De legende van Bisschoppelijk Markengerichte in Overijssel


DE LEGENDE VAN
BISSCHOPPELIJK MARKENGERICHTE IN OVERIJSSEL.

_______

     De enkele woorden, waarin Winhoff van Markengerichte gewaagt, hebben de legende doen geboren worden, dat hij deze ontleent aan den eersten Landbrief van Bisschop David van Bourgondie (1457).
     Niets is minder waar, dat dit.
     Toen door KAREL I als Landsheer van Overijssel en door zijn zoon en opvolger aan de oude rechten van dit gewest getornd werd en nieuwigheden ingevoerd werden, voelde Winhoff zich gedrongen tot het „tho samen” brengen en uitleggen van hetgeen hij Landrecht achtte te zijn.
     Uit oude willekeuren, in de landbrieven vervat, bracht hij bijeen, wat in zijn tijd nog geldend recht was en voegde er aan toe, wat als recht gold, zonder beschreven te zijn, aan het jus non datum, sed natum ontleenende; alles omlijst door eigen uitlegging.
     Van dit werk verscheen in 1559 de eerste druk 1 [1. Van dezen druk bestaan twee eenigszins van elkander afwijkende uitgaven, met klein verschil, wat titelblad en opdracht aangaat. Men betaalde later 3 à 4 dukaten voor dezen druk, die volgens Mr. J. I. van Doorninck niet meer is dan eene curiositeit. Verslag O. R. en G. 63e verg. blz. 13. Bijdr. t. d. Gesch. v. O. I. 186. IX. 280.]) onder den titel: LANDTRECHT VAN AUERISSEL tho samen gebracht unde uthgelecht, dör Melchioren Winhoff.

|pag. 290|

     Wat hij met deze uitgave beoogde, blijkt uit de „vörrede” en hier en daar uit den tekst zelven, n.l. paal en perk stellen aan de usurpatien der nieuwe landsheeren, van welke Karel I, ondanks de Staten, het hof van Kanselier en Raden in Overijssel had ingevoerd in 1553 en een placaat uitgevaardigd tegen daalders, niet door hem geslagen 2 [2. Racer, Ov. Ged. III. 279. vlg.]); volgende zijn zoon Philips hem na in het inbreuk maken op de erkende privilegiën. Winhoff achtte de verspreiding van algemeene kennis omtrent het geldend recht gewenscht, en hoe kwalijk zijne poging om deze te bevorderen door den vertegenwoordiger van den Landsheer werd opgenomen, blijkt uit de anecdote, opgenomen in de Inleiding tot het „lantrecht der Thwenthe declareert.”
     Na den eersten druk in 1559 volgde in 1772 een tweede, bezorgd door den uitgever DE CHALMOT, welke om de meerendeels van Mr. Racer afkomstige aanteekeningen, de voorkeur boven den oorspronkelijken geniet. Toch is het gebruik dier latere uitgaaf, zonder raadpleging van de eerste, minder gewenscht, omdat lijnen, in den tweeden druk aangebracht als afscheidingsteekens, dwaling omtrent den samenhang kunnen doen ontstaan.
     Ik heb hier meer in het bijzonder het oog op hetgeen in het Vierde Deel, handelende: de civilibus causis et iudiciis voorkomt tusschen het III art., luidende: „DAVID. Van versterff tho versöken.
„Item waer eyn versterff schuet, dat salmen söke int
„erffhuysz, daer dat versterff geschiet is, und under den
„gerichte daer dat erffhuysz gelegen is”, en het IIII art. met opschrift: „DAVID. Van güdt auer tho geuen
und werlösz tho werden.”

|pag. 291|

     Tusschen deze twee artikelen nu, waarvan het eerste aan den tweeden landbrief van bisschop David van Bourgondie (1478) en het tweede aan diens eersten landbrief (1457) ontleend is, staat eene uitgebreide aanteekening of uitlegging van den bewerker, waarin o.a. voorkomt:

VAN MARKEN GERICHTE.

     Markengerichte, sit die markenRichter in der Markenn, met den sementliken erffgenamenn, auer die buren und bysitters offte Coueners, in markensaken, na eren wilkoren.
So ener vermeynde verunrechtet, offte beswaert tho wesen, möchte die veruolgenn met den Landtgerichte, offte an den Landes Heren klagen.
     Met geringe afwijking in spelling en de drukfout two voor tho komt dit ook in den tweeden druk zoo voor.
     Eenig verschil van schrijfwijze daargelaten, wordt deze passus ook aldus aangehaald in het rapport van 18 November 1817 aan den Minister van Justitie door Gedeputeerde Staten van Overijssel ingediend.
     Deze deelden daarin mede, dat men van de aloude gerechtigheid der marken het eerst eenige stellige aanwijzing ontmoet in het oude Landrecht van Overijssel, door den oudheidkundige Rechtsgeleerde Melchior Winhoff, welk landrecht door hem bijeenverzameld was uit de oude willekeuren, die ten zijnen tijd nog in de landbrieven verspreid waren, vervattende deze, volgens dit rapport, eenige afzonderlijke punten van het recht der Regeering en van het Burgerrecht des lands, waaromtrent misbruik werd bevonden of gevreesd.
     Dit rapport, een antwoord aan den Minister, was al zeer ongelukkig, zooals de heer Pleyte in zijn academisch proefschrift 3 [3. De rechtstoestand der marken in Nederland, blz. 153.]) opteekent en verried volgens hem

|pag. 292|

„duidelijk, dat Gedeputeerden in deze zaak met de
„minste moeite gediend waren.”
     Toch kenden de Gedeputeerden van 1817 geen andere bron dan dit landrecht en waren van meening, dat dit uit oude willekeuren was bijeenverzameld: maar hun was nog onbekend, wat de heer Pleyte in 1879 aan het licht bracht, dat vorenaangehaalde passus uit Winhoff te vinden was in den eersten landbrief van bisschop David van Bourgondie, altijd, als de heer Pleyte goed gelezen, goed onderscheiden heeft. En dit heeft hij m.i. niet gedaan.
     Zoo verhaalt hij (blz. 37) dat volgens het markeboek van Zalne, de dorpen Salne, Diese, Langenholt en Berchman in die marke gerechtigd zijn; terwijl er nooit dorpen van deze namen nabij Zwolle bestaan hebben.
     Bij de raadpleging van diens proefschrift moet men dan ook aan van elders bekende gegevens toetsen, wat de schrijver zegt en vooral is dit noodzakelijk ten opzichte van hetgeen hij op blz. 133 en 134 mededeelt. Men leest daar:
     „Een der oudste Landbrieven van Overijsel die van den
„Bisschop David van Bourgondie Ao. 1457, gaf reeds een
„bepaling, waarin hij de marken erkent als lichamen die
„keuren mogen maken en een eigen rechtspraak hebben.
„Deze bepaling is later overgenomen in het „Landtrecht van
„„Averissel” en luidt in de oudste tekst, daarvan uitgegeven
„door Melchior Winhoff aldus: „ „Markengerichte sit die
„„Marken Richter in der Markenn met den Sementlike
„„Erffgenamenn aver die buren und bysitters offte Coue-
„„ners in markensaken na eren wilkoren. So ener vermeynde
„„verunrechtet offte beswaert tho wesen möchte die ver-
„„volgenn met den Landtgerichte.”” Dit Landrecht door
„Winhoff in 1559 uitgegeven, ontving het land van Over-
„ijsel in 1548 van Karel V of liever de keizer bevestigde

|pag. 293|

„toen de vroeger in dat land geldende reglementen. Toen
„op den Landdag van 12 Maart 1630 het Landrecht door
„Ridderschap en Steden, de Staten van Overijssel, herzien
„werd, bleven de genoemde bepalingen bestaan en daarmede
„de zelfstandigheid der marken behouden.”
     Een niet oppervlakkig lezer zal bemerken, dat de passus uit Winhoff hier zijn staart verloren heeft en overgenomen is zonder de woorden: „offte an den Landes Heren klagen.”
     Wie een weinig gewestelijke geschiedenis kent, weet, dat het land van Overijssel in 1548 geen landrecht van KAREL V ontving en dat de Keizer als zoodanig evenmin reglementen, vroeger daar geldende, bevestigde.
     En al wil ik bovenvermelde tekstverminking en het onjuiste jaartal 1548 voor 1528 wel onder de drukfouten rangschikken, dan toch meen ik, dat de schrijver had moeten in het oog houden, dat toen in 1528 bisschop HENDRIK VAN BEIJEREN zijne wereldlijke rechten op Overijssel, met medewerking van de Staten van dit gewest, aan den Graaf van Holland Karel, als Roomsch Keizer de Vde, overdeed, deze Erf heer van Overijssel werd, nadat de verdragsbrief van 11 Februari 1528 opgemaakt was, waarin uitdrukkelijk vermeld staat: dat hij en zijne nakomelingen de Ridderschap, landen en steden van Overijssel zullen laten blijven en onderhouden „in allen oiren Landt-
„rechten, Stadtrechten, Leenrechten, Dyckrechten, ende in
„allen anderen oiren privilegijen, soe well van der Hanze,
„als anderen vrijheyden, possessyen ende usantijen, elck
„in ’t sijne die sy hebben enn daerof sy tot hyer toe ge-
„bruickt hebben.”
     De Landsheer mocht dus niet motu proprio rechten geven of te niet doen: hij moest alles bij het oude laten, tenzij in overleg met Ridderschap en Steden.

|pag. 294|

     Hiervan afstappende, kom ik tot de bewering van den heer Pleyte, dat de landbrief van bisschop David van Bourgondie van 1457 reeds eene bepaling inhield, waarbij hij de marken erkent als lichamen, bevoegd om keuren te maken en met eigen rechtspraak en dat Winhoff deze bepaling later in het „Landtrecht van Averissel” overgenomen heeft.
     Nu bewaart deze landbrief in de eenige mij bekende uitgaaf een absoluut stilzwijgen over marken, zoodat Winhoff er geene bepaling omtrent dit onderwerp uit kan hebben overgenomen; de origineele landbrief is verloren gegaan en naar copien door Racer uitgegeven, terwijl, wanneer Winhoff uit een landbrief eenig artikel overneemt, hij aan het hoofd daarvan zijn bron vermeldt.
     Naar de wijze nu, waarop hij deze bron pleegt aan te geven, kan men zien, dat de vorenvermelde artikelen III en IIII ontleend zijn aan een landbrief van meergenoemden Bisschop en wel, als boven gezegd, het eerste aan den 2den, het tweede aan den 1en landbrief 4 [4. Ov. Ged. III, 156 en 129.]). Er valt nu nog na te gaan, wat er tusschen deze artikelen staat.
     Daarbij moet men in het oog houden, dat het „Landtrecht” in hoofdzaak in Duitsche (gothische) letters gedrukt is en dat wat „tho samen gebracht” is uit landbrieven en nije reformationen, als artikels met bronvermelding in groote letters gedrukt is, terwijl de inleiding tot de vier deelen, de toelichting tot de artikelen, de uitlegging, in kleinere letters opgenomen is.
     Toch vindt men in deze uitlegging bij herhaling onderdeelen met groote letters gedrukt, om er bijzonder de aandacht op te vestigen, zooals in het derde deel art.

|pag. 295|

XXIII, waar tal van artikelen uit de constitutio criminalis, de Rikes pynlike gerichtes ordninge, opgenomen zijn, terwijl toch niemand deze artikelen in een bisschoppelijken landbrief zal zoeken of aantreffen.
     Zoo leest men in het vierde deel na art. III in kleine letters: „Idt is gemeyn unnde ordentlich recht, dat nie- „mandt den anderen buyten Landes vör eyn froemet ge-
„richte trecken sal, sunder eyn jder sal den anderen
„veruolgen met den gerichte daer hie under geseten is.”
     Dit gaat een paar bladzijden zoo door, waarin de schrijver o.a. melding maakt van „enen herliken breue van den Pawest Leone decimo gegeuen”5 [5. De Chalmot, blz. 352.]), totdat de constitutie van Keizer Maximiliaan van 1495 betrekkelijk het Cammergericht in groote letters verschijnt, evenals de in kleine letters gedane mededeeling der vernieuwing van deze constitutie door Keizer Karel V in 1548 gevolgd wordt door de opneming er van in groote letters, in welke lettersoort ook is opgenomen Vonn dem Westphalischen, und Heymlichen Gerichte, nadat in kleinere letters, de daarop betrekkelijke constitutie van Keizer Frederik III van 1442 vermeld was.
     Na eenige zinsneden in kleinere letters, waarin weder het „pauwestlicke” indultum 6 [6. Id. blz. 363. Dit indultum, door De Chalmot, blz. 331 noot, charta Leonis X genoemd, is de bul van 25 November 1517, te vinden in Batavia Sacra. lat. ed. Brussel 1704, I. 237.]) vermeld wordt, vervolgt hij:
     „Vörder begifft sick hyr tho seggen van den anderenn
„deel deeses Titels, als de foro competenti, dat is, welker
„enes yederen, betemlick gericht syn solle, dat he schul-
„dich tho volgenn unde tho nemen, welker stücke nödich
„uth tho leggen unnde tho verklaren, ehr wy tho den

|pag. 296|

„volgenden gesetten und artikelen kommen die uth deesen
„eren verstande hebben sollen. Darümme salstu vör eersten
„weten unde acht hebben, dat gerichte unde Recht man-
„nigerley sy yn deesen unsen Lande.”
     Uit dit „salstu”, 2e persoon enkelvoud, blijkt, dat Winhoff zich tot den lezer wendt.
     Na opsomming der onderscheiden gerichten, geeft hij van alle in grootere letters eene omschrijving, waarbij men moet opletten, dat hij daarbij den lezer als het ware toespreekt, zooals: in de § Van den hogen gerichte:
„wat meer tho dessen gerichte is behörende, heffstu bauen
„in den Ersten deele, under den Titel, van der hoger
„banck unde der Claringe”, welk art. XI is ontleend aan den landbrief van bisschop Van Verneberg; in de § van Leengerichte: „wat recht vorder van Stichtischen Lene
„is, is tho vinden in den ersten deele under den Titel
„van Leenrechte”; in de § van Stadtgerichte: „Stadt-
„gerichte hefft synen wigbelt 7 [7. Het „wicgbelderecht” van Oldenzaal (charter 1296) en het „wygbilderecht” van Ootmarsum (charter 1314) is eene andere benaming van stadrecht.]) ……, hier under ge-
„hören alle Borgers, unde Inwoners mit den grimden und
„guderen binnen Wigbeldes, die gerechticheyden, Plebisci-
„ten unde Statuten mach men by den Steden söken”; in de § van Hoffgerichte: „Wat des Haues rechte syn, „machstu up anderen örden waernemen.”
     Meer bijzonder nog springt dit in het oog aan het slot der § van Lantgerichte, waar het luidt: „Wat vorder
„Landtrecht unde gebruyck sy, heffstu uth dessen bökeszken,
„dat principalick und fürnemptlich daer up gemaket tho
„leren, und wes daer nicht inne begrepen, geet menn tho
„gemenen rechten.”

|pag. 297|

     Het, tot leering gemaakte, bökeszken, is het geschrift van Winhoff zelven, het door hem te samen gebrachte en uitgelegde „Landtrecht van Auerissel”. Men kan zich toch ook moeilijk voorstellen, dat de Bisschop-Landsheer, met Ridderen, knapen, de drie steden en het gemeene land op Spoolderberg overeenkomende en een verdrag makende, dit deed in de woorden: „heffstu uth dessen bökeszken”.
     Maar ook de samenhang van de na art. III volgende uitlegging pleit er voor, dat dit alles glosse of verklaring is, waarbij Winhoff het jus scriptum aanhalende en verklarende daartoe uit het jus non scriptum, wat hem belangrijk voorkomt, in zijne eigen woorden mededeelt.
     Immers onmiddelijk na de § van Hoffgerichte vat hij den draad zijner uitlegging in kleine letters weder op in deze woorden: „Dit alles presupponert wesende, vernim
„desser materien eyn kortlick bericht” en na resumtie, eindigt hij: „Item, ein Erfftal jnt gemein sal men versoken
„unde forderen, als die derde Artickel nabrenget, meth den
„Gerichte, daer dat Erffhues under gelegenn. Averst die
„gueder ynnsonderheit daer sye gelegen, als vor hen
„ghesecht”.
     Uit dit alles volgt, dat wat Winhoff van markengerichte zegt, zijn eigen omschrijving is van een in Overijssel in bijzondere zaken, die der marke, competent gericht, in het midden latende, of dit gericht zijn rechtspraak naar eigen keuren in iedere marke aan de gezamenderhandsche eigenaren dier marke ontleent: hij geeft althans geen aanleiding om te denken, dat hij de door hem gegeven omschrijving in een bisschoppelijken landbrief heeft aangetroffen.
     De ontleening aan dien van bisschop David van Bourgondie van 1457 behoort tot het gebied der legenden:

|pag. 298|

ook in dien van 1478 wordt van marken en markegerichten gezwegen.
     Zoolang nu zoodanige legende zich in academische proefschriften — ook de heer Mulder in „Bijdrage tot de kennis van den rechtstoestand der Marken, in het bijzonder van die in Overijssel blz. 36, volgt den heer Pleyte — schuil hield, deed ze geen kwaad, maar nu mij blijkt, dat ze „vires acquirit eundo”, zoo zelfs dat ze, als de staf, waarop men steunen moet, in eene rechterlijke uitspraak voetstoots aanvaard is, acht ik den tijd gekomen om er een stokje voor te steken, dat ze voortwoekert.
     Wil men nog eene aanwijzing, hoe de heer Pleyte als met een vossestaart over het door hem behandelde punt heenloopt, dan moet men doen, wat hij schijnt verzuimd te hebben, en in de Zwolsche of Deventer editie den officieelen tekst van de in 1630 gegeven Landtrechten van Over IJssel vergelijken met den tekst van Winhoff, waarop de heer Pleyte zich beroept, om te beoordeelen of toen (1630) de door hem genoemde bepalingen bleven bestaan.

     Officieele uitgaaf van de
          Landtrechten 1630.
       Van Marckengerichte.
     Tit. XXVII. 1. Marcken
gerichte sittet die Marcken-
richter of Holtrichter in de
Marcken, met den samptli-
cken erfgenamen, ende by-
sitters,in Marckensaken ende
over die Bouren nae haer
willekeuren.
     2. Maer so jemant ver-
meende veronrechtet, of be-

|pag. 298|

swaert te wesen tegens sijn
olde possessie, die mag sijn
clachte ofte actie by requeste
anden Drost derselver plaetse
institueren, ende vervolgen,
ofte an Ons als Staten des
Landes remonstreren ende
int werck stellen.

               Winhoff
          editie 1559.
       Van MarkenGlerichte.
     Markengerichte, sit die
markenRichter in der Mar-
kenn, met den sementliken
erffgenamenn, auer die buren
und bysitters offte Coueners
in markensaken na eren wil-
koren.
 
     So ener vermeynde ver-
unrechtet, offte beswaert tho
 
 
 
wesen, möchte die veruol-
genn met den Landtgerichte,
offte an den Landes Heren
klagen.

Mr. R. E. Hattink.

_______

_____________
– Hattink, Mr. R.E. (1907) De legende van Bisschoppelijk Markengerichte in Overijssel. BtdGvO, XIV. (2e serie, 4e deel), 289-299.

Category(s): Overijssel
Tags:

Comments are closed.