Verordening op de Botervaten in de Gemeente Kampen

VERORDENING

OP DE

BOTERVATEN

IN DE 

Gemeente Kampen.

KAMPEN

K.   VAN   HULST.

 

[pag. 2]

wapen van Kampen

 

[pag. 3]

DE BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN KAMPEN doen te weten, dat door den Raad dier Gemeente, in zijne vergadering vanden 26 Augustus 1856, is vastgesteld de volgende verordening:

 

VERORDENING op de Botervaten in de Gemeente Kampen.

Art. 1.

Geene boter zal in andere vaten, dan die te Kampen geijkt zijn, aldaar ter waag of ter markt gebragt of verkocht mogen worden, op de boete van drie Gulden voor elk ongeijkt of elders geijkt vat; met dien verstande, dat de boete van iedere overtreding voor denzelfden persoon, niet meer dan vijf- en twintig gulden kan bedragen; deze boete is ook op den vervoerder van het vat toepasselijk.

Art. 2.

Het is verboden eenige boter, in vaten geslagen, te Kampen ter waag aan te bieden, te verkoopen of ter markt te brengen, waarvan de vaten en deksels niet zindelijk en blank zijn.
De overtreding van dit artikel zal worden gestraft met eene geldboete van één tot drie Gulden voor elk vat; zullende de boete van iedere overtreding voor denzelfden persoon echter niet meer dan vijf en twintig Gulden mogen bedragen.

[pag. 4]

Art 3.

Alle aanvoerders van boter zijn verpligt hunne, bij Art. 4 en volgende van dit reglement bedoelde vaten met boter, hetzij groot of klein, verkocht of onverkocht en te Kampen ter markt wordende gebragt of niet zonder onderscheid, ter waag aldaar te doen wegen, uitgezonderd alleen de boter welke doorgevoerd wordt, en zulks dadelijk, vóór dat de vaten in de pakhuizen der kooplieden of eenige andere bewaarplaatsen (buiten die welke bij voorraad benoodigd zijn tot berging) worden, opgeslagen, en het is aan een ieder verboden om van zoodanige vaten met boter, die niet ter waag gewogen zijn, opslag te doen.
De overtredingen van dit artikel zullen worden gestraft met de boete bij Art. 1 bepaald.

Art. 4.

De botervaten, welke te Kampen worden gemaakt en geijkt, zullen, even als de bodems en deksels, gemaakt moeten zijn van goed, zuiver, droog en blank eiken hout, zonder eenig spint, wormgaten of ander hoe ook genaamd gebrek, wordende het gebruik van alle andere soorten van hout verboden, op de boete van drie Gulden van elk vat, door den kuiper, te verbeuren, met dien verstande, dat de boete van iedere overtreding nimmer meer dan Vijf en twintig Gulden voor denzelfden persoon kan bedragen.
Daarenboven zullen de botervaten, in strijd met dit artikel vervaardigd, verbeurd verklaard of door de natemeldene ijkers voor misbruik ongeschikt worden gemaakt.

Art. 5.

Het is verboden, boter, welke te Kampen ter waag gebragt of ter verkoop wordt aangeboden te slaan in vaten, waarin reeds éénmaal boter geweest is.
Jaarlijks na den 12 Mei zal geene boter in andere

[pag. 5]

vaten, dan geijkt in hetzelfde jaar, waarin de boter ter verkoop wordt aangeboden, aldaar ter waag of ter markt gebragt mogen worden.
De overtredingen van dit artikel zullen worden gestraft met de boete bij art. 1 bepaald.

Art. 6. Een kwart vat zal gerekend worden te bevatten veertig, een achtste vat twintig en een zestiende vat tien Nederlandsche ponden boter.

Art. 7. De vaten zullen moeten wegen:

Met de bodems zonder deksels:

Het kwart vat: 6 Ned. pond 3 onc.

Achtste              3   ,,       ,,   0   ,,

Zestiende           1   ,,       ,,   5   ,,

Met de bodems en deksels:

Het kwart vat: 7 Ned. pond 0 onc.

achtste             3   ,,     ,,   5   ,,

zestiende         1   ,,     ,,   7   ,,

Bij het ijken der vaten zal nogtans voor het kwart vat één once, voor het achtste vat drie vierde once en voor het zestiende vat vijf lood, boven of beneden het hierbij vastgesteld gewigt, niet in aanmerking worden genomen.
De bodems en deksels zullen uit niet meer dan drie stukken van gelijke dikte mogen worden zamengesteld.

Art. 8. De vaten zullen de volgende afmetingen moeten hebben:

Hoogte buitenwerks:

een kwart vat niet meer dan       515 strepen,

een achtste        ,,             ,,             398        ,,

een zestiende    ,,             ,,             320        ,,

[pag. 6]

Wijdte in den buik, (buitenwerks):

een kwart vat niet meer dan       392 strepen.

een achtste        ,,             ,,             310        ,,

een zestiende    ,,             ,,             252        ,,

Wijdte boven en onder, (buitenwerks):

een kwart vat niet meer dan       346 strep. bov. en          334 strep.ond.

een achtste        ,,             ,,             274        ,,             ,,             268        ,,

een zestiende    ,,             ,,             220        ,,             ,,             214        ,,

Dikte van het hout:

een kwart vat niet meer dan       13 strep. niet minder dan            10 strep.

een achtste        ,,             ,,             10          ,,             ,,             ,,             7     ,,

een zestiende    ,,             ,,             7             ,,             ,,             ,,             5     ,,

Art. 9.

De vaten zullen van binnen wel bewerkt en glad geschaafd, de duigen over het geheel zooveel doenlijk van gelijke dikte en aan het boven- en benedeneinde van het vat, niet schuins, maar regt afgestoken moeten worden; de hoepels zullen geschild, van eene aan het soort van vat geëvenredigde dikte, en wel aangekuipt moeten zijn.
De kwart en achtste vaten zullen moeten voorzien zijn van 12 hoepels, drie aan drie bij elkander naar evenredigheid, de zestiende vaten met 9 hoepels op gelijke wijze twee aan twee en van onderen met drie.

Art. 10.

De kuipers te Kampen zullen al de door hen gemaakte vaten en deksels, met een eigen merk moeten branden, en wel aan den buik op de zamenvoeging van twee duigen, en op den bodem en het deksel, op de naden of zamenvoegingen van derzelver stukken.

Art. 11.

Effen vaten met boter, ter waag gebragt wordende, zullen minstens moeten wegen met inbegrip der deksels:

[pag. 7]

het kwart vat     47 Ned. pond 7 onc.

Achtste                24          ,,             ,,

Zestiende            12          ,,             ,,

Art. 12.

De ijk der botervaten wordt te Kampen opgedragen aan twee of meerdere Plaatselijke IJkers, welke door Burgemeester en Wethouders worden aangesteld.
Deze ijkers zullen door Burgemeester en Wethouders worden beëedigd, en bij dien eed beloven: dit Reglement getrouwelijk en zonder oogluiking te zullen opvolgen.

Art. 13.

De Kuipers te Kampen zijn verpligt de bij hen, overeenkomstig de opgemelde bepalingen gemaakte en goed bevondene vaten en deksels, bij een dezer door het Gemeente Bestuur aangestelde ijkers te doen ijken.

Art. 14.

De Kuipers te Kampen, welke botervaten maken, zijn verpligt hunne merken, op een houtje gebrand, jaarlijks vóór den laatsten Januarij, aan den Burgemeester te zenden, op verbeurte eener geldboete van drie Gulden.

Art. 15.

De IJkers zullen de aan hen ter ijking aangebodene vaten en deksels naauwkeurig moeten onderzoeken en wel toezien, dat dezelve aan al de in dit Reglement daaromtrent gemaakte bepalingen voldoen en behoorlijk zijn gemerkt, zoomede dat dezelve de vereischte digtheid bezitten, waarvan zij zich door watervulling zullen kunnen verzekeren.
Zij zullen de goed bevondene vaten en deksels, op dezelfde wijze als voor de Kuipers is bepaald, moeten merken met het wapen der stad Kampen met het Jaar

[pag. 8]

tal er onder, en de niet goed bevondene ongeijkt en met opgave der redenen aan de eigenaren terug geven.
De ter ijking aangebodene botervaten, in strijd met het bepaalde van Art. 4 vervaardigd, zullen zij meteen proces-verbaal hunner bevinding opzenden aan den Ambtenaar bij de wet met de vervolging belast.

Art. 16.

De ijkers mogen geene oude, omgewerkte, maar alleen geheel nieuwe vaten en deksels ijken, zonder daarbij eenige reeds gebruikte staven, bodems en deksels toe te laten, terwijl zij evenmin enkele duigen of stukken van deksels mogen ijken of hunne merken ten gebruike aan Kuipers toevertrouwen, op straffe van dadelijke ontzetting uit hunne betrekking.

Art. 17.

De Kuipers te Kampen, al hadden zij ook de merkijzers van den IJker ontvangen, zullen daarvan nimmer gebruik mogen maken, op eene boete van Vijf en twintig Gulden en eene gevangenisstraf van drie dagen.

Art. 18.

De IJkers zullen een register, volgens een door Burgemeester en Wethouders te geven voorschrift, moeten aanleggen en bijhouden van de door hen geijkt wordende vaten en de namen der Kuipers.

Art. 19.

De Waagmeester is verpligt om bij de weging, onder het, op het staafwerk en de deksels geplaatste ijkmerk, het wapen der Stad Kampen met de drie groote torens en het woord Kampen er onder, te branden, ten blijke, dat het vat éénmaal met boter is gevuld geweest.
Het is den Waagmeester verboden, om zoodanige vaten met boter, waarop voormeld wapen aanwezig is, andermaal te wegen.

[pag. 9]

Art. 20.

Ten einde een behoorlijk toezigt op deBoterwaag en de inning van het waaggeld te houden, zoomede om de rigtige uitvoering van dit Reglement te verzekeren, zal door Burgemeester en Wethouders een Keurmeester tot weder opzeggens toe worden aangesteld en van eene instructie voorzien.
De Keurmeester zal door Burgemeester en Wethouders worden beëedigd, en bij dien eed moeten beloven, dit reglement benevens zijne instructie getrouwelijk en zonder oogluiking te zullen opvolgen en nakomen.

Art. 21.

Het is den Keurmeester en den IJkers der botervaten, op straffe van dadelijk ontslag uit derzelver bediening, verboden om zich op eenigerlei wijze, met handel in botervaten in te laten, of, hetzij direct of indirect, in eenige handelsbetrekking tot eenen kuiper te staan.

Art. 22.

De Keurmeester der botervaten zal, doch niet ondanks de bewoners, van zons op, tot zons ondergang, menigvuldige visitatiën doen aan de kuiperswinkels, de magazijnen van botervaten, die van bekenden, boteropslag, en aan de schepen, welke gewoonlijk boter, vervoeren; voorts op alle botermarkten, welke in de Stad Kampen gehouden worden, zoomede aan de boterwaag, geregeld tegenwoordig moeten zijn.
Hij zal van tijd tot tijd de registers nazien, welke de IJkers volgens artikel 18 verpligt zijn te houden.

Art. 23.

De Keurmeester zal bijzonder moeten waken, dat aan de bepalingen van dit Reglement, ten allen tijde, worde voldaan. Hij zal van alle overtredingen een duidelijk en naauwkeurig proces-verbaal opmaken, en hetzelve doen geworden aan den Ambtenaar

[pag. 10]

bij de Wet met de vervolging belast. Hij zal alle drie maanden een schriftelijk verslag van zijne bevinding en werkzaamheden aan Burgemeester en Wethouders moeten inleveren.

Art. 24

De IJkers, beëedigde waagmeester en dienaren van Policie te Kampen worden gelast, tot de stipte nakoming van dit Reglement mede te werken en daartoe tegen alle overtredingen van hetzelve, processen verbaal op te maken en dezelve aan den Ambtenaar, bij de Wet met de vervolging belast, in te zenden.

Kampen, den 26 Augustus 1856.

De Gemeente Raad voornoemd:

 

H. WTTEWAALL VAN STOETWEGEN,

N. VAN BERKUM BIJSTERBOS JR.

 

Zijnde deze verordening aan de GEDEPUTEERDE STATEN van Overijssel, volgens hun berigt van den 4 September 1856, in afschrift medegedeeld.En is hiervan afkondiging geschied, waar het behoort, den 14 September 1856.

 

Burgemeester en Wethouders voornoemd:

 

H. WTTEWAALL VAN STOETWEGEN,

N. VAN BERKUM BIJSTERBOS JE.

Category(s): Kampen
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *