij de geneesheer Zegers is slechts één patiënt onder behandeling. De heelmeester Brouwer behandelt er intussen wel vijfentwintig, van wie er enkelen in levensgevaar verkeren. ‘De geest der ingezetenen is algemeen bezield met het oude en dus voor oordeel tegen al wat nieuw genaamd wordt’, moppert de scholtus al in 1826. In een dergelijke situatie is het dan ook niet verwonderlijk dat, zoals verder in het hele land, de kindersterfte hoog is en er telkens slachtoffers vallen door ziekte.
De ziektes treffen overigens niet alleen de mensen, maar ook keer op keer het vee. De koeien die door Groninger boeren in de herfst en winter van 1816~1817 verzorgd worden, komen daar niet in al te beste staat aan. Verschillende sterven na verloop van tijd, misschien wel door de algemene slechte conditie, maar ook doordat ze aan galligheid lijden. Deze ziekte, ook wel leverbotziekte genoemd, maakt in de winter van 1828 en 1829 opnieuw veel slachtoffers. Op de Staat van het gestorvene vee in de gemeente Staphorst tengevolge van de leverziekte in den winter van 1828 en 1829 is vermeld dat er van 218 boeren

|pag. 58|

325 stuks rundvee boven de twee jaar, 121 stuks daar beneden en 361 schapen zijn gestorven. In de gemeente is geen veearts, maar er zijn wel een drietal boeren die ‘bij voorkomende gelegenheden als haastige ziekten, kalven en ander’ hun diensten verlenen, maar geen van allen in het bezit zijn van een brevet of bewijs van toelating als veearts. Zij zijn te beschouwen als veeverlosdeskundigen, die op grond van hun ervaring in verschillende andere gevallen ook raad weten.

____Buitengemeen lange en smalle erven
In voorgaande hoofdstukken is al aangetoond dat ook de grondsoort een bepalende factor is voor de armoede. Daarbij komt nog eens de ver doorgevoerde verkaveling van de gronden door een verouderd ververvingsstelsel. De grond is verdeeld in duizenden perceeltjes. De boeren hebben hun grond her en der verspreid liggen en weten het zelf soms niet eens meer te plaatsen. Deze toestand doet grote afbreuk aan de mogelijkheden om efficiënt te kunnen werken.
Ebbinge Wubben beseft dit goed. ‘Buitengemeen 64 [64. buitengewoon] lang en smal zijn de erven, zodat een gemiddeld erf, dat thans uit niet meer dan 15 bunders bestaat, geene tien roeden breedte heeft. De bouwlanden liggen aan de oostzijde van den weg, zijn in smalle akkers, van 7 tot 8 ellen breedte, verdeeld, en door greppels van ongeveer een el van elkander gescheiden: en dan moet nog ieder eigenaar zijn eigen opweg daarover houden. Doch de hooi- en weidelanden worden door velen onderling gebruikt; welke ongeregelde verdeeling, door de laagte der ligging veroorzaakt, thans tengevolge heeft, dat eene geringe waarde bezitten.’

____Overige oorzaken
Behalve de vorderingen door militairen, de overlast van het water, de epidemieën en de ver doorgevoerde ruilverkaveling zijn er volgens de indeling van dr. L.F. van Loo als algemene oorzaken van de armoede het lage loonniveau, de hoge prijzen en de strenge winters aan te wijzen. In voorgaande hoofdstukken zijn deze aspecten al zijdelings aan bod gekomen. Een brieffragment van Ebbinge Wubben uit maart 1814 vat de laatstgenoemde drie aspecten samen.

Het Montant van de daglonen van eenen werkman, die tot allerlei veldwerk word gebruikt, is zonder den kost in den zomer tagentig Cents; in den winter veertig Cents; in het voor- en najaar zeventig Cents en met den kost dertig Cents minder elk Saisoen, dog zoo dat in het kortste der dagen ook dertig Cents word gegeven.

Naast de algemene oorzaken ziet Van Loo als oorzaken op persoonlijk niveau de individuele levenscyclus, de voeding en de scholing. Deze drie aspecten zijn gedeeltelijk in verschillende voorgaande hoofdstukken al toegelicht en verder heb ik geen specifieke gegevens over de toestand in Staphorst in het archief gevonden.

Hoe de inwoners al deze rampen zelf beleven en in welke richting ze hulp verwachten wordt waarschijnlijk het beste weergegeven in de volgende dankbetuiging aan de gemeente Meppel en De Wijk na de watersnoodramp in 1825.

Staphorst, den 10 febr 1825

Uw Achtb gelieve het mij ten goeden te houden dat ik niet eerder dan nu onzen schuldigen dank heb kunnen betoonen voor de gezondene levensbehoeften.
In naam mijner hulpbehoevende en thans verarmde medeingezetenen betuig ik Uw Acht. onze dankbaarheid voor het aanvankelijk gezondene. Onze ramp is na menschelijk oordeel niet te herstellen, mogten dezelve echter maar eenigermate kunnen geleenigd worden, dan O! de toekomst is voor ons duister! onze ellenden zijn te groot dan dat dezelve kunnen worden geschetst. Ik durf mij in dezen veilig op het getuigenis van ooggetuigen beroepen, dan Hij die ons met Zijn slaande hand bezocht heeft altoos wijze bedoelingen en op Zijne voorzienigheid


|pag. 59|

ook dan wanneer de nood op het hoogst is mogen wij ons gerust verlaten, dat zij onze troost voor het tegenwoordige.
Mogte het Hem als een goeddoend Vader behagen de harten en handen der meervermogenden en niet bezochten te bewegen tot bijdragen ter leeniging onzer rampen. O! welke eenen stof van blijdschap en opbeuring zou zulks niet voor ons opleveren.

De Scholtus der Gemeente Staphorst

Aan de Heer Burgemeester
van Meppel en Schout
van de Wijk


|pag. 60|

____Conclusies

______________________

Hoe kun je de sociaal~economische toestand en met name de armoede in de gemeente Staphorst gedurende de periode 1813-1830 typeren? Een samenvattend en concluderend overzicht.

____Hoe is de toestand in het algemeen in de gemeente Staphorst?
Staphorst bestaat volgens de beschrijving van Ebbinge Wubben uit de drie kerkdorpen Staphorst, Rouveen en IJhorst. De boeren in deze dorpen houden zich voornamelijk bezig met veeteelt.

____Hoe is de toestand in de landbouw in het algemeen en vormen de boeren een gelijkwaardige groep in de gemeente?
De grond in de gemeente bestaat niet alleen uit veen. De gemeente is te verdelen in vier hoofdgebieden met verschillende grondsoorten. De verschillen tussen de gemiddelde veestapels in deze gebieden lopen ver uit elkaar.

Gebied

Grondsoorten

Aantal koeien
Rouveen Laagveen en lage zandgronden 7
Staphorst

Laagveen en middelhoge zandgr. 7
Zuid.Buitenkwartieren

Moerasveen en zandgronden

4
Noord. Buitenkwartieren

Zandopduikingen bij veen

13
Gehele gemeente

Diverse gronden

7

Tabel IV: Gemiddeld aantal koeien per boer per hoofdgebied

De groep boeren is dus beslist niet gelijkwaardig. Daarbij komt dat de veehouderij niet de enige inkomstenbron vormt.

____Hebben de boeren naast hun vee nog andere inkomstenbronnen?
Behalve koeien houden de boeren paarden, bijen, pluimvee, varkens en schapen. De paarden leveren trekkracht, de bijen was voor kaarsen en zoetstof, het pluimvee eieren, de varkens vlees en de schapen wol. Een enkeling heeft een eendekooi waarin vogels worden gevangen.
Naast de veehouderij wordt er akkerbouw bedreven. Het is voornamelijk rogge en boekweit dat de bouwgrond beslaat. Hiermee worden de eigen mensen en dieren van voedsel voorzien. Brandstof wordt ook zelf gewonnen. Alle geschikte mannen steken in het voorjaar zeven weken lang turf. ‘Trots den besten bovenlander’, vermeldt Ebbinge Wubben ergens tussen neus en lippen door.
Deze nevengebieden vormen een noodzakelijke aanvulling op het karige veehoudersbestaan. Daarbij geven de genoemde gebieden duidelijke aan dat de gemeente in zeer hoge mate autark is.

____Hoe is de werkelijke indeling van en verdeling tussen de boeren?
De boerenstand wordt in de algemene literatuur verdeeld in grote boeren, kleine boeren en arbeiders. Deze groepen zijn bijna even groot in het hele dorp en schijnen op het eerste gezicht gelijk verdeeld. Vergelijk je deze drie standen echter met de verdeling over de verschillende grondsoorten dan blijken er wel

|pag. 61|

opvallende verschillen. In dat geval geldt de regel: hoe beter de grondsoort, hoe lager het percentage arbeiders en hoe hoger het percentage grote boeren. Deze regel geldt ook omgekeerd. De verdeling in Staphorst en Rouveen is hierbij nagenoeg gelijk. Houd je ook rekening met andere gegevens (huisraad, turf, hooi en zaaigoed) dan blijkt Rouveen rijker. Een mogelijke verklaring ligt — gezien het gebruik om weilanden te verhuren en hooi te verkopen — in de kwalitatief betere gronden in dit dorp.
De gemeente is volgens mij dus op te delen in vier genoemde hoofdgebieden, die wezenlijk van elkaar verschillen in rijkdom.
Allereerst zijn er de arme zuidelijke buitenkwartieren, op de tweede en gemiddelde plaats komt Staphorst, vervolgens komt het rijkere Rouveen en de noordelijke buitenkwartieren steken boven alles uit. Hesselingen is een goed voorbeeld van de laatste groep.
Deze theorie wordt onderstreept door het feit dat het gemeentebestuur eenzelfde verdeling voor de betaling van de schoolgelden aanhoudt: de boeren in de beschreven rijkere gebieden betalen veel meer schoolgeld, dan de boeren in de aangeduide armere gebieden.
De groep grote boeren is in de rijkere buitenkwartieren oververtegenwoordigd.
Boven deze groep staan de predikanten en de scholtus.

____Welke bevolkingsgroep is arm en hoe groot is deze groep?
De groep armen vormt ongeveer een kwart van de bevolking, een slordige honderd gezinnen. Deze groep bestaat uit arbeiders en dagloners. De groep kleine boeren heeft het echter ook niet gemakkelijk, want het grootste deel betaalt onder het gemiddelde aan belasting. Slechts een klein deel van de bevolking draagt boven het gemiddelde bij.

____Hoe moetje je de armoede van deze groep voorstellen?
De armoede komt tot uitdrukking in de mate waarin de eerste levensbehoeften vervuld kunnen worden, dus de kwantiteit en kwaliteit van eten, drinken, kleding, woningen, verwarming en dergelijke, en de manier waarop in deze behoeften wordt voorzien, dus het werk.
Brood en aardappelen maken ook in Staphorst de hoofdmoot van het voedsel uit. Drankmisbruik komt evenzogoed voor. Toch zal de toestand beter zijn dan in de steden, omdat van af de grote boeren tot aan de dagloners toe iedereen de mogelijkheid heeft om zelf iets te verbouwen en daarbij verschijnt er zelfs vlees — van het zelf opgefokte varken — op de huistafel.
De woningen van de boeren in Staphorst zijn volgens verschillende bronnen niet van geweldige kwaliteit, vrijwel altijd betreft het een lös hoes zonder schoorsteen. Hoe de arbeiders en de dagloners dan wonen laat zich raden.
De boeren werken hard en lang om een bestaan te vinden. Zelfs het turfgraven voor de brandstofvoorziening gebeurt door eigen mensen.

____Wat doet het gemeentebestuur voor de armen?
De diaconie onderhoudt in goed overleg met het gemeentebestuur de armen.
Ze doet dit op grond van de christelijke plicht tot mededeelzaamheid door middel van collectes. De bedeelden worden op hun beurt uitbesteed om hen zo goedkoop mogelijk te kunnen onderhouden. Arme of zwaargetroffen niet-bedeelden krijgen in rampsituaties steun van de gemeente. Dit geldt ook voor slachtoffers van landelijke rampen. Het geld hiervoor komt niet uit de gemeentekas, maar wordt door collectes bij de kerkdeuren of langs de huisdeuren verkregen. Op deze wijze wil men de armoede niet opheffen, maar de noden wel zo veel mogelijk lenigen. Om de armoede tevens zoveel mogelijk te voorkomen zijn er duidelijke regels opgesteld. Anderen, waaronder Ebbinge Wubben, wil-

|pag. 62|

len nog verdergaande maatregelen om de armoede terug te dringen. Zij richten de Maatschappij voor Weldadigheid op en pleiten voor onderwijs, opvoeding en arbeid.

____Wat ziet het gemeentebestuur als oorzaken van de armoede en wat zij om de armoede te voorkomen?
Ebbinge Wubben ziet opvoeding en onderwijs als de meest geschikte middelen om in de hand te houden of zelfs terug te dringen. Er zijn zes, later zelfs zeven scholen in de gemeente en is er zelfs een schoolplicht. De kwaliteit van de scholen en van de onderwijzers laat veel te wensen over. Toch ligt dit meer aan de armoedige toestand van de gemeente, dan aan de wil van het gemeentebestuur. Ebbinge Wubben richt zelfs een armenschool op, een project dat echter al spoedig mislukt. Met dit project komt nog eens duidelijk tot uitdrukking dat ‘het gedugte kwaad van verbastering in de arbeidzaamheid en beschaving van de gemenen volksklasfe en hunne aanvanglijke zedeloosheid’ als oorzaken van de armoede gezien worden.

____Wat zijn de werkelijke oorzaken van de armoede?
De werkelijke, algemene oorzaken van de armoede liggen voor het oprapen.
Allereerst zijn er de vele vorderingen door Pruisische en Russische troepen nadat de Franse troepen wegtrekken uit een armoedige gemeente. Door de ver doorgevoerde verkaveling zijn de weilanden van weinig waarde. Daarnaast wordt de gemeente diverse malen getroffen door hoog water, een zware overstroming in 1825 en epidemieën onder de mensen en onder het vee. In droge jaren wordt de gemeente daartegenover soms getroffen door een muizenplaag.
Daarbij komen nog eens hoge prijzen tegenover lage lonen, zeker in de winterperiode.

|pag. 63|

[blanco]


|pag. 64|
____Gebruikte literatuur

_____________________

– Baarslag, D.J., De revolutietijd Uitgeverij Bosch & Keunig — Baarn
– Blok, P.J., Geschiedenis van het Nederlandse Volk Uitgeverij Sijthoff — Leiden 1907
– Boersma, Frits, Dagboek van Nederland, Geschiedenis gezien door ooggetuigen Uitgeverij Elsevier — Amsterdam/Brussel 1984
– Brood, mr. P., Maten en gewichten die vroeger in Drenthe werden gebruikt in Speurwerk, Hulpmiddel voor lokaal en regionaal historisch onderzoek in Drente onder red. van mr. P. Brood Uitgave van Drentse Historische Vereniging — Assen 1988
– Brugmans, dr. I.J., De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw (1813-1870) Uitgeverij Het Spectrum — Utrecht/Antwerpen 1958
– Brugmans, dr. I.J., Paardenkracht en mensenmacht, Sociaal-economische geschiedenis van Nederland (1795-1940) Uitgeverij Nijhoff — Den Haag 1976
– Brugmans, prof. dr. IJ., Stapvoets voorwaarts, Sociale geschiedenis van Nederland in de negentiende eeuw Uitgeverij Fibula-Van Dishoeck — Haarlem 1978
– Coster, B., B. Hoeve, J.W.D. Nijkamp, Kiek ies achterumme, Werkboek heemkundig geschiedenisonderwijs voor de basisscholen in de gemeente Staphorst Uitgave van Historische Vereniging Staphorst — Staphorst 1985
– Diederiks, H.A. … [et al.], Van agrarische samenleving naar verzorgingsstaat, De modernisering van West-Europa sinds de 15e eeuw Uitgeverij Wolters-Noordhoff — Groningen 1987
– Dijkhuizen, S., Zo leefden zij, Wonen, werken en spelen in vroeger tijden Uitgeverij Terra — Zutphen 1979
– Dirker, drs. F. W., Industrialisatie en nationale welvaart Uitgeverij Wever — Franeker
– Ebbinge Wubben, dr. C.H., Staphorst en Rouveen, Aantekeningen over kleding, woninginrichting, volksgebruiken, spelen en de molen, benevens een woordenlijst Uitgeverij Kemink & Zoon — Over den Dom te Utrecht 1907
– Ebbinge Wubben, F.A., Eendenkooien in de gemeente Staphorst omstreeks 1850 Heruitgave gemeente Staphorst door J. de Wolde
– Ebbinge Wubben, F.A., Plaatsbeschrijving der gemeente Staphorst, provincie Overijssel, met eenige oudheidkundige bijvoegselen Boekverkooper, Boek~ en Steendrukker J. Oomkens, 1835

|pag. 65|

– Folkerts,J., De lokale bestuurselite in Drenthe, 1780-1820 in Nieuwe Drentse Volksalmanak, Jaarboek voor geschiedenis en archeologie 1991 onder redactie van dr. J. Bieleman … [et al.] Uitgeverij Van Gorcum — Assen 1991
– Gras, H., Waren de Drenten achterlijk? Het Verlichtingsdenken en veranderingen in de Nederlandse armenzorg in Nederland en het Noorden, Opstellen aangeboden aan prof. dr. M.G. Buist ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar in de Moderne Geschiedenis van Financiën en Bestuur en in de Contemporaine Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit te Groningen op 25 september 1990 onder redactie van K. van Berkel, H. Boels en W.R.H. Koops Uitgeverij Van Gorcum — Assen 1991
– Groenveld, ir. D., De boerin een veranderende wereld Uitgeverij Krijnen — Vught 1947
– Heitling, Willy en Leo Lensen, Vijftig eeuwen volk langs de IJssel Uitgeverij Terra — Zutphen 1980
– Huizen, Joh. van, Onze vaderlandse geschiedenis Uitgeverij Kok — Kampen 1963
– Huizinga, dr. J.J. … [et al.], Delta, Nederlands verleden in vogelvlucht (deel 3: De Nieuwste tijd, 1813 tot heden) Uitgeverij Nijhoff — Groningen 1993
– Huussen jr., A.H., De Maatschappij van Weldadigheid; een Nederlands experiment in Drenthe in Nederland en het Noorden, ibidem onder redaktie van K. van Berkel, H. Boels en W.R.H. Koops Uitgeverij Van Gorcum — Assen 1991
– Korteweg, S., De landbouw op den zandgrond in Geschiedenis van den Nederlandschen landbouw 1795-1940 onder redactie van dr. Z.W. Sneller Uitgeverij J.B. Wolters — Groningen/Batavia 1943
– Loo, dr. L. Frank van, “Den arme gegeven…”, Een beschrijving van armoede, armenzorg en en sociale zekerheid in Nederland, 1784-1965 Uitgeverij Boom — Meppel/Amsterdam 1981
– Loo, dr. L. Frank van, Arm in Nederland, 1815-1990 Uitgeverij Boom — Meppel/Amsterdam 1992
– Luning, H.M., Vreemde woorden in rechterlijke archieven in Speurwerk, Hulpmiddel voor lokaal en regionaal historisch onderzoek in Drente onder redactie van mr. P. Brood Uitgave van Drentse Historische Vereniging — Assen 1988
– Mulder, Liek, Anne Doedens, Yolanda Kortlever, Geschiedenis van Nederland, Van prehistorie tot heden Uitgeverij Van Walraven — Apeldoorn 1989
– Pelkwijk, J. ter, Beschrijving van Overijssels Watersnood in Februari 1825 Uitgeverij Clement, de Vri en van Stegeren — Zwolle 1826
– Poortman, J., Geschiedenis van de gemeente Staphorst Uitgeverij Wolters-Noordhoff — Groningen 1978
– Rek, J. de, Koningen, kabinetten en klompenvolk Uitgeverij Bosch & Keunig — Baarn 1975

|pag. 66|

– Slicher van Bath, dr. B.H., Samenleving onderspanning, Geschiedenis van het platteland in Overijssel Uitgeverij Van Gorcum — Assen 1957
– Slicher van Bath, prof. dr. B.H., Landbouw, textiel en turf in Geschiedenis van Overijssel onder redactie van prof. dr. B.H. Slicher van Bath Uitgeverij Kluwer — Deventer 1970
– Sneller, dr. Z.W., Anderhalve eeuw in vogelvlucht (1795-1880) in Geschiedenis van den Nederlandschen landbouw 1795-1940 onder redactie van dr. Z.W. Sneller Uitgeverij J.B. Wolters — Groningen/Batavia 1943
– Verberne, prof. dr. L.G.J., Geschiedenis van Nederland in de jaren 1813-1850 Uitgeverij Het Spectrum — Utrecht/Antwerpen 1958
– Verwey, Gerlof, Geschiedenis van Nederland, Levensverhaal van zijn bevolking (deel 3: Ontstaan van een dynastieke democratie) Uitgeverij Elsevier — Amsterdam/Brussel 1987
– Wielen, dr. H.G.W. van der, Sociale toestanden ten plattelande in Geschiedenis van den Nederlandschen landbouw 1795-1940 onder redactie van dr. Z.W. Sneller Uitgeverij J.B. Wolters — Groningen/Batavia 1943
– Wolde, J. de, De watersnood in de gemeente Staphorst met een schets van de landbouw in de 19e eeuw Uitgave gemeente Staphorst
– Wolde, J. de, Ontginningen en verkavelingen in de gemeente Staphorst Uitgave gemeente Staphorst

Overige bronnen:
~ Inkomende en uitgaande stukken in de periode 1813-1830 in het archief van de gemeente Staphorst, met name brieven van scholtus F.A. Ebbinge Wubben;
~ Notulen van de raadsvergaderingen in de periode 1813-1830 in het archief van de gemeente Staphorst;
~ Voorlichtingsfolders van de afdeling voorlichting van de gemeente Staphorst;
~ Bodemkaart en ~beschrijving van de afdeling milieu van de gemeente Staphorst;
~ Artikelen in ‘t Olde Stappest, kwartaaluitgave van Historische Vereniging Staphorst;
~ Brief van mijn over~, over~, overgrootvader Roelof Thijs Wolf, geschreven 10-12-1830;
~ Gesprekken met mijn oudoom Roefof Buiter, geboren 10-11-1912 (‘tien-elm-twaalm’).

NB. Deze literatuurlijst is een gecombineerde lijst voor de scriptie geschiedenisverdieping pabo-2/3 en de scriptie beroepsgerichte afstudeeropdracht pabo-4.

|pag. 67|

[Blanco]

|pag. 68|

____Bijlage I: brief van Roelof Thijs Wolf

_______________

Aan Thijs Wolf
te Staphorst
Provensie Overijs[f]el

Bredaal 10 December 1830

Eerwaarde Vader en Moeder
ik heb uw brief wel ontfangen en gezien dat gij alle nog goed gezond ben. Dat is mij tot groote b[l]ijtschap. Mijn gedagten die hebben wat gezwarfd over onze huishouding. Vader en moeder, wij hebben somtijds droevig geleden en somtijds hatten wij wel heel goed. Wij moeten geduurig masseren.
Vader en en moeder, ik had wel eerder willen geschreven, maar als ik schrijven wou dan hatten mijn Kammeraaden alweer en geschreeven en Die sch[re]even zamen voor ons Ale[maal]. Vader en moeder, wij hebben wel driemaal int vuur geweest. Wij hebben verscheiden maal masseerd met geweer en wapen nat van zweet daags en dan moesten wij snag onder den bloten hemel slapen. Met de ransel onder onze hooft. En dan wij waaren wij nog blij als wij zo liggen mogten, maar nu hebben wij het wel het veel be[te]r. Wij liggen bij de boeren in kwartier. En ik heb uit de brief gezien dat gij graag hebbe om zelven eens te schrijven. Nu zal ik altijt zelven schrijven. Vader en moeder, ik moet u om wat geld schrijven, ik heb geen gebrek van gehat. Ik heb voor de brief betaald 6 stuivers vier duiten, maar vader en moeder, gij moet eens schrijven hoe of het mij[n] kleinne broe[r]tje is. Hendrik Neefjes die is ook om geld verleegen, als Albert hem wat sturen wil met een wissel. Het bartajon dat lig te Gilze, maar ik ben te Bredaal in hospitaal met een zeer been. Vader en moeder, gij moet niet treuren om dat ik in de ziekenzaal ben. Ik ben goed gezond. De stilstand van waapens is weer uit, daar moet gij u niet van ontzetten, doe wij in Antwerpen waren, doe maaken ok stilstand voor vier dagen. Zij kunnen stilstand maken wanneer zij willen. Vader en moeder, meer heb ik u ni[e]t te schrij[ven]. Pouwel Snieder is goed gezond. Peter Boessenkool ook nog. Albert Kuip ook nog. Klaas Kettel ook nog. H Snijer en Jan Haasjes ook nog.
Vader en moeder, uw wordt zeer vrindelijk van mijn gegroet.
En de gro[e]te aan Klaas Roesboom te Rouveen en Klaas Wolf en Berend Schra en Klaas Thijssen, Berend Thijs. Die worden van mij geg[r]oed.

Roelof Thijs Wolf
mijn Hand[tekening]
Breedaal Den 10 Desem 1830



|pag. 69|

[Blanco]

|pag. 70|

__________
– Hulst, J. (1996) ‘Wij hebben somtijds droevig geleden’: Archiefonderzoek naar de sociaal~economische situatie van Staphorst in 1813-1830 (Afstudeeropdracht PABO-4). Christelijke Hogschool de Driestar, Gouda.

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.