Kampen en de Zwartendijk


|pag. 1|

INLEIDING:

De Zwartendijk is op dit moment zo’n 675 jaar oud, een soort jubileum dus. Toch is dat niet de aanleiding geweest tót het schrijven van dit boekje, De enige overeenkomst is dat die aanleiding ondertussen ook geschiedenis is geworden.

Een jaar of acht geleden, einde zestiger jaren, was de situatie aan de Zwartendijk niet zo rooskleurig.
Dat werd onderkend door de natuurbeschermingswerkgroep van “IJsseldelta”, die een uitvoerig rapport over de verloedering van de Zwartendijk, kompleet met fotoboek, aan het college van B. en U. aanbood.
Deze aktie resulteerde in het verplaatsen van de bedradingen, weg van de bomenrij, en het uit de pacht nemen van een deel van de bermen.

Nu dreigt in positieve zin, naast de renovatie van de binnenstad van Kampen, de Zwartendijk ook weer in een “oude luister” te worden hersteld,
De plantenwerkgroep van “IJsseldelta” besloot dit streven van de plantsoenendienst te ondersteunen met een floristisch onderzoek en door beheersadvies. Dat resulteerde onlangs in het verschijnen van de Zwartendijknota, die achter in dit boekje onverkort is opgenomen.
Bovendien doken enkele leden van de plantenwerkgroep in het oude archief van de gemeente Kampen op zoek naar gegevens over de historie van de Zwartendijk.
Uit hun enthousiaste verhalen resulteerde het idee om een Zwartendijkboekje samen te stellen, bestaande uit een historisch overzicht en een moderne visie rond het beheer van dit landschappelijk fraaie stukje Kampen.

Het lijkt ons een vrij unieke zaak dat natuurbeschermers, die voortdurend een vinger op de pols van de maatschappelijke ontwikkelingen dienen te houden, een duik nemen in

|pag. 2|

de geschiedenis. Misschien een facet dat in het kader van landschapsbescherming of herstel bij biologen wat in een vergeethoek is geraakt.

Dit boek wil tegelijk een verhaal van het verleden als een suggestie voor de toekomst zijn.
Aan het tot stand komen van het historisch deel is veel dank verschuldigd aan de Kamper historicus Dr. C.N. Fehrmann, die met een kritische vinger langs de tekst is gewandeld en deze met veel nuttige aantekeningen en enkele afbeeldingen uit zijn archief heeft verrijkt.
Verder kunnen we de hulp van mevr. R. Houkema-Logtenberg, die een deel van het vele typewerk voor haar rekening nam, niet onvermeld laten.
Hoofdstuk 7 is geschreven door J. Rook; de andere hoofdstukjes, evenals het konsept voor de Zwartendijknota en de tekeningen zijn
ontsproten aan de pen van de samensteller.

maart 1976

Bij de tweede druk:

De inhoud is hetzelfde gebleven; alleen in stylistisch opzicht zijn er hier en daar wijzigingen aangebracht. Verder is de uitvoering van de tweede druk verbeterd en er zijn een viertal pagina’s met zwart/wit foto’s toegevoegd.
In de inleiding bij de eerste druk is vergeten melding te maken van de hulp van de stadsarchievaris en zijn medewerkers van het archief van de gemeente Kampen bij de uitvoering van het zo noodzakelijke literatuuronderzoek. Hierbij onze excuses.

augustus 1976

Bij de derde druk:

Toegevoegd zijn een tweetal hoofdstukjes over iepziekte en planologie, zaken die aktueel zijn geworden in het laatste kwartaal van 1976. Het planologisch hoofdstukje is geschreven door Jan Bay.

maart 1977                                   G.J. Eenkhoorn

|pag. 3|

UITGAVE VAN DE NATUUR- EN VOGELBESCHERMINGSWACHT “IJSSELDELTA”

ZWARTENDIJKBOEKJE.

INHOUDSOPGAVE

A DE ZWARTENDIJK IN DE HISTORIE:
Hst. 1 Het ontstaan van de stad blz. 4
Hst. 2 De dreiging van het water blz. 8
Hst. 3 De Zwartendijk blz. 11
Hst. 4 Het wel en wee van Kampens zeewering blz. 15
Hst. 5 De watersnood van 1825 blz. 16
Hst. 6 Plantengroei vroeger blz. 21
B “IJSSELDELTA” EN DE ZWARTENDIJK:
Hst. 7 De Zwartendijk in de zestiger jaren blz. 24
Zwartendijknota blz. 26
Soortenlijst blz. 39
Hst. 8 Bedreigt de iepziekte de Zwartendijk blz. 41
Hst. 9 Planologische bedreiging van het landschap blz. 47

 
Eerste druk: 500 exemplaren -maart 1976,
Tweede druk: 750 exemplaren -augustus 1976,
Derde druk : 500 exemplaren -april 1977,

© COPYRICHT -1976- “IJSSELDELTA” KAMPEN.

|pag. 4|

1 Het ontstaan van de stad

We gaan vele eeuwen terug in de geschiedenis. De Zwartendijk wes er nog niet, maar omdat we willen weten waarom deze dijk in het landschap werd opgeworpen, gaan we terug naar de tijd dat de eerste bewoners zich vestigden op de plaats die later Kampen zou worden genoemd.

Zo’n duizend geleden zag het landschap er heel anders uit dan nu. In de IJsseldelta, het stroomgebied van de rivier, lagen een een aantal zandruggen. Ze worden vaak rivierduinen genoemd, misschien ten onrechte. Het lijkt er namelijk op dat deze gronden van diluviale oorsprong zijn en in dat geval moeten we spreken van stuwruggen, ontstaan in de laatste ijstijden.
Op deze natuurlijke verhogingen konden mensen zich betrekkelijk veilig vestigen; plaatsen als IJsselmuiden, Grafhorst en Wilsum hebben er het ontstaan aan te danken.
Achter de stuwwallen was het land onderworpen aan de grillen van de rivier, die bij hoog water een kilometers brede bedding tot zijn beschikking had. Van zeevloeden was er in deze tijden nog niet veel te merken; het zeeniveau was nog laag.

De bewoning van het huidige Kamper grondgebied aan de rivier de IJssel heeft betrekkelijk lang op zich laten wachten.
De bodem bestond voornamelijk uit slappe veengrond gemengd met dunnenrivierkleilagen, en niet uit stuwwalzanden.
In achttiende eeuwse berichten wordt vaak verondersteld dat de eerste behuizingen te Kampen ook op een stuwwal zijn gebouwd, Deze stuwwal zou langs de rivier hebben gelegen tussen de huidige Plantage en de Bovenkerk.
Er wàs een natuurlijke hoogte langs de rivier waarop de eerste huizen zijn gebouwd, maar boringen hebben aangetoond dat deze verhoging bestaat uit veen en rivierkleilagen, en niet uit diluviaal zand. Wel is later veel zand aangevoerd om de bodem op te hogen en te verstevigen, want de huizen en de grotere gebouwen hadden nog al eens last van verzakkingen.

Op de hoge zandgronden in Overijssel woonden in vroegere tijden (4e eeuw en eerder) Germaanse stammen, Saliërs genaamd. Of deze Saliërs ook hier langs de IJssel hebben gewoond is zeer de vraag, zoals trouwens zoveel rond het

|pag. 5|

ontstaan van Kampen erg onzeker is. Sommige geschiedschrijvers geven aan dat na de 14e eeuw de Saliërs deze streek hebben verlaten en dat hun plaats werd ingenomen door Saksen, Daarover is ook weinig met zekerheid te zeggen, Wel staat vast dat de bevolking van Overijssel in 770 onder een zekere Saksische invloed stond, toen Lebuinus hier het Christendom bracht. Het is niet bekend of hier ook echte Saksen hebben gewoond.

Voor landbouw was dit gebied aan de rivier niet zo geschikt. Dat komt omdat de zware alluviale gronden moeilijk te bewerken zijn. Slicher van Bath heeft aangetoond dat deze gronden pas in de 10e eeuw in cultuur werden gebracht.
We mogen aannemen dat er in deze tijd, verspreid over de hoogten in het landschap van de IJsseldelta, zeker hoeven met een boerenbevolking hebben gelegen.
Of er op de plaats van het huidige Kampen al een nederzetting aanwezig was is echter zeer de vraag. Ook is niet met zekerheid te zeggen wanneer deze dan wél is ontstaan.
Dr. C.N. Fehrmann vermoedt dat Brunnepe, vroeger een zelfstandige nederzetting buiten de stadsmuren van Kampen, weleens ouder zou kunnen zijn dan Kampen zelf.
Hij denkt daarbij aan bewoning door gezinnen die van de visvangst leefden. Brunnepe zou dus een oud vissersdorpje zijn.

Wat we wel met zekerheid kunnen zeggen is dat er in de 12e eeuw een echte nederzetting aanwezig is. De datum waarop aan de bewoners stadsrechten zijn verleend is in de geschiedenis verloren gegaan. Verder zijn er, volgens Dr. Fehrmann, aanwijzingen dat Kampen een kolonisatiestad is geweest.
Dat wil zeggen dat kooplieden en handwerkslieden, die van elders kwamen, in dit gebied land hebben gekocht van de verspreid wonende boerenbevolking.
Waar deze vrije lieden vandaan zijn gekomen is niet zo erg duidelijk. Er is een verhaal dat zegt dat het “Friezen” zijn geweest, die in 1170 door een grote overstroming uit hun behuizingen in het huidige West-Friesland zijn verdreven. Deze “Friezen” zouden zich hebben gevestigd op de grens van Gelderland en Overijssel, en ook in dit gebied.

Een ander verhaal zegt dat de oudste bewoners van Kampen lieden zijn geweest, die de IJssel kwamen afzakken om zich aan de monding van deze rivier te vestigen. Dat zou er ook

|pag. 6|

op wijzen dat het Kamper grondgebied is gekoloniseerd.
Deze lezing berust op het feit dat de fundamenten van het oude Romaanse kerkje, dat eens op de plaats van de tegenwoordige Bovenkerk heeft gestaan, grote overeenkomst vertonen met zeer oude Keulse kerkjes.
Dat Romaanse kerkje werd trouwens gebouwd op een mengsel van veen en kleigrond, een zeer ongeschikte ondergrond.
Dit wijst erop dat de eerste kolonisten in ieder geval nog geen ervaringen hadden met het bebouwen van een slappe bodem.
Een dergelijke kolonisatie door o.a. kooplieden is wel de definitieve aanzet geweest tot het ontstaan van een handelsstad als Kampen.

De eerste bewoners hebben hun huizen gebouwd in de buurt van de huidige Bovenkerk. Daarna breidde de stad zich uit langs de tegenwoordige Oudestraat. De huizen waren zeer eenvoudig van aard. Ze werden uit hout opgetrokken en hadden slecht één verdieping. De dakbedekking werd gemaakt uit hout en stro.

Het eerder genoemde oude Romaanse kerkje bestond al in de 12e eeuw. De fundamenten zijn terug gevonden bij de restauratie van de Bovenkerk.
In 1236 is er sprake van een pastoor, een zekere Ismahel, die trouwens reeds voorgangers moet hebben gehad.
Dit is in tegenspraak met een geschiedschrijver die weet te melden dat de oudste bewoners van Kampen in het begin van de 12e eeuw nog naar het kerkje van Wilsum moesten wandelen om hun godsdienstplichten te vervullen. Daar moesten ze dan ook nog een rivier voor oversteken. Misschien heeft dit betrekking op mensen die aan de overkant van de IJssel woonden.
Wel is het waarschijnlijk zo dat de parochie van Wilsum ouder is dan die van Kampen.

In 1335 lag de tegenwoordige Broederkerk, overblijfsel van het grote Minderbroederklooster, nog buiten de stadsmuur, evenals het voormalige Heilige Geestgasthuis.
Waar de stadsmuur toen precies eindigde, ergens in de buurt van de huidige Burgel, is nog een omstreden vraag.

|pag. 7|

Het Heilige Geestgasthuis stond ongeveer op de plaats van de huidige Nieuwe Toren. Zo’n gasthuis had in de eerste plaats de functie van herberg en niet van ziekenhuis. Het was een huis voor vreemden, dat duidt ook het latijnse woordt “hospitale” aan.
Door omstandigheden werden er later in het gasthuis ook vreemde armen en zieken opgenomen.

Ook rond het ontstaan van de naam Kampen zijn de nodige vraagtekens te plaatsen. Engelen van der Veen vertelt hoe de gronden, die bij de eerste nederzetting behoorden, “marke-gronden”, werden genoemd. Men kende bouwgronden, hooigronden en onverdeelde gronden. Op de laatste gebieden mocht iedere burger vee laten grazen.
Na 1415 kon het burgerschap aan elk eerlijk en goed man worden verleend, die vier of vijf jaar binnen de muren van de stad had gewoond. Voor dat recht van burgerschap moest je een zeker bedrag betalen en dan kon je een vastgesteld aantal dieren op de stadsweiden (de Broeken en Maten) laten grazen onder toezicht van door de stad betaalde herders.
De dieren moesten wel voorzien zijn van een eigen brandmerk.

Percelen grond die van de marke werden afgescheiden, werden kampen genoemd.
Op dergelijke kampen hebben, volgens Engelen van der Veen, de eerste bewoners hun woningen gebouwd. Naar zijn ligging werd de ontstane nederzetting “inde kampen” genoemd (campris in het latijn).
Deze nederzetting groeide in de loop der tijden uit tot de stad Kampen.

|pag. 8|

2 De dreiging van het water.

Zolang er geen dijken waren bleven, bij een hoge waterstand, alleen de hoger gelegen gronden watervrij; dat waren de plaatsen waarop de oude nederzettingen en de verspreid liggende hoeven werden gebouwd.
Achter de hoogten lagen poelen, die langzamerhand met een dikke laag veen werden gevuld en waarin veel kienhout groeide. Door de vele overstromingen van de rivier, en later ook van de zee, werden deze veengronden eerst door een laag rivierklei bedekt. Later kwam daar de zeeklei overheen.

Het gebied achter de stad tot de Zwartendijk heet nu nog
steeds Broeken en Maten. Op sommige plaatsen komt er zand aan de oppervlakte. Dat door de rivier aangevoerd of, toen de Zwartendijk was aangelegd, uitgeslagen uit de kolken die werden veroorzaakt door de vele dijkdoorbraken.
Deze doorbraken zijn er ook voor verantwoordelijk dat de eerder genoemde bodemstructuur nogal eens door elkaar is gehusseld.
De bewoners van het oude Kampen hebben zich in de 12e en de 13e eeuw voornamelijk tegen het Ijsselwater moeten beschermen.
Hoge zeevloeden kwamen nog niet zo vaak voor, behalve in 1250, toen de omgeving sterk veranderde.
Het meer Flevo, later het Almère genoemd, verdween en voor het eerst is er sprake van de Zuiderzee (in 1272 duikt deze naam op).
Zo kunnen we ook verklaren waarom het land aan de IJsselzijde van de Hoogeweg te Kamperveen de Buitenlanden wordt genoemd, en waarom dus de Binnenlanden aan de kant van de zee liggen. Deze Hoogeweg is een zeer oude IJsseldijk, aangelegd in de tweede helft van de 12e eeuw door de bewoners van het zelfstandige Kamperveen.

Als bescherming tegen het IJsselwater verbonden de bewoners van Kampen de hoger liggende stukken grond onderling door takjes dijk, waarschijnlijk gebeurde dit al in de 12e eeuw.
Deze “IJsseldijken”, die door particulieren werden onderhouden, werden ten opzichte van de stad doorgetrokken in noordelijke en zuidelijke richting; het zijn de St. Nicolaasdijk en de Venendijk.

|pag. 9|

In het algemeen maakte de toename van de bevolking namelijk bedijkingen noodzakelijk.
Voor de voedselvoorziening van een boerengezin of een stadse familie was een bepaalde hoeveelheid bouwland nodig. Daarvoor werden de hogere gronden, die zich rond de hoeve of het huis bevonden, gebruikt. Het aantal gezinnen dat in een streek zijn bestaan kon vinden werd dus bepaald door het oppervlak geschikt bouwland te delen door de gezinsbehoefte. De lager gelegen broeklanden werden gebruikt voor het weiden van het vee. Deze gronden waren niet verdeeld.
Al gauw moesten nieuwe gezinnen proberen elders een bestaan te vinden of ze moesten zich gaan vestigen op de lager gelegen gronden. Maar daar was het leven erg riskant. Door de regelmatige overstromingen kon in de zomer de gehele oogst worden bedorven.
Eerst werd geprobeerd om de afzonderlijke percelen te omkaden. Men zag echter al spoedig in dat het veel effectiever en minder kostbaar was om de hogere gronden door dijkjes te verbinden.
De eerste dijken langs de IJssel waren dan ook geen stadsbezit en werden ook niet door de stad onderhouden.
Deze kaden braken nog weleend door, of bij hoge waterstanden stroomde het water er eenvoudig overheen. Daarom ging men geulen graven om het binnengelopen water snel af te kunnen voeren. Zo ontstond een stelsel van weteringen, waarvan er verschijdene ook nu nog rond Kampen te vinden zijn.
De oudste Kamper IJsseldijken, de St. Nicolaasdijk en de Venendijk, eindigden blind. Ze sloten niet aan op een andere waterkering. Deze situatie duurde tot het eind van de 13e eeuw.
De burgers uit de stad, die elk een aantal dieren op de burgerweiden mochten laten grazen, profiteren van de rivierdijken. Daarom moesten ze ook een deel van de lasten dragen.
Naast het afstaan van een bepaald bedrag per grazend dier, werd hen ook opgelegd een stuk van de stadsdijk te onderhouden.
Was de stedeling nalatig dan zorgde de stad voor het onderhoud, maar de slordige burger werd wel een bedrag groot tweemaal de onderhoudskosten in rekening gebracht.
Een wat ál te enthousiast natuurbeheerder zal nu wel verzuchten: Dat waren nog eens tijden.
Het onderhoudsprobleem van houtwallen, knotwilgen enz. zou zo, zij het op een enigszins drastische manier, opgelost zijn.

|pag. 10|

KAART 1.

G.A.J. Van Engelen van der Veen:
De bedijking van de IJssel en zijn monden.

[foto, De Zwartendijk]

[foto, De Zwartendijk kronkelt zich door het landschap. Na een doorbraak wierp men vaak een nieuw stuk dijk op langs een uitgeslagen kolk zonder deze eerst te dempen, vandaar die kronkels.
Links jonge aanplant van iepen.]

[foto, Een gedeelte van de bermen aan het zuidelijke deel van de Zwartendijk worden nog steeds verpacht. Binnen dat gebied valt ook dit kleine kolkje.]


|pag. 11|

3 De Zwartendijk.

Het wordt eentonig, maar wanneer de Zwartendijk is aangelegd is niet met zekerheid te zeggen.
R.ond 1300 beginnen de zeevloeden te stijgen. De stad probeer de zich tegen deze nieuwe bedreiging te beveiligen door de beide einden van de IJsseldijk met elkaar te verbinden. De St. Nicolaasdijk werd verlengd met de Zanddijk, en met een boog doorgetrokken als Zwartendijk tot de grens van Kampen en Oene. De verbinding met het zuidelijke deel van de IJsseldijk kwam tot stand via de Wilgenweg (zie voor een overzicht kaart 1).
Het ingedijkte stuk Broeken en Maten behoorde tot het gebied van de stad Kampen. Daarbuiten lagen de zelfstandige gemeenschappen Oene en Kamperveen.
Deze bedijking was in ieder geval in 1302 uitgevoerd. In de gemeenschap Oene lagen een aantal verhogingen in het landschap, die bergen werden genoemd, en waarop huizen waren gebouwd. We vinden ze nu nog aan het einde van de huidige Zwartendijk terug o.a. de Kranenberg en de Vossebergen.
Later, toen de stad in de vijftiende eeuw machtiger was geworden, werden de bergen onderling door stukjes dijk verbonden. In een dijkboek van 1471 kunnen we lezen hoe de stad steeds tussen de stukken van particulieren in een stukje dijk heeft te onderhouden.
Het noordelijke deel van Oene kwam bij hst stadsgebied van Kampen en het zuiderlijke deel ging naar Kamperveen.
Door deze nieuwe doorgetrokken dijk had de Wilgenweg geen functie meer, en deze is dan ook afgegraven. De Zwartendijk met zijn huidige lengte was ontstaan.

In de loop der jaren is hij na diverse rampen en overstromingen steeds verhoogd met gronden uit de omgeving. Die grond werd voornamelijk onttrokken aan het buitdijks gelegen Dronthen.
De zeespiegel bleef stijgen. We kunnen ons nu nog maar nauwlijks voorstellen dat de Zwartendijk, zoals hij er op dit moment bijligt, nog niet zo lang geleden de zeewering van de stad Kampen is geweest.

|pag. 12|

In de 14e eeuw lag er buiten de Zwartendijk een breed voorland, maar de Zuiderzee was lang niet zo ver verwijderd als het Veluwemeer nu is. Dit voorland, het latere Dronthen, was voornamelijk beplant met wilgenhout ter bevordering van de landaanwas. Het was de bewoners van de stad uitdrukkelijk verboden om buiten de Zwartendijk wilgenhout te kappen.
Soms was de stadsregering ook wat soepeler, getuige een bepaling uit 1460, die vaststelede dat iedereen ganzen mocht “slaen ende schieten op der stadt marke, weerde, eylande ende lande”,
In de 15e eeuw waren er in de Zwartendijk drie sluizen, waarover door de stad een wachter was aangesteld. Naast deze drie sluizen waren er aan de dijk ook andere bouwsels aanwezig.
Zo stond er aan het zuidelijke einde van de Zwartendijk, in de buurt van de Reve, een versterking: een schans.
Voor het begin van de 15e eeuw was de Reve naast de IJssel een tweede verbinding van de stad met de Zuiderzee.
De schepen konden via de Reve, en wat nu de Celliswetering heet, aanleggen aan de Vloeddijk. Een belangrijke vaarweg is dit nooit geweest, maar voor kleinere schepen was dit een gemakkelijker weg naar de stad dan via de IJsselmond met zijn vele zandbanken, die steeds van plaats veranderden.
De schans lag ergens in wat nu wel het Bovenbroek wordt geroemd. De versterking, koebrug genaamd, werd in het laatst van de 14e eeuw aangelegd. Oorspronkelijk werd er de wacht gehouden om te voorkomen dat er door vijandelijke personen dieren uit de stadsweiden werden gehaald.
Het bestaan van de schans bleek geen overbodige luxe. In 1420 voer Hertog Jan van Beieren met een grote Hollandse vloot over de Zuiderzee naar Kampen. Hij wilde de stad overvallen.
Maar werd vanuit de koebrug aan de Zwartendijk door de Kampernaren aangevallen en teruggedreven. De mond van de Reve was met het oog op dergelijke aanvallen door een slagboom afgesloten.
De Reve is in de 15e eeuw steeds verder verzand en dichtgeslibd, net als de monding van de IJssel.
Vroeger werd de achteruitgang van Kampen, die zich in de tweede helft van de 15e eeuw begint te manifesteren, uitsluitend toegeschreven aan de verzanding van Kampens zeeverbindingen. Nu weet men dat de opkomst van de Hollandse zuiderzeesteden, Amsterdam vooraan, de economische achteruitgang

|pag. 13|

van Kampen heeft bevorderd. De Hollandse kooplui wisten in de Oostzee het handelsmonopolie van het Hanzeverbond, waartoe ook Kampen behoorde, te verbreken. Hun schippers werden steeds grotere konkurrenten van de schippers uit Kampen.
De economische achteruitgang werd nog verhaasd door de zogenaamde Gelderse oorlogen in het eerste kwartaal van de 16e eeuw, die heel wat gelden aan de schatkist van de stad hebben onttrokken.
Zo ging de glorie van Kampen, eertijds tweede stad na Deventer en vóór Zwolle, langzaam achteruit onder de Hollandse konkurrentie en de Gelderse oorlogen.

|pag. 14|

[afbeelding: Detail uit een gravure van W. v.d. Meer: Gezicht in de Koekoek, bij Kampen, in de overstroming, den 15de november 1775. Frans Walkate archief Kampen.]

|pag. 15|

4 Het wel en wee van Kampens zeewering.

De verbindingen met de zee mochten dan verzanden, maar het zeeniveau werd steeds hoger.
De Zwartendijk brak nog weleens door, waardoor er door de kracht van het water vele kolken werden uitgescheurd in het land. In de oude pachtboeken kunnen we lezen dat het er in het verleden veel meer zijn geweest dan er nu nog over zijn.
Veel kolken zijn verland en dichtgegroeid, en ook werden er wel gedempt. Steeds weer werd de dijk opgehoogd met materiaal uit de omgeving of met het uit de kolken gespoelde diluviale zand.
In de zestiende eeuw waren er veel overstromingen. In november 1570 was er een hoge watervloed, waarbij veel mensen en dieren verdronken. In januari 1573 werd er veel schade aangericht, en de vloeden in augustus van dat zelfde jaar waren nog erger.
De oogsten begonnen gevaar te lopen en men begon toch wel te denken aan een definitieve oplossing van het waterprobleem in de vorm van een nieuwe dijk. Deze moest dichter langs de zee lopen, waardoor men tevens een nieuw stuk land, het al eerder genoemde Dronthen, kon inpolderen.
In 1596 kwamen de pachters overeen om voor eigen rekening een stevige dijk aan te leggen. Deze kwam er (zie uitklapkaartje achterin), maar omvatte alleen het huidige Buitendijks en niet het gehele Dronther gebied. De nieuwe dijk sloot aan bij de Zwartendijk en liep verder langs de Reve, omdat men dit vaarwater niet mocht indijken.
Na de uitvoering van dit plan vond men het toch wel zonde dat in de nieuwe polder het vruchtbare slib wegbleef. Dus werd een gedeelte van de nieuwe dijk, bij de Revesluis, afgegraven en er werd een zogenaamde overlaat gemaakt. Dat was een plankendijk, die in het voorjaar werd gesteld en in het najaar werd weggenomen zodat het water, en daarmee ook het vruchtbare slib, toegang kreeg tot de polder. Dat betekende dat de Zwartendijk toch de zeedijk van de stad bleef.

Er is nog vaak over gepraat om een zware beveiliging tegen de zee te maken, want de plankendijk werd nog wel eens weggeslagen. Maar men vond het vruchtbare slib belangrijker dan

|pag. 16|

een afdoende beveiliging.
Zo kwam in november 1801 de bouw van een zwaardere Drontherdijk opnieuw ter sprake. In die maand was er een zware overstroming, die grote schade aanrichtte aan de Zwartendijk.
Het voorstel werd opnieuw afgewezen.
Vijfentwintig jaar later zou de zee medogenloos toeslaan en er voor zorgen dat de Zwartendijk, tenminste gedeeltelijk, als slaper zonder direkte functie in het landschap kwam te liggen.

5 De watersnood van 1825.

Het voorspel vond plaats in november 1824. Er was toen een zware doorbraak in de Zwartendijk, die op drie plaatsen bezweek.
We laten voer een situatieschets van 1824 de heer J. ter Pelkwijk aan het woord, die de gebeurtenissen rond de watersnood tot in alle details heeft beschreven.

“De stad wordt omringt door den polder van Broeken en Maten, elke door den kapitalen Zeedijk, die uit twee delen, namelijk den St. Nicolaasdijk en den Zwartendijk, bestaat, is ingesloten. De eerste begint aan den IJsfel, bij het dorp Brunnepe, nabij Kampen gelegen, en mede onder deszelfs jurisdictie behoorende. De Zwartendijk, het vervolg van den eerstgemelden, eindigt aan het begin van de Kamperveeschen Zeedijk; zijnde de polder van Broeken en Maten, die zich ook nog boven Kampen uitstrekt, aldaar door eenen slaper van de gemeente Kamperveen en dilsum gescheiden. Zoo als reeds tevoren is verhaald, ontstonden er op den 15den November 1824 een zware doorbraak in den Zwartendijk, welke den polder Broeken en Maten, benevens de gemeente Kamperveen en een gedeelte van het daaraangrenzende Gelderland, deed onderlopen. Gedurende den ganschen winter zag men van de wallen der stad Kampen niets anders, dan eene uitgestrekte zee, welke toenam


|pag. 17|

of verminderde, naar mate van de rigting en de meerdere of mindere kracht van den wind.”

Deze overstroming leverde geen noemenswaardige schade op.
Het herstel van de zeedijk werd uigesteld tot na de winter.
Enkele maanden later, de vierde en vijfde februari 1825, werd de provincie getijsterd door hevige overstromingen.

In Kampen bezweken de houten dammen in de poorten, en op plaatsen waar dat niet gebeurde stroomde het water er eenvoudig overheen. In de muren van het bolwerk werden een paar grote gaten geslagen. De muren hadden het zwaar te verduren door balken en drijfhout uit de richting van Schokland en van vernielde huizen aan de Zwartendijk.
Op veel plaatsen stond het water tegen de rand van de stadsmuur. De stad zelf was vrijwel geheel ondergelopen. In de Groenestraat stond het water tot aan de zolders en de daken.
Alleen het achterste deel van de Oudestraat en een deel van de Bovenkerk waren nog droog. De kerk werd een schuilplaats voor het vee.

Vooral aan de Zwartendijk vielen vele slachtoffers; vrijwel alle huizen en een school spoelden weg. Het huisgezin van Bart Hage bleef behouden doordat ze van het dat op een hooiberg konden overstappen, die normaal vele meters van het huis verwijderd stond.
In Kampen woonden in dat jaar 7748 mensen, en er verdronken er 48. In totaal verdronken er in Overijssel: 305 mensen, 13,073 runderen, 525 schapen, 1058 varkens en 1428 korven met bijen.
Over de schade in Kampen en omgeving kwamen we in de Kamper Courant van 7 februari 1875 nog een artikel tegen:

          “Den 4en Februari j.l. was het juist vijftig jaar geleden, dat de bekende en ontzettende watersnood, die ook vooral deze streken van Nederland hevig teisterde, zoveel ongelukken over ons land uitstortte.
Wat de stad onzer inwoning en naaste omgeving betreft, is het zeker niet onbelangrijk daaromtrent enige opgaven te vernemen. Onder de jurisdictie van Kampen zijn 36 huizen geheel weggespoeld en 133 beschadigd. Er zijn niet minder

|pag. 18|

dan 2314 runderen, 115 paarden, 21 schapen en 195 varkens omgekomen, terwijl 48 mensen hun leven in de golven verloren.
Alleen op het Kampereiland verloren 11 boeren gezamenlijk 445 koeien, behalve paarden enz.
Te Genemuiden, welke gemeente ook rijkelijk in de ellende heeft gedeeld, zag o.a. J.G. Kanis zijn vrouw en vier kinderen verdrinken en kwam zij zelf vervolgens mede om.
De Nederlandsche liefdadigheid heeft heerlijk geschitterd, waarin het vorstenhuis op vorstellijke wijze is voorgegaan.
De toenmalige Kroonpring bracht tegen ’t midden van Februari aan de zwaar beproefde provincie een bezoek ten einde zich door eigen aanschouwen van de grootte der ramp te verzekeren.”

Dat alles betekende wel dat er eindelijk een steviger Drontherdijk werd vervaard, alleen keerde deze slechts twee meter water, en dat betekende nog menige overstroming.
Ook nu herinneren de wat oudere Kampenaren zich nog menige ondergelopen kelder.
De bedreiging door het zeewater was pas afgelopen toen de afsluitdijk een eind maakte aan de getijdenwerking van de Zuiderzee.

Literatuur:

M.K.E. Gottschalk: Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland.
Deel 1 (periode voor 1400)
Deel 2 (periode 1400-1600)
G.A.J. Van Engelen van der Veen: De bedijking van de IJssel en zijn monden.
G.A.J. Van Engelen van der Veen: Het ontstaan van Kampen en de vorming van het stadsgebied.

|pag. 19|

Tekening J.J. Fels ±1850. Gezicht op het landschap buiten de Venepoort (afgebeeld is hier de Binnen-Venepoort). Frans Walkate archief Kampen.

|pag. 20|

J. Nanning Uiterdijk: Aantekeningen betreffende de geschiedenis van den polder Dronthen.
J. ter Pelkwijk: Beschrijving van den Overijsselse Watersnood in februari 1825.
J. Swets: De Zuiderzee en de Kampereilanden c.a. van voorheen en thans.
H.J. Moerman: De IJsselmonden.
C.J. Welcker: Kort overzicht van de geschiedenis van Kampen.
Dr. C.N. Fehrmann: Kampen vroeger en nu.

|pag. 21|

6 Plantengroei vroeger.

Dank zij da Flora Campensis hebben we een vrij goed overzicht van de wilde plantengroei aan de Zwartendijk in de negentiende eeuw. Deze Flora Campensis bevindt zich in het Kamper Stadsarchief en is in het verleden reeds driemaal verschenen, namelijk in 1845, in 1849 en in 1890,
Elke uitgave bevat het eerder genoemde materiaal plus nieuwe floristische vondsten.
De ondertitel luidt: Naamlijst der zichtbaar-bloeiende en van een gedeelte der bedekt-bloeiende planten, welke in en in de omgeving van Kampen in het wild worden gevonden. Onder de omgeving van Kampen wordt hier verstaan het gebied van de gemeenten Kampen (en het Kampereiland) en IJsselmuiden.
De Flora Campensis mag dan wat de systematiek betreft verouderd zijn, de latijnse plantennamen, die worden genoemd, kunnen met behulp van een flora nog altijd prima worden thuisgebracht.
De flora geeft, zoals de ondertitel al zegt, een opsomming van de in het wild levende planten in en rond Kampen. Als het geen algemeen voorkomende soort betreft wordt de vindplaats ruwweg aangegeven zoals bijvoorbeeld de Zandberg, Zalk of de Zwartendijk.
Onderstaand lijstje geeft een overzicht van de planten waarbij als vindplaats speciaal de Zwartendijk wordt genoemd (ontleend aan de Flora Campensis van 1890).
Een kruisje achter de naam wil zeggen dat de soort nu zeker aan de Zwartendijk niet meer voorkomt.
Een optelsom leert trouwens dat aan het einde van de negentiende eeuw zo’n 160 soorten wilde planten aan de Zwartendijk gevonden konden worden. Daarvan zijn er nu 48 soorten verdwenen, dat is 30%.

[Afbeelding: MELKKRUID]

melkkruid x
lamsoor x
zeeweegbree x
stippelganzevoet x

|pag. 22|
Rode ganzevoet x
Strandmelde x
Kraakwilg x
Strandzoutgras
Stekelzegge x
Stompharig hardgras x
Veldkers x
Muizestaart x
Zilte waterranonkel x
Behaarde boterbloem x
Engels lepelblad x
Steenkruidkers x
Waterpunge
Zee-schijnspurrrie x
Moeraasterrekroos x
Herfststerrekroos x
Ongedoornd hoornblad x

[Afbeelding: KIEVIETSBLOEM]

Op een uitzondering na zijn deze soorten, die in de negentiende eeuw vrijwel uitsluitend aan de Zwartendijk voorkwamen, dus verdwenen. Een oplettend lezer heeft echter gezien dat er aan de Nederlandse soortnaam nogal eens het toevoegsel “zee” of “zilt” is verbonden. Negen van de 23
bovenstaande soorten zijn planten die we op slikken en schorren tegen kunnen komen. Sinds het zeewater de Zwartendijk niet meer bereikt zijn ze samen met een aantal andere, algemeen in de Ijsselmond voorkomende zoutplanten, verdwenen. Wel een leuk idee trouwens, dat er Lamsoor aan de Zwartendijk heeft gegroeid.

Achter in dit boekje is een voorlopige soortenlijst opgenomen van planten die we nu aan de Zwartenrdijk vinden. Dat zijn in totaal 115 soorten. Daaronder bevinden zich een aantal die de Flora Campensis niet noemt, of die toen alleen op andere plaatsen werden gevonden.
Naar volledigheid kun je alleen maar streven. Zo zijn er aan de Zwartendijk uit de overlevering groeiplaatsen bekend van de Kievietsbloem en de Gevlekte orchis. Beide soorten worden in de Flora Campensis in het geheel niet genoemd. De wel in deze flora genoemde soorten, die ook nu nog aan de dijk te vinden zijn, zijn in de voorlopige soortenlijst achter in dit boekje met een kruisje aangegeven.

|pag. 23|

Dat alles wil nog niet zeggen, dat de Zwartendijk vroeger floristisch zoveel rijker was als nu. Onder de verdwenen soorten zijn er vele die in Nederland erg zeldzaam zijn geworden. Dat het huidige aantal soorten nog zo hoog ligt, komt voornamelijk door de grote variatie in groei-omstandigheden in het huidige gebied.

Het floristische aspect van de Zwartendijk is in de loop der geschiedenis duidelijk veranderd. We kunnen grofweg drie stadia onderscheiden.
Het eerste stadium bestaat uit een flora die onder sterke invloed van het zeewater stond. Dat betekende dat er toen veel planten voorkwamen, die nu bekend zijn van de slikken en schorren. Soorten die niet tegen zout water konden kregen weinig kans om te groeien.
Het tweede stadium begint na afsluiting van de Zuiderzee, en na het uitvinden van de kunstmest. In deze periode wordt de dijk intensief in cultuur gebracht, dan ontstaat de kwantitatief kruidenarme grasvegetatie, zoals die ook nu nog aanwezig is.
Een derde stadium, met een geheel ander floristisch aspekt, staat, hopen we, op het punt te beginnen, als de voorgenomen renovatie van de Zwartendijk tenminste zal worden doorgezet.
We hopen op een aantal leuke botanische verrassingen, en misschien is er in de 21ste eeuw wel weer eens iemand, die de flora van de zwartendijk gaat bekijken en kan melden wat dit derde stadium heeft opgeleverd.

[Afbeelding ZEEWEEGBREE]


|pag. 24|

7 De Zwartendijk in de zestiger jaren.

We kunnen geen erg opwekkende geluiden laten horen over de aanblik die de Zwartendijk zo’n acht jaar geleden bood.
De kolken verkeerden in een vergaande staat van vervuiling.
De fraaie en unieke oude Iepen waren beschadigd door prikkeldraad en door vraat van het in de bermen weidende vee.
De verpachte weiden werden namelijk, in tegenstelling tot de huidige situatie, intensief in cultuur gebracht. De bedradingen van de verschillende percelen liepen vlak langs de weg. Van de aanwezigheid van de bomen werd een dankbaar gebruik gemaakt door er prikkeldraad aan te bevestigen.
Zo kreeg het vee de kans om aan de boomschors te vreten.

Om het een en ander wat duidelijker onder de aandacht te brengen werd er een fotoboek samengesteld, waarin alle misstanden duidelijk naar voren kwamen. De verloedering had vergaande vormen aangenomen. Zo werd o.a. fotografisch vastgelegd hoe de bermen werden gebruikt als opslagplaats voor stenen, kuilvoer en mest. En dat alles in een gebied dat als natuurmonument werd gekarakteriseerd.
Het fotoboek, vergezeld van een schriftelijk rapport, is op 14 juni 1972 door enkele bestuursleden van “IJsseldelta” aangeboden aan burgemeester Drs. S. van Tuinen. Het bevindt zich nu in het stadsarchief.

In het rapport werd in een twaalftal punten aangegeven hoe “IJsseldelta” zich een beheer voorstelde van een Zwartendijk die inderdaad de titel natuurmonument waardig zou zijn. We laten deze twaalf punten nog even volgen, zodat de lezer zelf kan konstateren of er in de afgelopen vier jaar aandacht aan is besteed.

  1. Verwijdering van het prikkeldraad en vervanging door andere bedrading.
  2. Verwijdering van de bedrading vlak langs de weg.
  3. Verwijdering van de hier en daar opgeslagen puinstenen, het kuilvoer en de mest.
  4. Verwijdering van het vuil bij en uit de kolken.
  5. De bomen sparen door te bepalen dat eventuele bedrading minstens één meter van de bomenrij moet worden aangebracht.


|pag. 25|

  1. Het opnemen van bomen binnen de bedrading te verbieden.
  2. Het gebruik van de bomen voor bevestiging van draad te verbieden.
  3. Het “langzaamaan” opzeggen van de pacht van de bermen, zodat na verloop van tijd op herstel van de oorspronkelijke flora gerekend mag worden.
  4. Gebruik van kunstmest en bespuiting met herbiciden in dit gebied verbieden, zodat de oorspronkelijke begroeiing zich kan herstellen (zie ook punt 8).
  5. Het geheel of gedeeltelijk weer openmaken van de dichtgegroeide of dichtgegooide kolken.
  6. Enkele kolken te bestemmen tot broedterrein voor water- en moerasvogels.
  7. Eventueel het fotografisch laten vastleggen van de bomen, zodat nieuwe schade onmiddellijk kan worden gekonstateerd en tegen betrokkenen kan worden opgetreden.

Deze door “IJsseldelta” naar voren gebrachte problematiek is in de Gemeenteraad van Kampen aardig aangeslagen. Op 29 maart 1973 heeft de Raad ten behoeve van een plan tot rehabilitatie van de Zwartendijk credieten beschikbaar gesteld voor het opruimen en verbeteren van door de wacht aangegeven misstanden.
Bovendien werden ongeveer 250 jonge Iepen aangeplant.
Nu, vier jaar later, zijn we aardig op weg. We signaleren da laatste jaren een toenemende belangstelling om via de Zwartendijk een wandeling of een fietstocht te maken. Kleuriger bermen zouden de aantrekkingskracht kunnen verhogen en voor de realisatie hiervan heeft de plantenwerkgroep van “IJsseldelta” een nota uitgebracht, die op de volgende pagina’s is afgedrukt.
Of over een aantal jaren de Zwartendijk nog zo aantrekkelijk is, als rijksweg 50 vlak langs een deel van de dijk loopt en wanneer de nieuwbouw van Kampen op sommige plaatsen ook al griezelig dicht nadert, moeten we maar afwachten.

[Kaart 2. J. Nanninga Uitterdijk: Aantekeningen betreffende de geschiedenis van de polder Dronthen.]


|pag. 26|

ZWARTENDIJKNOTA.

Ongeveer een jaar geleden werd de plantenwerkgroep op de hoogte gesteld van het feit dat een groot deel van de bermen aan de Zwartendijk door de gemeente Kampen uit de pacht waren genomen. Navraag bij de gemeentelijke plantsoenendienst leerde dat het hier om een proef ging, die er in eerste instantie op gericht was de bermen in hun oude, bloemrijke luister te herstellen. Een streven dat uitstekend aansluit bij de rekreatieve waarde die de Zwartendijk bezit als wandel- en fietsroute voor vele inwoners van Kampen.
De plantenwerkgroep besloot op dit project in te haken.
Men besloot om een gedetailleerde floralijst van de Zwartendijk samen te stellen. Van de plantsoenendienst werd daarbij alle medewerking verkregen in de vorm van Kaarten, enz.
De afspraak werd gemaakt dat de dienst op de hoogte zou worden gehouden van het doen en laten van de werkgroep.
Daarvan wil deze nota een eerste neerslag zijn.

Onderhoud vroeger:

Tot voor kort werden de bermen verpacht aan boeren uit de omgeving. Ze werden regelmatig gemaaid, of er graasde vee op. Gezien de forse ontwikkeling van het gras mag worden aangenomen, dat het gebied ook regelmatig en met gulle hand van de nodige mest is voorzien.
Het gevolg is dat er in de bermen een vegetatie is ontstaan die een vergelijking met een normaal stuk grasland heel goed doorstaat: de grassen domineren overal en hebben zich ontwikkeld ten koste van kleuriger, bloemrijker kruiden.
Een tweede faktor die, naast bemesting, deze dominantie van grassen in de hand werkt, is het relatief vaak maaien, of -wat er goed mee te vergelijken is- afgrazen door het vee. Grassen zijn namelijk uitermate konkurrentie sterk.
Ze kunnen goed tegen afsnijden, en als reaktie daarop sturen ze vanuit het wortelstelsel vele nieuwe spruiten omhoog (bemesting stimuleert dit proces natuurlijk sterk).
Andere kruiden hebben deze eigenschap niet of veel minder.
Ze planten zich voort door zaad en niet door nieuwe uitlopers. Het gevolg is dat we een steeds dichter wordende zode van grassen krijgen. Het tapijt wordt zo dicht, dat de zaden

|pag. 27|

van kruiden, die er in terecht komen, worden verstikt tijdens het uitlopen. Het resultaat van vele jaren maaien, grazen en bemesten toont zich nu in een zeer kruidenarme grasvegetatie.

Nieuwe doelstelling en realisatie:

We kunnen vaststellen dat een gevarieerde, bloemrijke begroeiing een grote aantrekkingskracht op mensen uitoefent, botanisch geïnteresseerd of niet. Bovendien blijkt uit allerlei wetenschappelijk onderzoek dat dergelijke bermen aan een groot aantal planten en dieren een goed leefmilieu kunnen bieden. Met name in Engeland is veel aandacht aan dit soort onderzoek besteed.

De Zwartendijk kan temeer een levendiger aanzien krijgen doordat natte, droge en matig droge berm gedeelten elkaar afwisselen. Dat is in principe een goede basis voor een gevarieerde flora, en daarmee een rijke insektenfauna.
Via het principe van de voedselketens en de kringloop van het organisch materiaal kan dit weer van invloed zijn op het bestand aan vogels en kleine zoogdieren.

[Witbol]

Het herstellen van de opgelopen schade ia geen eenvoudige zaak en vraagt, naast een goed beleid in ieder geval de nodige tijd: het homogeniseren van een grasvegetatie in een landschap is immers ook geen kwestie van enkele jaren geweest. Het herstellen van een biologische variatie is altijd een veel tijdrovender zaak dan het teniet doen daarvan.
Het gemakkelijkst terug te krijgen zijn die kruiden die de laatste jaren overleefd hebben. Als wordt overgegaan op minder vaak maaien kunnen ze weer gaan bloeien en als de overige groeiomstandigheden goed zijn (zie ook het hoofdstukje maaien), zich weer uitbreiden. Er doen zich wat meer problemen voor bij die soorten die niet meer

[Reukgras]

|pag. 28|

vertegenwoordigd zijn. In het meest gunstige geval zitten er nog kiemkrachtige zaden in de grond. Zaden kunnen soms wel tientallen jaren hun kiemkracht behouden. Door het maken van een opener grasmat krijgen ze de ruimte om te kiemen, en om zich te ontwikkelen.
De realisatie daarvan is niet zo moeilijk, maar kost wel enkele jaren. Experimenteel is aangetoond dat het in korte tijd vormen van bloeistengels voor grassen een enorme krachttoer is. Verschillende fysiologische processen gaan sen rol spelen, waarbij als belangrijk moeten worden genoemd: de vorming van zijspruiten wordt stilgezet, en een aantal secundaire zijspruiten wordt opgeofferd, a.h.w. leeggehaald. Dat alles om zcveal mogelijk bouwstoffen beschikbaar te hebben voor bloeihalmen. Tijdens de bloei begint de grasplant weer bouwstoffen te investeren in nieuwe zijspruiten.
Maaien:

Als grassen hun bloeiwijze net hebben gevormd, breekt er dus een gunstige periode aan om te gaan maaien.
Voor de Zwartendijk valt deze periode in de eerste helft van juni. Afhankelijk van de weersomstandigheden kan het een weekje eerder of later zijn. Er moet voor worden opgepast dat het maaien niet te laat gebeurt. Dan heeft het gras al weer nieuwe scheuten gemaakt en zo verkrijg je geen opener grasmat. Verder ontnemen we dan de laatbloeiers en de planten die tot een tweede bloei komen de kans om zaad te vormen. Maaien tijdens de bloei van de grassen veroorzaakt dus een opener graszode, waardoor aangevoerde of sluimerende zaden de kans krijgen om uit te lopen.
Een tweede maal maaien in de herfst is, zeker bij vruchtbare bermen, noodzakelijk. Dit moet, in verband met de vruchtzetting van de laat-

[KOEKOEKSBLOEM]

|pag. 29|

bloeiers, niet te vroeg gebeuren: half september, of iets later is een goede tijd.
De tweede maaibeurt is o.a. van belang voor het onttrekken van voedingsstoffen aan de bodem. Als men tenminste terug wil naar een zekere verschraling, waardoor een afwisselender en kleurrijker berm mogelijk kan worden. Het lijkt wel gunstig voor planten om veel voedsel ter beschikking te hebben. In de praktijk komt het er echter op neer dat bepaalde grassoorten er veel sterker en vlugger van profiteren dan de meeste kruiden, die zo worden weggekonkurreerd.

In eerste instantie is het dus de bedoeling de uitbundig groeiende grassen terug te dringen en de zoden wat losser te maken, waardoor de kruiden weer een kans krijgen.
Omdat de Zwartendijk van nature uit vrij kleiachtige grond is opgebouwd, valt er de eerste jaren geen duidelijke verschraling te verwachten. Een maaischema van tweemaal per jaar zal toch minimaal gedurende vijf jaar gehandhaafd moeten worden.
Mochten de bermen inderdaad verschralen, dan kan bijvoorbeeld de maaibeurt in de voorzomer achterwege blijven, en kan worden volstaan met eenmaal maaien in het najaar. Of dit stadium aan de Zwartendijk binnen afzienbare tijd inderdaad bereikt zal gaan worden valt te bezien.
Niet maaien, of eens in de paar jaar, is in het algemeen niet mogelijk. Dan heeft de begroeiing de neiging eenzijdig te worden en dan verliest ze haar aantrekkingskracht. Verder bestaat er de kans op struikopslag. Ondanks het weglaten van bemesting zal het grootste deel van de Zwartendijk een vegetatie blijven dragen van planten die gebonden zijn aan vrij voedselrijke grond. Dat komt omdat de dijkhelling en een groot deel van de dijkvoet bestaan uit kleirijke, basisch tot neutrale gronden. Op sommige plaatsen, vooral de lagere, vinden we gronden met een hoog gehalte aan veen. Het is daar wat zuurder en dat is ook nu al aan de zeggenrijke begroeiing te zien.

[FLUITEKRUID]


|pag. 30|

Deze plaatsen staan garant voor een afwisselende flora aan de Zwartendijk. Voor variatie zorgt verder de ligging van de dijk. Zo kunnen we op de N.O.-helling vocht en schaduwminnende soorten verwachten. Op de Z.W.-helling zullen we een differentiatie moeten zien naar soorten die bestand zijn tegen een langere direkte zonbestraling. De helling aan deze zijde zal zich manifesteren als een “droog” milieu.
We zien nu al dat een plant als het fluitekruid een sterke voorkeur heeft voor de stadskant van de Zwartendijk, dus de van de zon afgekeerde zijde. Als het voorgestelde maaischema wordt uitgevoerd kan er op de vrij vruchtbare grond o.a.

[CICHOREI]

een rijke bloei verwacht worden van allerlei schermbloemen, zoals pastinaak, wilde peen, bereklauw en fluitekruid. De laatste is samen met de paardebloem en de smeerwortel een belangrijke voedselbron voor de voorjaarsinsekten.
Het maaien in juni lijkt ten koste te gaan van de vele bloeiende boterbloemen en de veldzuring, maar dat is een offer dat waard is om gebracht te worden. Bovendien zijn dit nu typisch een paar soorten die zich gemakkelijk zullen handhaven, omdat ze zich snel verspreiden en goed kunnen meekonkurreren. In de zomer zal een rijke groei van komposieten kunnen optreden, zoals groen streepzaad, herfstleeuwetand, thrincia, terwijl dan ook de bereklauw een dominerende plaats kan krijgen.
Bovendien bestaat hier in het rivierengebied de kans dat de Zwartendijk ook aan enkele typische stroomdalplanten een groeiplaats zal bieden, zoals agrimonie, bitterkruid en cichorei.

Maaisel:

Eerder is geschetst dat de Zwartendijk bestaat uit vruchtbare gronden. Ook veengronden worden daartoe gerekend. Ze hebben als eigenschap dat ze grote reserves aan organisch materiaal bevatten. Veen ontstaat immers uit dood plantenmateriaal.

|pag. 31|

door vertering worden steeds weer voedingsstoffen, o.a. ook stikstof, nageleverd.
Variatie in de begroeiing zal dus voornamelijk moeten ontstaan door verschillen in zuurgraad en in vochtigheid, en niet door verschraling, want dat is niet direkt te verwachten.
Voorwaarde voor variatie is de vestiging van nieuwe soorten. Dat kan door het eerder genoemd maaischema aan te houden, en door het maaisel na iedere maaibeurt af te voeren.
Dat laatste dient te geschieden om de verstikking van de uitlopende kruiden tegen te gaan, en ook om extra toevoeging van voedingsstoffen te voorkomen. De bemesting, die door de rotting optreedt, zou namelijk weer de grassen bevoordelen en stimuleren.
In geval van verstikking kunnen er kale plekken ontstaan. Daarop vestigen zich dan minder gewenste storingsgezelschappen met akkerdistels en riddarzuring.
Het is aan te bevelen om het maaisel enkele dagen te laten liggen, zodat het zaad van de bermplanten kan narijpen en uitvallen. Dat liggen laten moet niet te lang duren (niet langer dan een week) omdat de kans op verstikking te groot wordt.

Inzaaien:
Eén van de mogelijkheden om de samenstelling van de flora in een bepaald gebied wat veelzijdiger te maken is de tegenwoordig nogal eens toegepaste methode van het inzaaien van zaden van “wilde planten”.
De aanvoer langs natuurlijke weg: door de wind, door zaadetende vogels, of via het wegverkeer, duurt sommige “beheerders” vaak te lang. Toch kan men veel soorten op deze manier aantrekken. De beheerder moet wel een gunstig kiem- en groeimilieu scheppen door regelmatig te maaien en het maaisel af te voeren.
Het inzaaien van gekochte zaadmengsels dient op oecologische gronden volstrekt van de hand gewezen te worden, ook al zijn de bedoelingen nog zo goed.
Bezwaren:

  1. In de door de handel aangeboden zaadmengsels zitten veel soorten die niet buiten de particuliere tuintjes thuishoren, zoals goudsbloemen, leeuwebekjes, duizendschonen enz, (zie het ingezaaide stuk Europa-allee zomer ’75)
  2. Van de wel in de bermen voorkomende soorten worden zaden geleverd van kunstmatig gekweekte mutanten of kleurse-

    |pag. 32|

    lecties, zoals gele margrieten, witte en paarse korenbloemen en roze duizendblad (zie ook Europa-allee ’75).

  3. We zaaien zaad in van op het oog normale wilde planten, maar we weten niet op welke plaats de zaadhandelaar dit zaad heeft gewonnen. Zo kunnen we, ongewild, toch aan floravervalsing doen, omdat er bij planten talrijke zogenaamde cytologische rassen voorkomen: binnen één soort zijn er populaties met een verschillend chromosoomaantal, of met anders gevormde chromosomen. (Dit is een van de belangrijkste processen bij het vormen van nieuwe soorten.
    Door middel van natuurlijke selectie en aanpassing ontstaan op deze manier in de tijd nieuwe soorten, wanneer dergelijke populaties tenminste van elkaar gescheiden blijven).

    [PARNASSIA]

    Meestal zijn de planten uit genetisch verschillende populaties uiterlijk nog niet van elkaar te onderscheiden. Alleen biometrische verschillen zijn aantoonbaar, zoals bijvoorbeeld de doorsnede van de stuifmeelkorrels of het aantal zeefvaten dat in de stengels aanwezig is.
    Elk cytologisch ras kan aan één bepaald verspreidingsgebied gebonden zijn. Zo zijn er twee rassen parnassia: een zogenaamde diploïde populatie en een tetraploïde. De eerste vinden van nature in het binnenland, de tweede langs de kust, in Nederland tenminste, en in het gebergte. Zouden beide rassen in elkaars verspreidingsgebied zijn uitgezaaid of verplant, dan zou nooit herkend kunnen zijn dat beide vormen een aanpassing zijn aan hun milieu. De tetraploïd is tegen een sterkere oecologische dynamiek bestand dan de diploïd.
    Zulke en andere rassen kunnen in principe binnen elke plantensoort voorkomen
    Vandaar dat het op puur wetenschappelijke gronden is af te keuren planten over grote afstanden te verplaatsen of uit te zaaien.

    ad 2 en 3.
    Hiertoe behoren ook zaden van wilde planten die door de

    |pag. 33|

    handelaar voor dit doel speciaal in de tuin worden gekweekt.
    Deze planten staan niet meer bloot aan een natuurlijk selectieproces, er vindt geen uitwisseling meer plaats van genetisch materiaal met natuurlijke populaties.
    Dergelijke populaties kunnen binnen enkele generaties grote genetische veranderingen ondergaan, die mogelijk samengaan met veranderingen in de chromosomen. Dan is er in principe een kunstmatig veroorzaakt cytologisch ras ontstaan.
    Wanneer dergelijke populaties door middel van zaad aan natuurlijke omstandigheden worden blootgesteld kunnen ze meestal niet meer meekonkurreren, waardoor de opbrengst zeer gering is.
    Het toevoegen van afwijkend genetisch materiaal aan een natuurlijke populatie is de meest elementaire vorm van flora-vervalsing. Wij beschouwen vaak alleen de meest extreme uiting daarvan, namelijk het invoeren van planten in een bepaald gebied, die daar van nature niet voorkomen.

  4. Sommige leveranciers verzamelen hun zaden in de natuur.
    Dat is voor de zeldzamere soorten een schadelijke zaak.
    Vooral voor die soorten die in hun verspreidingsgebied geen vegetatieve vermeerdering kennen, en zich dus steeds door zaden moeten uitzaaien. Vanzelfsprekend geldt dit ook voor de eenjarige planten.
  5. Van soortenrijke mengsels komt in de praktijk niet veel terecht, omdat ze niet zijn afgestemd op de specifieke milieu-omstandigheden van het in te zaaien gebied.
  6. Mengsels uit de handel zijn erg duur.

Er is echter een mogelijkheid die eventueel op een stukje Zwartendijk kan worden beproefd. Dat is het uitstrooien van kleine hoeveelheden (in verband met verstikking) kruidenrijk maaisel uit de omgeving, waarin rijp zaad aanwezig is.
     Plaatsen waar een dergelijk maaisel zou kunnen worden gewonnen liggen bijvoorbeeld aan de Venendijk.

Onderzoek plantenwerkgroep.

In het eerste jaar wilde de plantenwerkgroep een vrij gedetailleerd overzicht krijgen van de flora van de Zwartendijk.
Hiertoe werd de dijk in een 50-tal vakken verdeeld. De inde-

|pag. 34|

ling werd gemaakt met behulp van natuurlijke, of kunstmatige terreinbegrenzingen.
Zo werden bijvoorbeeld de lage, vochtige plaatsen onderscheiden van hellingen. Het doel was om een nauwkeurig overzicht te verkrijgen in de huidige verschillen in flora tussen natte, droge, zonnige en schaduwrijke stukken.
Dit streven bleek niet uitvoerbaar in verband met de tijdsinvestering die daarvoor nodig is. Wel is een voorlopige en niet-volledige floralijst van de Zwartendijk tot stand gekomen. Tevens werd een vrij goed beeld verkregen van de ligging van de meest interessante terreintjes.
Enkele dingen vielen speciaal op. Bijvoorbeeld de verlandings-vegetaties in de kolken aan de Z.W.-kant. Over een aantal jaren kan er over gedacht worden om één of enkele kolken wat uit te diepen.
We vinden dat ze daarna weer aan hun lot moeten worden overgelaten. Mede in verband met verschillende soorten amfibieën zoals bruine kikker, groene kikker, gewone pad en kleine watersalamander.
De kolken aan de stadskant zijn ruim voldoende om in de behoeften van de hengelsporters te voorzien.

[BRUINE KIKKER]

Bijzondere aandacht verdienen de Iepen langs de Zwartendijk. Het
in stand houden van deze oude bomen is een uiterst belangrijke zaak door hun grote natuurwetenschappelijke waarde als dragers van een zeer fraaie korstmossenflora. Al diverse malen hebben we specialisten hier erg lovend over horen praten. Het in stand houden van deze bomen is een haast nog belangrijker taak voor de beheerder dan het toezicht op de bermen.
Aangestipt dient te worden dat we hier alleen over de natuurwetenschappelijke waarde, en de zeldzaamheid praten, en niet over de landschappelijke waarde.
Dat laatste is iets wat een ieder met eigen ogen kan zien.

|pag. 35|

Het spreekt van zelf dat tegen de klandestiene mestlozingen, zoals we die het laatste jaar hebben, gekonstateerd, streng en onmiddellijk opgetreden moet worden. Als men eenmaal heeft besloten om de Zwartendijk te verschralen of soortenrijker te maken, kunnen dergelijke zaken niet oogluikend worden toegestaan. Een moeizame winst zou zo door één lozing onmiddellijk weer verloren kunnen gaan. In eerdere hoofdstukjes is reeds aangetoond dat het essentieel is om elke bemesting achterwege te laten, De beheerder zal de bewoners van het gebied en de omgeving voldoende dienen voor te lichten over zijn doelstellingen en de verwezenlijking daarvan, zodat men weet waarom dergelijke lozingen niet getolereerd kunnen worden. Deze voorlichting zien we het liefst via een persoonlijke benadering, zodat de betrokkenen niet alleen uit de pers vernemen wat er aan de hand is.
In dit kader moet ook gewezen worden op de klandestiene maaipartijen door partikulieren, en het begrazen van de bermen door pony’s van de ponyclub. Het is in eerdere hoofdstukjes aangetoond dat ook dit de uitvoering van de plannen tegenwerkt.

Toekomstige plannen van de werkgroep.
De tijd die de werkgroep kan investeren is niet voldoende voor een gedetailleerd jaarlijks onderzoek van de gehele Zwartendijk. Op grond van de opgedane ervaringen zal op een aantal representatieve plaatsen een permanent kwadraat worden uitgezet, waar in de loop der jaren de eventuele veranderingen in de flora kunnen worden waargenomen door middel van opnames.
Verder zal de flora-lijst worden bijgewerkt tot een goed overzicht is verkregen van het aantal soorten dat we aan de Zwartendijk tegen kunnen komen.

Op dit moment draait er in Nederland een karteringsprogramma voor korstmossen. Getracht zal worden om kontakt op te nemen met de werkgroep om de soortensamenstelling van de korstmossen op Iepen te verkrijgen. Waarschijnlijk is de Zwartendijk al in deze kartering opgenomen.
Eén van de laden heeft een begin gemaakt met de inventarisatie van de moluskenfauna in de omringende slootjes.

|pag. 36|

Als het nodig is zal vanzelfsprekend een nieuwe nota worden uitbracht. Met de plantenwerkgroep kan in kontakt worden getreden via het adres van de koödinator de heer J. Rook: Henri Dunantstraat 9, Kampen. Tel. 05202-9968. Verder op de maandelijkse kontaktavond, elke eerste maandag van de maand in café-restaurant “De IJssel”, IJsselkade 59 te Kampen.

[GELE LIS]

Samenvatting:

Vroeger was de Zwartendijk floristisch erg rijk, eenvoudig omdat het samen met het omringende landschap relatief voedselarm was. Door opvoering van de produktiviteit tengevolge van de intensivering van de landbouw, waarin ook de bermen werden betrokken, verdween de soortenrijke flora. Verstoring van de wegbermrijkdom vroeger en nu kan slechts ten dele worden gekompenseerd door doelgericht beheer met als belangrijkste maatregel: voorkomen en afvoeren van organische produktie.

Belangrijke richtlijnen bij het beheer zijn:

  1. Het inzaaien van kruiden moet vermeden worden, behalve wanneer de zaden afkomstig zijn uit in de onmiddellijke omgeving liggende natuurlijke populaties.
  2. Maaifrequentie niet hoger dan twee maal per jaar.
  3. Tijdstip: eerste helft juni, en eind augustus-begin september.
  4. Voorkom bodembeschadiging door te laag afgestelde maaiapparatuur.
  5. Het is aan te bevelen het maaisel enkele dagen te laten liggen om het zaad van de kruiden na te laten rijpen. Binnen een week moet het maaisel echter worden afgevoerd.
  6. Als het maaien niet in eigen beheer gebeurt, verdient het aanbeveling een meerjarig kontrakt af te sluiten, waarbij de beheerder in het kontrakt de maaidata dient vast te leggen met een spreiding van maximaal 14 dagen. Bijvoor-

    |pag. 37|

    beeld een richtdatum van 13 juni, waarbij het maaien minimaal op 6 juni moet zijn begonnen en maximaal op 20 juni moet zijn voltooid. In het najaar mag niet voor het aanbreken van september worden gemaaid. Eventueel kunnen de maaitijden in overleg met de plantenwerkgroep worden afgesproken.

  7. Herbiciden tegen overmatige plantengroei ia als middel erger dan de kwaal.
  8. Tegen klandestiene mestlozingen dient te worden opgetreden. Hetzelfde geldt voor de klandestiene begrazing en bemaaiing.
  9. De schors van de Iepen moet worden ontzien. De bomen moeten zo goed mogelijk worden beschermd en “verzorgd”.
    Het aanplanten van jonge Iepen is een goede zaak. Een redelijke korstmossenflora op de schors is echter pas na 50 tot 75 jaar te verwachten.
  10. Betreding van de bermen kan geen kwaad. Het is wel beter om de Zwartendijk niet als plukberm aan het publiek aan te bieden.
  11. Het is ten sterkste aan te bevelen alle betrokkenen, ook de ponyclub, persoonlijk op de hoogte te stellen van de bedoelingen van de beheerder en daarbij alle medewerking te vragen.
  12. Parkeren bij de ponyclub dient uitsluitend toegestaan te worden aan de kant van de huidige stortplaats en niet in de bermen.
    Het aanleggen van de parkeerplaats buiten de stortplaats betekende al het verdwijnen van enkele soorten, die nergens anders aan de dijk te vinden zijn, zoals look zonder look en de kleine klis.
    Het is aan te bevelen dat de ruiters zich niet buiten de bomenrijen begeven.

[VIJFVINGERKRUID]


|pag. 38|

Beknopte titaratuurlijst:

P. Zonderwijk:
Herleving van onze wegbermflora.
Natuurbehoud 4e jrg. no» 4 –
november 1973.

P. Zonderwijk:
Pleidooi voor onze wegbermplanten.
Natuurbehoud 2e jrg. no. 2 –
mei 1971.

Vijf voordrachten over bermbeheer en bermaanleg (met uitgebreide literatuuropgave):
Contactblad voor oecologen.
10e jrg. No. 4 – 1974.

[MARGRIET]

Stichting Studiecentrum Wegenbouw:
Het onderhoud van begroeiing op wegbermen en taluds.
Mededeling 37.

Staatsbosbeheer: De bloemen langs onze wegen en het wegbeheer.
Met uitgebreide literatuuropgave.

H. Heemsbergen: Beschouwingen over wegbermbeheer.
Uit: Milieublad nr. 5 – december 1975.
Uitgave van de Natuur- en Milieufederatie Overijssel.

|pag. 39|

globaal overzicht van de in 1975 aanwezige wilde planten aan de Zwartendijk.
_________________________________________________________________________

waterpunge x blaartrekkende boterbloem x
rode water-ereprijs veldbeemdgras x
beekpunge ruw beemdgras x
akkerhoornbloem bitterzoet
akkerdistel x moeraskruiskruid
bereklauw x margriet x
bieslook boerenwormkruid
kruipende boterbloem valse kamille x
scherpe boterbloem x veenwortel x
witte dovenetel x moeras walstro x
paarse dovenetel x glad walstro
draad-ereprijs pastinaak x
duizendblad x peen x
klimopblad-ereprijs x waterpest x
fluitekruid x tijmbladige ereprijs
gewone ereprijs x veldlathyrus x
hondsdraf x jacobskruiskruid
herserstasje x rolklaver x
gewone hoornbloem x grote waterweegbree x
kleine veldkers
klein hoefblad
kleefkruid x
klein kruiskruid x
koekoeksbloem x
madelief x
rode klaver x
moerasvergeet-mij-niet x
watermunt x
look-zonder-look
kweek x
grote brandnetel x
dotterbloem x
reigersbek
waterzuring x
stijve waterranonkel x
gekruld fonteinkruid
watergentiaan x
valse vossezegge
pijptorkruid x
pijlkruid x

[WITTE KLAVER]


|pag. 40|

grote egelskop veldzuring x
zwanebloem x witbol x
penningkruid x zevenblad
moerasrolklaver x wilgeroosje x
kleine valeriaan x zilverschoon x
scherpe zegge x vijfvingerkruid x
kale jonker x slipbladige ooievaarsbek
grote valeriaan x oeverzegge x
veenpluis x melkdistel x
haagwinde x middelste vergeet-mij-niet
harig wilgeroosje x heermoes
kroontjeskruid gele lis x
krulzuring x armbloemige waterbies
paardenbloem x gewone zegge x
pinksterbloem x dravik x
gele plomp x ruw vergeet-mij-nietje x
ridderzuring helmkruid
reukgras x moerasandoorn x
gewone veldbies x perzikkruid x
smalle weegbree x varkensgras x
smele x driedelig tandzaad x
speenkruid x veelwortelig kroos x
smeerwortel x puntkroos x
zeebies x
speerdistel x
schapezuring x
straatgras
vogelmuur x
veenmos
vossestaart x
leverkruid
wolfspoot x
witte snavelbies x
gewone kattestaart x
witte klaver x

 
[REIGERSBEK]
De aangekruiste soorten worden ook in de Flora Campensis genoemd.

|pag. 41|

8 Bedreiqt de iepziekte de Zwartendijk?

In een straal van drie kilometer rond de Zwartendijk zullen alle iepen voortdurend en nauwgezet worden gekontrolleerd op het voorkomen van iepziekte. Potentiële broedbomen voor de iepenspintkever, die de voornaamste verspreider is van de ziekte, zullen onmiddellijk worden gekapt en verbrand. Men hoopt op deze wijze de besmettingskans van de oude iepen aan de Zwartendijk tot een minimum te beperken. De aktieve vliegafstand van de kevers bedraagt ongeveer l$\frac{1}{2}$ kilometer.
We geven in dit hoofdstukje een overzicht van de iepziekte en van de eerste onderzoeksresultaten van deze ziekte aan de Zwartendijk.

Wat is iepziekte?
Iepziekte is eigenlijk niets anders dan één van de vele moderne hart- en vaatziekten, maar dan één die bij een plant voorkomt.
De ziekte wordt veroorzaakt door een schimmel die in de houtvaten van de iep leeft.
Het ziektebeeld in de houtvaten is een vrij gekompliceerde zaak.
Ook de afweermechanismen, die de boom in de strijd werpt, zijn gekompliceerd en nog niet helemaal doorgrond. Voor een goed begrip moeten we eerst verklaren dat het vaatstelsen van een boom zich wel laat vergelijken met het bloedvaatstelsel bij de mens.
Via de houtvaten transporteert de boom de door de wortels opgenomen voedingssappen naar de bladeren, en naar plaatsen waar de boom nog groeit. Het water met de daarin opgeloste voedingsstoffen dient namelijk als grondstof bij de fotosynthese en bij allerlei groeiverschijnselen.

De aanwezigheid van de schimmel doet de wandcellen in de houtvaten afsterven en bruin kleuren. Voordat het echter zo ver is heeft de boom een tegenmaatregel getroffen: het sluit de geïnfecteerde vaten af. In dergelijke vaten kan dus geen watertransport meer optreden. Bovendien produceert de schimmel bepaalde stoffen, die misschien al kunnen werken op plaatsen waar de schimmel zelf nog niet aanwezig is.
Het blokkeren van de vaten remt de schimmel wel, maar gaan zijn verspreiding toch niet geheel tegen. Wanneer het hout afsterft groeit de schimmel, nu m.b.v. schimmeldraden, verder door het hout van de lopende jaarring.
Voor de schimmel is het zaak zich zo snel door de boom te verspreiden dat de blokkering te laat komt. Dat kan o.a. door in een vroeg stadium sporen af te geven. De sporen worden door de sapstroom meegevoerd en kunnen elders hun vernietigende werk doen.
Zo kan men verklaren dat jonge, krachtig groeiende bomen, die een snellere en sterkere sapstroom hebben, over het algemeen gevoeliger zijn voor de ziekte dan slecht of langzaam groeiende bomen.

|pag. 42|

Symptomen:
We zullen de ziekte-verschijnselen bekijken, zoals die veroorzaakt worden door de gewone, niet agressieve stam van de schimmel.
De agressieve stam is agressiever, treedt sneller op, en verspreidt zich ook sneller door de hele boom.
De eerste symptomen bestaan uit het geel worden en afvallen van bladeren, vaak slechts in een deel van de kroon, maar het kan zich sterk en snel uitbreiden.
Snel groeiende scheuten, met name dus bij jonge iepen, sterven het eerst. De groeitop buigt om en er ontstaat een typisch beeld: het z.g. vaantje. Vaak blijven er enkele verdorde blaadjes aanzitten.
De kroon kan van binnenuit steeds meer blad verliezen. Dit proces speelt zich gewoonlijk af in de zomer.
Maken we een dwarsdoorsnede door het aangetaste hout dan vinden we duidelijke verkleuringen in dat hout. Meestal in de laatste jaarring. Bij de gewone iepziekte is de gekleurde band onderbroken. Bij de agressieve vorm is de band niet onderbroken.

Soms vinden de onderzoekers een tak waar uit de doorsnede blijkt dat de boom eerst een infectie heeft gehad van de gewone iepziekte, en die te boven is gekomen. Het is inderdaad gebleken dat bij een lichte infectie met de gewone iepziekte de aangetaste takten toch door kunnen groeien. De in figuur 1 afgebeelde tak geeft zo’n situatie weer. De boom is echter later toch het slachtoffer geworden van de agressieve stam en overleden.

Figuur 1. Figuur 2.

|pag. 43|

Verspreiding van de ziekte:
De verspreiding van deze ziekte in een iepenpopulatie is een biologisch bijzonder interessante zaak.
Er zijn enkele mogelijkheden. De meest voorkomende is de overdracht van de ziekte door de grote of door de kleine iepespintkever.
De iepespintkever heeft, om met succes jongen te kunnen voortbrengen, zieke of dode iepen nodig. Het wijfje zoekt zo’n zwakke boom op, boort zich door de bast naar binnen en knaagt daar een gang, de zg. moedergang. Is het vrouwtje aan het einde van haar krachten dan sterft ze. Slechts in enkele gevallen is waargenomen dat een vrouwtje een tweede moedergang ging graven.
De zogenaamde invliegopening, daar waar het vrouwtje zich naar binnen heeft geboord, is aan de buitenkant te herkennen aan de ovale opening in de stam en aan de schuin omhoog lopende gang.
De vrouwtjes kunnen niet terecht bij een gezonde en sterke iep.
Deze biedt te veel weerstand aan de knagende dieren, vooral aan de larven. Bovendien zouden de eitjes of de larven door de sterke sapstroom tussen de bast en het hout al snel “verdrinken”.
Als de eitjes uitkomen graaft elke larve “loodrecht” op de moedergang zijn eigen gangetje. Deze gangetjes worden steeds breder, omdat de larven door het vele vreten steeds dikker worden. Het einde van de larvale gang is meestal sterk verbreed: het is de zg. popkamer, waarin de larve zich verpopt. Het karakteristieke vraatpatroon van de larven is duidelijk te herkennen in het hout en in de bast van de geschilde iepen.
Wanneer de jonge kevers uitkomen boren ze zich loodrecht een gang naar buiten. De geboorte-openingen van de kevers zijn niet ovaal maar rond. De levenscyclus is echter nog niet voltooid.

In de meeste gevallen is de uitvliegende kever niet geslachtsrijp, en moet hij nog eiwitrijk voedsel opdoen voordat zijn geslachtsorganen volgroeid zijn. Deze kevers vliegen bij mooi weer naar de toppen van gezonde, goed groeiende iepen, met een sterke sapstroom. Daar kiest hij bij voorkeur de bast uit in een takoksel en begint te vreten, de zg. rijpingsvraat.
Deze rijpingsvraat is het, kritieke moment. Eén van de biologische eigenaardigheden rond de relatie kever — schimmel is n.l. het feit dat de schimmel de popkamer van de rups weet te vinden. Uitsluitend alleen in die popkamer brengt de schimmel zijn vruchtlichamen voort en produceert grote hoeveelheden kleverige sporen.
Wanneer de jonge kevers uitkomen en zich naar buiten vreten doen ze overal die sporen op. Het blijkt dat ze er zowel van binnen als van buiten vol mee zitten. Tijdens de rijpingsvraat brengt de kever die sporen over in de door de vreetpartij ontstane wond, en

|pag. 44|

dus in de houtvaten van de tot dan gezonde boom.
Wanneer de agressieve stam op deze manier wordt overgebracht op een gezonde boom, kan deze binnen enkele maanden volledig dood zijn.
De rijpingsvraat vindt dus in het voorjaar plaats, net wanneer de sapstroom het sterkst is. Voor de boom dus de meest gevoelige periode.
Ook iepen die zelf niet aan de ziekte lijden, kunnen kevers produceren die een infectie-gevaar vormen. Dit gebeurt in het geval dat de boom dermate verzwakt is dat er voortplanting van de kevers in kan optreden. De moeder, of de vader kunnen bij de paring zorgen voor de overdracht van de schimmel. In dit geval worden dus het eerst de moedergang en de zijgangen door de schimmel geïnfecteerd.

Er is een tweede manier van verspreiding van de iepziekte die van groot belang kan zijn. De wortels van iepen kunnen namelijk onderling zo sterk vergroeid zijn, dat de houtvaatstelsels van twee bomen, eventueel van een hele groep, met elkaar in verbinding staan.
Dat gebeurt als de bomen in groepen of rijen dicht bij elkaar staan op geen grotere afstand dan van één of anderhalve meter.
Deze situatie is niet of nauwlijks van toepassing op de Zwartendijk en deze situatie zullen we dan ook niet verder bespreken.

Een derde manier van verspreiding kan ongewild of ongeweten door de mens plaats vinden. Een Amerikaans onderzoek heeft geleerd dat de schimmelsporen gedurende 24 uur kiemkrachtig blijven in de kettingolie van motorzagen. Dat betekent dus dat men bij het kappen van iepenhout of bij het dunnen voorzichtig moet zijn.
Men moet bij voorkeur steeds het materiaal ontsmetten met 96% alkohol.

Bestrijding:
Het is nog niet mogelijk om aangetaste bomen te genezen, vandaar dat men tracht besmetting te voorkomen: preventieve bestrijding.
De enig succesvolle weg tot nu toe is de bestrijding van de kever.
Men heeft gekozen voor het opruimen van het kwijnende en dode iepenhout dat als keverbroedplaats zou kunnen dienen. Het moet vóór eind maart onschadelijk gemaakt worden door het te verbranden, of door het te schillen en daarna de bast te verbranden.
Deze methode is vrij simpel en effectief, mits men het niet half gebakken doet. Zo worden b.v. ongeschilde omheiningspaaltjes van iepenhout nog weleens over het hoofd gezien als potentiële broedplaats.

|pag. 45|

Eerste resultaten van het onderzoek naar de iepziekte.

Eind september – begin oktober 1976 werd in opdracht van de dienst Gemeentewerken te Kampen door de Bomendienst van de Heidemij een algemeen onderzoek ingesteld naar de gezondheidstoestand van de iepen langs de Zwartendijk. Daarbij werd in het bijzonder gelet op de iepziekte. Tijdens het onderzoek bleek dat de vitaliteit van de bomen redelijk tot goed is. De lengte van de nieuwe scheuten bedraagt 5 tot 15 cm. per jaar. Wel werd er bij veel bomen dood hout aangetroffen. Veel bomen vertonen mechanische beschadigingen aan de stam.

De bomen werden bekeken met behulp van een hoogwerker. Aangetaste takken werden op dwars doorsnede onderzocht op verkleuring in het hout. Van de bomen, waarbij verkleuringen werden gekonstateerd, zijn enkele monsters genomen. Een aantal van deze monsters zijn later in het laboratorium onderzocht. Tijdens dit onderzoek zijn aan de Zwartendijk geen zogenaamde broedbomen gevonden.
Van twijfelgevallen, bomen waarin wel dood hout werd gevonden maar waarbij geen verkleuring in het hout werd aangetroffen, zijn foto’s gemaakt. In de komende jaren kunnen deze foto’s vergeleken worden met de dan aanwezige toestand, en kan worden gekonstateerd of er een achteruitgang is opgetreden.

Alle oude iepen zijn van een nummer voorzien. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de rechter- en de linker kant van de dijk, gezien vanaf de Flevoweg. De nummering van 1 – 100 is aangegeven in gele nummers; de nummers groter dan 100 zijn in rood aangegeven.

Tabel 1: Algemene gezondheidstoestand van de iepen, zonder te letten op ziekte-oorzaak.

aantal percentage
Gezond 45 17%
Licht aangetast 189 69%
Licht tot zwaar aangetast 28 10%
Zwaar aangetast 10 4%
Stervende 1 __
Totaal 273


|pag. 46|

Bij 139 van de 273 iepen werd een verkleuring in het hout waargenomen, die eventueel zou kunnen wijzen op het voorkomen van iepziekte.
De verkleuring varieerde van enkele stippen tot een cirkel van stippen in het hout.
Er werden achttien bomen gevonden waarin een zware verkleuring van het hout werd aangetroffen.
De analyse van in totaal 10 monsters in het laboratorium had als resultaat dat bij twee bomen het voorkomen van de niet-agtessieve vorm van de iepziekte werd vastgesteld.
De tien monsters waren als volgt samengesteld:
4 monsters van licht aangetaste bomen (verkleuring)
2 monsters van matig aangetaste bomen
4 monsters van zwaar aangetaste bomen
Er is nu een nieuwe serie monsters opgestuurd naar het laboratorium, omdat uit de tot nu toe verkregen gegevens geen gefundeerde konklusies kunnen worden getrokken.
Op grond van visuele waarnemingen werd bij 2 bomen de agressieve vorm vastgesteld.
Er werden tot nu toe twee hoge iepen gekapt: één met de agressieve vorm en één met de niet-agressieve vorm van de iepziekte.

Voor mensen die zelf eens willen kijken naar de gezondheidstoestand van de iepen, zonder natuurlijk de bomen of de takken te beschadigen, volgen hier de nummers van de bomen die een zware verkleuring in het hout vertoonden.

De linker bomenrij (gezien vanaf de Flevoweg):

47 60 72 119
50 61 86
57 71 90

 
De rechter bomenrij:

38 53
39 64
44 126


|pag. 47|

Hst. 9 Planologische bedreigingen van het landschap.

Na een historische schets van de Zwartendijk en een overzicht van de huidige plantengroei lijkt het verstandig even bij de planologische perspektieven stil te staan.
Als we de huidige plannen mogen geloven zien deze er voor de toekomst van de Zwartendijk niet gunstig uit. Deze plannen zijn heel konkreet aanwijsbaar-schade-berokkenend, en als ze door gaan zal de Zwartendijk straks een landschappelijk waardevol restant worden.
De eerste dreiging is de meest simpele en komt ook overal elders voor: de stadsuitbreiding ontstaan door de bevolkingsgroei, of door het stellen van andere wooneisen. Voorlopig wordt er gebouwd tot vóór de Zwartendijk, maar dat zegt natuurlijk niets.
Het oprukken van de stad zal een steeds intensiever gemotoriseerd gebruik van de dijk tot gevolg hebben, een toename die ook nu al te konstateren valt. Daarbij komt dan nog dat de vissers per auto naar hun stekkie trekken, en dat geldt evenzeer voor de gebruikers van de manege.
De hier gesignaleerde ontwikkeling is funest voor de unieke korstmossengroei op de oude iepen, het enige element dat de dijk momenteel ook in wetenschappelijk biologisch opzicht waardevol maakt. Mocht deze ontwikkeling voortgaan, dan blijft er niets anders over dan de dijk alleen open te stellen voor gebruiks— en verzorgend gemotoriseerd verkeer.
Een volgende dreiging gaat uit van de geplande rijksweg 50, die op korte afstand van de Zwartendijk voor regelmatige en hinderlijke geluidsoverlast zal zorgen, en een toename van de luchtverontreiniging ter plaatse zal betekenen.
Ook moet in dit verband de, je zou haast zeggen dan enkel nog resterende visuele fraaiheid -een oude dijk met hoge iepen- het ontgelden want men heeft gemeend dat het voor onze stroomvoorziening noodzakelijk is een extra hoogspanningsleiding aan te leggen en men weigert deze om ekonomische redenen ondergronds uit te voeren.

Tegen rijksweg 50 zullen wij in de toekomst zeker bezwaren laten horen; tegen de bovengrondse uitvoering van de hoogspanningsmast doen wij dat al.
Het is jammer om met deze toch wel sombere prognose te moeten eindigen, deze aanslagen zijn wel degelijk te vermijden: er bestaan alternatieven. Laat ieder die de Zwartendijk een warm hart toedraagt er het zijne toe bijdragen om de dreigende aantastingen te vermijden!

_____________
– Eenhoorn, G.J. (1976) Kampen en de Zwartendijk: Ontstaan – Functie – Herstel. Kampen: Vereniging voor Natuurstudie en -bescherming ‘IJsseldelta’

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.