Korte geschiedenis O.L.V. van Sion

Korte geschiedenis O.L.V. van Sion 1 [1. Tijdens opruimwerkzaamheden in de voormalige Abdij "Sion" te Diepenveen is door Prof. dr. M. te Velde dit manuscript gevonden. Het is niet bekend wie de auteur is.]


INLEIDING

De geschiedenis van ons klooster staat niet los van de geschiedenis van de orde der Cisterciensers. Natuurlijk, ze maakt er zelfs deel van uit. Daarom kunnen we onze geschiedenis niet begrijpen, als we niets weten van de achtergronden van de tijd en van de menspn, die de geschiedenis maakten.
Een overzicht van het geheel is nodig, om een klein facet eruit te kunnen nemen. Het kennen van het kleinste kan niet zonder het kennen van het grote. In vogelvlucht volgt hier dan de geschiedenis van de orde van Citeaux.

De grote monnikenvader Benedictus, die leefde van 480 tot 547, was de grote drijfveer van het westerse monnikendom. Hij heeft het cenobietenleven, het leven in een gemeenschap, gestimuleerd en er een eigen Regel aan toe gevoegd. Veel abdijen in de tijd van Benedictus en de eeuwen die erop volgen, nemen de Regel van Benedictus als de fundament van hun gewijdt leven. Zo ontstaat ook Cluny, het beroemde klooster van de Benedictijnen in de 10e eeuw. De nadruk in Cluny komt hoofdzakelijk op de getijdengebeden en de Liturgie in het algemeen te liggen.
De 10e eeuw was een eeuw met grote tegenstellingen en angsten, echter ook van nieuw denken, Velen probeerden een nieuwe orde of invulling van het monniks- of levensprinciep. Dit is de eeuw van de kluizenaar Bruno.
De eeuw van Franciscus van Assisie. De eeuw van het fine de siecle.

De reakties op Cluny waren niet uit de lucht gegrepen. De abdij was erg
potsierlijk en men waande zich in een hemel op aarde. De monniken leefden dan ook als waren zij werkelijk al in de "zevende hemel".
Een echte reaktie op Cluny was dan ook de stichting van Molesme, door Robertus (1029 - 1111). Dit was een klooster waar de handenarbeid, de zwijgzaamheid en de armoedige eenvoud de boventoon konden voeren.
Door een stijgende belangstelling voor deze vorm van leven, maar ook door schenkingen en verplichtingen tegenover de maatschappij, vertrok Robertus in 1097 met een klein groepje monniken naar een woest stuk grond.
Op dit stuk moeras en wildernis bouwden zij hun NOVUM MONASTERIUM. Citeaux genoemd naar het latijnse Cistercie, wat moeras betekent, groeide vandaar uit tot een bloeiende orde, wiens takken zich zouden spreiden tot in deze eeuw.

Al gauw werd Robertus teruggeroepen om de abtstittel te dragen in Molesme, zodat de kleine stichting al gauw vaderloos werd. Albericus volgde hem op in 1099 als abt. Deze verplaatst het klooster naar een meer waterrijk gebied, welke wordt gewijdt in 1106, Onder abt Albericus ontvangt Citeaux de pauselijke goedkeuring, het pauselijk privelege, wat het klooster moest beschermen tegen bisschoppen en overheden, die de nieuwe stichting anders gemeen hadden kunnen manipuleren.
De derde abt, Stephanus Harding, deed de stichting van het Nieuw Klooster bevestigen in het "wetboek" Carta Caritatis, dat een belangrijk element is geworden naast de regel van Benedictus.

Onder deze abt Stephanus leed de orde een kwijnend bestaan tot in 1113 Barnardus met 32 gezellen de orde komt versterken. Langzaam begint de orde te bloeien en komen er meer stichtingen.

|pag. 1|

De stichtingen, die na de komst van Bernardus werden gedaan, waren La Ferté (1113); Pontigny (1114); Clairvaux (1115); Morimond (1115); Preuilly (1118); La Cour Dieu (1119); Bonnevaux (1119);

Bernardus werd in 1115 aangesteld als abt van Clairvaux en in die hoedanigheid heeft hij een grote stempel gedrukt op de spiritualiteit van de orde. Vanuit Clairvaux ontstaan vele nieuwe stichtingen. Ook sluiten al bestaande kloosters zich bij de orde aan.
In de 13e eeuw zijn er al wat tekenen van terugslag merkbaar. De orde bestaat dan uit zo’n 500 abdijen. Velen raken te zeer verwikkeld in wereldse aangelegenheden en ook veel leken worden toegelaten in de abdijen om op de landerijen te gaan werken.
Er ontstaat ook een machtsstrijd tussen de abt van Citeaux en de proto-abten; La Ferté, Pontigny, Clairvaux en Morimond.

Met de opkomst van de drukkunst en de universiteitssteden moesten in deze eeuw ook de monniken een voortgaande studie doen. Clairvaux krijgt in 1224 een schenking aangeboden van Mathilde de Garlande bestaande uit een huis te Parijs. Het Generaal Kapittel van 1237 werleent toestemming aan de monniken van Clairvaux dat huis te gebruiken als universiteit.

De 14e eeuw was de eeuw van het schisma in Rome, de tijd van de tegenpauzen. Dit bracht ook in de orde een splitsing teweeg. Oorlogen en pestepidimieën, plunderingen en brandstichtingen deden weel kloosters ontvolkt worden. Mede ook namens het Commende - systeem, een systeem waarbij iemand, ook al was hij van buiten het klooster, de rechten van bestuur kreeg toegedeeld. Dit systeem ontaarde in roofzuchtige, veelal als abt onbekwame schraaplieden, die soms meerdere "commende" hadden.
Als reaktie hierop ontstond in de volgende eeuwen een zeer sterke neiging om terug te keren naar de oorspronkelijke geest van Citeaux.

Als de Reformatie uitbreekt, worden weer vele kloosters verwoest. De kloosters in de Lage Landen verdwijnen geheel. De geest van de Reformatie en de opkomend Reneseance trof ook de orde. Abten gingen ower tot het protestantisme. Reaktie daarop was de Contra-Reformatie en het sterke drang naar ascetisch leven. In het begin van de 16e eeuw ontstaat dan de splitsing in de orde. Een gewone observantie en een strikte observantie worden hierdoor geboren. In 1664 hervormt de abt Armand Dean Bouthillier de Rancé het klooster La Trappe, Door zijn opvolging van abt Jouaud als vertegenwoordiger van de strikte observantie kan hij zijn hervorming doorzetten.

Dan komt in 1789 de storm van de Franse Revolutie. De novicenmeester Augustin de Lastrange van La Trappe vlucht met een aantal trouwe monniken weg uit Frankrijk. La Trappe en andere kloosters vallen in de handen van de Revelutionairen en worden geconfisceerd. Er heerst een enorme haat tegenover het relegieuze leven en de vervolging wordt ingezet.
Augustin de Lestrange kon onderdak vinden in La Valsainte, in het Zwitserland dat nog niet door Napoleon bezet was. Toen de Franse Legers de grenzen overstaken, moest hij ook daar weg en maakte vele omzwervingen door Europa. Doordat Augustin de Lestrange naar Amerika wilde, maar in Antwerpen bleef steken, vestigden zich daar enkele monniken. Zo ontstond aan het eind van de 18e eeuw de abdij West Malle.
West Malle moest echter toch een tijd opgegeven worden door de oprukkende legers van Napoleon, maar na diens val werd het weer hersteld.

|pag. 2|

Langzaam bloeiden de kloosters weer op. West Malle, die de regel van de abt Rancé onderhield, vormde een congregatie met de Belgische Trappistenabdijen. Daarnaast werden er een Franse en een Italiaanse congregatie gevormd. Deze drie congregaties, West Malle, La Trappe en Melleray, werden met pijn en moeite aan het eind van de 19e eeuw samengesmeed tot de orde van de Cisterciensers van de Strikte Observanties.

Vanuit West Malle vertrokken er in 1838 enkele monniken naar Meersel-Dreef, vlakbij de Baronie Breda. Ze vestigden zich in een onbewoonde Capucijnerklooster. Wegens een school en pastorale zorg in de omringende parochies moesten de monniken al spoedig een nieuw onderkomen zoeken.
In 1846 vonden ze de Hermitage nabij Achel en het convent van Meersel werd daarheen geleid.
Achel groeide uit tot een voorspoedige stichting en bleek in de toekomst ook met moederlijke zorgen te worden belast.

De 20e eeuw heeft niet een groot struktuur, hoewel het toch opmerkelijk is, dat de orde in de 1e helft van deze eeuw sterk groeide, maar na de catastrofale 2e Wereldoorlog, met name in de jaren ’60, het ledental sterk terugliep.
Deze turbulente, stormachtige jaren ’60 brachten ook in onze orde grote, soms dramatische gebeurtenissen. In de jaren ’70 en ’80 worden er nieuwe constituten samengesteld, die door Rome in 1990 werden goedgekeurd.

|pag. 3|

VANUIT ACHEL NAAR DIEPENVEEN

     Achel, die tot ± 1880 veel moeilijkheden ondervonden had vanaf de stichting in Meersel-Dreef, koos op 20 juni 1882 de Prior Bernardus Maria van der Seyp tot 3e abt.
Hij was een zoon van een Delftse Smid en instrumentenmaker.

Onder zijn prominente bestuur mocht Achel van een armzalig, noodlijdende abdij worden tot een welvarende abdij. Van 1882 – 1891 was de communiteit
in korte tijd gegroeid van 64 tot 95, een groei van maar liefst 44%!
De piek lag wel in 1887, toen het aantal monniken toenam tot 128.
Door deze mysterieuze, spectaculaire groei werd dit in de volksmond het ‘Mirakel van de Kluis’ genoemd; van elke 10 inkledingen gingen 7 novicen heen.

Door deze stormachtige toeloop moest de Achelse communiteit wel stichtingen doen, om het grote aantal te kunnen reduceren tot een normaal percentage van de bezetting. Geregeld “pendelde” geprofeste en nog-niet-geprofeste kloosterlingen tussen moeder- en dochterhuizen en de dochterhuizen onderling.
Een andere, minder gunstige oorzaak van de grote vlucht was de ongunstig gestemde Regering van België tegenover de Religie. Deze regering, tijdens de Liberale Partij van Frere - Orban deed de abten van het Belgische Rijk bezorgd zijn voor hun voortbestaan. Frere - Orban regeerde van 1878 - 1884.
Door de Katholieke Partij van België werd echter goed tegengas gegeven.
Dit leidde tot een verkiezingsoverwinning in 1884 van de Katholieke Partij.

Achel moest dus grond vinden voor hun nieuwe stichtingen. Dom Bernardus Maria van der Seyp’s eerste poging liep vast. Dit was een stuk grond op de Betuwe, in het plaatsje Leeuwen. Evenzo liep het met de lokatie in de Kruispeel tussen Weert en Lozen, of anders in de heide langs de Zuid-Willemsvaart. Waarschijnlijk lag de oorzaak van dit falen in de te hoge vestigingskosten.

Om die hoge kosten dus enigszins te dekken werd door Dom Bernardus van der Seyp een bedelsysteem ontworpen. Dit was echter niet nieuw, maar sprak de mensen van die tijd erg aan.
De aan te werven weldoeners vielen in twee groepen uiteen:

I de geassocieerden
II de stichters

De eerste groep gaf ƒ 100,- ineens of betaalden in 3 termijnen.
(één termijn van ƒ 50,- en twee termijnen van ƒ 25,-)
De tweede groen besteedde ƒ 1.000,- ineens of betaalden eveneens in 3 termijnen. (één van ƒ 500,- en twee termijnen van ƒ 250,-)
Deze gelden werden bij voorkeur van huis gehaald. Vandaar dat de pater of broeder die dit bedrag inde termijnganger werd genoemd. Achel had 5 of 6 broeders beschikbaar die elk een termijn in een hun toegewezen gebied hadden. Dit gebied viel overwegend samen met de grenzen van een Nederlands Bisdom.

|pag. 4|

Pater Vitus Schaepman was eind 1883 bij familie in Zwolle. Daar ontmoette hij tijdens zijn collecte de Heer Mr. Vos de Wael, die Pater Vitus toevertrouwde in zijn bezorgdheid: “Aalmoezen voor kloosters geven is goed, maar het gaat altijd zo ver weg. Nooit wordt er aan gedacht in de Noordelijke provincies een klooster te stichten.” Pater Vitus Schaepman, die familie was van de toenmalige aartsbisschop Mgr. Schaepman, antwoordde hierop, dat men best geneigd was in de Noordelijke gebieden een stichting te doen, als men maar iemand kon vinden die een grond wilde schenken.
Hierop werd door Mr. Vos de Wael geestdriftig gereageerd en deze schonk Achel op 14 oktober 1883 een landgoed, “Frieswijk” of “Vreeswijck” te Schalkhaar (toenmalige parochie Colmschate). Het was een stuk hei en bos van ± 20 ha. met een landhuis.

Dom Bernardus nam de schenking van Mr. Vos de Wael aan. Hij ging met broeder Florentius Aarts het geschonkene bezichtigen, nadat de Aartsbisschop van Utrecht, Mgr. Schaepman, toestemming had gegeven tot vestiging van een klooster op het landgoed van Mr. Vos de Wael. Men mocht er echter geen publieke kapel bouwen. Verder verkreeg men de rechten om voor deze stichting te collecteren. Op 15 december 1883 zegende de Eerwaarde abt Dom Bernardus Maria van der Seyp het landhuis en de kapel.

ONTLUIKENDE GEMEENTE

     Nu zaten ze op Frieswijk, P. Vitus Schaepman en Br. Florentius Aarts; en de stichting was nu officieel begonnen door de inwijding van Dom Bernardus Maria van der Seyp.

Het landhuis was een deftig herenhuis (een Havezathe) met bordes en balkon. Beneden waren, behalve een ruime vestibule, 6 kamers en boven 7 kamers met een groot portaal. Op de zolder waren op het zuiden nog 3 kamers met bedsteden en op het noorden nog een donker kamertje, dat afgesloten kon worden. De kelder was bijna zo groot als het hele huis.
Deze kelder was in verschillende vertrekken ingedeeld. Onder de vestibule was een ruime overwelfde gang. Onder de 6 kamers waren bergruimtes.
Het landhuis was in de 17e eeuw gebouwd door Johan van Middachten Jr., rond 1680 werd het landgoed tenminste “gevrijdt”. Het werd toen dus voor eigen gebruik door een riddermatige gebruikt, wat inhield dat men er ook kon wonen. Later zijn er nog verbouwingen aan geweest. In de winter van 1935/1936 werd het landhuis afgebroken, daar het erg bouwvallig was geworden.

Pater Vitus Schaepman, die met een karrevracht meubelair naar Frieswijk werd gezonden, op 30 november 1883, bereidde de bewoning voor. Overdag verbleef hij op het buiten, maar hij overnachtte, bij gebrek aan huisraad, in de pastorie van de parochie Colmschate. De H. Mis werd door hem in de H. Nicolaaskerk aldaar gelezen. Dit alles gebeurde met de toestemming van de eerwaarde pastoor Asma.
Van een boer uit de buurt kreeg pater Vitus Schaepman een altaar. Dit altaar stamde nog uit de “plakkatentijd”. De tijd dat de Katholieke Kerk sterk werd vervolgd en beknot door regels die op die zogenoemde Plakkaten werden afgekondigd. Van die tijd stammen eigenlijk ook de “schuilkerken”.
Bij de boeren in de omtrek van Colmschate waren dan muurkasten ingebouwd in hun boerderijen, die eventueel konden worden omgetoverd tot een prachtig altaar. Hierop werden dan de missen gelezen door de pastoors.

|pag. 5|

Op 17 december 1883 was onze stichting dus officieel van start gegaan. Rustig en vredig zaten pater Vitus Schaepman en broeder Florentius Aarts op Frieswijk. Pater Vitus moest echter weer collecteren, om de stichting een beetje te laten functioneren. Daarom bleef broeder Florentius Aarts veel alleen achter op Frieswijk. Omdat het voor kloosterlingen gevraagd is stabiliteit te hebben, sliep de Godvrezende broeder ook op het buiten. De buren raadde het hem echter sterk af. Het kon er s’nachts aardig speken! De broeder nu was niet bang uitgevallen en sloeg op die raadgevingen geen acht. Hij ging die eerste nacht op het, door de H. Benedictus vastgestelde, uur naar zijn bed. Nauwelijks lag hij in bed, toen hij een vreemd, angstaanjagend lawaai hoorde. Hij spitste zijn monniksoren. Wat zou dat kunnen zijn? Het vreemde geluid kwam van de zolder en gewapend met een knuppel en een lantaarn ging hij op onderzoek uit. Zijn hart bonsde in zijn keel. Zou het op Frieswijk toch spoken?
Zachtjes en behoedzaam klom hij de zoldertrap op. Toen hij boven was gekomen, gooide en met een zwaai de zolderluiken open en zwaait met zijn stok in het rond. Hij ziet echter geen spoken, maar wel.... uilen!
Na ze verjaagd te hebben kon hij verder vredig slapen.

Pater Vitus Schaepman bleek te goedhartig om de stichting te kunnen leiden en was vaak op collecte. Daarom werd hij terug geroepen naar Achel.
In zijn plaats werd nu pater Benedictus Maria van de Berg door Dom Bernardus Maria van der Seyp aangesteld als overste van de ontluikende kloostergemeenschap. Met pater Benedictus Maria van de Berg kwam ook broeder Franciscus Salis Nelissen, tesamen met een karrevracht meubelair. Het fundament was nu gelegd, de contouren van ons klooster gesmeedt.
Langzamerhand werden er vanuit Achel meer religieuze krachten gezonden, waardoor de reguliere oefeningen, de getijde gebeden, konden worden begonnen. Nu was er een klok gewenst, die de getijden kon aankondigen.
In het eerste helft van 1884 werd er vanuit Achel één klok gezonden.
De plaatsing geschiedde door een religieus van de abdij Tegelen, broeder Victor. De plaatsing liet wel erg lang op zich wachten. De gedacht van deze broeder scheen dan ook te zijn: “Wie de klok heeft, heeft de tijd.”

In alle opzichten was het behelpen. Een herenhuis leent zich natuurlijk niet zo voor het kloosterleven.
Daarbij kwam, dat er vlakbij een excercitieterrein was gelegen. De monniken hoorde naast hun gebedsdiensten veel minder Godvruchtige liederen! En veel bijkijks hadden deze “middeleeuwse” figuren ook te duchten van het volk in de omtrek. Men was nieuwsgierig naar het leven van deze Godvrezende en hard werkende monniken. Voor velen, we zitten namelijk in een overwegend Protestantse omgeving, was het een levend museum.
Het spreekt voor zich dat al deze publieke belangstelling en gezang onrust meebrengt. Toch hielden de broeders en paters het nog enkele jaren vol, maar in de loop der jaren werd de kwaal steeds erger.
Er moest naar een betere plek gezocht worden, om de rust en stilte te bewaren en naar een plek, die aan een kloosterbouw voldeed.

|pag. 6|

VERHUIZING EN PRIORIJ

     Mr. Vos de Wael, die zijn buiten aan ons had verhuurd en waarvan wij een nabij gelegen boerderij konden pachten voor de looptijd van 12 jaar, deed veel moeite de kloosterlingen op Frieswijk te behouden.
Door zijn standvastigheid was de verhouding met de religieuzen gespannen. Verscheidene malen dreinde er een proces.
Door invloed en sterke druk van hoger hand door o.a. Mgr. Snickers, aartsbisschop van Utrecht, en de advocaten Traveglino en Mutsaers kon dit voorkomen worden.

Niettegenstaande dat de paters al een nieuw terrein gevonden hadden, zelfs al druk aan het bouwen waren, en op het punt stonden Frieswijk te verlaten wilde Mr. Vos de Wael de paters dwingen op het landgoed te blijven.
Dat men vanuit het Achelse zo’n haast had met Mr. Vos de Wael tot een akkoord te komen is niet te verwonderen, aangezien het nieuwe klooster bijna klaar was en de intrek al bepaald was op 29 april 1890, de feestdag van de H. Robertus.
Mr. Vos de Wael was hiervan op de hoogte en wist dat de paters een buiten, 3 kwartier gaans van hun klooster, niet onderhouden konden. Hij wilde zijn vermeende rechten, een pachtsom voor 12 jaar, niet prijsgeven. Dit gedrag kan verklaard worden, aangezien Mr. Vos de Wael gemeend had zijn naam aan ons klooster te verbinden en de rechten, die een kloosterstichter heeft, kwijt dacht te zullen raken.
Maar desalniettemin was hij de stichter, dus bleef hij die rechten behouden.

De abt van Achel, Dom Barnardus Maria van der Seyp, bood Mr. Vos de Wael een vergoeding aan voor het braak laten liggen van bouwland en de kosten die voor eventuele verbouwing waren gemaakt. Hij gaf een totaalsom van ƒ 900,=. Dit bedrag werd bovenop het termijnhuurbedrag gezet. De paters hadden een huurbedrag afgesproken van ƒ 430,- per jaar.

12 jaar á ƒ 430,- ƒ 5.160,-
8 jaar á - 430,- - 3.440,- was er afgelost
= ƒ 1.720,-

Dit bedrag was de huur van de boerderij. De landhuis werd betaald door een recognitie van ƒ 5,- per jaar. Dus totaal moesten de monniken:

12 jaar recognitie á ƒ 5,- ƒ 60,-
8 jaar recognitie á . 5,- - 40,-
nog te betalen ƒ 20,-
openstaande huur – 1.720,-
ƒ 1.740,-

Mr. Vos de Wael accepteerde het aangeboden bedrag van ƒ 900,- plus de ƒ435,-. Hij bleef toch wel aandringen dat de paters Frieswijk niet zouden verlaten.

Een punt, en dit was welligd de kern van zijn handelswijze, dat Mr. Vos de Wael steeds naar voren bracht, was de onrechtmatige, eenzijdige verbreking van het contract dat de paters met de betrokkene hadden afgesproken.
De huur van Frieswijk en de pacht van de boerderij liep over 12 volle jaren. Op dit punt heeft Mr. Vos de Wael volledig in zijn recht gestaan een rechtsgeding aan te spannen. Toch heeft hij dat niet gedaan en op het laatst er zelfs in berust, dat de paters van Frieswijk vertrokken.
Hij zag, dat hij dat niet kon tegenhouden en de kosten van een rechtsgeding wilde hij er niet aan geven. Daar komt ook nog bij, dat Mr. Vos de Wael geen zuivere, precieze inzicht had over de inhoud en draagwijdte

|pag. 7|

van de “materia contractus”. Hij kon niet begrijpen, dat Frieswijk niet de geschikste plaats was voor een klooster, zoals dat omschreven staat in de Carta Caritatis, opgesteld door H. Stephanus Harding in het begin van de 12e eeuw.

Het stuk grond dat de paters in eigendom namen, lag drie kwartier gaans in de marke “Tjoene”, het huidige omgeving van Wesepe, en omvatte 2 boerderijen; “Het Leeuwen” en de “Vulick”. De boerderij “Het Leeuwen” is later afgebroken. De grond was zeer arm. Het meerendeel was hei en het besloeg een totale oppervlakte van:

ha are ca
De Vulick 42 31 20
De Leeuwen 12 98 00
Gasthuis wei 2 74 00
totale opp. 56 173 20

Toch belette de arme gronden de kloosterlingen niet de stichting daar voort te zetten.

Van een aanvervante van Mr. Vos de Wael, Jonkvrouw Helmich van Middachten, geboren op Frieswijk op 27 mei 1835 en overleden te Ems op 18 augustus 1890, hadden de paters een schenking gekregen, op voorwaarde dat in de gemeente Diepenveen het klooster gebouwd zou moeten worden.
Dit bedrag bedroeg ƒ 3.000,-.

In februari 1889 kocht men de twee aaneen gelegen boerderijen. Daarbij kocht men ook nog een weide van het Groot- of St. Elizabeth’s Gasthuis, die aan de boerderij “De Leeuwen” grensde. De totale koopsom bedroeg:

De Vulick ƒ23.900,-
De Leeuwen - 7.250,-
Gasthuis wei - 2.375,-
totaal bedrag ƒ 33.525,-

Hoewel toch zonder moeilijkheden de boerderijen waren gekocht, was er toch nog enige verwikkelingen rond de aankoop van de Vulick. De boerderij werd voor de paters aangekocht door Dhr. Roetert—Steenbrugge te Diepenveen, in het jaar 1888. Later bleek dat de familie Oosterwegel, de toenmalige eigenaars, eerder in een contract aan een maatschappij al de aanwezige oer in die gronden hadden verkocht. Deze maatschappij had tot 31 december 1899 het recht verworven die oer te mogen delven.
Hier wisten Dhr. Roeter-Steenbrugge en de paters niets van af. Ook bij de notaris werd er met geen woord over gepraat. De koopacte was echter geldig en doordat de familie Oostewegel de boerderij had verkocht,
verloor de maatschappij hun recht.

De bouw van het nieuwe klooster verliep voorspoedig, zodat de bouwlieden al eind 1889 met het binnenwerk konden beginnen. Te Frieswijk kreeg men in die tijd nog een nieuwe klok als geschenk van de firma Petit & Fritzen te Aarle-Rixtel aangeboden. De klok kreeg als naam St. Franciscus.

In februari 1890 kon de boerderij worden overgebracht naar de oude boerenwoning De Vulick. De broeders gingen mee om de komst van de paters voor te bereiden.
De laatste dagen voor 28 april 1890 kwam het meubilair en de altaren en alkoven etc. pas op het laatst, 28 april 1890.

|pag. 8|

Frieswijk lag er nu verlaten bij. Op 29 april werd de dag als een zondag gevierd, het was het feest van de H. Robertus.

Nu men een kloostergebouw had, kreeg men ook het rechtigvaardig verlangen dat de stichting zelfstandig als een priorij zou worden verheven, en een waardige plaats mocht innemen onder de andere kloosters van de Congregatie van West Malle.

De orde van La Trappe was in 1890 nog niet omgevoerd tot de orde der cisterciensers van de Strikte Observanties, maar was verdeeld in drie verschillende Congregaties. Men had eerder in de 19e eeuw pogingen ondernomen de Congregaties samen te voegen en de orde te doen herleven, door zowel de gewone Observantie als de Strenge Observantie samen te voegen. Die pogingen mislukte, maar in de jaren ’70 van de vorige eeuw (1870 - 1875) was dat op een fiasco uitgelopen.
Rond 1890 werd er een proces op gang gebracht door Paus Leo XIII met de bedoeling om van de drie congregaties van La Trappe één tak te maken.
Dit slaagde, al was het met veel pijn en moeite, in 1892. Toen heette de orde: “Orde der Hervormde Cisterciensers van La Trappe.” en Dom Sebastiaan Wyaart werd de eerste Generale Abt.

Volgens de akte van de oprichting was in 1889 een stichting in het leven geroepen door A.L. van der Lande (13-10-1829/ 19-3-1896) en zijn echtgenote A.M. van der Lande - Borgmeier (24-8-1832/ 29—9—1913).
Dit was gedaan, om de te bouwen klooster als een rechtspersoon te doen kunnen zijn. Het werd de “La Trappe-Stichting” genoemd.
Op de 6e mei 1891 kwam er vanuit de Achelse contreien het bericht, dat op het Kappitel de verheffing tot priorij werd besloten. Pater Benedictus Maria van de Berg, die overste van de gemeenschap was, was aangesteld als Prior Titularis.

Nu was de stichting tot priorij verheven, althans zo dacht men. Maar uit de verslagen van de Generale Kappitels van de orde blijkt, dat Dom Malachias Verstraten, abt van Achel sinds 15 september 1891, met recht twijfelde over de wetmatigheid van de oversten van de Achelse stichtingen in Nederland. De abten, die toen te Sept Fons in Frankrijk bijeen waren, hadden een verkeerd besluit genomen, aangezien zij geen geloof konden hechten aan de door Dom Malachias Verstraten’s te berde gebrachte dubia.

Jaren later, bij de procedure van de verheffing tot abdij, bleek dat Dom Malachias Verstraten ware woorden had gesproken.
Waarom twijfelde Dom Malachias?
De voormalige abt, Dom Bernardus Maria van der Seyp Hád toestemming gevraagd en toestemming van de betrokken bisschoppen verkregen. Hij had echter geen rekening gehouden met het Apostolisch Beneplacitum van de H. Stoel. Krachtens de constitutie “Romanos Pontifices” van 8 mei 1881, aanvankelijk alleen voor Engeland gegeven, maar later successievelijk door “De Propaganda Fide” tot álle landen welke onder haar rechtsmacht vielen, o.a. tot Nederland uitgestrekt, was dit stuk vereist voor de kloosters Echt en Diepenveen. Dit verzuim is nooit door de abt hersteld. Hieruit volgde, dat “Lilbosch” en “Sion” niet canoniek waren opgericht, dat de oversten ongeldig waren aangesteld, officieel ongeldige juridische handelingen stelden, op ongeldige wijze postulanten aannemen en professies afnamen en conventueel ongeldige stemmingen, verkiezingen of andere dergelijke handelingen hadden verricht.

|pag. 9|

Bij pogingen de priorij Lilbosch tot abdij te verheffen, werd dit afgewezen met “non expedire” - het dient tot niets-.
De diepste reden hiervan vond zijn oorzaak in het ontbreken van het apostolisch Beneplacitum, in de zin van “Romano Pontificis”.

Einde 1901 of begin 1902 werd door de Romeinse congregatie een enquete gehouden onder de residerende bisschoppen om van hen te weten te komen welke kloosters van reguliere geestelijken zich in hun diocees gevestigd hadden zonder uitdrukkelijk verlof van de H. Stoel. Hierdoor werd de kans gegeven het verzuim te herstellen. Het bisdom Roermond, in welk diocees de priorij van Echt lag, deed dit voor Lilbosch.
Voor ons diende echter noch het bisdom Utrecht, noch Dom Jacobus Fokkes het verzoekschrift in.
De “Sanatio in Radice” of “Algehele Sanatie” werd zodoende aan Echt verleent op 18 december 1902. Wij kregen de sanatie pss jaren later, eerst op 31 mei 1935.

|pag. 10|

DE TIJD VOOR DE EERSTE WERELDOORLOG

     De verheffing tot priorij bracht met zich mee, dat men nu stabiliteit kon beloven. Hier maakten 12 van de 23 gebruik van. De rest, 11 religieuzen kozen de hun gelaten vrijheid en vertrokken weer naar de moederabdij Achel.

De monniken, die de geloften van stabiliteit beloofden in de handen van de eerwaarde Prior Titularis Benedictus Maria van de Berg waren:

pater Aelred Gyrath Broeder Marcus Umans
frater Paulinus Frencken ,, Richardus Hilgers
,, Gilbertus van Kessel ,, Vitalis Simons
,, Justinus Storms ,, Raymundus Bijsterveld
,, Sigismundus Cappers ,, Columbanus Brekelmans
,, Hugo Dicker ,, Justus Hurkmans

In het najaar van 1893, tijdens een zware storm, werd een groot deel van de nieuwbouw beschadigd. Hierdoor bleek dat de bouw niet solide was, want de storm had een groot aantal leien van de daken doen regenen en de muren kraakten als houten schotten. Ieder ogenblik dacht men dat de toren naar beneden kan vallen.
Het geld voor herstel was niet aanwezig en de cellerier, pater Paulinus Freneken, liet het gebouw stutten door planken. Zo moest de communiteit in bittere armoede leven en hopen op een verbetering van financiële middelen, om de reparaties te kunnen betalen.

De prior, Dom Benedictus Maria van de Berg, leed el enige jaren aan een nierkwaal. Dit werd in 1894 nog erger en werd hij in het St. Joreph Ziekenhuis te Deventer onder behandeling gesteld.
Dom Malachias Verstraten, de abt van Achel, stelde daarom een zuperior ad interim aan, die onder leiding van de zieke Benedictus Maria van de Berg de gemeenschap zou besturen. Placidius Verheggen, een priester uit de Achelse kluis, werd als zodanig aangesteld en naar Diepenveen gezonden.
Hij liet een kerkhof aanleggen, in overleg met Dom Benedictus Maria van der Berg, in de binnenpand. Het klooster bestond toen nog uit drie vleugels, een oost—vleugel, behelsende de sacristie, een zuid-vleugel, behelsende de kerk, het gastenhuis en het ziekenhuis en een west-vleugel, behelsende de keuken en de refter.
Toen de Generale Abt, Dom Sebastiaan Wyart, onz klooster bezocht merkte hij op dat de begraafplaats niet volgens de regelementen op de juiste plaats lag en dat dit ook niet volgens het burgelijke wet zo mocht aangelgd worden. Daarom liet Dom Sebatiaan een plaats aanwijzen, dat achter de kerk gelegen was.

Enkele dagen na het bezoek van de Generale Abt, op 15 oktober 1894, overleed de ons zo dierbare prior Dom Benedictus Maria van de Berg.
Door zijn herderlijk leven en leiden van de communiteit, van de stichting in Frieswijk af, was hij zeer geliefd bij zijn medebroeders. In hem verloor de communiteit een godvruchtig, liefdevolle vader. Zijn laatste woorden waren: “Bidt, mijne broeders, bidt veel. Bidt zonder ophouden. Als gij de Geest van het gebed bezit, zijt ge volmaakte religieuzen.
Dom Benedictus, geboren in het oosten des lands, het twentse plaatsje Borne op 26 juli 1848, Overleed in de leeftijd van 46 jaar.

|pag. 11|

Hij trad in Achel binnen en werd gekleed op 16 november 1874 en deed zijn plechtige geloften op 8 december 1879. Zijn priesterwijding volgde aldra, 11 juni 1881. Als overste van de nieuwe stichting in Frieswijk werd hij aangespeld op 14 januari 1884. Van toen af heeft hij met veel overgave onze communiteit geleid. In 1891 werd hij de alleerste prior titularis van de prille priorij.

De opvolger van Dom Benedictus Maria van de Berg werd de superior ad interim Placidius Verheggen. In de korte tijd dat hij de priorij onder zijn bekwame handen had, herstelde hij de schade van de zware najaarsstorm van 1893. De bouw van de oost-vleugel verbeterde hij.

Zijn bestuur bestond nu op de eerste plaats uit het verbeteren van de bouw. Ook liet hij het arbeidershuis bouwen, dat gebruikt zou worden voor de opvang van vrouwelijke religieuzen. De vrouwen verbleven tot dan toe in het gastenverblijf onder één dak met de monniken.

Het klooster was bijzonder toegewijd aan het H. Hart van Jezus en droeg ook die officiële naam. De mensen uit de buurt noemden echter het klooster naar de boerderij de “Vulick”. Dom Placidius Verheggen zag daarin de aanleiding de oorspronkelijke naam te doen veranderen en gaf de naam “O.L.V. van Sion” aan de ontluikende priorij. De naamsverandering werd door het Generaal Kapittel van 1895 goedgekeurd.

In 1895 werd voor het klooster een Engelse tuin aangelegd met wandelpaden. Dit was dan bestemd voor de retraitanten en gasten, om die de gelegenheid te kunnen bieden voor een wandelingetje. De Tuja-haag rond de moestuin werd vervangen door een dubbele Berceau, die later een overdekte laan zou vormen. Hier konden dan de religieuzen wandelen en mediteren.

Begin 1896 werd onze communiteit opgeschrikt door het overlijden van de lekebroeder Columbanus Brekelmans. Hij was al een enkele dagen ziek. Hij werd begraven op de eerste rij van de gedeelte wat voor de lekebroeders was bestemd.

Al sinds mensenheugenis hebben de monniken van onze orde veel bijgedragen tot de culturele ontwikkeling van de maatschappij. Door de lekebroeders werd zware arbeid verricht in de landbouw. Zo werden vele stukken woeste gronden geschikt gemaakt voor de landbouw. Ieder klooster had zijn eigen voorzieningen en kon in zijn eigen behoefte voorzien, dit alles volgens de Regel van St. Benedictus: “Hij is pas waarlijk monnik, als hij leeft van het werk zijner handen”. Sinds die tijd is er veel veranderd en kan men economisch niet meer geheel onafhankelijk zijn. Om toch een goede, betrouwbare bron van inkomsten te hebben, liet Dom Placidius Verheggen in 1897 een boterfabriek starten. De boterfabriek werd gebouwd tussen het klooster en de stal een weinig verwijderd van de houten loods. Aangrenzend aan de boterfabriek werd een dorskamer gemaakt. De timmerwerkplaats volgde dan dan de zuidkant van de boterfabriek, tegelijk met een tuighuis, paardenstal en een confortabele bakkerij. Rechthoekig op deze bouw volge een muur met een poort. Aan deze muur werden ingericht, onder een afdakje, een plaats voor brandstoffen en dergelijke. Door deze bouw ontstond een binnen plaats.
Later in 1897 werden ook de panden wat hoger opgetrokken en met een plat grintdak voorzien. Zo werd de bouw, die toch niet zo solide was, verstevigd. In het voorjaar van 1898 volgde de bouw van de zogenaamde “kruis-wegpand”, die de oost- en de westvleugel verbond.

|pag. 12|

In de ontstane binnentuin werd een beeld geplaatst van O.L.V. van de Wonderbare medailje.
De oostvleugel werd nu gereserveerd voor het noviciaat, met uitzondering van een gedeelte, waar het graan opgeslagen zou worden.

Dom Placidius Verheggen voelde een zekere drang naar grotere eenzaamheid. Op 15 juni 1898 vertrok hij, na verlof te hebben gekregen, naar de Grand Chartreuze in Zwitserland. Hierdoor werd onze communiteit voor de 2e maal verstoken van een overste en dit in een zeer korte tijd.
Was het eerst door een overlijden, nu werd het vervolgd door het vertrek van een geliefde vader, die de kleine communiteit tot een bloeiperiode bracht. Vanuit Achel werd toen pater Jacobus Fokkes hierheen gezonden als de vervanger van Dom Placidius Verheggen. In de Achelse kluis had pater Jacobus Fokkes al een ruime ervaring gehad van het “rentmeesterschap”, de economische kant, en dat kon hij nu dan ook hier komen beijveren. Het zou later blijken, dat hij inderdaad vaardigheid had in het omgaan met geld. Als een ware leerling van de hervormde abt de Rance was hij niet verkwistend.
Jacobus Fokkes was geboren in het Zuid-Hollandse plaatsje Veur op 30 augustus 1855. Hij zou, bij zijn overlijden in 1934, de communiteit klaar gestoomd hebben voor de verheffing tot abdij.
In het begin van zijn bestuursperiode bracht Dom Jacobus Fokkes de strikte scheiding aan tussen de geprofesten en de novicen, wat tot dan toe nog niet gebeurd was. Dat was voorgeschreven in de constituties.

Rond de eeuwwisseling was onze communiteit flink gegroeid en het aantal aanmeldingen nam gestaag toe. Toch werden er nog geregeld novicen en geprofesten vanuit de Achelse Kluis gezonden. Dom Jacobus Fokkes verbeterde de bouw nog meer en bouwde verschillende lokalen, die hij aan de eisen van de gemeenschap aanpaste.
In de jaren van het begin van deze eeuw, 1900 tot en met 1902, werden er in het klooster wijzigingen aangebracht. De communiteit groeide en het was noodzakelijk het noviciaat te verbeteren. Dit gebeurde door enkele werkplaatsen buiten het kloostergebouw te plaatsen. De gangen werden verbreedt en verder flink verbouwd.

In 1903, op 24 juni, werd onze priorij vergast met het hoge bezoek van de aartsbisschop, Mgr. Henricus van de Wetering. Hij was op vormreis in deze buurt. Nadat de hoogeerwaarde het vormsel had toegediend in de parochiekerk Colmschate, voldeed hij aan zijn lang gekoesterde wens de kloosterlingen van “Sion” te bezoeken. Hij werd plechtig onthaald en Dom Jacobus Fokkes sprak de welkomstgroet uit, die kort doch hartelijk van toon was. Daarna werd Mgr. H. van der Wetering onder het zingen van het canticum “Benedictus Dominus Deus Israël” naar de kerk geleid.
In de Kerk werd door de religieuzen het plechtige “Te Deum” aangeheven, waarna Mgr. H. van der Wetering aan de kloostergemeenschap zijn bisschoppelijke zegen. Even later werd de hoogeerwaarde gast naar de kappitelzaal geleid, alwaar hij een kort toespraakje hield.
In deze toespraak bracht hij zijn vreugde naar voren over de priorij gelegen in zijn aartsbisdom. Hij hoopte dat zijn bezoek tot een grote zegen zou komen. Na een kort verblijf en enkele plaatsen gezien te hebben vertrok de eerwaarde naar Raalte. Bij ons een gezegende indruk achterlatend.

Toch kreeg ons klooster een zware slag te verduren. Het was namelijk een zeer natte voorjaar geweest, waardoor de oogst volledig mislukte. En de koeien, die aan een besmettelijke ziekten leden, werden afgemaakt en de koeienstal ontsmet.

|pag. 13|

Aan de westkant van de moestuin werd een houten loods geplaatst die als noodstal voor het hoornvee diende. Later werd deze loods gebruikt als een goed geoutilleerde paardenstal.

Nu komen we aan een periode, waarin de gegevens over ons “Sion” erg schaars zijn. Toch zijn in die tijd wel de belangrijkste gegevens opgetekend. In de jaren ’04 - ´09 zijn er kleine verbouwingen geweest aan de werkhuizen en in de kerk. In de kerk namelijk scheen tijdens vochtige winters de muren heel erg vochtig te zijn. Dat is toen verholpen door 2 ronds raampjes op het presbyterium te metselen. In de winter van 1908/1909 bleekdit middel zeer probaat.

In 1910 werd aan het conventueel kapittel de bouw van een gastenhuis, een vreemdenkapel en een artistieke poort. Na de gunstige stemming werd dit voorgelegd aan het generaal kapittel. De bouw werd al spoedig goedgekeurd.
Nu werd er een bestek opgemaakt, enigszins gewijzigd door de architekt L.J.P. Kooken uit Eindhoven. Op 1 maart 1911 werd met de bouw een begin gemaakt. De kostenverdeling was als volgt:

metselwerk ƒ 18.500,-
timmerwerk - 8.586,-
loodgieterswerk - 3.113,62
schilderswerk - 1.269,-
stucadoorswerk - 1.214,-
smederijwerk - 1.056,-
architect - 117,65
ƒ 33.856,27

De bouw van het gastenverblijf en de belendende poortgebouw met de kapel kwam, ondanks hard werken, toch niet eerder klaar dan op het eind van september 1911. Boven het poortgebouw werd een houten beeld van de aartsengel Michaël geplaatst, met de spreuk: “Praelietur super montem Sion”.
Dom Gabriël van den Moosdijk, de eerste abt, heeft die spreuk later nog veranderd.

Doordat we nu een gastenhuis hadden met een fraai poortgebouw, konden we het gastenverblijf onherroepelijk overplaatsen en kwam er een groot gedeelte vrij om te worden verbouwd tot een schitterende kapittelzaal.
In 1913 werd de muur in de kerk, die het broederkoor scheidde van het priesterkoor, weggebroken. De kapittelzaal werd mooi ingericht en de broederkoor kwam vrij. Het broederkoor werd voormaals gebruikt als de kapittelzaal. Volgens de Cistercienser Chronik van 1913 moesten de monniken echter door de verbouwingen veel ontzien, maar het resultaat was er ook naar.

|pag. 14|

DE 1e WERELDOORLOG 1914 – 1918

Toen de kroonprins van het Habsburgerrijk in Sarajevo was op 21 juni 1914 voor een officieel bezoek, ontplofte er bij de auto waarin hij zat een bom.
Deze miste echter doel, maar een even verder stond een andere aanslagpleger klaar met een pistool. Hij lostte twee schoten af op de stoet en deze mistte hun doel niet. De kroonprins en zijn geliefde vrouw Sofie werden dodelijk gewond. Deze moorddadige aanslag was indirect de aanleiding tot de 1e Wereldoorlog. Oostenrijk en Duitsland verklaarden de oorlog aan Bosnië. Deze werd gesteund door Engeland en Frankrijk, Rusland schaarde zich later achter de geallieerden. Zo ontspon zich een heel netwerk van gruwelijk oorlogsgeweld.
Al gauw marcheerden Duitse troepen door heel België, op weg naar de Franse Linies. De Duitsers hadden eerst een plan om via Nederland naar Frankrijk te trekken, met de bedoeling zo achter de Franse Linies te komen. Dit plan werd echter gewijzigd, zodat ons land neutraal bleef.
Wel werd er gemobiliseerd en het voedsel op rantsoen gezet. Van de oorlag hadden we echter niets te lijden.

Vanaf augustus 1914 werden verscheidenen van onze medebroeders met de Duitse nationaliteit opgeroepen voor de dienst in het Duitse leger. Daardoor verloren wij enkele krachten.

Doordat België echter wel veel te leiden had van de oorlog, bijvoorbeeld de grote slag bij de rivier de IJzer en omdat ons moederhuis óp de Belgisch-Nederlandse grens lag, werd zij geconfisceerd en ontvolkt. De monniken werden verspreid over de Nederlandse Dochterhuizen. Enkelen werden naar Tegelen overgeplaatst. Velen vonden ook bij ons onderdak en wij verwelkomden ze zeer hartelijk.

Op 29 april 1915 herdacht onze priorij het heuglijk feit van zijn 25 jarig bestaan. Dit feest werd door de abt van Achel, Dom Mauritius Lans, opgeluisterd door een pontificale hoogmis. De allereerste in de geschiedenis van ons “Sion”. De volgende dag kreeg het convent een recreatieve middag.

In juli 1916 werden 2 percelen van 42.9 are grond gekocht bij het station “Eikelhof”. Van de heer Doorninck verkregen wij door middel van een ruil 9.5 are grond, om van het goed Boxbergen een uitweg te hebben naar het station “Eikelhof”.

Abt Mauritius Lans van Achel oordeelde in maart 1917, dat zijn ballingen in ons klooster ondergedoken, hier niet langer hoefden en konden verblijven.
Het noodrantsoen was op zich al karig en met een verdubbelde communiteit zou het zeker nog krapper worden. Bij de Achelse kluis was er ondertussen een noodgebouw opgetrokken van een oude kippeschuur op het Nederlandse gebied van onze moederabdij. Dit noodgebouwtje diende dan als een onderkomen aan maximaal 25 religieuzen. Zodoende vertrokken de Achelse ballingen op 22 juni 1917 naar het noodgebouw. Het kreeg de naam van O.L.V. van de Verrijzenis.

In 1918 werd het noodrantsoen voor brood nog sterker ingeperkt. Volgens de kronieken kreeg men nu nog maar 250 gram per dag per hoofd. Hierdoor blijkt wel, dat de Achelse ballingen, afgezien van de pensionskosten, hier niet langer konden verblijven.
In de winter van 1917 - 1918 is de oostelijke vleugel van het klooster geheel verbouwd. Tot nu toe was dit gebebruikt voor het noviciaat. Nu komt er het ziekenhuis in. In januari 1918 werd de eerste electriciteitscentrale geïnstalleerd. Voor het eerst had men nu electrisch licht, echter niet voor lang, want een paar dagen later viel de stroom weer uit en moest men zich weer met kaarsen behelpen. Degene die de installatie plaatste had naar het scheen van electriciteit geen kaas gegeten.

|pag. 15|

Het duurde tot het najaar van 1918 vooraleer dit hersteld was. De bouwer was een familielid van een medebroeder van onze communiteit. Toen het euvel verholpen was had onze communiteit de gewenste gemakken van de electriciteit.

Op het laatst van de oorlog, 28 oktober 1918 kregen wij ’s middags om half een vluchtelingen uit Frankrijk aan de poort. Ze vroegen om onderdak. Het aantal was 248, terwijl we op zo’n 50 man gerekend hadden. Waar moesten wij ze plaatsen? Ze werden ondergebracht op de zolders van het gastenhuis, in alle kamers van het mannenkwartier en later nog in één kamer van het vrouwenkwartier. Onderweg hadden ze veel geleden en zelfs hier stierven er enkelen van hen. Het was eerst een ordeloze bende mensen zonder leider, daarom vroegen we en verkregen we de hulp van militairen om toch een beetje de orde te handhaven.
Langzamerhand raakten we het grootste deel kwijt en zo af en toe vertrokken er bepaalde groepjes. Zo slonk het aantal en was de mensenmassa wat overzichtelijker geworden. In januari 1919 vertrokken ze weer naar Frankrijk terug, met een dankbare herinnering aan het Hollands klooster dat hun gastvrijheid had verleent.

Op 11 november 1918 werd de vrede van Versailles getekend, nadat Duitsland zijn Keizer had zien vertrekken en de republiek van Weimar werd geboren.
Zo eindigden de angstige oorlogsjaren.

|pag. 16|

GROEI NAAR VOLWASSENHEID

De tijd na de 1e Wereldoorlog werd gekenmerkt door een opbloei van ons klooster. Enkelen van de dienstplichtigen, die bij ons geprofest waren kwamen zo langzamerhand terug. De broeders met een Duitse Nationaliteit hadden na de afloop van de “Grote Oorlog” veel te verduren, vooral in België. Alles wat Duits was riekte naar verraad. Daardoor kwamen verscheidenen hier voor een tijd.

In ons moederhuis overleed op 8 januari 1919 de eerwaarde vader abt Dom Mauritius Lans. Pas in augustus 1920 kregen we een nieuwe visitator in de persoon van Dom Vitalis Klinsky. De visitatie van 1919 werd toentertijd genomen door de abt van Westmalle.

De regering maakte in 1921 plannen voor het graven van een kanaal, welke volgens het eerste concept midden door onze goederen zou lopen. Hierdoor kregen wij op 9 juni 1921 de minister van waterstaat, dhr. König, op werkbezoek. Zijne excelentie kreeg een glas trappistenbier aangeboden en enkelen die hem vergezelden een glas verse melk. De personen die hij bij zich had, waren zijn echtgenote en zijn dochtertje, Mgr. Dr.
A.J. Poels, aalmoezenier en lid van de 2e kamer. Ze vertrokken zeer voldaan want het kanaal werd 2 kilometer verderop gegraven.

Aan het eind van dat jaar kwam er een pacht tot stand tussen onze priorij en Dhr. G. Hoekman, wonende te Averlo, gemeente Diepenveen. Het betrof de pacht van een stuk grond, dat over het spoor gelegen is tegenover het station “Eikelhof”. Het stuk weiland grensde aan de goederen van de heer Doorninck, wonende te Olst. De pacht loopt over een periode van 3 volle jaren, tot oktober 1924. Ook werd er aan de heer H. Lammers jr., die te Deventer woonde, het recht van jagen verleent op onze goederen.

Een bijzonder feit, die de kronieken in 1922 vermeldt, is het heengaan van een jongeling, frater Placidius Langer, een Duitser van geboorte en in december 1919 ingetreden. In februari ontving hij het novicenkleed. Hij was, voordat hij intrad, in de congregatie van Marianhill geweest en was te Arcen zijn Humaniora begonnen. Volgens zijn zeggen was hij geboren uit protestantse Huize, maar in de “peiculo Vitae” in de R.K. kerk te Charlottenburg gedoopt. Zijn ouders scheidde van elkaar toen hij een knaapje van ± 4 jaar was. Zijn moeder trouwde daarna met ene Schwarsbach, die in de 1e Wereldoorlog sneuvelde. Het is ongelooflijk, aldus de kronieken, hoeveel hij brieven van zijn moeder ontving, om hem het klooster uit te praten. Eens kwam hij bij de prior met het verzoek om naar Charlottenburg te gaan en daar een familieraad bij te wonen. Zo zou zijn moeder weer in de adellijke stand verheven kunnen worden. Dom Jacobus Fokkes vertrouwde het niet helemaal maar uiteindelijk liet hij hem toch 3 dagen vertrekken. Pater Franciscus zou hem vergezellen. Zo togen ze samen op weg. Na een tijd kwam pater Franciscus echter alleen terug.

|pag. 17|

Er was een ontvoeringsscene opgezet, met de bedoeling frater Placidius uit het klooster te krijgen. Frater Placidius Langer kwam niet weerom.
De geschiedenis is uitvoerig te lezen in de kronieken van 1922, blz. 102 t/m 105.

In 1923, op 26 en 27 oktober, werd de jubilerende Prior Titularis, Dom Jacobus Fokkes, getrakteerd, te samen met de gehele communiteit, op een groot feest. Dom Jacobus Fokkes was namelijk 25 jaar overste van de kleine communiteit te Diepenveen.
De abten van Westmalle, Achel, Echt, Rochefort en Tilburg waren aanwezig. Ook waren er enkele pastoors present, evenals twee priors van Zundert en Tegelen, de Deken van het Dekenaat.
Van de Pater Immediatus, Dom Vitalis Klinsky van Achel, ontving de jubilaris 2 in Mahoniehout gemoduleerde Engelen, voorstellende 2 van de 8 zaligheden. “Zalig de armen van Geest” en “Zalig zijnzij, die worden vervolgd omwille van de gerechtigheid” waren bestemd voor het Kapittel.
- Westmalle schonk een kruis dragende Christus in brons en 6 Missalia Defunctorum in leer.

- Tegelen schonk een buste van de heilige vader Barnardus.

- enkele geschenken van vrienden en vele bloemen en telegrammen.

Enkele maanden later kwam vader Generaal op bezoek met de abten vanuit Tegelen. De abten waren van Westmalle en Tilburg.
De eerwaarde Vader moedigde de communiteit aan op de ingeslagen weg door te gaan en vast te houden aan de voorschriften van Citeaux.

Op 18 mei 1926 werd onze boterfabriek opgeheven. Al vanaf het begin van de oprichting leidde de fabriek een noodleidend bestaan, tengevolge van een contract met de heer Ijssel de Schepper, die op Eikelhof, een buurtschap in de buurt, een boterfabriek heeft. Aan beide fabrieken werd een bepaalde streek aangewezen vóór melkleverenciers, van daar buiten mocht geen melk ter verwerking worden aangeboden. De fabriek op Eikelhof ging failliet, maar de heer Ijssel de Schepper hield voornoemd contract aan, totdat zich in de buurt te Olst en te Wesepe twee flinke coöperatieve Boterfebrieken gevestigd hadden, die ons een niet vol te houden concurrentie aandeden.
Aanhoudend verloren wij melkleveranciers en daarbij kwam nog de dood van broeder Robertus, die jarenlang een ijverige directeur ea was.
Een vervanger werd niet gauw gevonden. Op de boter werd niets verdiend aangezien zij Franco marktprijs aan huis bij de klanten werden gestuurd. Dom Jacobus Fokkes en zijn raad achtte het daarom raadzaam om met de fabriek te stoppen en alleen nog voor ons zelf te gaan karnen.
Zo werden wij van boterfabricant melkleverancier aan de fabriek te Wesepe.
Aan het eind van de jaren twintig ontvingen we het bericht dat Dom Vitalis Klinsky werd efgezet door het Generaal Kappitel. Zijn opvolger werd nu Dom Columbanus Tewes.

|pag. 18|

__________
- N.N. (?) Korte Geschiedenis O.L.V. van Sion.

Category(s): Diepenveen
Tags: , ,

Comments are closed.