Hoofdstuk 1 Inleiding


|pag. 3|

1. Inleiding

1.1. Verzuiling

Het verschijnsel ‘verzuiling’ heeft in Nederland velen naar de pen doen grijpen. Vanuit verschillende disciplines en vanuit verschillende invalshoeken heeft men zich verdiept in de verzuiling. Het is overigens opmerkelijk dat de benoeming van het verschijnsel en de theorieën over de verzuiling eerst na de Tweede Wereldoorlog naar voren kwamen 1 [1. Vergelijk Daalder, Politicologen, 53; Blom, Verzuiling, 11]).
Dat is zeker opmerkelijk omdat ontzuilingsprocessen kort daarna duidelijker werden.
Met Daalder en Stuurman 2 [2. Daalder, Politicologen, 54. Hij geeft daar aan wat Stuurman elders ook noemt.]) erkennen we het gevaar van een finalistische geschiedschrijving. Ziende wat er is, beschrijft men vanaf dat punt de gang er naar toe. Het blijft de vraag of men vooraf wist waar men wilde uitkomen. Veel is geschreven over de term ‘zuil’. Wat moet daaronder worden verstaan ? Het begrip wordt verschillend gedefinieerd.
Kruyt en Goddijn omschrijven zuilen als “structureel gezien blokken van op levensbeschouwing gebaseerde organisaties”3 [3. Kruyt/Goddijn, Verzuiling, 231]). Zuilen zijn complexen van een bijzondere soort van organisaties. Daarbij wijzen Kruyt en Goddijn op het ideologische bindingsprincipe dat uit blijkt te gaan boven banden met mensen uit de nabije omgeving 4 [4. Ibidem, 232]). Lijphart sluit zich in grote lijnen aan bij Kruyt, maar wil op een wezenlijk punt wijzigen. In plaats van verzuiling toe te passen op de complexen zelf, wil hij speciaal de nadruk leggen op het feit “dat we met zuilen bepaalde bevolkingsgroepen bedoelen”5 [5. Lijphart, Verzuiling pacificatie, 34; vergelijk ook zijn artikel Verzuiling, 24]). Lijphart vindt het een voordeel van deze wijziging dat zo gesproken kan worden van de mate waarin een bepaalde zuil verzuild is 6 [6. Lijphart, Verzuiling, 24]). Stuurman omschrijft een zuil als een “hiërarchisch gestructureerd complex van sociaal-politieke en ideologische apparaten met de volgende kenmerken:

  1. De sociale basis loopt door alle klassen heen.
  2. De zuil omvat meerdere levenssferen.
  3. De integrerende ideologie is godsdienstig, met de klassensamenwerking en het patriarchaat als kernelementen.

  4. |pag. 4|

  5. De zuil heeft een politieke component, beweegt zich op het niveau van de staat”7 [7. Geciteerd via Daalder, Politicologen, 61]).

Valkenburg definieert verzuiling als “de vorming van maatschappelijke organisaties op levensbeschouwelijke grondslag”8 [8. Valkenburgh, Politiek, 12]
We ronden deze beknopte opsomming af met de omschrijvingen die Blom biedt. Hij wil het onderzoek naar verzuiling niet een te strakke aanpak meegeven. Er moet ruimte zijn voor het zien van verschillen in ontwikkeling, voor het zien van verschillen naar plaats en streek en dergelijke. In plaats van precieze definiëring bepleit hij een bij de open aanpak aansluitende korte, duidelijke aanduiding 9 [9. Blom, Verzuiling, 23]). Blom omschrijft verzuildheid als de “mate waarin mensen hun sociaal-culturele en politieke activiteiten bewust verrichten en kunnen verrichten in eigen levensbeschouwelijke kring”10 [10. Ibidem, 24]). Verder definieert hij verzuiling als “het proces dat de mate van verzuildheid vergroot” en ontzuiling als “het proces dat de mate van verzuildheid vermindert”11 [11. Ibidem, 24]). Zuilen omschrijft Blom als “bevolkingsgroepen waarvan de leden een belangrijk deel van hun sociaal-culturele en politieke activiteiten bewust binnen eigen levensbeschouwelijke kring verrichten alsmede de gezamenlijke organisaties die daartoe mogelijkheden bieden”12 [12. Ibidem, 24]).
Nu is het niet juist deze omschrijvingen zondermeer met elkaar te vergelijken. Daalder wijst er terecht op dat het belangrijk is aandacht te besteden aan de vraag wat de diverse auteurs kan hebben bewogen de verzuiling te analyseren 13 [13. Daalder, Politicologen, 53]). Wel komt in alle omschrijvingen naar voren dat er een levensbeschouwelijke grondslag aanwezig moet zijn, bijna allen wijzen daarbij op een godsdienstige fundering. Verder moet er een grote groep mensen zijn die deze grondslag als uitgangspunt kiezen en die van daaruit hun activiteiten -al dan niet in georganiseerd verband- willen verrichten.
Verder noemen bijna allen een politieke vertolking van de zuil noodzakelijk. Voor dit onderzoek sluiten we ons vooral aan bij de definities van Blom. We perken ons daarbij naar periode en onderzoeksterrein in.

|pag. 5|

1.2. Periodisering

In een bespreking van het werk van Stuurman constateert Daalder dat deze opvallend weinig aandacht geeft aan organisatorische inspanningen binnen de kerken. Met Daalder wijzen we op het belang van de kerkelijke ontwikkelingen in de negentiende eeuw. Die ontwikkelingen droegen in belangrijke mate bij aan de opbouw van -inzonderheid- de protestants-christelijke politieke organisatie. Het proces van kerkherstel -de benaming is van Daalder- is van wezenlijke betekenis 14 [14. Ibidem, 62]). Zo wijst Kuyper in zijn bekende rede over ‘souvereiniteit in eigen kring’ (1880) op de doorwerking vanuit het geloofsbeginsel in ondermeer de politiek en —daar stond hij toen vooral bij stil- de wetenschap 15 [15. Kuyper, Souvereiniteit, 17, 18]).
Wanneer we aannemen dat rond het midden van de negentiende eeuw geen verzuildheid van betekenis in Nederland bestond 16 [16. Blom, Verzuiling, 33]) en we zien dat bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meer dan de helft van de landelijke organisaties nog algemeen was 17 [17. Kruyt/Goddijn, Verzuiling, 245]), constateren we dat de organisatorische verzuilingsgraad vooral na deze oorlog snel is toegenomen. Algemeen wordt aangenomen dat Nederland vanaf de jaren twintig van deze eeuw tot in ieder geval de jaren zestig als een verzuilde samenleving kan worden getypeerd 18 [18. Blom, Verzuiling, 33; Lijphart, Verzuiling pacificatie, 27]). Voor ons onderzoek hebben we daarom de periode 1960 – 1980 gekozen, omdat daarin de ontzuilingsprocessen duidelijk zullen moeten worden.

1.3. Zuilen en verzuilingsterreinen

1.3.1. Zuilen

Omdat een verzuilingsproces een levensbeschouwelijk pluralisme veronderstelt, zoeken Kruyt en Goddijn de wortels van de zuilen in de zestiende eeuw. Sindsdien zijn naast de Rooms-katholieke zuil een protestants-christelijke en een vrijzinnig protestantse zuil aanwezig 19 [19. Kruyt/Goddijn, Verzuiling, 230]). Daalder trekt de hechtheid en onderlinge vergelijkbaarheid van de zuilen in twijfel. Zijn er twee, drie of vier zuilen. Is het juist te spreken van een

|pag. 6|

protestants-christelijke zuil of moet deze onderverdeeld worden. Kun je wel spreken van een socialistische of van een liberale zuil ? Gelet op het terrein, waarop ons onderzoek zich richt, de politiek, sluiten we ons voor wat betreft het aantal zuilen aan bij Lijphart. Hij legt een relatie tussen de verzuilde samenleving en de vijf grote politieke partijen. Zo komt hij tot een katholieke zuil met de KVP, een socialistische zuil met de PvdA en een liberale zuil met de VVD. De protestants-christelijke zuil splitst hij in een hecht en actief georganiseerde ARP en de CHU, vooral steunend op de conservatieve, welgestelde burgerij en godsdienstig Nederlands Hervormd. CPN en PSP plaatst hij als zeer linkse groepen in de socialistische zuil. SGP en GPV plaatst hij in de zeer orthodoxe en conservatieve rechtervleugel van de protestants-christelijke zuil 20 [20. Lijphart, Verzuiling pacificatie, 35]). Omdat ons onderzoek zich vooral op politiek gebied beweegt, hanteren we deze indeling van Lijphart.

1.3.2. Verzuilingsterreinen

De politiek geldt zeker als een van de belangrijkste terreinen, waarop de verzuiling duidelijk toonbaar is.
Daarnaast valt te denken aan de vakbonden. Lijphart noemt enkele voorbeelden van doorwerking van het beginsel ter versterking en afscherming van de eigen zuil. Hij wijst op de uitspraak van de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken van 1920, waarin gesteld wordt, dat voor een lid der Gereformeerde Kerk geen plaats is in een organisatie, die zich stelt op de grondslag van de klassenstrijd. In 1953 in Antirevolutionaire Staatkunde bespeurde hij een citaat van gelijke strekking 21 [21. Ibidem, 49, 50]). Voor de katholieke zuil valt het bisschoppelijk mandement van 1954 te noemen, met als sanctie het weigeren van deelname aan de sacramenten.
De media vormen een derde belangrijk en sterk verzuild terrein. De meeste kranten waren lang in te delen bij een der zuilen. Gelet op de meningsvormende betekenis is de invloed van de kranten niet snel te overschatten.
Het mes snijdt naar twee kranten. De kranten droegen bij tot het vormen van de opinie van de zuil, maar moes-

|pag. 7|

ten in de bedding van de zuil blijven vanwege de continuïteit van het abonnementenbestand. Op het terrein van de media zien we verder de omroep. Dit terrein heeft zich geheel in de verzuilde periode ontwikkeld. Het is een sterk verzuild geheel, mede door de vervlechting met de politiek. Immers, de overheid had, gelet op de schaarste aan zendfrequenties, de verdeling daarvan aan zich getrokken. Vervolgens ontstond in de omroep een weerspiegeling van de politieke verzuiling. Tot op heden is de politiek een machtig beschermer gebleken van een verzuild omroepsysteem 22 [22. Vergelijk De Vries, Schaarste]). Dan zien we de verzuiling eveneens op onderwijsgebied. Het bijzonder onderwijs is verdeeld in de bekende zuilen, waarbij de protestants-christelijke zuil geleed is. Socialisten en liberalen zijn daar in het openbaar onderwijs ineengeschoven.
Lijphart wijst terecht ook op de gevolgen van de verzuiling voor de intermenselijke verhoudingen 23 [23. ?? Lijphart, Verzuiling pacificatie, 65]). In sociale contacten als vriendschap, klandizie, omgang en dergelijke doet de verzuiling zich in haar belangrijkste periode zeker gevoelen. Een gereformeerde ging in de jaren zestig niet zomaar kopen bij de Coöp (socialistisch origine) of bij De Gruyter (Rooms-katholiek). Albert Heyn lag meer voor de hand vanwege de gereformeerde herkomst van de naamgever.

1.4. Onderzoek, probleemstelling en opzet

1.4.1. Onderzoek

Met Blom kiezen we voor een meer open benadering. We hanteren daarom -zoals eerder vermeld- de begripsomschrijvingen, zoals hij die noemt (zie 1.1., blz. 4). De onderzoeksperiode wijkt nadrukkelijk af van die van Blom. Hij ziet inzonderheid de tweede helft van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw als studieveld. Want zo “wordt de onhistorische indruk vermeden van een niet aan een bepaalde context gebonden en tijdloos verschijnsel”24 [24. Blom, Verzuiling, 25].
Wij willen vooral bezien of zich in Hasselt ontzuilings-

|pag. 8|

processen hebben voorgedaan en kiezen daarom voor de periode 1960 – 1980. De reden daarvoor is dat in brede kring wordt onderschreven dat in de jaren zestig de ontzuiling het einde van de verzuiling inluidde 25 [25. Ibidem, 33; Datzelfde zien we bij Valkenburgh, Politiek, 23; Van Amerongen, Revolutie, 184]).
Het onderzoeksveld perken we verder in door de ontzuilings-processen vooral op politiek gebied te bestuderen. We kiezen daarbij vooral voor de christelijke partijen. We zullen de landelijke verkiezingsuitslagen vergelijken met de uitslag in Hasselt zelf. Daarmee passen we het begrip ‘ontzuiling’ op een beperkt onderdeel toe. De reden daarvoor is dat naar ons oordeel het stemgedrag een van de eerste indicatoren voor ontzuiling is. Het verbreken van banden met een kerkgenootschap is in een vrij kleine gemeenschap als Hasselt een ingrijpende stap. Het beëindigen van het lidmaatschap van een politieke of maatschappelijke vereniging is -zij het in mindere mate- een stap die niet zomaar gezet wordt. Verzuildheid gaat in Hasselt in de jaren zestig hand in hand met een zekere sociale controle. We wezen al op de consequenties van de verzuiling voor de intermenselijke verhoudingen (1.3.2.). Sociale controle kan als een rem op ontzuiling worden getypeerd 26 [26. Vergelijk Blom, Verzuiling, 19]). Daarnaast is een keuze voor de politiek gemaakt, vanwege het gegeven dat de politiek een van de sterkst verzuilde maatschappelijke terreinen is. Een bijkomend voordeel is dat verkiezingsuitslagen gedurig de aanhang van de diverse zuilen aangeven.
De keuze voor de christelijke partijen is gemaakt, vanwege het overwegend christelijke karakter van de Hasselter bevolkingssamenstelling.

1.4.2. Probleemstelling

Op grond van het voorgaande komen we tot de formulering van de volgende probleemstelling:

Hoe hebben de christelijke partijen in Hasselt zich in de periode 1960 — 1980 ontwikkeld vergeleken met de landelijke ontwikkeling en hebben zich daarbij in Hasselt ontzuilingsprocessen voorgedaan bij de christelijke partijen.


|pag. 9|

De afwijking van het landelijk beeld zal worden aangegeven en een bijdrage aan de verklaring daarvan zal worden geboden. Eventuele invloeden daarop worden beschreven.

1.4.3. Opzet

We komen zo tot de volgende opzet. Na deze inleiding volgt een hoofdstuk over de sociaal-economische en demografische ontwikkelingen. Daarna volgt een beschrijving van de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in Nederland en wordt een vergelijking gemaakt tussen Nederland en Hasselt met betrekking tot de politieke en godsdienstige samenstelling van de bevolking. Vervolgens wordt, ingekaderd in het grotere geheel van de periode 1946 – 1986, de ontwikkeling van de verkiezingsuitslagen van Hasselt vergeleken met die in Nederland gedurende de jaren zestig en zeventig voor de christelijke partijen. Daarbij wordt bezien of en in welke mate zich daarbij ontzuilingsprocessen voordeden in Hasselt.
Het onderzoek wordt afgerond in een samenvatting met conclusies.

_________
– Bezemer, L. (1986) Ontzuiling in Hasselt. Een onderzoek naar ontzuilingsprocessen bij de christelijke partijen in Hasselt in de periode 1960-1980. (scriptie geschiedenis M.O. tweede gedeelte), Zwolle: Noordelijke Leergangen.

Category(s): Hasselt

Comments are closed.